Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:10168

2026-06-03 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/15/362328
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/15/362328
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Burengeschil over erfgrens, beperkte overbouw en een haag. Beroep op verjaring van gedaagde slaagt deels. In reconventie gevorderde verklaring voor recht dat het betreffende strookje grond onder de aanbouw door verjaring eigendom is geworden wordt toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (30.605 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland


Civiel recht



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer: C/15/362328 / HA ZA 25-93




Vonnis van 3 juni 2026




in de zaak van





1
[eiser 1],

2. [eiser 2],
beiden te [plaats],
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. T.A.M. Drubbel,



tegen





1
[gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],
beiden te [plaats],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. P.F.P. Nabben.




De zaak in het kort

Partijen zijn buren van elkaar. Ze zijn het niet eens over waar de erfgrens tussen hun percelen loopt. [eisers] gaan uit van de door het Kadaster ingemeten erfgrens. Dat betekent volgens hen dat de aanbouw van [gedaagden] en de haag die hun tuinen scheidt op hun grond staan. Zij vorderen verwijdering daarvan door [gedaagden] gaan uit van de feitelijke erfgrens en doen een beroep op verjaring. Zij vorderen dat de rechtbank voor recht verklaart dat het strookje grond onder hun aanbouw dat kadastraal behoort tot het perceel van [eisers] en de grond tot de haag door verjaring hun eigendom zijn.
De rechtbank oordeelt dat het beroep op verjaring wat betreft de aanbouw slaagt en wat betreft de haag niet. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 juli 2025 en de daarin genoemde stukken
- akte eiswijziging resp. aanvulling eis met productie 6 van [eisers]
- aanvullende producties 7 t/m 10 van [eisers]
- aanvullende producties 31 t/m 35 van [gedaagden]
- de mondelinge behandeling van 11 november 2026, waarbij mr. Drubbel en mr. Nabben voornoemd spreekaantekeningen hebben overgelegd en de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt en partijen de rechtbank hebben verzocht de zaak aan te houden om een poging te wagen hun geschil via mediation op te lossen,
- het bericht dat partijen, na een gestrande mediation, vonnis vragen.



1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [gedaagden] zijn sinds januari 2017 eigenaar van de woning aan de [adres 1] in ([postcode]) [plaats], kadastraal bekend als [plaats], [kadaster nummer 1]. [eisers] zijn sinds juni 2017 eigenaar van de woning aan de [adres 2] in [plaats], kadastraal bekend als [plaats], [kadaster nummer 2].



2.2.
In 1933 heeft een rechtsvoorganger van [gedaagden] een aanbouw aan de woning op [adres 1] laten plaatsen (hierna: de aanbouw). Op de hieronder weergegeven veldwerktekening van dat jaar is deze aanbouw zichtbaar. De aanbouw van [kadaster nummer 1] overschrijdt de kadastrale erfgrens met het perceel met [kadaster nummer 3] (het huidige perceel met [kadaster nummer 2] van [eisers]), met 13 centimeter (10,98 meter -10,85 meter).



{afbeelding 1}


2.3.
Op 26 januari 2023 heeft in opdracht van [eisers] een grensreconstructie door een landmeter van het Kadaster plaatsgevonden, waarbij het hierna weergegeven relaas van bevindingen is opgemaakt. Uit de grensconstructie blijkt dat de aanbouw 13 centimeter over een lengte van 2,50 meter op [kadaster nummer 2] van [gedaagden] staat.



{afbeelding 1}


2.4.
De tuinen van partijen zijn gescheiden door een metalen hek dat is begroeid met klimop.



2.5.
Bij e-mail van 21 februari 2023 heeft de advocaat van [eisers] onder meer het volgende aan de advocaat van [gedaagden] bericht:



In het kader van het realiseren van een aanbouw aan hun woning hebben cliënten, ter voorkoming van problemen, kadastrale metingen laten doen (zie bijlage).


Het blijkt nu dat de rechtsvoorganger(s) van [gedaagden] ([naam rechtsvoorganger, vervanging rechtbank]) de aanbouw van (thans) [gedaagden], in de bezitsperiode en de periode van renovatie (oktober 2014 - januari 2017 hebben uitgebreid. Zodanig dat de aanbouw nu (over een lengte van 2,5 m) 0,13 meter op het perceel en bijzonder dichtbij het keukenraam van [eisers], is komen te staan.

Voorts blijkt de volledige haag tussen de percelen op de grond van [eisers] te staan. Aan de zijde van de garage op 10cm van de erfgrens, en aan de zijde van de aanbouw op 1 cm van de erfgrens.


Dit levert een ernstige belemmering voor de realisering van de voorgenomen aanbouw van [eisers]


Immers om de aanbouw van [eisers] te realiseren staat de muur van de aanbouw van uw cliënten in de weg. Een gebruikelijke muur (buitenblad, isolatie, binnenmuur) van de te realiseren aanbouw zou voor het keukenkozijn/raam van [eisers] komen te staan en dat is onacceptabel. Ter illustratie een foto van de beperkte


ruimte tussen muur aanbouw [gedaagden] tot keukenkozijn [eisers].


Mijn cliënten kunnen deze situatie niet accepteren, maar staan open voor constructieve oplossingen. De bal ligt echter bij uw cliënten.





2.6.
Bij e-mail van 1 maart 2023 van hun advocaat hebben [gedaagden] een beroep gedaan op verkrijgende verjaring. Daarnaast hebben zij als volgt gereageerd:



Ik veronderstel dat uw cliënten bij aankoop van hun woning hebben kunnen zien van de mogelijkheden en onmogelijkheden voor aanbouw zijn. Dat zij nu van cliënten een oplossing verwachten, lijkt me dus niet helemaal redelijk. Het spijt mij u niet anders te kunnen berichten.





2.7.
In een e-mail van 26 juni 2023 van de toenmalig rechtsbijstandverlener van [eisers] (die het dossier van de advocaat had overgenomen) aan [gedaagden] staat onder meer:



Dat er (…) sprake is van overbouw is een feit. Cliënten zullen in dat kader niet meer vorderen dat de aanbouw van uw cliënten (gedeeltelijk) dient te worden afgebroken, maar wensen wel gecompenseerd te worden voor het verlies van een deel van hun grond.





2.8.
De advocaat van [gedaagden] heeft bij e-mail van 27 juni 2023 onder meer als gereageerd:



1. Ik begrijp dat de heg/planten op de erfgrens worden weggehaald en dat er een muur wordt gemetseld. De muur kan uiteraard gebruikt worden voor de aanbouw (mandelige muur) zodat er voor uw cliënten geen grond verloren gaat.


2. De bestaande heg op de erfgrens hoeft wat cliënten betreft niet verwijderd te worden. Zij willen die graag handhaven en dat hoeft dus ook niet vervangen te worden.





2.9.
Omstreeks 28 juni 2023 hebben [eisers] een eigen muur voor hun eigen aanbouw laten bouwen, tegen de buitenmuur van de aanbouw van [gedaagden] aan.



2.10.
Op 21 februari 2025 - na het uitbrengen van de dagvaarding - heeft de advocaat van [gedaagden] aan de advocaat van [eisers] de in alinea 2.2 weergegeven veldwerktekening en een kadastrale kaart gestuurd.



2.11.
Op het dak van de woning van [gedaagden] liggen zonnepanelen.


Tekst
Tekst



3Het geschil



in conventie




3.1.

[eisers] vorderen – na vermeerdering van eis - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:



een verklaring voor recht dat [gedaagden] geen eigendomsrecht kunnen doen gelden op het door hen met een bouwwerk bezette, aan [eisers] toebehorende, perceel deel, zijnde het deel waarop de aanbouw van [gedaagden] de erfgrens richting het perceel van eisers overschrijdt,


een verklaring voor recht dat op het aan [eisers] toebehorende perceel deel, zijnde het deel waarop de aanbouw van [gedaagden] de erfgrens richting het perceel van eisers overschrijdt, geen erfdienstbaarheid rust ten behoeve van [gedaagden] of hun erf,




en [gedaagden] te veroordelen:


3. binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de geplaatste aanbouw te verwijderen, verwijderd en verwijderd te houden, althans dat die aanbouw zal worden ingekort tot terug op tenminste de erfgrens tussen beide percelen en voorts dat de haag van de grond van eisers wordt weggehaald, e.e.a. op straffe van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat zij aan die veroordeling niet voldoen,
4. althans tot betaling van een nader te bepalen vergoeding voor het onrechtmatig in bezit nemen en houden en bebouwen en beplanten van een deel van het perceel van [eisers],
5. tot betaling van vergoeding van het meerwerk dat ontstaan is door het, zoals de aannemer omschrijft, niet bruikbaar zijn van de buitenmuur van de aanbouw van gedaagden, zijnde een bedrag van € 2.869,41 inclusief 21% btw,
6. binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de op het dak gelegen zonnepanelen, voor zover liggende op het dak van [eisers] te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat zij aan die veroordeling niet voldoen,
7. in de kosten van deze procedure.



3.2.

[eisers] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de rechtsvoorganger van [gedaagden] tussen 2014 en 2017 zonder toestemming van de rechtsvoorganger van [eisers] de aanbouw over de erfgrens heeft gebouwd. De strook van 0,13 meter over een lengte van 2,5 meter (hierna: de strook onder de aanbouw) behoort aan hen toe. Daarbij hebben [gedaagden] eerst hen verboden gebruik te maken van de zijmuur van de aanbouw en pas toen de buitenmuur van de aanbouw van [eisers] er al stond, aangeboden de muur van hun aanbouw te gebruiken. Ook de haag bevindt zich geheel op het perceel van [eisers] Daarnaast liggen zonnepanelen van [gedaagden] ook deels op het dak van [eisers], aldus [eisers]



3.3.


[gedaagden] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, vanwege strijd met de volledigheids- en waarheidsplicht en de eisen die gelden voor een dagvaarding, met veroordeling van [eisers] in de door hen werkelijk gemaakte proceskosten wegens misbruik van procesrecht, omdat zij [eisers] voor aanvang van de procedure al hebben gewezen op bewijs voor een voltooide verjaring maar [eisers] toch deze procedure zijn begonnen.
Inhoudelijk beroepen [gedaagden] zich wat betreft de strook en de haag primair op verjaring en voeren daarvoor aan dat sinds de bouw van de aanbouw in 1933 de feitelijke erfgrens niet is veranderd. Subsidiair, wat betreft de vordering voor het (deels) verwijderen van de aanbouw, beroepen [gedaagden] zich op rechtsverwerking, omdat [eisers] uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven geen afbraak van de aanbouw meer te zullen vorderen, op misbruik van bevoegdheid en meer subsidiair op gebrek aan belang aan de zijde van [eisers] Daarnaast bestaat er geen rechtsgrond voor de gevorderde vergoeding van meerwerk, omdat [gedaagden] het gebruik van de buitenmuur van hun aanbouw hebben toegestaan. Subsidiair betwisten zij dat er sprake is van daadwerkelijk meerwerk. Tot slot betwisten [gedaagden] dat hun zonnepanelen ook op het dak van [eisers] liggen.




in voorwaardelijke reconventie





3.4.
Indien de vorderingen van [eisers] in conventie worden afgewezen, vorderen [gedaagden] dat de rechtbank bij vonnis:


I. voor recht verklaart dat [gedaagden] eigenaar zijn van de ondergrond van de aanbouw voor zover die zich kadastraal bevindt op het perceel van [eisers],



II. voor recht verklaart dat [gedaagden] eigenaar zijn van de grond tot de haag die in het verlengde van genoemde aanbouw staat,



III. [eisers] veroordeelt - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van de procedure in reconventie daaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dit vonnis tot de dag van betaling.




3.5.

[eisers] voeren verweer.



in conventie en in voorwaardelijke reconventie





3.6.
De rechtbank zal hierna, voor zover nodig, nader ingaan op de stellingen van partijen.





4De beoordeling



in conventie





Artikelen 21 en 111 Burgerlijke Rechtsvordering




4.1.

[gedaagden] hebben allereerst als verweer gevoerd dat [eisers] niet hebben voldaan aan de volledigheids- en waarheidsplicht en de substantiëringsplicht, doordat zij in hun dagvaarding een groot deel van de correspondentie tussen partijen niet hebben vermeld, geen compleet beeld van het verweer van [gedaagden] hebben gegeven en de gronden van hun vorderingen niet (voldoende) hebben omschreven. Daarom is de dagvaarding nietig of moeten [eisers] niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen dan wel moeten hun vorderingen worden afgewezen, aldus [gedaagden]


4.2.
Met de feiten en omstandigheden die [eisers] hebben gesteld is de grondslag van hun vordering naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk. De rechtbank is wel met [gedaagden] van oordeel dat [eisers] in hun dagvaarding het beroep op eigendom door verjaring van [gedaagden] hadden moeten vermelden als een van de verweren. Dit verweer blijkt wel uit een bij dagvaarding overgelegde e-mail van 17 maart 2023 van de toenmalig rechtsbijstandverlener van [eisers] De rechtbank zal aan deze omissie van [eisers] in dit geval echter geen consequentie verbinden.



De aanbouw van [gedaagden]





4.3.
Niet in geschil is dat de strook onder de aanbouw volgens de kadastrale gegevens tot het perceel van [eisers] behoort. [eisers] stellen dat zij eigenaar zijn van deze grond en eisen die op. [gedaagden] zijn het daar niet mee eens en voeren aan dat de feitelijke grens de erfgrens bepaalt, want rechtsvoorgangers van [gedaagden] zijn door verjaring daarvan eigenaar geworden en in vervolg daarop zijn zij dat nu. Dit verweer slaagt en de rechtbank licht dat hierna toe.



4.4.
Een kadastrale registratie vormt geen doorslaggevend bewijs van eigendom of van een juridische erfgrens, omdat het Kadaster de inschrijving niet actief onderzoekt op juistheid en de juridische situatie door bijvoorbeeld verjaring kan veranderen. [gedaagden] beroepen zich op verjaring. De stelplicht en (bij gemotiveerde betwisting) bewijslast van de feiten en omstandigheden waarop zij zich ter onderbouwing van die verjaring beroepen, liggen daarom bij hen.



4.5.


[gedaagden] stellen dat met de bouw van de aanbouw in 1933 het bezit van de strook onder de aanbouw door hun rechtsvoorgangers is aangevangen. Zij hebben dit onderbouwd met de veldwerktekening uit 1933. Tussen partijen staat niet ter discussie dat door de aanbouw sprake was (en is) van bezit van de strook onder de aanbouw. Dat een aanbouw in 1933 is gebouwd betwisten [eisers] ook niet, maar zij werpen op dat de rechtsvoorganger van [gedaagden] in de periode van 2014 tot 2017 de aanbouw over de erfgrens zou hebben gebouwd. Dit wordt weersproken door [gedaagden]; de verbouwing van de aanbouw in 2013 (niet 2014-2017) had slechts betrekking op de ramen en het keukendeel aan de kant van de andere buren. Aan de buitenmuren van de aanbouw is volgens hen niets gewijzigd. Dit hebben [gedaagden] onderbouwd met foto’s van de aanbouw tijdens de verbouwing waarop te zien is dat de buitenmuur aan de kant van [eisers] bleef staan. Dit hebben [eisers] onvoldoende onderbouwd betwist. De foto’s van de aanbouw die [eisers] hebben overgelegd (productie 7) tonen namelijk niet anders. Dat bij de verbouwing aan de zijde van [eisers] een boeideel is vervangen, is niet voldoende.
De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de aanbouw op dezelfde plek staat als bij de bouw in 1933.




4.6.
Onder het voor 1 januari 1992 geldende Burgerlijk Wetboek (OBW) was voor verkrijging van eigendom door verjaring vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit als eigenaar. De inhoud van deze bepaling geldt ook voor het huidige recht. Bezitters te goeder trouw die een wettige titel konden tonen verkregen een onroerende zaak na een onafgebroken verjaringsbezit van 20 jaar. Voor bezitters te goeder trouw zonder geldige titel gold een verjaringstermijn van 30 jaar. Verkrijgende verjaring door een bezitter te kwader trouw was onder het OBW niet mogelijk. Voor het geval een bezitter op het moment van de inwerkingtreding van het huidige wetboek niet te goeder trouw was, bepaalt artikel 93 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (BW, geldend vanaf 1 januari 1992) in samenhang met artikel 3:105 BW dat een bezitter te kwader trouw alsnog de eigendom verkreeg op 1 januari 1993, indien de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit was voltooid. Niet van belang is of tijdens de verjaringstermijn opvolging in het bezit (door bijvoorbeeld verkoop) heeft plaatsgevonden.



4.7.
Dit betekent dat - te goeder of te kwader trouw - de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit van de strook grond onder de aanbouw al lang en breed is voltooid. Rechtsvoorgangers van [gedaagden] zijn uiterlijk op 1 januari 1993 eigenaar geworden van deze strook grond (13 centimeter bij 2,5 meter).



4.8.
Daarom zal de rechtbank de door [eisers] gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagden] geen eigendom hebben van de grond afwijzen.



4.9.
Dit betekent ook dat de deelvordering onder 3. tot het verwijderen van de aanbouw zal worden afgewezen. De vraag of [eisers] die vordering al eerder hebben prijsgegeven kan daarom in het midden blijven.



Geen verklaring voor recht over erfdienstbaarheid





4.10.
Gezien het voorgaande zal de gevorderde verklaring voor recht dat er wat betreft de grond onder aanbouw geen erfdienstbaarheid ten behoeve van [gedaagden] bestaat (vordering onder 2.) ook worden afgewezen.



Geen vergoeding voor gesteld meerwerk





4.11.
Dat [eisers] [gedaagden] concreet toestemming hebben gevraagd voor het gebruik van de buitenmuur van hun aanbouw voor de realisatie van hun aanbouw, is niet gebleken. De reactie van 1 maart 2023 namens [gedaagden], dat het niet redelijk lijkt van hen een oplossing te verwachten, behelst anders dan [eisers] stellen geen uitdrukkelijk verbod die muur daarvoor te gebruiken. Bovendien hebben [gedaagden] het gebruik van hun muur later wel aangeboden.


4.12.
Er bestaat onder deze omstandigheden geen rechtsgrond voor een schadevergoeding voor (gesteld) meerwerk. De rechtbank zal de vordering onder 5. reeds daarom afwijzen.



Vordering tot schadevergoeding





4.13.
De vordering om [gedaagden] te veroordelen tot betaling van “een nader te bepalen vergoeding” voor het onrechtmatig in bezit nemen en houden en bebouwen (en beplanten) van een deel van hun perceel is te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen, nog afgezien van de vraag of [eisers] (nu nog) een vordering in dit kader op [gedaagden] hebben. Deze vordering zal al om eerstgenoemde reden worden afgewezen. Daarbij merkt de rechtbank voor de volledigheid op dat een verwijzing naar een schadestaatprocedure niet is gevorderd en ook ambtshalve niet op zijn plaats is, want [eisers] waren op zich in staat in deze procedure hun gestelde schade (de waarde van de grond, nog geen 1/3 m2) te concretiseren maar hebben dat nagelaten.



De haag





4.14.
Naast de aanbouw speelt tussen partijen ook een geschil over de plaats van de haag die de tuinen van partijen scheidt. Niet ter discussie staat de haag niet precies op de kadastrale erfgrens staat. [eisers] vorderen dat [gedaagden] worden veroordeeld ‘de haag’ van hun grond weg te halen. [gedaagden] zijn het daarmee niet eens en doen een beroep op verjaring. Omdat zij zich op verjaring beroepen, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waarop zij zich ter onderbouwing van die verjaring beroepen, weer op hen.



4.15.

[gedaagden] stellen dat het aannemelijk is dat met het plaatsen van de uitbouw in 1933 de erfafscheiding in lijn met de hoek van de aanbouw en de garage is geplaatst. In ieder geval staat de haag al sinds 2011 op de huidige positie, want uit foto’s blijkt dat de haag in 2013 was volgroeid, aldus [gedaagden] [eisers] betwisten dit ook aan de hand van foto’s en voeren aan dat de ondersteuning van de haag in december 2013 is vervangen en die toen is verplaatst naar de huidige positie.



4.16.
Aan de stelling dat het aannemelijk is dat de haag in 1933 op de huidige positie is geplaatst, gaat de rechtbank voorbij. Enige feitelijke onderbouwing daarvan ontbreekt namelijk. Verder is weliswaar op foto’s van juni 2013 een volgroeide haag te zien, maar [gedaagden] hebben niet betwist dat het huidige metalen hek in december 2013 is geplaatst en op foto’s na de plaatsing van het metalen hek is geen klimop-haag meer te zien. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verjaringstermijn voor de haag in december 2013 is afgebroken en op zijn vroegst in december 2013 opnieuw gaan lopen. Bij e-mail van 21 februari 2023 hebben [eisers] aanspraak gemaakt op grond onder de haag. Op dat moment was de termijn van tien jaar voor verkrijgende verjaring nog niet verstreken. Het beroep op verjaring van [gedaagden] wat betreft de haag gaat daarom niet op. De rechtbank zal voor de erfgrens tussen de tuinen van partijen uitgaan van de grensreconstructie van het Kadaster.



4.17.
Dit hoeft er echter niet toe te leiden dat – zoals gevorderd - de haag in zijn geheel wordt verwijderd. Recente foto’s laten namelijk een brede haag zien terwijl de grensoverschrijding op basis van de kadastrale meting zeer beperkt is; 1 centimeter bij de aanbouw tot 10 centimeter bij de hoek van de garage achterin de tuin. De rechtbank gaat ervan uit dat het tot de erfgrens snoeien van de haag de grensoverschrijding al wegneemt. [eisers] zijn daartoe als eigenaar van hun erf bevoegd. De rechtbank zal de deelvordering onder 3. daarom afwijzen.



Zonnepanelen





4.18.

Tot slot stellen [eisers] dat de zonnepanelen van [gedaagden] ook deels op hun dak zijn gelegd en vorderen ze dat deze panelen worden verwijderen. Ter onderbouwing van deze stelling hebben [eisers] luchtfoto’s overgelegd waarop “perceelgrenzen” zijn getekend die door een rij zonnepanelen wordt overschreden.

[gedaagden] betwisten dat de grenzen op de foto’s juist zijn getekend en voeren aan – gesteund door metingen van het Kadaster – dat de werkelijke perceelgrenzen door het midden van de gedeelde schoorstenen lopen en dat de zonnepanelen tussen die schoorstenen in liggen. Dit verweer hebben [eisers] niet weersproken en zij hebben dus hun stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting onvoldoende onderbouwd. De vordering zal daarom worden afgewezen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.




Proceskosten





4.19.

[gedaagden] hebben verzocht [eisers] te veroordelen hun werkelijke proceskosten te vergoeden, omdat volgens hen de vorderingen van [eisers] van de meet af aan evident kansloos waren en zij hen vóór aanvang van de procedure op het bewijs voor de voltooide verjaring hebben gewezen en bewijs daarvan hebben gestuurd. [eisers] hebben betwist dat er sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen.



4.20.
De rechtbank stelt voorop dat voor een reële proceskostenveroordeling alleen plaats is als er sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is volgens vaste rechtspraak sprake als het instellen van de eis, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als [eisers] hun eisen hadden gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.



4.21.
Het enkele feit dat [eisers] ongelijk hebben gekregen, maakt niet dat hun vorderingen ‘kansloos’ waren, alleen al omdat partijen het oneens waren (en mogelijk zijn) over de feiten rondom de verbouwing van de aanbouw. Bovendien hebben [gedaagden] de oude kadastrale tekeningen pas ná dagvaarding met [eisers] gedeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een evident ongegronde eisen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief.



4.22.

[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:









- griffierecht


€


1.374,00







- salaris advocaat


€


1.385,00


(2,5 punten × € 554,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.948,00











4.23.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat als één (een deel van) de proceskosten betaalt, de ander dat (deel van het) bedrag niet meer hoeft te betalen.



in voorwaardelijke reconventie





4.24.
De voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen zijn ingesteld is vervuld; de vorderingen in conventie worden afgewezen. De beslissingen in conventie betekenen voor de reconventie het volgende:

- De vordering onder I (verklaring voor recht dat [gedaagden] eigenaar zijn van de ondergrond van de aanbouw voor zover die zich kadastraal bevindt op het perceel van [eisers]) zal worden toegewezen. Rechtsvoorgangers van [gedaagden] zijn immers door verjaring eigenaar van die grond geworden en [gedaagden] zijn op hun beurt door rechtsopvolging daarvan eigenaar.

- De vordering onder II (verklaring voor recht dat [gedaagden] eigenaar zijn van de grond tot de haag die in het verlengde van genoemde aanbouw staat) zal worden afgewezen. Zoals in conventie is geoordeeld gaat het beroep op verkrijgende verjaring wat betreft de haag niet op.



4.25.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





5De beslissing


De rechtbank




in conventie




5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,



5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.948,00, in die zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan [gedaagden] te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de beslissing onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in reconventie





5.5.
verklaart voor recht dat [gedaagden] eigenaar zijn van de ondergrond van de aanbouw voor zover die zich kadastraal bevindt op het perceel van [eisers],



5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.



1680




De schets bij het relaas van bevindingen is niet op schaal.


Het zogenoemd ‘negatief stelsel’.


productie 24 van [gedaagden]