Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:10146
2026-01-20
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/15/371568
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Vordering tot (deels) opheffen conservatoir beslagen vanwege onjuist/ onvolledig informeren, het niet aannemelijk maken van de gestelde vordering en een belangenafweging die in het voordeel van de beslagene zou moeten uitvallen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7202 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-10-2025
- ECLI:NL:PHR:1996:AD2496 Parket bij de Hoge Raad 23-02-1996
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.155 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/371568 / KG ZA 25-713
Vonnis in kort geding van 20 januari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. K.A. Cerutti,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. W.H. Lindhout.
De zaak in het kort
In dit kort geding vordert [eiser] opheffing van twee door [gedaagde] gelegde conservatoire beslagen of tenminste opheffing van het laatst gelegde beslag. [eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] de voorzieningenrechter in haar beslagverzoeken onjuist, althans onvolledig heeft geïnformeerd, dat [gedaagde] haar vordering op [eiser] op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt en dat haar belang bij opheffing van de beslagen zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij behoud ervan. Het eerste beslag biedt volgens [eiser] sowieso voldoende zekerheid. [gedaagde] is het hier niet mee eens. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af en licht dat in dit vonnis toe.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 14
- producties 1 t/m 15 van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 6 januari 2026 waarbij mr. Cerutti en mr. Lindhout spreekaantekeningen hebben overgelegd en de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Tot slot is een datum voor vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben in 2020 een overeenkomst gesloten voor de verkoop en levering door [eiser] aan [gedaagde] van de percelen plaatselijk bekend [adres] te [plaats 3] (gemeente [gemeente 1]), kadastraal bekend gemeente [plaats 3], [kadaster nummer 1], [kadaster nummer 2], [kadaster nummer 3], [kadaster nummer 4], [kadaster nummer 5] en [kadaster nummer 6] (hierna: het terrein).
2.2.
In de koopakte van 26 februari 2020 is onder meer bepaald dat de koopprijs voor het terrein € 2.450.000,00 bedraagt en dat de notariële levering zal plaatsvinden op 1 augustus 2021.
2.3.
Voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst is in opdracht van [gedaagde] een bodemonderzoek verricht waarvan op 15 januari 2020 een rapport is uitgebracht. In de koopakte is daarover opgenomen dat [gedaagde] de in het rapport gesignaleerde asbestverontreiniging aanvaardt (hierna: de exoneratieclausule).
2.4.
Op 12 december 2021 is een deel van het terrein (de percelen met nummers [kadaster nummer 2], [kadaster nummer 4] en [kadaster nummer 5]) door [eiser] aan [gedaagde] geleverd.
2.5.
Begin april 2024 heeft [gedaagde] aan [eiser] gemeld dat bij de sloopwerkzaamheden op het terrein in drie betonnen putten onder de betonvloer van de oude loods asbest is aangetroffen. Volgens [gedaagde] is het asbest destijds door [eiser] in die drie putten gestort, alvorens daar de betonvloer van de vervangende grotere loods overheen te storten. Bij brief van 10 april 2024 heeft [gedaagde] [eiser] aansprakelijk gesteld voor schade en kosten als gevolg van dit asbest. Omdat [eiser] bij het sluiten van de koopovereenkomst een en ander niet aan [gedaagde] heeft gemeld, heeft [eiser] volgens [gedaagde] haar mededelingsplicht geschonden en is sprake van non-conformiteit en dwaling. De kosten voor het saneren van de bodem zijn begroot op € 260.010,98 (hierna: de begrote saneringskosten).
2.6.
Op 19 juli 2024 heeft de notariële levering van het andere deel van het terrein (de percelen met nummers [kadaster nummer 1], [kadaster nummer 3] en [kadaster nummer 6]) plaatsgevonden ten overstaan van notaris [notgaris] (hierna: de notaris). Hierbij heeft [gedaagde] de na eerdere deelbetalingen resterende koopsom van € 853.400,01 op de kwaliteitsrekening van de notaris gestort.
2.7.
Op 22 juli 2024 heeft [gedaagde] met verlof van de voorzieningenrechter van rechtbank Zeeland-West-Brabant ten laste van [eiser] conservatoir beslag onder de notaris laten leggen voor € 338.000,00, zijnde de begrote saneringskosten vermeerderd met rente en kosten.
2.8.
Bij e-mail van 22 juli 2024 heeft de notaris aan partijen en hun advocaten het volgende bericht:
[gedaagde] B.V heeft bij deurwaardersexploot d.d. 22 juli 2024 om 10.19 uur onder mij beslag gelegd op de koopprijs tot een bedrag van € 338.000,00.
Bij onderhandse akte, gedateerd 16 juli 2024 en door mij per e-mail op die datum ontvangen, heeft [eiser] B.V. haar vordering op mij vanwege de levering van het bouwterrein bij wijze van cessie overgedragen aan een derde onder de bepaling dat alleen bevrijdend kan worden betaald aan de verkrijger van die vordering.
Vriendelijk verzoek ik beide advocaten zich met elkaar te verstaan inzake het vorenstaande en mij (bij voorkeur een gelijkluidende) instructie te geven inzake de uitbetaling van de gelden.
2.9.
De advocaat van [eiser] heeft dezelfde dag de notaris, met kopie aan (de advocaat van) [gedaagde], als volgt geantwoord:
Volgens mij is het thans aan u om te verklaren dat u niets verschuldigd bent aan [eiser] B.V. Als bijlage treft u de cessie akte aan waaruit blijkt dat de vordering is overgedragen aan een derde. De gegevens van deze derde heb ik verwijderd nu dit niet ter zake doende is. Een kopie van deze e-mail stuur ik aan mr. Lindhout.
2.10.
[gedaagde] heeft zich vervolgens onder verwijzing naar het eerdere beslag en de cessie, tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewend en verzocht haar vordering op € 338.000,00 te begroten en haar verlof te verlenen conservatoir beslag te laten leggen op een onroerende zaak van [eiser]; het perceel kadastraal bekend [kadaster nummer 7], plaatselijk bekend [plaats 1] nrs. [nummer 1],[nummer 2] en [nummer 3] in ([postcode]) [plaats 1], gemeente [gemeente 2] (hierna: de onroerende zaak). De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het verzochte verlof op 24 juli 2024 verleend en diezelfde dag heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] conservatoir beslag laten leggen op voornoemd perceel.
2.11.
De notaris heeft op 8 augustus 2024 een derdenverklaring aan de betrokken deurwaarder verzonden met de volgende inhoud:
Ten behoeve van [eiser] B.V. is een bedrag, groot achthonderd drieënvijftig
duizend vierhonderd euro en één eurocent (€ 853.400,01), op een derdenrekening
van mij gestort.
[eiser] B.V stelt zich op het standpunt dat dat geld haar niet toekomt omdat
er een cessie heeft plaatsgevonden.
Uit de met de advocaat van [eiser] B.V. en de advocaat van [gedaagde] B.V.
gevoerde correspondentie blijkt dat er over en weer verschillende standpunten zijn.
Door ondergetekende is niet te beoordelen of die cessie tot gevolg heeft gehad dat
ondergetekende niets meer houdt voor [eiser] B.V.
2.12.
Op 11 oktober 2024 heeft de notaris € 515.400,01 aan [eiser] uitgekeerd, zodat de notaris nog € 338.000,00 onder zich heeft.
2.13.
In de bodemprocedure die [gedaagde] bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft aangespannen, vordert [gedaagde] (primair) betaling van [eiser] van een schadevergoeding voor de begrote saneringskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. Bij tussenvonnis van 22 oktober 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechter in die procedure [gedaagde] een bewijsopdracht gegeven.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat en hernummerd - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair
tot opheffing van de beslagen gelegd onder de notaris en op het bedrijfsterrein [plaats 1] [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3] te [plaats 1], binnen 24 uur na betekening van dit vonnis,
subsidiair
tot opheffing van het beslag gelegd op het bedrijfsterrein [plaats 1] [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3] te [plaats 1] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis,
primair en subsidiair
II. [gedaagde] te verbieden om opnieuw beslag te leggen ten laste van [eiser] voor de onderhavige vordering,
III. tot nakoming van vordering I t/m II op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per dag voor iedere kalenderdag dat hiermee in gebreke wordt gebleven, tot een maximum van € 100.000,00,
IV. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,
V. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te voldoen de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen – samengevat - ten grondslag dat a. [gedaagde] in haar verzoekschriften heeft verzuimd de exoneratieclausules uit de koopakte aan te halen en daarmee haar waarheidsplicht heeft geschonden, b. er sprake is van een summierlijk ondeugdelijke vordering van de zijde van [gedaagde] en c. de omvang van beide conservatoir beslagen niet in verhouding staat tot de hoogte van de gestelde vordering. Subsidiair stelt [eiser] dat het bedrag dat de notaris onder zich houdt totdat daar door een rechter over is beslist voldoende zekerheid biedt voor de gepretendeerde schadevordering en het gelegde beslag op het perceel van [eiser] daarmee disproportioneel is. Omdat dit perceel verder ontwikkeld zal worden dient dit beslag dan ook te worden opgeheven, aldus [eiser].
3.3.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
De voorzieningenrechter gaat hierna, voor zover van belang, nader in op de stellingen van partijen.
4De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.
Op grond van artikel 705 lid 1 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de voorzieningenrechter die verlof tot het leggen van een conservatoir beslag heeft gegeven het beslag op vordering van iedere belanghebbende opheffen. Die voorzieningenrechter is in dat geval ook bevoegd tot opheffing van beslagen die met verlof van een andere voorzieningenrechter zijn gelegd. Anders dan [gedaagde] betoogt, is de voorzieningenrechter dan ook bevoegd van de vordering tot opheffing van beide beslagen kennis te nemen.
Gronden opheffing beslag
4.2.
Op grond van artikel 705 lid 2 Rv kan de opheffing van een conservatoir beslag onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Op al deze gronden heeft [eiser] een beroep gedaan, maar haar beroep faalt. De voorzieningenrechter zal dit hierna toelichten.
a. geen schending artikel 21 Rv
4.3.
Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Aan het niet-naleven van deze plicht kan de rechter de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht. [eiser] stelt dat [gedaagde] deze waarheidsplicht heeft geschonden door in haar verzoekschriften de overeengekomen exoneratieclausules niet aan te halen. Al om die reden moeten de beslagen worden opgeheven, aldus [eiser].
4.4.
De waarheidsplicht geldt ook voor het beslagrekest. Zeker wanneer zonder de gerekwestreerde eerst te horen (ex-parte) op een beslagrekest wordt beslist, kan misleiding door onvoldoende toelichting in het beslagrekest de voorzieningenrechter reden geven om een latere vordering tot opheffing om die reden toe te wijzen. De voorzieningenrechter is echter met [gedaagde] van oordeel dat hiervan niet is gebleken. [gedaagde] heeft zich in haar verzoekschriften op het standpunt gesteld dat sprake is van non-conformiteit omdat [eiser] voor wat betreft de asbestverontreiniging in de putten haar mededelingsplicht heeft geschonden en daarom geen beroep op de exoneratieclausules toekomt. Tegen die achtergrond kan het niet vermelden van deze clausules in de verzoekschriften niet als misleiding door onvoldoende toelichting worden aangemerkt. De voorzieningenrechter zal aan het niet-aanhalen van deze clausules daarom geen consequenties verbinden.
b. niet summierlijk gebleken dat vordering van [gedaagde] ondeugdelijk is
4.5.
Het is aan de partij die opheffing vordert, in dit geval [eiser], om met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door beslaglegger ([gedaagde]) gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Daarin is [eiser] niet geslaagd. [eiser] stelt, onder verwijzing naar het tussenvonnis, dat op dit moment als uitgangspunt heeft te gelden dat [gedaagde] haar vorderingsrecht op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt, zodat haar vordering vooralsnog als ondeugdelijk dient te worden gekwalificeerd. Dit betoog faalt.
4.6.
Met het tussenvonnis heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant [gedaagde] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat in de drie putten asbest is aangetroffen. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat in het geval dat [gedaagde] slaagt in haar bewijs, nog een aantal stappen moeten worden genomen voordat zij hierover een eindvonnis kan wijzen. Hieruit volgt niet dat nu al aannemelijk is dat de vordering ondeugdelijk is, maar enkel dat de feiten die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd nog niet voldoende vaststaan.
c. beslagen zijn proportioneel
4.7.
Tot slot moet de voorzieningenrechter beoordelen of het belang van de beslagene bij opheffing van de beslagen zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag. Daarbij dient als uitgangspunt te gelden dat een schuldeiser in beginsel gerechtigd is tot zekerheid van het verhaal van zijn vordering maatregelen te treffen, waaronder het leggen van conservatoire beslagen. Het is aan de beslagene om voldoende aannemelijk te maken dat sprake is van feiten en omstandigheden die maken dat het beslag in dit geval disproportioneel is. Daarin is [eiser] niet geslaagd. De enkele omstandigheid dat [eiser] in 2023 een eigen vermogen van iets minder dan € 1,5 miljoen had, is daartoe in ieder geval niet voldoende.
4.8.
Ook het feit dat na het conservatoir beslag onder de notaris vervolgens ook nog conservatoir beslag op een perceel van [eiser] is gelegd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet disproportioneel. [eiser] heeft zich immers uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat het beslag onder de notaris geen doel had getroffen. Hierdoor zag [gedaagde] zich genoodzaakt nogmaals beslag te leggen, nu op de onroerende zaak. Weliswaar heeft [eiser] in deze procedure gesteld dat de cessie is ontbonden, maar deze enkele stelling heeft zij niet met stukken onderbouwd. Bovendien heeft [eiser] geen aangepaste derdenverklaring van de notaris overgelegd, zodat de eerdere verklaring van de notaris nog altijd geldt. Dat het beslag onder de notaris doel heeft getroffen, kan voorshands dan ook niet worden vastgesteld. Nu [eiser] evenmin vervangende zekerheid heeft aangeboden, heeft [gedaagde] daarom nog altijd belang bij handhaving van het beslag op de onroerende zaak.
4.9.
Dat het beslag op de onroerende zaak de voortgang van een woningbouwproject belemmert, zoals [eiser] stelt, is bovendien gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], door [eiser] onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter zal deze stelling dan ook passeren.
Tussenconclusie
4.10.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [eiser] tot opheffing van de beslagen (zowel primair als subsidiair) zullen worden afgewezen.
Geen aanleiding voor beslagverbod
4.11.
[eiser] vordert daarnaast dat de voorzieningenrechter [gedaagde] verbiedt voor dezelfde vordering nogmaals beslag te leggen. De voorzieningenrechter zal deze vordering ook afwijzen.
4.12.
Een beslagverbod beperkt het door artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot de rechter. In beginsel is een dergelijke vordering alleen toewijsbaar als misbruik van beslagrecht dreigt, waarvoor onvoldoende is gesteld. Het is aan de beslagrechter om een eventueel nieuw verzoek tot beslaglegging, rekening houdend met de al gelegde beslagen, te toetsen.
4.13.
De nevenvordering betreffende de buitengerechtelijke kosten treft hetzelfde lot en zal ook worden afgewezen.
Proceskosten
4.14.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.020,00
4.15.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.020,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de beslissingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
1680
vonnis van Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7202
vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 februari 1996, ECLI:NL:PHR:1996:AD2496 (DKHB/KIVO) en Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/392
artikel 21 Rv
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/371568 / KG ZA 25-713
Vonnis in kort geding van 20 januari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. K.A. Cerutti,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. W.H. Lindhout.
De zaak in het kort
In dit kort geding vordert [eiser] opheffing van twee door [gedaagde] gelegde conservatoire beslagen of tenminste opheffing van het laatst gelegde beslag. [eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] de voorzieningenrechter in haar beslagverzoeken onjuist, althans onvolledig heeft geïnformeerd, dat [gedaagde] haar vordering op [eiser] op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt en dat haar belang bij opheffing van de beslagen zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij behoud ervan. Het eerste beslag biedt volgens [eiser] sowieso voldoende zekerheid. [gedaagde] is het hier niet mee eens. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af en licht dat in dit vonnis toe.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 14
- producties 1 t/m 15 van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 6 januari 2026 waarbij mr. Cerutti en mr. Lindhout spreekaantekeningen hebben overgelegd en de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Tot slot is een datum voor vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben in 2020 een overeenkomst gesloten voor de verkoop en levering door [eiser] aan [gedaagde] van de percelen plaatselijk bekend [adres] te [plaats 3] (gemeente [gemeente 1]), kadastraal bekend gemeente [plaats 3], [kadaster nummer 1], [kadaster nummer 2], [kadaster nummer 3], [kadaster nummer 4], [kadaster nummer 5] en [kadaster nummer 6] (hierna: het terrein).
2.2.
In de koopakte van 26 februari 2020 is onder meer bepaald dat de koopprijs voor het terrein € 2.450.000,00 bedraagt en dat de notariële levering zal plaatsvinden op 1 augustus 2021.
2.3.
Voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst is in opdracht van [gedaagde] een bodemonderzoek verricht waarvan op 15 januari 2020 een rapport is uitgebracht. In de koopakte is daarover opgenomen dat [gedaagde] de in het rapport gesignaleerde asbestverontreiniging aanvaardt (hierna: de exoneratieclausule).
2.4.
Op 12 december 2021 is een deel van het terrein (de percelen met nummers [kadaster nummer 2], [kadaster nummer 4] en [kadaster nummer 5]) door [eiser] aan [gedaagde] geleverd.
2.5.
Begin april 2024 heeft [gedaagde] aan [eiser] gemeld dat bij de sloopwerkzaamheden op het terrein in drie betonnen putten onder de betonvloer van de oude loods asbest is aangetroffen. Volgens [gedaagde] is het asbest destijds door [eiser] in die drie putten gestort, alvorens daar de betonvloer van de vervangende grotere loods overheen te storten. Bij brief van 10 april 2024 heeft [gedaagde] [eiser] aansprakelijk gesteld voor schade en kosten als gevolg van dit asbest. Omdat [eiser] bij het sluiten van de koopovereenkomst een en ander niet aan [gedaagde] heeft gemeld, heeft [eiser] volgens [gedaagde] haar mededelingsplicht geschonden en is sprake van non-conformiteit en dwaling. De kosten voor het saneren van de bodem zijn begroot op € 260.010,98 (hierna: de begrote saneringskosten).
2.6.
Op 19 juli 2024 heeft de notariële levering van het andere deel van het terrein (de percelen met nummers [kadaster nummer 1], [kadaster nummer 3] en [kadaster nummer 6]) plaatsgevonden ten overstaan van notaris [notgaris] (hierna: de notaris). Hierbij heeft [gedaagde] de na eerdere deelbetalingen resterende koopsom van € 853.400,01 op de kwaliteitsrekening van de notaris gestort.
2.7.
Op 22 juli 2024 heeft [gedaagde] met verlof van de voorzieningenrechter van rechtbank Zeeland-West-Brabant ten laste van [eiser] conservatoir beslag onder de notaris laten leggen voor € 338.000,00, zijnde de begrote saneringskosten vermeerderd met rente en kosten.
2.8.
Bij e-mail van 22 juli 2024 heeft de notaris aan partijen en hun advocaten het volgende bericht:
[gedaagde] B.V heeft bij deurwaardersexploot d.d. 22 juli 2024 om 10.19 uur onder mij beslag gelegd op de koopprijs tot een bedrag van € 338.000,00.
Bij onderhandse akte, gedateerd 16 juli 2024 en door mij per e-mail op die datum ontvangen, heeft [eiser] B.V. haar vordering op mij vanwege de levering van het bouwterrein bij wijze van cessie overgedragen aan een derde onder de bepaling dat alleen bevrijdend kan worden betaald aan de verkrijger van die vordering.
Vriendelijk verzoek ik beide advocaten zich met elkaar te verstaan inzake het vorenstaande en mij (bij voorkeur een gelijkluidende) instructie te geven inzake de uitbetaling van de gelden.
2.9.
De advocaat van [eiser] heeft dezelfde dag de notaris, met kopie aan (de advocaat van) [gedaagde], als volgt geantwoord:
Volgens mij is het thans aan u om te verklaren dat u niets verschuldigd bent aan [eiser] B.V. Als bijlage treft u de cessie akte aan waaruit blijkt dat de vordering is overgedragen aan een derde. De gegevens van deze derde heb ik verwijderd nu dit niet ter zake doende is. Een kopie van deze e-mail stuur ik aan mr. Lindhout.
2.10.
[gedaagde] heeft zich vervolgens onder verwijzing naar het eerdere beslag en de cessie, tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewend en verzocht haar vordering op € 338.000,00 te begroten en haar verlof te verlenen conservatoir beslag te laten leggen op een onroerende zaak van [eiser]; het perceel kadastraal bekend [kadaster nummer 7], plaatselijk bekend [plaats 1] nrs. [nummer 1],[nummer 2] en [nummer 3] in ([postcode]) [plaats 1], gemeente [gemeente 2] (hierna: de onroerende zaak). De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het verzochte verlof op 24 juli 2024 verleend en diezelfde dag heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] conservatoir beslag laten leggen op voornoemd perceel.
2.11.
De notaris heeft op 8 augustus 2024 een derdenverklaring aan de betrokken deurwaarder verzonden met de volgende inhoud:
Ten behoeve van [eiser] B.V. is een bedrag, groot achthonderd drieënvijftig
duizend vierhonderd euro en één eurocent (€ 853.400,01), op een derdenrekening
van mij gestort.
[eiser] B.V stelt zich op het standpunt dat dat geld haar niet toekomt omdat
er een cessie heeft plaatsgevonden.
Uit de met de advocaat van [eiser] B.V. en de advocaat van [gedaagde] B.V.
gevoerde correspondentie blijkt dat er over en weer verschillende standpunten zijn.
Door ondergetekende is niet te beoordelen of die cessie tot gevolg heeft gehad dat
ondergetekende niets meer houdt voor [eiser] B.V.
2.12.
Op 11 oktober 2024 heeft de notaris € 515.400,01 aan [eiser] uitgekeerd, zodat de notaris nog € 338.000,00 onder zich heeft.
2.13.
In de bodemprocedure die [gedaagde] bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft aangespannen, vordert [gedaagde] (primair) betaling van [eiser] van een schadevergoeding voor de begrote saneringskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. Bij tussenvonnis van 22 oktober 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechter in die procedure [gedaagde] een bewijsopdracht gegeven.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat en hernummerd - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair
tot opheffing van de beslagen gelegd onder de notaris en op het bedrijfsterrein [plaats 1] [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3] te [plaats 1], binnen 24 uur na betekening van dit vonnis,
subsidiair
tot opheffing van het beslag gelegd op het bedrijfsterrein [plaats 1] [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3] te [plaats 1] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis,
primair en subsidiair
II. [gedaagde] te verbieden om opnieuw beslag te leggen ten laste van [eiser] voor de onderhavige vordering,
III. tot nakoming van vordering I t/m II op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per dag voor iedere kalenderdag dat hiermee in gebreke wordt gebleven, tot een maximum van € 100.000,00,
IV. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,
V. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te voldoen de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen – samengevat - ten grondslag dat a. [gedaagde] in haar verzoekschriften heeft verzuimd de exoneratieclausules uit de koopakte aan te halen en daarmee haar waarheidsplicht heeft geschonden, b. er sprake is van een summierlijk ondeugdelijke vordering van de zijde van [gedaagde] en c. de omvang van beide conservatoir beslagen niet in verhouding staat tot de hoogte van de gestelde vordering. Subsidiair stelt [eiser] dat het bedrag dat de notaris onder zich houdt totdat daar door een rechter over is beslist voldoende zekerheid biedt voor de gepretendeerde schadevordering en het gelegde beslag op het perceel van [eiser] daarmee disproportioneel is. Omdat dit perceel verder ontwikkeld zal worden dient dit beslag dan ook te worden opgeheven, aldus [eiser].
3.3.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
De voorzieningenrechter gaat hierna, voor zover van belang, nader in op de stellingen van partijen.
4De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.
Op grond van artikel 705 lid 1 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de voorzieningenrechter die verlof tot het leggen van een conservatoir beslag heeft gegeven het beslag op vordering van iedere belanghebbende opheffen. Die voorzieningenrechter is in dat geval ook bevoegd tot opheffing van beslagen die met verlof van een andere voorzieningenrechter zijn gelegd. Anders dan [gedaagde] betoogt, is de voorzieningenrechter dan ook bevoegd van de vordering tot opheffing van beide beslagen kennis te nemen.
Gronden opheffing beslag
4.2.
Op grond van artikel 705 lid 2 Rv kan de opheffing van een conservatoir beslag onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Op al deze gronden heeft [eiser] een beroep gedaan, maar haar beroep faalt. De voorzieningenrechter zal dit hierna toelichten.
a. geen schending artikel 21 Rv
4.3.
Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Aan het niet-naleven van deze plicht kan de rechter de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht. [eiser] stelt dat [gedaagde] deze waarheidsplicht heeft geschonden door in haar verzoekschriften de overeengekomen exoneratieclausules niet aan te halen. Al om die reden moeten de beslagen worden opgeheven, aldus [eiser].
4.4.
De waarheidsplicht geldt ook voor het beslagrekest. Zeker wanneer zonder de gerekwestreerde eerst te horen (ex-parte) op een beslagrekest wordt beslist, kan misleiding door onvoldoende toelichting in het beslagrekest de voorzieningenrechter reden geven om een latere vordering tot opheffing om die reden toe te wijzen. De voorzieningenrechter is echter met [gedaagde] van oordeel dat hiervan niet is gebleken. [gedaagde] heeft zich in haar verzoekschriften op het standpunt gesteld dat sprake is van non-conformiteit omdat [eiser] voor wat betreft de asbestverontreiniging in de putten haar mededelingsplicht heeft geschonden en daarom geen beroep op de exoneratieclausules toekomt. Tegen die achtergrond kan het niet vermelden van deze clausules in de verzoekschriften niet als misleiding door onvoldoende toelichting worden aangemerkt. De voorzieningenrechter zal aan het niet-aanhalen van deze clausules daarom geen consequenties verbinden.
b. niet summierlijk gebleken dat vordering van [gedaagde] ondeugdelijk is
4.5.
Het is aan de partij die opheffing vordert, in dit geval [eiser], om met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door beslaglegger ([gedaagde]) gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Daarin is [eiser] niet geslaagd. [eiser] stelt, onder verwijzing naar het tussenvonnis, dat op dit moment als uitgangspunt heeft te gelden dat [gedaagde] haar vorderingsrecht op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt, zodat haar vordering vooralsnog als ondeugdelijk dient te worden gekwalificeerd. Dit betoog faalt.
4.6.
Met het tussenvonnis heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant [gedaagde] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat in de drie putten asbest is aangetroffen. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat in het geval dat [gedaagde] slaagt in haar bewijs, nog een aantal stappen moeten worden genomen voordat zij hierover een eindvonnis kan wijzen. Hieruit volgt niet dat nu al aannemelijk is dat de vordering ondeugdelijk is, maar enkel dat de feiten die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd nog niet voldoende vaststaan.
c. beslagen zijn proportioneel
4.7.
Tot slot moet de voorzieningenrechter beoordelen of het belang van de beslagene bij opheffing van de beslagen zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag. Daarbij dient als uitgangspunt te gelden dat een schuldeiser in beginsel gerechtigd is tot zekerheid van het verhaal van zijn vordering maatregelen te treffen, waaronder het leggen van conservatoire beslagen. Het is aan de beslagene om voldoende aannemelijk te maken dat sprake is van feiten en omstandigheden die maken dat het beslag in dit geval disproportioneel is. Daarin is [eiser] niet geslaagd. De enkele omstandigheid dat [eiser] in 2023 een eigen vermogen van iets minder dan € 1,5 miljoen had, is daartoe in ieder geval niet voldoende.
4.8.
Ook het feit dat na het conservatoir beslag onder de notaris vervolgens ook nog conservatoir beslag op een perceel van [eiser] is gelegd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet disproportioneel. [eiser] heeft zich immers uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat het beslag onder de notaris geen doel had getroffen. Hierdoor zag [gedaagde] zich genoodzaakt nogmaals beslag te leggen, nu op de onroerende zaak. Weliswaar heeft [eiser] in deze procedure gesteld dat de cessie is ontbonden, maar deze enkele stelling heeft zij niet met stukken onderbouwd. Bovendien heeft [eiser] geen aangepaste derdenverklaring van de notaris overgelegd, zodat de eerdere verklaring van de notaris nog altijd geldt. Dat het beslag onder de notaris doel heeft getroffen, kan voorshands dan ook niet worden vastgesteld. Nu [eiser] evenmin vervangende zekerheid heeft aangeboden, heeft [gedaagde] daarom nog altijd belang bij handhaving van het beslag op de onroerende zaak.
4.9.
Dat het beslag op de onroerende zaak de voortgang van een woningbouwproject belemmert, zoals [eiser] stelt, is bovendien gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], door [eiser] onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter zal deze stelling dan ook passeren.
Tussenconclusie
4.10.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [eiser] tot opheffing van de beslagen (zowel primair als subsidiair) zullen worden afgewezen.
Geen aanleiding voor beslagverbod
4.11.
[eiser] vordert daarnaast dat de voorzieningenrechter [gedaagde] verbiedt voor dezelfde vordering nogmaals beslag te leggen. De voorzieningenrechter zal deze vordering ook afwijzen.
4.12.
Een beslagverbod beperkt het door artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot de rechter. In beginsel is een dergelijke vordering alleen toewijsbaar als misbruik van beslagrecht dreigt, waarvoor onvoldoende is gesteld. Het is aan de beslagrechter om een eventueel nieuw verzoek tot beslaglegging, rekening houdend met de al gelegde beslagen, te toetsen.
4.13.
De nevenvordering betreffende de buitengerechtelijke kosten treft hetzelfde lot en zal ook worden afgewezen.
Proceskosten
4.14.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.020,00
4.15.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.020,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de beslissingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
1680
vonnis van Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7202
vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 februari 1996, ECLI:NL:PHR:1996:AD2496 (DKHB/KIVO) en Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/392
artikel 21 Rv