Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:10005

2026-08-04 Civiel recht; Personen- en familierecht C/15/375330 / FA RK 26-1118
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/15/375330 / FA RK 26-1118
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beëindiging van het ouderlijk gezag van beide ouders over drie minderjarigen en het benoemen van de GI tot voogd. De moeder heeft al lange tijd een minimale rol in het leven van de kinderen waarbij er ook jarenlang geen contact is geweest tussen hen. De moeder kampt met psychische en lichamelijk problematiek en is daardoor onvoldoende beschikbaar voor de kinderen. De vader bevindt zich in een andere positie dan de moeder en hij heeft in de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hij is coöperatief en vertraagt de besluitvorming niet. Ondanks deze positieve ontwikkeling is de rechtbank van oordeel dat ook het gezag van de vader beëindigd moet worden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.334 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar



Zaaknummer: C/15/375330 / FA RK 26-1118
Datum uitspraak: 4 augustus 2026




Beschikking van de meervoudige kamer over een gezagsbeëindiging




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,



over





[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,





[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,





[de minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] .



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. M.J. Bouwman uit Zaandam,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. G.F.H. Velthuizen uit Zaandam,




Het gezinshuis [de gezinshuizen],
te [plaats] ,
hierna te noemen: het gezinshuis,




de gecertificeerde instelling [de GI] , hierna te noemen de GI,
gevestigd te [plaats] .







1Het verloop van de procedure


1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 februari 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord:
- de advocaat van de vader, mr. G.F.H. Velthuizen;
- de advocaat van de moeder, mr. M.J. Bouwman;
- namens de Raad, [vertegenwoordiger van de raad] ;
- namens de GI, [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .


De ouders zijn niet op de zitting verschenen. Het gezinshuis heeft zich per emailbericht afgemeld voor de zitting.




1.3.
De rechtbank heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.





2De feiten


2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .



2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 december 2020 [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 4 december 2025, tot 24 december 2026.



2.3.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 december 2020 ook een
machtiging verleend om [de minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, welke machtiging daarna steeds is verlengd en
heeft voortgeduurd tot 24 december 2023.




2.4.

Bij beschikking van 21 oktober 2022 heeft de kinderrechter een machtiging
verleend om [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening
voor pleegzorg, welke machtiging is verlengd en heeft voortgeduurd tot 24 december 2023.




2.5.

Bij beschikking van 22 december 2022 heeft de kinderrechter een machtiging
verleend tot (over)plaatsing van [de minderjarige 3] naar een accommodatie van een
jeugdhulpaanbieder, te weten een gezinshuis, met ingang van 22 december 2022, welke
machtiging is verlengd en nu nog voortduurt tot 24 december 2026.




2.6.

Bij beschikking van 4 september 2023 heeft de kinderrechter een machtiging
verleend tot (over)plaatsing van [de minderjarige 2] naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder,
te weten een gezinshuis, met ingang van 4 september 2023, welke machtiging is verlengd en
nu nog voortduurt tot 24 december 2026.




2.7.

Bij beschikking van 8 december 2023 heeft de kinderrechter een machtiging
verleend tot (over)plaatsing van [de minderjarige 1] in het gezinshuis, met ingang van 9 december 2023,
welke machtiging is verlengd en nu nog voortduurt tot 24 december 2026.




2.8.

[de minderjarige 1] verblijft op basis van voornoemde machtiging in het perspectief biedende gezinshuis [het gezinshuis] in [plaats] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verblijven op basis van voornoemde machtigingen in het perspectief biedende gezinshuis [het gezinshuis] in [plaats] . De gezinshuizen zijn nauw aan elkaar verbonden en bevinden zich in dezelfde straat.



2.9.
In de zomer van 2025 is tussen de ouders een contactverbod opgelegd voor de duur van een jaar.



2.10.
De GI heeft zich bij brief van 20 februari 2026 bereid verklaard om de voogdij over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te aanvaarden.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de ouders over de kinderen te beëindigen en de GI tot voogd over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te benoemen. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad het volgende naar voren gebracht.



3.2.
Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] . De ouders zijn niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen binnen een voor hen aanvaardbare termijn te dragen. Tijdens de ondertoezichtstelling is gebleken dat het de ouders onvoldoende lukt om tot gedragsverandering te komen en de zorgen weg te nemen. In november 2024 heeft de GI een perspectiefbesluit genomen en is bepaald dat de kinderen niet terug kunnen naar huis, wat ook bevestigd is door de kinderrechter. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] moeten naar mening van de Raad niet langer in onzekerheid verkeren over hun opgroeiperspectief in het gezinshuis. Hoewel door de kinderrechter bevestigd is dat zij niet terug naar huis zullen gaan, is het voor de kinderen belangrijk dat zij de zekerheid hebben dat zij in het gezinshuis kunnen blijven.



3.3.
Op hun huidige woonplekken krijgen de kinderen de zorg, structuur en voorspelbaarheid die zij nodig hebben en de ruimte om zich te ontwikkelen. Voortzetting van het gezag van de moeder zou betekenen dat er van de moeder meer gevraagd wordt dan dat zij de kinderen kan bieden, namelijk een actieve samenwerking met de gezinshuisouders en de gezinsvoogd. Dit lukt de moeder niet. De moeder wordt in beslag genomen door haar eigen problematiek en zij is vaak moeilijk bereikbaar geweest voor de GI waardoor zij niet in staat is om invulling te geven aan het gezag over de kinderen. Hierdoor kunnen belangrijke zaken voor de kinderen vaak pas met vertraging, en soms helemaal niet, geregeld worden. De vader werkt mee en geeft toestemming voor zaken aangaande de kinderen. De Raad acht het voor de kinderen echter van belang dat ook het gezag van de vader wordt beëindigd. De vader toont onvoldoende inzicht in zijn eigen aandeel in de problematische voorgeschiedenis en het effect daarvan op de kinderen. De vader zegt te begrijpen dat de kinderen niet thuis kunnen verblijven, maar sluit niet uit dat [de minderjarige 2] terug naar hem kan. Daarnaast geeft de vader aan geen band te ervaren met [de minderjarige 3] , wat het naar mening van de Raad ook lastig maakt voor hem om over haar te beslissen. Verder geldt dat bij eenhoofdig gezag van de vader, de ondertoezichtstelling moet voortduren omdat de vader niet in staat is om zonder hulp met de moeder te communiceren en haar een rol (op afstand) te geven in het leven van de kinderen. Dat betekent voor de kinderen dat zij jaarlijks geconfronteerd worden met de verlenging van de maatregelen en gehoord worden door de kinderrechter. Dit brengt voor hen veel onrust met zich mee. Onder deze omstandigheden vindt de Raad het voortduren van de huidige gezagssituatie schadelijk voor de kinderen. Dit is volgens vaste jurisprudentie van het EHRM ook een voorwaarde om het gezag van ouders te kunnen beëindigen.



3.4.
De Raad vindt een gezagsbeëindiging van beide ouders voor alle kinderen noodzakelijk. In het belang van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] moet de GI de voogdij krijgen, zodat er één neutrale partij is die de contacten tussen de moeder, de vader en de gezinshuisouders, en in de toekomst tussen de ouders en de kinderen, kan structureren en begeleiden en de belangen van de kinderen kan behartigen. Daarnaast staan de gezinshuisouders er nu niet voor open om de voogdij op zich te nemen, omdat er geen sprake is van een duurzame samenwerking met de ouders.





4De standpunten


4.1.
Namens de moeder is op de zitting naar voren gebracht dat zij de kinderen niet is vergeten, dat zij de kinderen mist en hen daarom nog kaarten stuurt. De moeder wil in de toekomst graag meer contact met de kinderen maar wil ze tegelijkertijd ook niet belasten. De moeder stemt in met het verzoek. Namens de moeder is benadrukt dat zij het niet in het belang van de kinderen acht dat de vader eenhoofdig gezag krijgt.



4.2.
Namens de vader is op de zitting naar voren gebracht dat hij het niet eens is met het verzoek. Het is duidelijk dat de kinderen bij het gezinshuis moeten blijven. Zij zitten daar op hun plek en krijgen de hulp en aandacht die zij nodig hebben. De vader doet echter zijn best om stappen te zetten en het is volgens hem nog te vroeg om zijn gezag te beëindigen. Ondanks dat het perspectief van de kinderen ergens anders ligt, kan de vader wel invulling geven aan zijn rol als gezaghebbende ouder. Hij bemoeilijkt de gezagsbeslissingen niet en stelt zich meewerkend op in het belang van de kinderen. Juridisch gezien is er daarom geen enkele reden om het gezag van de vader te beëindigen. Wel wordt erkend dat, als de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag, het lastig voor hem zal zijn de noodzakelijke communicatie met de moeder te voeren en uitvoering te geven aan de informatieplicht richting de moeder. De vader heeft hier geen plan voor en hierbij zal de vader hulp nodig hebben.



4.3.
De GI staat achter het verzoek van de Raad en heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De GI heeft op de zitting naar voren gebracht dat het voor de kinderen belangrijk is dat er duidelijkheid en rust komt. De kinderen stellen veel vragen over het contact met hun ouders. De moeder heeft aangegeven dat zij nu niet in staat is om te werken aan contactopbouw vanwege medische problemen. De vader en [de minderjarige 1] hebben telefonisch contact maar de vader is niet altijd goed bereikbaar, wat veel stress oplevert bij [de minderjarige 1] . Er is geprobeerd het contact tussen de vader en [de minderjarige 2] op te bouwen maar de gedragsproblematiek van [de minderjarige 2] nam hierdoor dusdanig toe dat zijn plaatsing bij het gezinshuis onder druk kwam te staan. De omgang is daarom stopgezet. Er dient eerst behandeling plaats te vinden voordat deze weer kan worden opgestart. [de minderjarige 3] heeft met geen van de ouders omgang omdat dit te belastend voor haar is. De afgelopen jaren hebben de zittingen over verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing veel stress opgeleverd bij de kinderen.






5De beoordeling



De gezagsbeëindigende maatregel



5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.



5.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouders en de minderjarigen beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarigen staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouders.



5.3.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat aan de criteria van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW is voldaan. De rechtbank wijst het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders daarom toe. Hiertoe wordt het volgende overwogen.



5.4.

[de minderjarige 1] is in 2020 uit huis geplaatst en [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in 2022. Alle drie de kinderen wonen al geruime tijd in een perspectief biedend gezinshuis. In 2024 is door de GI het perspectief bepaald, welke beslissing is bekrachtigd door de kinderrechter. Daarmee staat vast dat de kinderen niet bij één van de ouders maar in de gezinshuizen zullen opgroeien. De kinderen ontwikkelen zich daar passend naar hun mogelijkheden en krijgen de veiligheid en nabijheid geboden die zij nodig hebben. De kinderen worden echter nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd.



5.5.
De moeder heeft al lange tijd een minimale rol in het leven van de kinderen waarbij er ook jarenlang geen contact is geweest tussen hen. Zij hebben elkaar sinds mei 2024 niet meer gezien. De moeder kampt met psychische en lichamelijk problematiek en is daardoor onvoldoende beschikbaar voor de kinderen. Het lukt de moeder ook niet om een constructieve samenwerking aan te gaan met de GI en de gezinshuisouders. Hoewel de moeder veel hulpverlening heeft ontvangen, vanuit onder meer [hulpverlenende instantie] en [hulpverlenende instantie] , en nu ondersteund wordt door [hulpverlenende instantie] , heeft dit niet geleid tot de nodige verbetering. Dit maakt dat het de moeder niet lukt om haar gezag uit te oefenen. Belangrijke zaken voor de kinderen kunnen slechts met veel vertraging geregeld worden en soms lukt het helemaal niet. Zo heeft het twee maanden langer geduurd voordat [de minderjarige 1] een beugel kreeg, omdat de moeder geen toestemming gaf en voorwaarden aan die toestemming verbond, namelijk dat de vader de extra kosten zou betalen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen binnen een aanvaardbare termijn. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen noodzakelijk dat het gezag van de moeder wordt beëindigd.



5.6.
De vader bevindt zich in een andere positie dan de moeder en hij heeft in de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Uit de stukken blijkt dat hij, in tegenstelling tot de moeder, wel meewerkt aan het nemen van belangrijke beslissingen over de kinderen. Hij is coöperatief en vertraagt de besluitvorming niet. Ondanks deze positieve ontwikkeling is de rechtbank van oordeel dat ook het gezag van de vader beëindigd moet worden en overweegt hiertoe als volgt.



5.7.
De kinderen zijn bovengemiddeld kwetsbaar. [de minderjarige 1] heeft een verstandelijke beperking en functioneert op een laag ontwikkelingsniveau. Alle drie de kinderen kampen met hechtingsproblematiek en trauma’s als gevolg van hun zeer belaste verleden. [de minderjarige 2] vertoont ernstige gedragsproblemen. Vanwege deze complexe situatie hebben alle drie de kinderen intensieve therapie en behandeling nodig. Op dit moment ontvangen zij die van [gezinszorginstelling ] . Tijdens de zitting heeft de Raad benadrukt dat de kinderen zich onvoldoende kunnen openstellen voor therapie, omdat zij weten dat de informatie die zij daar delen ook bij hun ouders terechtkomt. Dit belemmert hun bereidheid om therapie te volgen en remt hun ontwikkeling. Het is naar het oordeel van de rechtbank essentieel dat de kinderen zich voldoende vrij en veilig voelen om therapie en behandeling te kunnen aangaan, wat maakt dat het belang van de kinderen vraagt dat het gezag niet wordt uitgeoefend door (een van de) ouders.



5.8.
Verder speelt mee dat ook de vader al langere tijd een minimale rol in het leven van de kinderen vervult. Hij heeft beperkt telefonisch contact met [de minderjarige 1] en helemaal geen contact met [de minderjarige 3] . De omgang met [de minderjarige 2] is begin 2026 stopgezet vanwege toenemende gedragsproblemen van [de minderjarige 2] die na de omgangsmomenten ontstonden. Hierdoor is de vader onvoldoende op de hoogte van het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen om zelfstandig gezagsbeslissingen te kunnen nemen. Daarnaast zou het in stand laten van het gezag van de vader, gecombineerd met gezagsbeëindiging van de moeder, betekenen dat de vader verplicht is om met de moeder te communiceren en informatie over de kinderen aan de moeder te verstrekken. Gezien de ernstig verstoorde verstandverhouding tussen de ouders en het geldende contactverbod acht de rechtbank dit praktisch onuitvoerbaar.



5.9.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat gebleken is dat de kinderen ondanks het perspectiefbesluit nog veel onrust ervaren over hun toekomstige woonplek. Tijdens de periodes rondom de verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen vertoont [de minderjarige 1] meer onrust en is zij op school en in het gezinshuis vermoeider en prikkelbaarder. Ook [de minderjarige 3] trekt zich terug en wordt stiller, ondanks haar groeiende vertrouwen in het gezinshuis. [de minderjarige 2] ondervindt de meeste hinder van de verlengingen. Hij houdt vast aan het idee dat hij terug zal keren naar zijn ouders omdat de ouders tijdens omgangsmomenten steeds hebben aangegeven dat deze plek tijdelijk is. Deze onzekerheid belemmert de rust en ontwikkeling van de kinderen. Het beëindigen van het gezag van beide ouders zal bijdragen aan meer duidelijkheid en stabiliteit, en bevestiging voor de kinderen dat zij definitief in het gezinshuis mogen opgroeien. De ouders hebben daar dan immers geen zeggenschap meer over. De rechtbank heeft bij haar overwegingen verder betrokken dat hierdoor wellicht ook meer ruimte ontstaat voor contactherstel met de ouders. De rechtbank acht het van belang dat in de komende periode door de GI ingezet wordt op dat contactherstel, vanzelfsprekend met inachtneming van de draagkracht en de draaglast van de kinderen en vooropstelling van het belang van de kinderen.



De voogdij




5.10.
Door de beëindiging van het gezag van de ouders is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De GI heeft zich hiertoe bereid verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang is van de kinderen als de GI deze taak op zich neemt. De verstandhouding tussen de gezinshuisouders en de moeder is verstoord waardoor het van belang is dat de voogdij bij een neutrale partij belegd zal worden. De GI dient verder te onderzoeken of, en zo ja, op welke wijze, contactherstel tussen de ouders en de kinderen kan plaatsvinden. De ouders zullen immers vanuit hun hoedanigheid als ouders altijd aan de kinderen verbonden blijven. Daarnaast kan de GI als neutrale derde partij beslissingen over de kinderen nemen, waarbij hun belang voorop wordt gesteld.



5.11.
Tot slot is op de zitting gebleken dat de ouders zich al langere tijd onvoldoende geïnformeerd voelen door de GI. De rechtbank benadrukt dat het aan de GI is om de ouders te blijven informeren over het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen. Tevens acht de rechtbank het van belang dat ingezet wordt op contactherstel tussen de ouders en de gezinshuisouders, zodat tussen hen een goede samenwerking kan ontstaan wat ook belangrijk is voor de kinderen.



5.12.
De rechtbank zal bepalen dat de ouders aan de GI die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moeten stellen van alle geldzaken die over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] de geldzaken kan regelen.



5.13.
Deze beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.14.
De rechtbank verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
















6De beslissing


De rechtbank:



6.1.

beëindigt het ouderlijk gezag van:


[de vader]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] , en


[de moeder]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
over de minderjarigen:


[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,


[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] , en


[de minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;




6.2.
benoemt de gecertificeerde instelling [de GI], gevestigd te [plaats] , tot voogd over genoemde minderjarigen;



6.3.
bepaalt dat de ouders rekening en verantwoording moeten afleggen aan de voogd over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarigen;


6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven door mr. R.M. van Diepen, voorzitter, mr. N. Cuvelier en mr. V.J.A. de Weerd, leden, allen tevens kinderrechters, in aanwezigheid van mr. J.E. Bos als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.







































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.


Artikel 1:275, eerste lid, BW.


Artikel 1:276, eerste lid, BW.


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.