Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:10602

2026-07-01 Civiel recht C/15/363357
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-07-01
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/15/363357
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

CMS heeft gedaagde sub 1 en Freedom Ventures bijgestaan in verschillende juridische procedures waarin zij als (indirect) bestuurder van O2 Health B.V. werden aangesproken door de Staat tot betaling van een vordering van 43 miljoen euro wegens geleverde mondkapjes die ondeugdelijk waren. Gedaagde sub 1 en Freedom Ventures hebben een deel van de facturen die CMS voor haar werkzaamheden heeft gestuurd niet betaald. CMS vordert in deze procedure betaling daarvan. Gedaagde sub 1 voert verweer en vordert in reconventie de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst met CMS, omdat CMS tekort zou zijn geschoten in haar verplichtingen. De rechtbank wijst de vorderingen van CMS in conventie grotendeels toe en wijst de vorderingen van gedaagde sub 1 in reconventie af.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (37.543 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland


Civiel recht



Zittingsplaats Alkmaar



Zaaknummer: C/15/363357 / HA ZA 25-155




Vonnis van 1 juli 2026




in de zaak van




CMS DERKS STAR BUSMANN N.V.,
te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: CMS,
advocaat: mr. P.J. Soede,



tegen





1 [gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
advocaat: mr. M.A. Oostendorp,




2
2. FREEDOM VENTURES B.V.,

te Heerhugowaard,
gedaagde partij in conventie,
hierna te noemen: Freedom Ventures,
niet verschenen.





De zaak in het kort

CMS heeft [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures bijgestaan in verschillende juridische procedures waarin zij als (indirect) bestuurder van O2 Health B.V. werden aangesproken door de Staat tot betaling van een vordering van 43 miljoen euro wegens geleverde mondkapjes die ondeugdelijk waren. [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures hebben een deel van de facturen die CMS voor haar werkzaamheden heeft gestuurd niet betaald. CMS vordert in deze procedure betaling daarvan. [gedaagde sub 1] voert verweer en vordert in reconventie de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst met CMS, omdat CMS tekort zou zijn geschoten in haar verplichtingen. De rechtbank wijst de vorderingen van CMS in conventie grotendeels toe en wijst de vorderingen van [gedaagde sub 1] in reconventie af.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 september 2025,
- de akte van CMS met de aanvullende producties 30 en 31,
- de akte van [gedaagde sub 1] met de aanvullende producties 4 t/m 8,
- de mondelinge behandeling van 8 april 2026, waar beide advocaten spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarvan door de griffier voor het overige aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[gedaagde sub 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van Freedom Ventures, die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van O2 Health B.V. (hierna: O2 Health).



2.2.
O2 Health heeft na de uitbraak van de coronacrisis overeenkomsten met de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) gesloten voor de levering van mondmaskers. Tussen de Staat en O2 Health zijn geschillen ontstaan over de kwaliteit van de geleverde mondmaskers. Dit heeft geleid tot een vonnis van 21 december 2022 van deze rechtbank, waarin O2 Health is veroordeeld tot betaling van ruim € 43 miljoen aan de Staat.



2.3.
Nadat betaling van dat bedrag aan de Staat uitbleef, heeft de Staat Freedom Ventures en [gedaagde sub 1] als (directe en indirecte) bestuurders van O2 Health aansprakelijk gesteld voor de betaling van het toegewezen bedrag.



2.4.

[gedaagde sub 1] en Freedom Ventures hebben het advocatenkantoor CMS verzocht hen bij te staan in de civielrechtelijke procedure over de bestuurdersaansprakelijkheid en in een kort geding tegen de Staat tot opheffing van ten laste van hen gelegde beslagen.



2.5.
Op 2 februari 2023 heeft CMS een schriftelijke opdrachtbevestiging verstuurd aan [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures, waarbij ook de toepasselijke Algemene Voorwaarden zijn meegezonden.



2.6.
De rechtbank heeft de vorderingen van de Staat uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid bij vonnis van 28 februari 2024 afgewezen. De Staat heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.



2.7.
Op 26 maart 2024 hebben [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures met bijstand van CMS de Staat in kort geding betrokken en opheffing van gelegde conservatoire beslagen gevorderd. De voorzieningenrechter heeft deze vordering bij vonnis van 17 april 2024 afgewezen.



2.8.

CMS heeft in de periode van 30 maart 2023 tot en met 25 juni 2024 facturen voor haar werkzaamheden gezonden tot een bedrag van in totaal € 263.505,62.
Hiervan is € 151.129,- betaald en staat nog € 112.376,62 open.




2.9.
Ondanks sommaties van CMS zijn Freedom Ventures en [gedaagde sub 1] niet tot betaling van de openstaande facturen overgegaan.





3Het geschil



in conventie




3.1.

CMS vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan CMS van € 123.909,59 (de onbetaalde facturen inclusief rente berekend tot 1 januari 2025), vermeerderd met de wettelijke handelsrente tot aan de dag van volledige voldoening van de vordering;
II. [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 16.856,49, althans € 1.949,81, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige voldoening van de vordering;
III. [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proceskosten, inclusief de nakosten, met wettelijke rente.




3.2.

[gedaagde sub 1] voert verweer.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.



in reconventie





3.4.

[gedaagde sub 1] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:


1. de tussen CMS en [gedaagde sub 1] gesloten overeenkomst gedeeltelijk ontbindt voor zover deze betrekking heeft op de werkzaamheden aangaande het kort geding,
2. CMS veroordeelt tot betaling van het bedrag van € 15.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening van de vordering,
3. CMS veroordeelt tot betaling van de proceskosten.




3.5.
CMS voert verweer.



3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



in conventie en reconventie




4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen.



4.2.
De kern van het geschil ziet op het volgende. CMS heeft [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures bijgestaan in een civiele procedure in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid en in een kort geding tot opheffing van beslagen. CMS heeft voor de verrichte werkzaamheden facturen verstuurd aan [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures. Een deel van deze facturen is niet betaald. CMS vordert daarom betaling van het openstaande bedrag, vermeerderd met de wettelijke handelsrente.



4.3.

[gedaagde sub 1] voert op een aantal punten verweer, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de procedure over de bestuurdersaansprakelijkheid en het kort geding. Kort gezegd vindt hij de bedragen die CMS met betrekking tot de bestuurdersaansprakelijkheids-procedure in rekening heeft gebracht te hoog en dat CMS hem niet goed heeft voorgelicht en geadviseerd over de kosten en kansen van de kortgedingprocedure.



4.4.
De rechtbank zal in het vervolg van dit vonnis eerst ingaan op de vraag of [gedaagde sub 1] in deze zaak contractspartij is van CMS en of hij als consument gekwalificeerd moet worden. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of [gedaagde sub 1] de facturen van CMS ten aanzien van de procedure over bestuurdersaansprakelijkheid moet betalen. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de vorderingen die in zowel conventie als reconventie zijn ingediend ter zake het kort geding.



De procedure over de bestuurdersaansprakelijkheid






[gedaagde sub 1] is contractspartij





4.5.
Voor zover [gedaagde sub 1] betwist dat hij (naast Freedom Ventures) contractspartij van CMS is, faalt dit verweer. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat in de opdrachtbevestiging enkel Freedom Ventures als debiteur staat vermeld. De rechtbank stelt echter vast dat op de opdrachtbevestiging zowel Freedom Ventures als [gedaagde sub 1] als cliënt/opdrachtgever is vermeld. Het ligt ook voor de hand dat de opdracht (mede) door [gedaagde sub 1] is gegeven, hij werd immers (ook) door de Staat als indirect bestuurder van O2 Health door de Staat gedagvaard in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure. [gedaagde sub 1] heeft zijn verweer dat hij geen contractspartij is in dit licht bezien onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.



Consumentenrecht niet van toepassing





4.6.

[gedaagde sub 1] voert aan dat hij in deze zaak als consument kwalificeert, zodat de overeenkomst tussen CMS en [gedaagde sub 1] aan het (Europeesrechtelijk) consumentenrecht getoetst moet worden. Volgens [gedaagde sub 1] voldoet de met CMS gesloten overeenkomst niet aan het consumentenrecht, omdat CMS vooraf geen reële inschatting heeft gegeven van de totale kosten van de betreffende (deel)opdrachten. De overeenkomst met vermelding van uitsluitend een uurtarief is volgens [gedaagde sub 1] daarom een oneerlijk beding. De overeenkomst is daarmee nietig, althans wordt deze als onredelijk bezwarend door [gedaagde sub 1] vernietigd. De vordering jegens [gedaagde sub 1] moet daarom worden afgewezen.



4.7.
De rechtbank verwerpt dit verweer. [gedaagde sub 1] is in zijn hoedanigheid van bestuurder van Freedom Ventures, die op haar beurt bestuurder is van O2 Health door de Staat aangesproken op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. O2 Health heeft ten tijde van de coronacrisis een overeenkomst gesloten met de Staat, op basis waarvan O2 Health mondmaskers diende te leveren. Tussen O2 Health en de Staat is een geschil ontstaan over de kwaliteit van de geleverde mondmaskers, als gevolg waarvan O2 Health uiteindelijk in eerste instantie is veroordeeld om een bedrag van circa € 43 miljoen aan de Staat te betalen. Omdat betaling daarvan uitbleef, is de Staat een procedure begonnen tegen [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures, met de stelling dat zij als bestuurders van O2 Health onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Staat door lichtvaardig met de Staat te contracteren en de verhaalsmogelijkheden van de Staat te frustreren. Ten behoeve van die procedure heeft [gedaagde sub 1] (samen met Freedom Ventures) opdracht aan CMS gegeven om hem juridische bijstand te verlenen.



4.8.
De rechtbank is het met CMS eens dat [gedaagde sub 1] de overeenkomst van opdracht niet is aangegaan als consument. De Richtlijn Consumentenrechten zegt namelijk: “Onder de definitie van consument dienen natuurlijke personen te vallen die buiten hun handels, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit handelen”.De Richtlijn oneerlijke bedingen kwalificeert een consument als: “iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen”. De zaak van de Staat tegen [gedaagde sub 1] zag op zijn handelsactiviteit als (indirect) bestuurder van O2 Health en in die hoedanigheid heeft [gedaagde sub 1] opdracht verstrekt aan CMS om hem in de zaak bij te staan. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de bepalingen uit het consumentenrecht niet van toepassing zijn op de overeenkomst tussen [gedaagde sub 1] en CMS. De rechtbank zal de overeenkomst daarom niet aan het consumentenrecht toetsen. Het daarop gebaseerde standpunt van [gedaagde sub 1] dat het kostenbeding nietig of vernietigbaar is, faalt dus.



De hoogte van de declaraties





4.9.

Het verweer van [gedaagde sub 1] tegen de declaraties van CMS komt er in de kern op neer dat de gedeclareerde bedragen te hoog zijn en dat er daarom geen sprake is van een redelijk loon als bedoeld in artikel 7:405 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ter onderbouwing van zijn verweer voert [gedaagde sub 1] aan dat er te veel advocaten aan de zaak gewerkt hebben en dat er te veel tijd is besteed aan de voorbereiding van de zitting.
Daarnaast begrijpt de rechtbank uit de stellingen van [gedaagde sub 1] dat hij van mening is dat CMS ook los van het consumentenrecht de verplichting had om voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst voldoende inzicht te geven in de totale kosten die met de procedure over bestuurdersaansprakelijkheid gepaard zouden gaan. Daarbij wordt verwezen naar gedragsregel 17 uit de Gedragsregels voor de advocatuur. CMS heeft volgens [gedaagde sub 1] aan deze verplichting niet voldaan, omdat slechts een uurtarief is vermeld in de overeenkomst.




4.10.
De rechtbank stelt voorop dat partijen een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met elkaar hebben gesloten. Op grond van artikel 7:403 lid 1 BW heeft CMS een informatieplicht om [gedaagde sub 1] (en Freedom Ventures) op de hoogte te houden van de werkzaamheden. Op basis van artikel 7:405 lid 2 BW) is de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of een redelijk loon verschuldigd op het moment dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over het te betalen loon. In gedragsregel 17 van de Gedragsregels voor de advocatuur zijn ook voorschriften opgenomen ten aanzien van het honorarium van advocaten, die van belang kunnen zijn bij het bepalen van een redelijk loon. De advocaat behoort een - alle omstandigheden in aanmerking genomen - redelijk honorarium in rekening te brengen (lid 1) en bij het aanvaarden van de opdracht moet de advocaat ervoor zorgen dat duidelijke afspraken worden gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten en de wijze van declareren (lid 2). Zodra de advocaat voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan vooraf als schatting aan de cliënt is opgegeven, stelt hij de cliënt daarvan op de hoogte (lid 3).



4.11.

De rechtbank constateert dat in de opdrachtbevestiging is vermeld dat de werkzaamheden onder verantwoording van advocaat-partner mr. Soede voornamelijk zullen worden uitgevoerd door mr. Zorab en mr. Tak en een nader te bepalen stagiaire, waarbij gebruik zal worden gemaakt van drie andere advocaten van CMS die voor O2 Health optreden. Van alle genoemde personen is het uurtarief in de opdrachtbevestiging vermeld. CMS heeft verder onweersproken gesteld dat op dat zij zich op basis van de door haar aan [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures meegestuurde Algemene Voorwaarden heeft verbonden om maandelijks te factureren en dat zij zich daaraan heeft gehouden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft CMS hiermee voldaan aan haar informatieplicht jegens [gedaagde sub 1] . In dit verband is mede van belang dat uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU (over een consumentenzaak) waarnaar partijen verwijzen, volgt dat een advocaat aan het transparantievereiste kan voldoen door een verbintenis aan te gaan “om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal reeds gepresteerde werkuren wordt vermeld”.




4.12.
Ook het verwijt van [gedaagde sub 1] dat CMS ten onrechte met een groot aantal advocaten aan de zaak heeft gewerkt, treft geen doel. De rechtbank stelt vast dat de juridische bijstand is verleend in een complexe zaak met een zeer groot financieel belang. Uit de door CMS overgelegde declaraties begrijpt de rechtbank dat veruit het grootste deel van de werkzaamheden is verricht door twee advocaten: mr. Tak en mr. Zorab. Ter zitting is door CMS toegelicht dat mr. Soede – partner bij CMS – af en toe bij de zaak werd betrokken voor de processtrategie. Dat in zo een omvangrijke zaak twee advocaten aan de zaak werken en dat een partner van het kantoor meekijkt vindt de rechtbank begrijpelijk. Dat er ook een aantal uur is gedeclareerd door de advocaten die in een andere zaak namens O2 Health optraden, is naar het oordeel van de rechtbank gezien de samenhang tussen de zaken ook te begrijpen. Bovendien wist [gedaagde sub 1] van meet af aan dat al deze advocaten aan de zaak zouden werken, want dit was vermeld in de opdrachtbevestiging.



4.13.

[gedaagde sub 1] voert verder aan dat er door CMS maar liefst ruim 100 uur is besteed aan de voorbereiding van de zitting. Een dusdanig aantal uren vormt geen redelijke voorbereiding en dus is er op basis daarvan ook geen sprake van een redelijk loon, aldus [gedaagde sub 1] .



4.14.
Ter zitting heeft CMS een toelichting gegeven op het aantal aan de voorbereiding bestede uren. Volgens CMS ging het niet alleen om een complexe zaak, maar was er ook sprake van een relatief korte termijn voor het indienen van de conclusie van antwoord. Dat betekende volgens CMS dat er ook na het indienen van de conclusie van antwoord nog het nodige moest worden gedaan en uitgezocht. Er is bij [gedaagde sub 1] daarom ook nog meerdere malen om aanvullende informatie verzocht en die hij heeft ook verstrekt. Die informatie moest worden bestudeerd en bij akte in het geding gebracht worden, wat veel tijd kostte. Ook moest een pleitnota worden opgesteld.



4.15.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 1] ter zitting heeft bevestigd dat er ook na het indienen van de conclusie van antwoord nog om informatie is gevraagd en dat hij die ook heeft verstrekt. [gedaagde sub 1] heeft verder onvoldoende ingebracht tegen de nadere toelichting van CMS ter zitting over de uren die voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de bestuurdersaansprakelijkheidszaak zijn gemaakt. Verder dan de stelling dat 100 uur niet redelijk is, gaat het verweer van [gedaagde sub 1] namelijk niet. Daarbij merkt de rechtbank op dat [gedaagde sub 1] ook niet heeft aangevoerd wat in zijn ogen dan wel een redelijke tijdsbesteding zou zijn geweest. Gelet op de omvang en complexiteit van de bestuurdersaansprakelijkheidszaak, vindt de rechtbank het aantal uren dat CMS daaraan heeft besteed en in rekening heeft gebracht, dan ook niet onredelijk.



4.16.
Dit betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet om het bedrag waarop CMS op basis van de verrichte werkzaamheden in de bestuurdersaansprakelijkheidszaak aanspraak maakt te matigen en dat de facturen die zien op die zaak moeten worden betaald.



Werkzaamheden in het kader van het kort geding





4.17.
Een deel van de facturen ziet op werkzaamheden die CMS heeft verricht in het kader van het kort geding dat tegen de Staat is gevoerd om gelegde beslagen opgeheven te krijgen. Ook is bij een van de facturen een door [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures voor het kort geding betaald voorschot van € 15.000,- verrekend.



4.18.
Ten aanzien van het kort geding voert [gedaagde sub 1] aan dat CMS in de advisering tekort is geschoten. CMS had nadrukkelijk moeten wijzen op de risico’s van het kort geding en de proceskansen. Ook is CMS tekort geschoten door de hoger beroepstermijn in de procedure over de bestuurdersaansprakelijkheid niet af te wachten. Mogelijk heeft juist het kort geding aanleiding gevormd voor de Staat om in hoger beroep te gaan. Was de Staat niet in hoger beroep gegaan, dan zouden de beslagen waar het kort geding op zag van rechtswege zijn vervallen. Het lijkt erop dat CMS het kort geding voornamelijk is gestart uit eigen belang, omdat zij haar declaraties betaald wilde zien. Nu CMS tekort is geschoten in haar verplichtingen dient de overeenkomst tussen CMS en [gedaagde sub 1] voor zover deze ziet op werkzaamheden voor het kort geding te worden ontbonden. Dit betekent dat het reeds betaalde bedrag van € 15.000,- moet worden terugbetaald en dat wat verder in rekening is gebracht voor het kort geding niet betaald hoeft te worden, aldus [gedaagde sub 1] . CMS ontkent dat zij tekort is geschoten in haar verplichtingen.



4.19.
De maatstaf voor de vraag of CMS tekort is geschoten in haar verplichtingen met betrekking tot de advisering over de kort geding procedure, is of CMS heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. De gestelde tekortkoming van CMS valt in twee punten uiteen: er is niet goed geadviseerd over de timing van de kort geding procedure en er is niet goed geadviseerd over de proceskansen van de kort geding procedure. De rechtbank zal deze twee punten bespreken.



Timing procedure





4.20.
CMS heeft onbetwist aangevoerd dat zij op verzoek van en in overleg met [gedaagde sub 1] een week na het (afwijzende) vonnis van 28 februari 2024 de Staat heeft aangeschreven met het verzoek de gelegde beslagen op te heffen. Voor zover [gedaagde sub 1] stelt dat de Staat daarmee is getriggerd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 28 februari 2024, ziet de rechtbank daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Op 13 maart 2024 heeft de Staat laten weten niet bereid te zijn over te gaan tot opheffing van de beslagen, omdat hij het niet eens is met de beslissing van de rechtbank. Gelet op de grote (financiële) belangen die gemoeid zijn met de bestuurdersaansprakelijkheidszaak, lag het ook niet in de lijn der verwachting dat de Staat zou hebben afgezien van hoger beroep als CMS de Staat niet had aangeschreven over het beslag of daarna de kortgedingprocedure niet was gestart. De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat het aandringen op opheffing van de beslagen was ingegeven door de financiële problemen van [gedaagde sub 1] (en Freedom Ventures), waarvoor hij op korte termijn een oplossing zocht. [gedaagde sub 1] heeft ter zitting ook herhaald dat de kortgedingprocedure om de gelegde beslagen te laten opheffen gestart is omdat Freedom Ventures en hij een financieel probleem hadden en dat zij klem zaten. Ze hadden geen keus en er moest iets gebeuren, aldus [gedaagde sub 1] . Onder deze omstandigheden heeft CMS gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht door de hoger beroepstermijn niet af te wachten maar meteen actie te ondernemen om de beslagen opgeheven te krijgen. Op dit punt is CMS dus niet tekortgeschoten in haar verplichtingen.



Proceskansen





4.21.

[gedaagde sub 1] betoogt verder dat CMS niet goed heeft geadviseerd over de proceskansen van de kortgedingprocedure. CMS heeft volgens [gedaagde sub 1] onterecht de inschatting gemaakt dat de kans groot was dat de Staat in kort geding tot opheffing van de beslagen zou worden veroordeeld.



4.22.

De rechtbank overweegt als volgt en stelt op grond van de overgelegde stukken de volgende feitelijke gang van zaken vast.

[gedaagde sub 1] heeft op 14 februari 2024 aan CMS gemeld dat er door de Staat conservatoir beslag was gelegd (wat feitelijk al veel eerder was gebeurd). Op 28 februari 2024 volgde de uitspraak in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure, waarin de vorderingen van de Staat werden afgewezen. De Staat liet vervolgens in reactie op een verzoek door CMS weten dat hij niet bereid was om de gelegde beslagen op te heffen. Op dat moment is door [gedaagde sub 1] in overleg met CMS besloten om een kortgedingprocedure te starten, gelet op de financiële situatie waarin hij verkeerde. Gelet op de uitspraak van 28 februari 2024 had een kortgedingprocedure goede kans van slagen, zo liet CMS [gedaagde sub 1] weten. Op 14 maart 2024 heeft [gedaagde sub 1] zijn akkoord gegeven om het kort geding te starten. Op 18 maart 2024 werd namens Techmedic Development International B.V. (hierna: TDI) een exploot betekend aan het kantoor van CMS, waarmee ten laste van [gedaagde sub 1] executoriaal derdenbeslag werd gelegd. Dit naar aanleiding van een vonnis van 27 februari 2024 waarin [gedaagde sub 1] is veroordeeld tot betaling van € 249.636,93 aan TDI. Een ruime week later – op 26 maart 2024 – is de kortgedingdagvaarding aan de Staat betekend.




4.23.
Uit het kortgedingvonnis van 17 april 2024 begrijpt de rechtbank dat er meerdere redenen waren om de vordering van [gedaagde sub 1] af te wijzen. De voornaamste reden was dat [gedaagde sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering van de Staat summierlijk ondeugdelijk is. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de Staat met nieuwe feitelijke informatie is gekomen, die juist blijkt te zijn. Het gaat om geldleningen die zijn verstrekt door O2 Health aan Freedom Ventures en aan een vennootschap waarvan [gedaagde sub 1] enig aandeelhouder is (Bella Vita Holding B.V.). Uit het vonnis begrijpt de rechtbank dat de omstandigheden rondom deze geldleningen het vermoeden hebben gewekt dat de geldleningen zijn gebruikt om geld weg te sluizen en buiten de verhaalsmogelijkheden van de Staat te brengen.



4.24.
Op het moment dat CMS haar advies uitbracht dat een kortgedingprocedure om de gelegde beslagen te laten opheffen kansrijk was, maakte het bestaan van deze geldleningen geen onderdeel uit van het partijdebat. Dat er ergens in de (omvangrijke) correspondentie tussen [gedaagde sub 1] en CMS mogelijk melding van het bestaan van die geldleningen wordt gemaakt, maakt dit niet anders. De rechtbank oordeelt dat er daarom geen enkele reden was voor CMS om daar in haar advisering expliciet rekening mee te houden. CMS is gelet op het afwijzende vonnis van 28 februari 2024 in combinatie met de zwaarwegende financiële belangen van [gedaagde sub 1] , dan ook niet tekortgeschoten in haar verplichtingen door te adviseren dat het starten van een kortgedingprocedure een goede kans van slagen had. Dat er overigens ook een risico was dat de vorderingen in kort geding konden worden afgewezen, wist [gedaagde sub 1] ook. Ter zitting heeft hij dit bevestigd en verklaard dat hij niet anders kon omdat hij financieel klem zat.



4.25.
Het feit dat er een ruime week voor het uitbrengen van de kortgedingdagvaarding bleek van dat [gedaagde sub 1] door een andere rechter was veroordeeld om aan TDI een fors bedrag te betalen waarvoor executoriaal derdenbeslag was gelegd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat CMS haar advies had moeten aanpassen. CMS hoefde niet te verwachten dat het veroordelend vonnis van 27 februari 2024 en het daarbij behorende derdenbeslag doorslaggevend zouden zijn bij de beslissing om de gelegde beslagen wel of niet door te halen. Uit het kortgedingvonnis volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit aspect doorslaggevend is geweest om het gevorderde af te wijzen. Dit aspect wordt in het kortgedingvonnis weliswaar aangehaald bij de belangenafweging, maar vormt niet het zwaartepunt. Het dragende oordeel om de beslagen niet op te heffen houdt namelijk verband met de nieuwe informatie over de geldleningen.



Conclusie





4.26.
Gezien op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat CMS niet tekort is geschoten in haar adviesverplichtingen. Dit betekent dat er geen grond is de tussen [gedaagde sub 1] en CMS gesloten overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden.



4.27.
In verband met de hoogte van de declaraties voor het kort geding stelt [gedaagde sub 1] nog dat CMS ruimschoots over de kosteninschatting van € 15.000,- is gegaan. CMS erkent dat aanvankelijk een kosteninschatting is gegeven van € 15.000,- voor het voeren van de kortgedingprocedure. CMS werd echter onverwacht geconfronteerd met de nieuwe informatie over de geldleningen die de Staat in de procedure bracht. Dit betekende dat CMS meer werk moest verrichten dan vooraf ingeschat. Er was dan ook een gerechtvaardigde reden om meer kosten in rekening te brengen dan aanvankelijk was ingeschat. [gedaagde sub 1] is de betreffende facturen daarom volledig verschuldigd.



Wettelijke handelsrente





4.28.
CMS vordert over de openstaande facturen de wettelijke handelsrente. [gedaagde sub 1] voert hiertegen aan dat er in de Algemene Voorwaarden staat dat de wettelijke rente van toepassing is. Anders dan [gedaagde sub 1] lijkt te veronderstellen, kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat daarmee (enkel) is bedoeld de wettelijke rente van artikel 6:119 BW. De rechtbank stelt vast het hier gaat om een handelsovereenkomst. De wettelijke rente voor handelsovereenkomsten is geregeld in artikel 6:119a BW en is de wettelijke handelsrente. De vordering van CMS tot betaling van de wettelijke handelsrente, waartegen verder geen verweer is gevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank daarom toewijsbaar.



Buitengerechtelijke incassokosten





4.29.
CMS vordert een bedrag van € 16.856,49 aan buitengerechtelijke incassokosten, nog te vermeerderen met de wettelijke rente. CMS stelt dat in de Algemene Voorwaarden staat opgenomen dat er een vast percentage van 15% aan buitengerechtelijke incassokosten gehanteerd wordt.



4.30.
De rechtbank leest in 4.4. van de Algemene Voorwaarden van CMS dat wordt verondersteld dat de buitengerechtelijke kosten ten minste 15% van het declaratiebedrag bedragen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet wegneemt dat het op de weg van CMS ligt te stellen dat ook daadwerkelijk incassowerkzaamheden zijn verricht. CMS heeft hier echter niets over gesteld, zodat de buitengerechtelijke incassokosten niet kunnen worden toegewezen zoals gevorderd.



4.31.
Op grond van artikel 6:96 lid 4 BW wijst de rechtbank een bedrag van € 40,- aan kosten toe, omdat sprake is van een handelsovereenkomst.



Freedom Ventures en hoofdelijke veroordeling





4.32.
Freedom Ventures is niet verschenen in de procedure en tegen haar is verstek verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wordt dit vonnis ook ten aanzien van Freedom Ventures als een vonnis op tegenspraak beschouwd.



4.33.
Het tegen Freedom Ventures gevorderde komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten waarvoor de rechtbank naar de overwegingen 4.29 tot en met 4.31 verwijst.



4.34.

[gedaagde sub 1] en Freedom Ventures zullen zoals onweersproken is gevorderd hoofdelijk tot betaling van de hierna te noemen bedragen worden veroordeeld. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.












Proceskosten in conventie





4.35.

[gedaagde sub 1] en Freedom Ventures zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom (hoofdelijk) de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CMS worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


115,84







- griffierecht


€


6.861,00







- salaris advocaat


€


4.102,00


(2 punten × € 2.051,00)




- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


11.226,84











4.36.
De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar zoals in de beslissing is vermeld.



Proceskosten in reconventie





4.37.

[gedaagde sub 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten CMS worden begroot op:









- salaris advocaat


€


2.051,00


(1 punt × € 2.051,00)




- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.199,00














5De beslissing


De rechtbank




in conventie




5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures hoofdelijk tot betaling aan CMS van een bedrag van € 123.909,59 (inclusief rente tot 1 januari 2025), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente uit artikel 6:119a BW vanaf 1 januari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;



5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures hoofdelijk tot betaling aan CMS van de buitengerechtelijke incassokosten vastgesteld op € 40,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 13 december 2024 tot aan de dag van algehele voldoening;



5.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures hoofdelijk in de proceskosten van € 11.226,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en Freedom Ventures hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

in reconventie





5.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde sub 1] af,



5.6.
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 2.199,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



in conventie en in reconventie





5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1. tot en met 5.4 en 5.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,



5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door de griffier M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.








Richtlijn Consumentenrechten (2011/83/EU), overweging 17.


Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, artikel 2 onder sub b.