Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:10261
2026-08-12
Civiel recht; Internationaal privaatrecht
C/15/375859
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Incidentele vordering tot onbevoegdheid. Aannemingsovereenkomst. Arbitragebeding. Geen ondubbelzinnig en vrijwillige afstand van recht op toegang tot de rechter. Afwijzing vordering.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.652 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/375859 / HA ZA 26-180
Vonnis in incident van 12 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING STEK,
te Hillegom,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Stek,
advocaat: mr. M.L. Veenhuijsen,
tegen
H & B BOUW B.V.,
te Voorhout,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: H&B Bouw,
advocaat: mr. D.G. Lasschuit.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- incidentele conclusie tot onbevoegdheid
- de conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdheid.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De hoofdzaak
2.1.
In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand. Een rechtsvoorganger van Stek heeft op of rond 13 mei 2025 een aannemingsovereenkomst gesloten met H&B Bouw. Op basis van deze aannemingsovereenkomst zou H&B Bouw negentien appartementen realiseren aan de hand van een door dan wel namens H&B Bouw opgesteld ontwerp. Als gevolg van een juridische fusie zijn alle aanspraken en vorderingen uit de aannemingsovereenkomst overgegaan op Stek. Stek stelt dat in deze appartementen ernstige constructieve en bouwfysische gebreken zijn opgetreden, zoals brede scheuren in (dragende) muren. Volgens Stek zijn deze gebreken opgetreden doordat H&B Bouw bij het realiseren van de appartementen Eco-lijmelementen heeft gebruikt. In het originele ontwerp waren partijen overeengekomen dat kalkzandsteen zou worden gebruikt. Stek vordert, samengevat, een verklaring voor recht dat H&B Bouw tekort is gekomen in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, een verklaring voor recht dat de gebreken kwalificeren als ernstige gebreken in de zin van de aannemingsovereenkomst waarvoor H&B Bouw aansprakelijk is en vergoeding van de als gevolg daarvan gelden schade nader op te maken bij staat.
3Het incident
De stellingen van partijen
3.1.
H&B Bouw vordert in het incident dat de rechtbank zich op grond van artikel 1022 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) onbevoegd verklaart. H&B Bouw betoogt hiertoe dat in artikel 12 lid 2 van de aannemingsovereenkomst een arbitraal beding is opgenomen. Op basis van dit arbitraal beding worden alle geschillen die naar aanleiding van de aannemingsovereenkomst ontstaan beslecht door arbitrage overeenkomstig de regels neergelegd in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland. Het geschil had daarom niet aan de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, voorgelegd moeten worden, maar aan de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen.
3.2.
Stek voert verweer. Stek stelt dat H&B Bouw in haar incidentele conclusie tot onbevoegdheid een onvolledig beeld heeft geschetst van wat partijen zijn overeengekomen. In artikel 12 lid 1 van de aannemingsovereenkomst staat namelijk dat partijen expliciet geen afstand doen van het recht om de tussenkomst van de gewone rechter in te roepen. De stelling dat artikel 12 lid 2 van de aannemingsovereenkomst kwalificeert als een overeenkomst tot arbitrage zoals bedoeld in artikel 1022 Rv is daarom volgens Stek onjuist. Wil sprake zijn van een rechtsgeldige overeenkomst tot arbitrage die de civiele rechter onbevoegd maakt, dan moeten partijen vrijwillig en ondubbelzinnig afstand hebben gedaan van hun recht op toegang tot de gewone rechter. Daarvan is in dit geval geen sprake. Een onbevoegdheidsverklaring van de rechtbank zou dan ook indruisen tegen wat partijen zijn overeengekomen en zou Stek bovendien afhouden van de haar in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 17 lid 2 van de Grondwet (Gw) toegekende rechten. Daarnaast stelt Stek dat geen geldig arbitragebeding is overeengekomen indien het betreffende beding onduidelijk is en daaruit onvoldoende kan worden afgeleid dat afstand is gedaan van het recht op behandeling door de gewone rechter. Tot slot stelt Stek dat hetgeen is overeengekomen moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Uitleg van artikel 12 van de aannemingsovereenkomst brengt met zich dat partijen op basis van artikel 12 lid 1 van de aannemingsovereenkomst en gezien de omstandigheden van het geval de gerechtvaardigde verwachting mochten hebben dat de rechtbank (mede) bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige geschil en dat artikel 12 lid 2 van de aannemingsovereenkomst niet kwalificeert als een overeenkomst tot arbitrage.
De beoordeling van het incident
3.3.
Partijen kunnen bij overeenkomst geschillen die tussen hen uit een bepaalde, al dan niet uit een overeenkomst voortvloeiende, rechtsbetrekking zijn ontstaan dan wel zouden kunnen ontstaan aan arbitrage onderwerpen. Indien partijen arbitrage zijn overeengekomen, kan het geschil in beginsel niet aan de overheidsrechter worden voorgelegd. Artikel 1022 Rv bepaalt dat de rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten zich onbevoegd verklaart. Voorwaarde voor deze onbevoegd verklaring is dat de partij die zich beroept op de onbevoegdheid van de rechter dit voor alle verweren doet en dat de arbitrageovereenkomst niet ongeldig is.
3.4.
Bij de beoordeling van de geldigheid van een arbitrageovereenkomst moet onderscheid worden gemaakt tussen formele en materiële geldigheid. De formele geldigheid ziet op (vorm)vereisten die aan de arbitrageovereenkomst worden gesteld. Artikel 1021 Rv bepaalt dat de overeenkomst schriftelijk moet zijn vastgelegd en uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn aanvaard door partijen. In dit geval is sprake van een schriftelijk beding dat in arbitrage voorziet en dat uitdrukkelijk door de rechtsvoorganger van Stek is aanvaard door ondertekening van de overeenkomst.
3.5.
De materiële geldigheid ziet op de totstandkoming en uitleg van de arbitrageovereenkomst. De vraag naar de geldigheid van de arbitrageovereenkomst moet worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer en de regels over de totstandkoming en uitleg van overeenkomsten. In het licht van art. 6 EVRM en art. 17 Gw is voor geldigheid van een arbitrageovereenkomst vereist dat de keuze voor arbitrage ondubbelzinnig en vrijwillig is. Een arbitrageovereenkomst moet dus afstand van toegang tot de bij wet ingestelde gerechten impliceren.
3.6.
Artikel 12 van de aannemingsovereenkomst die (de rechtsvoorganger van) Stek en H&B Bouw hebben gesloten luidt:
“Forum- en rechtskeuze
Artikel 12
Voor de beslechting van de in dit artikel bedoelde geschillen doen partijen géén afstand van hun recht de tussenkomst van de gewone rechter in te roepen. Indien er sprake is van beslechting van bedoelde geschillen middels de gewone rechter kiezen partijen domicilie ten kantore van de Rechtbank te Haarlem.
Alle geschillen, welke ook, daaronder begrepen die, welke slechts door een van de partijen als zodanig worden beschouwd, die naar aanleiding van deze overeenkomst of van overeenkomsten, die daarvan een uitvloeisel mochten zijn, tussen de opdrachtgever en de aannemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland, zoals deze drie maanden voor de datum van overeenkomen luid(d)en.
Indien bij een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis een uitspraak van de in lid 2 genoemde Raad geheel of gedeeltelijk nietig wordt verklaard, heeft ieder van de partijen het recht het geschil, voor zover het dientengevolge onbeslist is gebleven, opnieuw overeenkomstig dit artikel te doen beslechten. De vordering is niet ontvankelijk, indien zij bij de in lid 2 genoemde Raad wordt aanhangig gemaakt later dan drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke uitspraak. Degene die als scheidsman of secretaris aan de nietig verklaarde beslissing heeft medegewerkt, zal aan de nieuwe behandeling niet mogen medewerken.”
3.7.
Uitleg van artikel 12 van de aannemingsovereenkomst leidt tot het volgende oordeel. Partijen verwijzen in artikel 12 naar zowel de overheidsrechter (in lid 1) als naar arbitrage (in lid 2) als wijzen van geschilbeslechting. In artikel 12 lid 1 van de aannemingsovereenkomst zijn partijen expliciet overeengekomen dat zij geen afstand doen van hun recht om tussenkomst van de gewone rechter in te roepen. Stek heeft onderbouwd gesteld dat partijen in artikel 12 kennelijk bewust zijn afgeweken van een standaardclausule waarin juist wel expliciet afstand wordt gedaan van het recht op toegang tot de overheidsrechter. De rechtsvoorganger van Stek heeft met de ondertekening van de aannemingsovereenkomst dan ook niet vrijwillig en ondubbelzinnig afstand gedaan van het recht op behandeling van geschillen door een gewone rechter. Omdat uit het arbitragebeding onvoldoende kan worden afgeleid dat Stek vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft willen doen van het recht op behandeling van geschillen door de gewone rechter, is de rechtbank van oordeel dat het arbitragebeding ongeldig is. De rechtbank zal de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring daarom afwijzen.
3.8.
H&B Bouw is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van Stek op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
3.9.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe zoals vermeld in de beslissing.
4De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring af,
4.2.
veroordeelt H&B Bouw in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Stek niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt H&B Bouw tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.5.
verwijst de zaak naar de rol van 23 september 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van H&B Bouw,
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
1846
Artikel 3:33 en artikel 3:35 BW.
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/375859 / HA ZA 26-180
Vonnis in incident van 12 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING STEK,
te Hillegom,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Stek,
advocaat: mr. M.L. Veenhuijsen,
tegen
H & B BOUW B.V.,
te Voorhout,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: H&B Bouw,
advocaat: mr. D.G. Lasschuit.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- incidentele conclusie tot onbevoegdheid
- de conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdheid.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De hoofdzaak
2.1.
In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand. Een rechtsvoorganger van Stek heeft op of rond 13 mei 2025 een aannemingsovereenkomst gesloten met H&B Bouw. Op basis van deze aannemingsovereenkomst zou H&B Bouw negentien appartementen realiseren aan de hand van een door dan wel namens H&B Bouw opgesteld ontwerp. Als gevolg van een juridische fusie zijn alle aanspraken en vorderingen uit de aannemingsovereenkomst overgegaan op Stek. Stek stelt dat in deze appartementen ernstige constructieve en bouwfysische gebreken zijn opgetreden, zoals brede scheuren in (dragende) muren. Volgens Stek zijn deze gebreken opgetreden doordat H&B Bouw bij het realiseren van de appartementen Eco-lijmelementen heeft gebruikt. In het originele ontwerp waren partijen overeengekomen dat kalkzandsteen zou worden gebruikt. Stek vordert, samengevat, een verklaring voor recht dat H&B Bouw tekort is gekomen in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, een verklaring voor recht dat de gebreken kwalificeren als ernstige gebreken in de zin van de aannemingsovereenkomst waarvoor H&B Bouw aansprakelijk is en vergoeding van de als gevolg daarvan gelden schade nader op te maken bij staat.
3Het incident
De stellingen van partijen
3.1.
H&B Bouw vordert in het incident dat de rechtbank zich op grond van artikel 1022 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) onbevoegd verklaart. H&B Bouw betoogt hiertoe dat in artikel 12 lid 2 van de aannemingsovereenkomst een arbitraal beding is opgenomen. Op basis van dit arbitraal beding worden alle geschillen die naar aanleiding van de aannemingsovereenkomst ontstaan beslecht door arbitrage overeenkomstig de regels neergelegd in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland. Het geschil had daarom niet aan de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, voorgelegd moeten worden, maar aan de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen.
3.2.
Stek voert verweer. Stek stelt dat H&B Bouw in haar incidentele conclusie tot onbevoegdheid een onvolledig beeld heeft geschetst van wat partijen zijn overeengekomen. In artikel 12 lid 1 van de aannemingsovereenkomst staat namelijk dat partijen expliciet geen afstand doen van het recht om de tussenkomst van de gewone rechter in te roepen. De stelling dat artikel 12 lid 2 van de aannemingsovereenkomst kwalificeert als een overeenkomst tot arbitrage zoals bedoeld in artikel 1022 Rv is daarom volgens Stek onjuist. Wil sprake zijn van een rechtsgeldige overeenkomst tot arbitrage die de civiele rechter onbevoegd maakt, dan moeten partijen vrijwillig en ondubbelzinnig afstand hebben gedaan van hun recht op toegang tot de gewone rechter. Daarvan is in dit geval geen sprake. Een onbevoegdheidsverklaring van de rechtbank zou dan ook indruisen tegen wat partijen zijn overeengekomen en zou Stek bovendien afhouden van de haar in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 17 lid 2 van de Grondwet (Gw) toegekende rechten. Daarnaast stelt Stek dat geen geldig arbitragebeding is overeengekomen indien het betreffende beding onduidelijk is en daaruit onvoldoende kan worden afgeleid dat afstand is gedaan van het recht op behandeling door de gewone rechter. Tot slot stelt Stek dat hetgeen is overeengekomen moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Uitleg van artikel 12 van de aannemingsovereenkomst brengt met zich dat partijen op basis van artikel 12 lid 1 van de aannemingsovereenkomst en gezien de omstandigheden van het geval de gerechtvaardigde verwachting mochten hebben dat de rechtbank (mede) bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige geschil en dat artikel 12 lid 2 van de aannemingsovereenkomst niet kwalificeert als een overeenkomst tot arbitrage.
De beoordeling van het incident
3.3.
Partijen kunnen bij overeenkomst geschillen die tussen hen uit een bepaalde, al dan niet uit een overeenkomst voortvloeiende, rechtsbetrekking zijn ontstaan dan wel zouden kunnen ontstaan aan arbitrage onderwerpen. Indien partijen arbitrage zijn overeengekomen, kan het geschil in beginsel niet aan de overheidsrechter worden voorgelegd. Artikel 1022 Rv bepaalt dat de rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten zich onbevoegd verklaart. Voorwaarde voor deze onbevoegd verklaring is dat de partij die zich beroept op de onbevoegdheid van de rechter dit voor alle verweren doet en dat de arbitrageovereenkomst niet ongeldig is.
3.4.
Bij de beoordeling van de geldigheid van een arbitrageovereenkomst moet onderscheid worden gemaakt tussen formele en materiële geldigheid. De formele geldigheid ziet op (vorm)vereisten die aan de arbitrageovereenkomst worden gesteld. Artikel 1021 Rv bepaalt dat de overeenkomst schriftelijk moet zijn vastgelegd en uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn aanvaard door partijen. In dit geval is sprake van een schriftelijk beding dat in arbitrage voorziet en dat uitdrukkelijk door de rechtsvoorganger van Stek is aanvaard door ondertekening van de overeenkomst.
3.5.
De materiële geldigheid ziet op de totstandkoming en uitleg van de arbitrageovereenkomst. De vraag naar de geldigheid van de arbitrageovereenkomst moet worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer en de regels over de totstandkoming en uitleg van overeenkomsten. In het licht van art. 6 EVRM en art. 17 Gw is voor geldigheid van een arbitrageovereenkomst vereist dat de keuze voor arbitrage ondubbelzinnig en vrijwillig is. Een arbitrageovereenkomst moet dus afstand van toegang tot de bij wet ingestelde gerechten impliceren.
3.6.
Artikel 12 van de aannemingsovereenkomst die (de rechtsvoorganger van) Stek en H&B Bouw hebben gesloten luidt:
“Forum- en rechtskeuze
Artikel 12
Voor de beslechting van de in dit artikel bedoelde geschillen doen partijen géén afstand van hun recht de tussenkomst van de gewone rechter in te roepen. Indien er sprake is van beslechting van bedoelde geschillen middels de gewone rechter kiezen partijen domicilie ten kantore van de Rechtbank te Haarlem.
Alle geschillen, welke ook, daaronder begrepen die, welke slechts door een van de partijen als zodanig worden beschouwd, die naar aanleiding van deze overeenkomst of van overeenkomsten, die daarvan een uitvloeisel mochten zijn, tussen de opdrachtgever en de aannemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland, zoals deze drie maanden voor de datum van overeenkomen luid(d)en.
Indien bij een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis een uitspraak van de in lid 2 genoemde Raad geheel of gedeeltelijk nietig wordt verklaard, heeft ieder van de partijen het recht het geschil, voor zover het dientengevolge onbeslist is gebleven, opnieuw overeenkomstig dit artikel te doen beslechten. De vordering is niet ontvankelijk, indien zij bij de in lid 2 genoemde Raad wordt aanhangig gemaakt later dan drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke uitspraak. Degene die als scheidsman of secretaris aan de nietig verklaarde beslissing heeft medegewerkt, zal aan de nieuwe behandeling niet mogen medewerken.”
3.7.
Uitleg van artikel 12 van de aannemingsovereenkomst leidt tot het volgende oordeel. Partijen verwijzen in artikel 12 naar zowel de overheidsrechter (in lid 1) als naar arbitrage (in lid 2) als wijzen van geschilbeslechting. In artikel 12 lid 1 van de aannemingsovereenkomst zijn partijen expliciet overeengekomen dat zij geen afstand doen van hun recht om tussenkomst van de gewone rechter in te roepen. Stek heeft onderbouwd gesteld dat partijen in artikel 12 kennelijk bewust zijn afgeweken van een standaardclausule waarin juist wel expliciet afstand wordt gedaan van het recht op toegang tot de overheidsrechter. De rechtsvoorganger van Stek heeft met de ondertekening van de aannemingsovereenkomst dan ook niet vrijwillig en ondubbelzinnig afstand gedaan van het recht op behandeling van geschillen door een gewone rechter. Omdat uit het arbitragebeding onvoldoende kan worden afgeleid dat Stek vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft willen doen van het recht op behandeling van geschillen door de gewone rechter, is de rechtbank van oordeel dat het arbitragebeding ongeldig is. De rechtbank zal de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring daarom afwijzen.
3.8.
H&B Bouw is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van Stek op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
3.9.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe zoals vermeld in de beslissing.
4De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring af,
4.2.
veroordeelt H&B Bouw in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Stek niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt H&B Bouw tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.5.
verwijst de zaak naar de rol van 23 september 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van H&B Bouw,
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
1846
Artikel 3:33 en artikel 3:35 BW.