Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:10608
2026-08-06
Strafrecht
15/014522-19 (ontneming)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ontnemingsvonnis. Grondslag artikel 36e derde lid Sr. Eenvoudige kasopstelling. Overschrijding redelijke termijn.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.266 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/014522-19 (ontneming)
Uitspraakdatum : 6 augustus 2026
Tegenspraak ex artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie van 16 juli 2026 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (hierna: de vordering), in de zaak tegen:
[Veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
1De vordering
De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr zal vaststellen op € 197.807,99 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr. Volgens de officier van justitie is het aannemelijk dat de feiten waarvoor de veroordeelde bij vonnis van deze rechtbank van 29 augustus 2024 is veroordeeld of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
2Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft de vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 15 augustus 2024. De rechtbank heeft op die zitting de strafzaak inhoudelijk behandeld en de behandeling van de vordering aangehouden voor onbepaalde tijd. Daarbij heeft de rechtbank termijnen bepaald voor het uitwisselen van schriftelijke standpunten (conclusies) ter voorbereiding op de behandeling van de vordering op zitting.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadsvrouw van de veroordeelde gewisselde conclusies.
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 23 juli 2026. Daarbij zijn de gemachtigd raadsvrouw van de veroordeelde, mr. A. Çimen (advocaat te Amsterdam) en de officier van justitie, mr. D. Sarian, gehoord. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 6 augustus 2026.
3Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de rechtbank de vordering integraal zal toewijzen. Verder heeft de officier van justitie gevorderd de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen aan de veroordeelde en de in de strafzaak als medeverdachte aangemerkte [medeverdachte] .
4Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel afgewezen moet worden, omdat geen sprake is van enig wederrechtelijk verkregen voordeel. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de betalingsverplichting te verminderen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
5.1
Grondslag van de vordering
Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, als aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij vonnis van deze rechtbank van 29 augustus 2024 is de veroordeelde onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarbij – kort gezegd – is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan twee diefstallen door twee of meer verenigde personen, waarbij één van die diefstallen werd vergezeld van geweld tegen personen, het medeplegen van witwassen en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie.
Gelet op de bewezenverklaring is de veroordeelde onder meer veroordeeld voor misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Dit brengt mee dat een wettelijke grondslag aanwezig is voor de vordering van de officier van justitie jegens de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr.
5.2
De ontnemingsrapportage
Op 23 mei 2024 is door de Koninklijke Marechaussee een ontnemingsrapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde en de medeverdachte. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.
Eenvoudige kasopstelling
Omdat in het strafrechtelijk onderzoek geen volledig zicht is verkregen op alle individuele transacties en strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten, wordt in het ontnemingsrapport gebruik gemaakt van een eenvoudige kasopstelling over de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 juli 2019. Bij deze methode worden de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden. Daarbij wordt geen directe relatie gelegd tussen de strafbare feiten en de onverklaarbare inkomsten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt op basis van de berekening in de ontnemingsrapportage € 197.807,99.
5.3
De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het onderzoek ter terechtzitting en het volledige dossier van de strafzaak (waaronder de ontnemingsrapportage) voldoende aannemelijk is dat de veroordeelde op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit andere dan de bewezen verklaarde strafbare feiten.
Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, neemt de rechtbank als uitgangspunt de berekening zoals deze is gemaakt in de ontnemingsrapportage. De rechtbank acht de kasopstelling, die gemaakt is op basis van gegevens die zijn ontleend aan het onderzoek, deugdelijk en betrouwbaar. Omdat de veroordeelde meer contante uitgaven heeft gedaan dan verantwoord kan worden met beschikbare legale contante gelden, is sprake van onverklaarbaar vermogen dat wordt verondersteld van criminele herkomst afkomstig te zijn en dus wederrechtelijk verkregen voordeel te zijn.
De berekening volgens de ontnemingsrapportage is als volgt:
(Eenvoudige) kasopstelling
(€)
(€)
Beginsaldo contant geld
- Legale ontvangsten inclusief bankopnamen
- Bankopnamen Spaanse bankrekening
€ 0,00
€ 10.461.000
€ 18.690,00
Eindsaldo 25 juli 2019-/-
€ 14.738,36
Beschikbaar voor het doen van uitgaven
€ -14.412,64
Uitgaven
- Bankstortingen Nederland
- Bankstortingen Spanje
- Contant betaalde facturen
- Money transfers
- Voertuigen
- Nibud
€ 73.746,57
€ 68.896,97
€ 5.751,25
€ 6.670,00
€ 18.650,00
€ 38.505,84
Totaal contante uitgaven
€ 212.220,63
Wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 197.807,99
Girale bijschrijvingen
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte geen rekening is gehouden met een aantal legale bijschrijvingen, te weten de ontvangen zorgtoeslag, het kindgebonden budget, de kinderbijslag en een bijschrijving van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat in de eenvoudige kasopstelling (zowel aan de inkomsten- als aan de uitgavenkant) enkel contante geldstromen zijn meegenomen en de door de verdediging aangehaalde bijschrijvingen girale overboekingen betreffen.
Bankstortingen Spanje en Nederland
Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de bankstortingen op de Nederlandse en Spaanse bankrekeningen (vermeld onder de post ‘uitgaven’) ook onder ‘inkomsten’ moeten worden opgenomen, omdat de Nederlandse stortingen ontvangsten van familie betreffen en de Spaanse stortingen inkomsten uit verhuur van de Spaanse vakantiewoning. De rechtbank volgt de verdediging niet in dit standpunt. De rechtbank kan op basis van het dossier vaststellen dat de veroordeelde en de medeverdachte in de onderzochte periode in het bezit waren van een woning met parkeergarage in Spanje. Uit het dossier blijkt echter niet dat inkomsten zijn gegenereerd uit de verhuur van die woning. Dit brengt ook mee dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de contante stortingen op de Spaanse bankrekeningen gelden betreffen die afkomstig zijn van de verhuur van die woning. Er is bijvoorbeeld geen administratie overgelegd en de enkele verklaring van de veroordeelde dat hij de woning heeft verhuurd, is daartoe onvoldoende.
Ten aanzien van de Nederlandse bankstortingen heeft de in de strafzaak als medeverdachte aangemerkte [medeverdachte] verklaard dat zij financiële steun krijgt van haar familie en van de familie van de veroordeelde. Deze stelling is echter niet (met stukken) aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal ook dit verweer van de raadsvrouw verwerpen.
6. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op een bedrag van € 197.807,99.
De rechtbank is van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
Draagkracht
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om een aan hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel. Daarbij noemt de rechtbank volledigheidshalve dat hoewel in de hoofdzaak een vordering van de benadeelde partij is toegewezen, dit bedrag niet in mindering wordt gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het vonnis waarbij die vordering is toegewezen, is op dit moment (nog) niet onherroepelijk en het bedrag is (nog) niet voldaan.
Vordering hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank zal – anders dan de officier van justitie heeft gevorderd – niet bepalen dat de veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk is voor de betalingsverplichting. Ingevolge artikel 36e, zevende lid, Sr kan de rechter bij de vaststelling van het ontnemingsbedrag op grond van artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr voor feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd bepalen dat deze hoofdelijk dan wel voor een door de rechter te bepalen deel aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting. Het zevende lid van artikel 36e Sr beperkt zich dus tot de situatie waarin het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid van dat artikel. Omdat in deze zaak het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid van artikel 36e Sr maar op grond van het derde lid van dat artikel, bestaat voor hoofdelijke toewijzing in dit geval geen rechtsgrond.
Verdeelsleutel
De rechtbank stelt voorop dat indien sprake is van meerdere daders, als uitgangspunt dient te gelden het voordeel dat een ieder daadwerkelijk heeft genoten. Het voordeel wordt pondspondsgewijs verdeeld als over de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen andere aanwijzingen bestaan.
In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om tot een pondspondsgewijze verdeling te komen tussen de veroordeelde en de in de strafzaak als medeverdachte aangemerkte [medeverdachte] . Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er voldoende aanwijzingen dat sprake is (geweest) van een gezamenlijke huishouding en een economische eenheid. Dit leidt ertoe dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat voor rekening van de veroordeelde komt, zal worden gehalveerd.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere betrokkene is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een ontnemingsvordering aanhangig zou worden gemaakt.
Ingevolge artikel 511b, lid 1, Sv moet een ontnemingsvordering zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt. De rechtbank constateert dat de ontnemingsvordering op 22 juli 2024 aan de veroordeelde is betekend en dat deze vordering op 15 augustus 2024 aanhangig is gemaakt ter terechtzitting. De rechtbank zal daarom 22 juli 2024 als uitgangspunt nemen voor de start van de redelijke termijn, aangezien de veroordeelde vanaf dat moment ervan op de hoogte was dat er een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig was. Dit betekent dat de redelijke termijn afliep op 22 juli 2026. Het onderhavige ontnemingsvonnis wordt op 6 augustus 2026 gewezen, waardoor er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van twee weken. Gelet op deze kortdurende overschrijding ziet de rechtbank geen aanleiding om het ontnemingsbedrag te verminderen en volstaat zij met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Conclusie betalingsverplichting
De rechtbank zal het door veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op (€ 197.807,99 / 2 =) € 98.903,99.
7Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
8Beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 98.903,99 (achtennegentigduizend negenhonderdendrie euro en negenennegentig cent);
legt aan de veroordeelde, [Veroordeelde], de verplichting op tot betaling aan de Staat van
€ 98.903,99 (achtennegentigduizend negenhonderdendrie euro en negenennegentig cent), ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op 989 dagen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.E.A. Chao, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. I.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 augustus 2026
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (27RATHDOWNEY / 27FCE180004) van 23 mei 2024, naar waarheid opgemaakt door verbalisanten S.J.C. Fase en P.J. Teunissen, p. 1 t/m 16, met bijlagen.
Pagina 11 van de ontnemingsrapportage.
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/014522-19 (ontneming)
Uitspraakdatum : 6 augustus 2026
Tegenspraak ex artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie van 16 juli 2026 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (hierna: de vordering), in de zaak tegen:
[Veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
1De vordering
De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr zal vaststellen op € 197.807,99 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr. Volgens de officier van justitie is het aannemelijk dat de feiten waarvoor de veroordeelde bij vonnis van deze rechtbank van 29 augustus 2024 is veroordeeld of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
2Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft de vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 15 augustus 2024. De rechtbank heeft op die zitting de strafzaak inhoudelijk behandeld en de behandeling van de vordering aangehouden voor onbepaalde tijd. Daarbij heeft de rechtbank termijnen bepaald voor het uitwisselen van schriftelijke standpunten (conclusies) ter voorbereiding op de behandeling van de vordering op zitting.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadsvrouw van de veroordeelde gewisselde conclusies.
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 23 juli 2026. Daarbij zijn de gemachtigd raadsvrouw van de veroordeelde, mr. A. Çimen (advocaat te Amsterdam) en de officier van justitie, mr. D. Sarian, gehoord. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 6 augustus 2026.
3Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de rechtbank de vordering integraal zal toewijzen. Verder heeft de officier van justitie gevorderd de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen aan de veroordeelde en de in de strafzaak als medeverdachte aangemerkte [medeverdachte] .
4Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel afgewezen moet worden, omdat geen sprake is van enig wederrechtelijk verkregen voordeel. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de betalingsverplichting te verminderen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
5.1
Grondslag van de vordering
Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, als aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij vonnis van deze rechtbank van 29 augustus 2024 is de veroordeelde onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarbij – kort gezegd – is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan twee diefstallen door twee of meer verenigde personen, waarbij één van die diefstallen werd vergezeld van geweld tegen personen, het medeplegen van witwassen en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie.
Gelet op de bewezenverklaring is de veroordeelde onder meer veroordeeld voor misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Dit brengt mee dat een wettelijke grondslag aanwezig is voor de vordering van de officier van justitie jegens de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr.
5.2
De ontnemingsrapportage
Op 23 mei 2024 is door de Koninklijke Marechaussee een ontnemingsrapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde en de medeverdachte. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.
Eenvoudige kasopstelling
Omdat in het strafrechtelijk onderzoek geen volledig zicht is verkregen op alle individuele transacties en strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten, wordt in het ontnemingsrapport gebruik gemaakt van een eenvoudige kasopstelling over de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 juli 2019. Bij deze methode worden de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden. Daarbij wordt geen directe relatie gelegd tussen de strafbare feiten en de onverklaarbare inkomsten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt op basis van de berekening in de ontnemingsrapportage € 197.807,99.
5.3
De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het onderzoek ter terechtzitting en het volledige dossier van de strafzaak (waaronder de ontnemingsrapportage) voldoende aannemelijk is dat de veroordeelde op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit andere dan de bewezen verklaarde strafbare feiten.
Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, neemt de rechtbank als uitgangspunt de berekening zoals deze is gemaakt in de ontnemingsrapportage. De rechtbank acht de kasopstelling, die gemaakt is op basis van gegevens die zijn ontleend aan het onderzoek, deugdelijk en betrouwbaar. Omdat de veroordeelde meer contante uitgaven heeft gedaan dan verantwoord kan worden met beschikbare legale contante gelden, is sprake van onverklaarbaar vermogen dat wordt verondersteld van criminele herkomst afkomstig te zijn en dus wederrechtelijk verkregen voordeel te zijn.
De berekening volgens de ontnemingsrapportage is als volgt:
(Eenvoudige) kasopstelling
(€)
(€)
Beginsaldo contant geld
- Legale ontvangsten inclusief bankopnamen
- Bankopnamen Spaanse bankrekening
€ 0,00
€ 10.461.000
€ 18.690,00
Eindsaldo 25 juli 2019-/-
€ 14.738,36
Beschikbaar voor het doen van uitgaven
€ -14.412,64
Uitgaven
- Bankstortingen Nederland
- Bankstortingen Spanje
- Contant betaalde facturen
- Money transfers
- Voertuigen
- Nibud
€ 73.746,57
€ 68.896,97
€ 5.751,25
€ 6.670,00
€ 18.650,00
€ 38.505,84
Totaal contante uitgaven
€ 212.220,63
Wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 197.807,99
Girale bijschrijvingen
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte geen rekening is gehouden met een aantal legale bijschrijvingen, te weten de ontvangen zorgtoeslag, het kindgebonden budget, de kinderbijslag en een bijschrijving van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat in de eenvoudige kasopstelling (zowel aan de inkomsten- als aan de uitgavenkant) enkel contante geldstromen zijn meegenomen en de door de verdediging aangehaalde bijschrijvingen girale overboekingen betreffen.
Bankstortingen Spanje en Nederland
Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de bankstortingen op de Nederlandse en Spaanse bankrekeningen (vermeld onder de post ‘uitgaven’) ook onder ‘inkomsten’ moeten worden opgenomen, omdat de Nederlandse stortingen ontvangsten van familie betreffen en de Spaanse stortingen inkomsten uit verhuur van de Spaanse vakantiewoning. De rechtbank volgt de verdediging niet in dit standpunt. De rechtbank kan op basis van het dossier vaststellen dat de veroordeelde en de medeverdachte in de onderzochte periode in het bezit waren van een woning met parkeergarage in Spanje. Uit het dossier blijkt echter niet dat inkomsten zijn gegenereerd uit de verhuur van die woning. Dit brengt ook mee dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de contante stortingen op de Spaanse bankrekeningen gelden betreffen die afkomstig zijn van de verhuur van die woning. Er is bijvoorbeeld geen administratie overgelegd en de enkele verklaring van de veroordeelde dat hij de woning heeft verhuurd, is daartoe onvoldoende.
Ten aanzien van de Nederlandse bankstortingen heeft de in de strafzaak als medeverdachte aangemerkte [medeverdachte] verklaard dat zij financiële steun krijgt van haar familie en van de familie van de veroordeelde. Deze stelling is echter niet (met stukken) aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal ook dit verweer van de raadsvrouw verwerpen.
6. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op een bedrag van € 197.807,99.
De rechtbank is van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
Draagkracht
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om een aan hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel. Daarbij noemt de rechtbank volledigheidshalve dat hoewel in de hoofdzaak een vordering van de benadeelde partij is toegewezen, dit bedrag niet in mindering wordt gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het vonnis waarbij die vordering is toegewezen, is op dit moment (nog) niet onherroepelijk en het bedrag is (nog) niet voldaan.
Vordering hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank zal – anders dan de officier van justitie heeft gevorderd – niet bepalen dat de veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk is voor de betalingsverplichting. Ingevolge artikel 36e, zevende lid, Sr kan de rechter bij de vaststelling van het ontnemingsbedrag op grond van artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr voor feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd bepalen dat deze hoofdelijk dan wel voor een door de rechter te bepalen deel aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting. Het zevende lid van artikel 36e Sr beperkt zich dus tot de situatie waarin het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid van dat artikel. Omdat in deze zaak het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid van artikel 36e Sr maar op grond van het derde lid van dat artikel, bestaat voor hoofdelijke toewijzing in dit geval geen rechtsgrond.
Verdeelsleutel
De rechtbank stelt voorop dat indien sprake is van meerdere daders, als uitgangspunt dient te gelden het voordeel dat een ieder daadwerkelijk heeft genoten. Het voordeel wordt pondspondsgewijs verdeeld als over de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen andere aanwijzingen bestaan.
In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om tot een pondspondsgewijze verdeling te komen tussen de veroordeelde en de in de strafzaak als medeverdachte aangemerkte [medeverdachte] . Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er voldoende aanwijzingen dat sprake is (geweest) van een gezamenlijke huishouding en een economische eenheid. Dit leidt ertoe dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat voor rekening van de veroordeelde komt, zal worden gehalveerd.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere betrokkene is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een ontnemingsvordering aanhangig zou worden gemaakt.
Ingevolge artikel 511b, lid 1, Sv moet een ontnemingsvordering zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt. De rechtbank constateert dat de ontnemingsvordering op 22 juli 2024 aan de veroordeelde is betekend en dat deze vordering op 15 augustus 2024 aanhangig is gemaakt ter terechtzitting. De rechtbank zal daarom 22 juli 2024 als uitgangspunt nemen voor de start van de redelijke termijn, aangezien de veroordeelde vanaf dat moment ervan op de hoogte was dat er een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig was. Dit betekent dat de redelijke termijn afliep op 22 juli 2026. Het onderhavige ontnemingsvonnis wordt op 6 augustus 2026 gewezen, waardoor er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van twee weken. Gelet op deze kortdurende overschrijding ziet de rechtbank geen aanleiding om het ontnemingsbedrag te verminderen en volstaat zij met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Conclusie betalingsverplichting
De rechtbank zal het door veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op (€ 197.807,99 / 2 =) € 98.903,99.
7Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
8Beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 98.903,99 (achtennegentigduizend negenhonderdendrie euro en negenennegentig cent);
legt aan de veroordeelde, [Veroordeelde], de verplichting op tot betaling aan de Staat van
€ 98.903,99 (achtennegentigduizend negenhonderdendrie euro en negenennegentig cent), ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op 989 dagen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.E.A. Chao, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. I.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 augustus 2026
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (27RATHDOWNEY / 27FCE180004) van 23 mei 2024, naar waarheid opgemaakt door verbalisanten S.J.C. Fase en P.J. Teunissen, p. 1 t/m 16, met bijlagen.
Pagina 11 van de ontnemingsrapportage.