Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2025:16298
2025-12-03
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/15/361348
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Een verkoper van bouwmaterialen vordert betaling van facturen van haar koper, een aannemer. De aannemer verweert zich en voert aan dat de geleverde producten gebrekkig waren waardoor haar bouwproject stil heeft gelegen en zij dubbel werk heeft moeten doen. De hieraan verbonden kosten, zogenoemde gevolgschade, wil de koper verrekenen met het bedrag aan openstaande facturen. In de algemene voorwaarden die de verkoper op haar offerte aan de koper van toepassing heeft verklaard, wordt aansprakelijkheid van de verkoper voor gevolgschade uitgesloten. Geen van de verweren van de koper tegen de algemene voorwaarden slaagt. Het beroep op verrekening gaat dan ook niet op. De rechtbank wijst de vorderingen toe.
Citeert (6)
- ECLI:NL:HR:2023:1197 Hoge Raad 08-09-2023
- ECLI:NL:HR:1999:ZC2977 Hoge Raad 01-10-1999
- ECLI:NL:HR:2022:1599 Hoge Raad 11-11-2022
- ECLI:NL:HR:2000:AA5783 Hoge Raad 12-05-2000
- ECLI:NL:HR:1997:ZC2524 Hoge Raad 12-12-1997
- ECLI:NL:HR:2015:1868 Hoge Raad 10-07-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.202 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/361348 / HA ZA 25-44
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M. Helmstrijd,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. B.Z. Loonstein.
De zaak in het kort
Een verkoper van bouwmaterialen vordert betaling van facturen van haar koper, een aannemer. De aannemer verweert zich en voert aan dat de geleverde producten gebrekkig waren waardoor haar bouwproject stil heeft gelegen en zij dubbel werk heeft moeten doen. De hieraan verbonden kosten, zogenoemde gevolgschade, wil de koper verrekenen met het bedrag aan openstaande facturen. In de algemene voorwaarden die de verkoper op haar offerte aan de koper van toepassing heeft verklaard, wordt aansprakelijkheid van de verkoper voor gevolgschade uitgesloten. Geen van de verweren van de koper tegen de algemene voorwaarden slaagt. Het beroep op verrekening gaat dan ook niet op. De rechtbank wijst de vorderingen toe en legt dit hierna uit.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 mei 2025 en de daarin genoemde stukken
- de brief van 25 augustus 2025 van de kant van [eiser] met producties 23 t/m 26
- de mondelinge behandeling van 15 september 2025, waarbij mr. Helmstrijd en mr. Loonstein spreekaantekeningen hebben overgelegd en de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] verkoopt bouwmaterialen. [gedaagde] exploiteert een aannemingsbedrijf.
2.2.
Partijen hebben overleg gehad over gevelplaten die [gedaagde] zou gebruiken voor een opdracht van de Nederlandse Spoorwegen om direct naast een treinspoor in Hoofddorp een gevel te bekleden met platen (hierna: project NS Hoofddorp). Door deze locatie was het van groot belang dat de werkzaamheden volgens planning verliepen.
2.3.
In vervolg daarop heeft [eiser] op 25 maart 2024 aan [gedaagde] een offerte uitgebracht voor onder meer gevelplaten “Cembrit Windstopper Extreme Naturel Grey” van fabrikant Swisspearl (hierna: de fabrikant). Op de offerte staat vermeld dat de HIBIN verkoop- en leveringsvoorwaarden bouw- en afbouwmaterialen (hierna: de HIBIN-voorwaarden) van toepassing zijn, gedeponeerd bij de rechtbank [plaats 2]. [gedaagde] heeft de offerte de volgende dag geaccordeerd.
2.4.
In de HIBIN-voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:
Artikel 7. Betaling
[…]
3. Indien ondernemer, dan wel een derde namens ondernemer, overgaat tot het inschakelen van derden voor de (gerechtelijke) invordering dan zijn alle daaraan verbonden kosten voor rekening van koper met een minimum van 15% van het gevorderde bedrag en voorts met een minimum van € 500,00 te vermeerderen met BTW.
4. Indien de koper niet tijdig betaalt worden alle betalingsverplichtingen van de koper ongeacht of ondernemer ter zake reeds heeft gefactureerd terstond opeisbaar en vanaf de vervaldag rentedragend tegen de wettelijke rente.
[…]
Artikel 12. Aansprakelijkheid
1. De aansprakelijkheid van ondernemer, als in deze voorwaarden bedoeld, als ook iedere andere aansprakelijkheid, voortvloeiende uit andere feiten of omstandigheden, gaat nimmer verder dan vergoeding van de factuurwaarde, dan wel herlevering van soortgelijke materialen, zulks ter keuze van ondernemer en voor zover ondernemer in staat is om soortgelijke zaken te leveren.
2. Ondernemer is nimmer aansprakelijk voor gevolgschade en (in)directe bedrijfsschade, stagnatieschade, vertraging van de bouw, verlies van orders, winstderving, bewerkingskosten en dergelijke.
[…]
2.5.
Na het versturen van een eerste aanbetalingsfactuur zijn partijen in overleg getreden over de betalingsvoorwaarden. In vervolg daarop heeft [eiser] bij brief van 29 mei 2024 met de HIBIN-voorwaarden als bijlage, aan [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:
Op al onze leveranties zijn de HIBIN-voorwaarden van toepassing (zie bijgaand)
Onderdeel daarvan is artikel 8:
Artikel 8. Eigendomsvoorbehoud
[…]
In afwijking hiervan is in het kader van uw order voor het project NS Hoofddorp het volgende afgesproken:
U betaalt bij wijze van voorschot een bedrag van € 250.000,00 exclusief btw, waarna wij de gehele order zullen plaatsen bij onze toeleveranciers. Het eigendomsvoorbehoud van Bouwcenter [eiser] blijft alleen van kracht op die goederen die niet zijn voldaan. Ergo, op de goederen die geleverd zijn, maar wel zijn voldaan geldt geen eigendomsvoorbehoud. Als de goederen door een toeleverancier afgeleverd worden bij Bouwcenter [eiser], zal gelden dat wij de goederen voor u houden, uitgaande dat die goederen al zijn betaald. De overige voorwaarden blijven onverkort van kracht.
2.6.
Nadien hebben partijen afgesproken dat [gedaagde] in plaats van € 250.000 ineens steeds 50% zou aanbetalen bij (deel)leveranties. [eiser] heeft daarop de eerdere aanbetalingsfactuur ingetrokken en bij e-mail van 14 juni 2024 een nieuwe aanbetalingsfactuur en nog eens de HIBIN-voorwaarden gestuurd. [gedaagde] heeft deze factuur op 17 juni 2024 voldaan.
2.7.
[eiser] heeft de door [gedaagde] bestelde goederen aan [gedaagde] geleverd. De totale factuursom bedroeg € 461.499,56.
2.8.
Kort voor of op 11 juni 2025 heeft [gedaagde] bij [eiser] geklaagd over ongeschikte schroeven en het kromtrekken van gevelplaten. [gedaagde] heeft [eiser] daarbij gevraagd of zij met de montage van de gevelplaten kon doorgaan.
2.9.
In een e-mail van 11 juni 2024 van [eiser] aan de fabrikant heeft zij bevestigd dat de fabrikant de volgende ochtend met een koerier 1.000 nieuwe schroeven aan [gedaagde] zal leveren en heeft zij de fabrikant gevraagd “met bloedspoed” te laten weten of de montage kan worden voortgezet.
2.10.
In een e-mail van 12 juni 2024 van [eiser] aan de fabrikant is onder meer opgenomen:
Wil jij met bloedspoed contact met [betrokkene] [[gedaagde]] opnemen betreffende de geschiktheid van de plaat, met name het kromtrekken van de plaat.
De naden kunnen nu niet afgeplakt worden en isolatie met omegaprofielen kunnen niet op een kromme plaats gemonteerd worden!
[betrokkene] is nu onderweg naar de NS om dit te bespreken.
Ns en [betrokkene] hebben op dit moment geen vertrouwen in de aangebrachte platen.
2.11.
Bij e-mail van 14 juni 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] bericht dat de montage ook volgens de fabrikant kan worden voortgezet “met de verwerkingsrichtlijnen die zijn besproken”. In reactie daarop heeft [gedaagde] [eiser] gevraagd underlayment stroken “op jullie/swisspearl” te leveren en:
Als jullie deze kosten willen dekken dan kunnen we door.
2.12.
In een e-mail van 21 juni 2024 van de fabrikant aan [gedaagde] naar aanleiding van diens bezoek aan project NS Hoofddorp, is onder meer opgenomen:
We identified two boards exhibiting a certain amount of bowing.
2.13.
[gedaagde] heeft project NS Hoofddorp afgerond.
2.14.
Op 9 oktober 2024 heeft [eiser] [gedaagde] een betalingsherinnering gestuurd. In reactie daarop heeft [gedaagde] diezelfde dag het volgende geantwoord:
Wij hebben helaas wat langer tijd nodig voor de betaling aangezien wij ook nog wachten op betaling van de NS.
Begrijpelijk niet jullie probleem maar helaas wel even de onze.
Ik zal deze week vast een gedeelte over maken.
en in een volgende e-mail diezelfde dag:
Deze week zal ik 50.0000 [de rechtbank begrijpt 50.000] euro overmaken.
2.15.
Na een betalingsherinnering van 4 november 2024 van [eiser] heeft [gedaagde] dezelfde dag geantwoord:
Zodra de NS betaalt zullen we meteen doorstorten.
2.16.
Bij e-mail van 7 november 2024 heeft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiser] bericht:
Er is nu helderheid waarom onze betalingen nog niet zijn ontvangen vanuit opdrachtgever.
Er is een beroep gedaan op de boeteclausule door onze opdrachtgever vanwege te laat opleveren en kosten voor het verzetten van neven aannemers die na onze werkzaamheden zouden starten, dit komt door het uitlopen van afronding van onze werkzaamheden.
De grootste reden van het uitlopen is dat wij minimaal 2 weken hebben stil gestaan door het vervormen van de platen, en dit onderzocht en hersteld moest worden.
We hebben hier zelf kosten aan gemaakt qua arbeid, materiaal maar nu ook externe kosten waar wij juridisch verantwoordelijk voor zijn.
Deze kosten vind ik het resultaat van de problemen die zijn ontslaan door de gevel bekleding.
Deze kosten zal ik inzichtelijk maken en vervolgens aanbieden aan jullie.
Ik hoop dat jullie begrijpen dat wij deze kosten bij de partij verhalen waar de oorzaak ligt.
2.17.
Bij e-mail van 21 november 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd de openstaande factuursom van op dat moment € 45.433,00 te betalen. Daarnaast had [gedaagde] een factuur van € 2.041,88 van [eiser] met betrekking tot een ander project nog niet betaald. Bij e-mails van 3 en 7 januari 2024 heeft de advocaat van [eiser] gereageerd op berichten van [gedaagde] en haar nogmaals gesommeerd te betalen.
2.18.
Na dagvaarding heeft [gedaagde] twee betalingen gedaan van € 12.276,76 in totaal.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – na vermindering van eis en samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen:
I. tot betaling van € 35.198,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 18 november 2024,
II. tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig de HIBIN-voorwaarden van € 7.121,23,
III. in de proceskosten.
3.2.
[eiser] gaat voor de berekening van de rente uit van de vervaldatum van de laatste factuur op 18 november 2024.
3.3.
[gedaagde] doet als verweer een beroep op verrekening met haar schade en voert daarvoor het volgende aan. De eerst geleverde schroeven/bitjes pasten niet en na montage van de gevelplaten trokken die krom; over tientallen meters honderden platen. Als gevolg daarvan heeft project NS Hoofddorp stil gelegen en heeft [gedaagde] vervolgens herstelwerkzaamheden moeten uitvoeren wat dubbel werk betekende. Daarnaast heeft zij ook kosten gemaakt voor een bouwkundig onderzoek. Haar schade beloopt € 37.240,00, exclusief een contractuele boete waarop de NS vanwege een te late oplevering nog aanspraak kan maken. De HIBIN-voorwaarden zijn niet van toepassing, want ze zijn niet tijdig van toepassing verklaard en onredelijk bezwarend. Subsidiair voert [gedaagde] aan dat toepassing van die voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
3.4.
De rechtbank zal hierna, voor zover nodig, nader op de stellingen van partijen ingaan.
4De beoordeling
4.1.
Niet staat ter discussie dat [gedaagde] de openstaande facturen van [eiser] is verschuldigd. In geschil is wel of het beroep van [gedaagde] op verrekening als verweer slaagt.
Gevolgschade
4.2.
[gedaagde] wil haar schuld aan [eiser] verrekenen met een schadevergoeding die zij van [eiser] te vorderen heeft. De schade die [gedaagde] opvoert betreft gevolgschade; schade die zij lijdt als gevolg van een gebrekkige prestatie van [eiser] en die [eiser] niet kan voorkomen of ongedaan kan maken door alsnog correct na te komen.
4.3.
[eiser] betwist dat zij [gedaagde] een schadevergoeding is verschuldigd, onder meer omdat aansprakelijkheid voor gevolgschade en vormen als stagnatieschade en vertraging in de bouw zijn uitgesloten in artikel 12 van de HIBIN-voorwaarden. [gedaagde] bestrijdt op haar beurt dat deze algemene voorwaarden tussen partijen van toepassing zijn.
HIBIN-voorwaarden
4.4.
In de offerte van [eiser] die door [gedaagde] is geaccepteerd, staat dat de HIBIN-voorwaarden van toepassing zijn. Door haar akkoord op die offerte maken de algemene voorwaarden deel uit van de overeenkomst tussen partijen. [gedaagde] heeft namelijk geen enkel feit of omstandigheid aangevoerd waaruit zou volgen dat haar akkoord op de offerte niet ook aanvaarding van de toepasselijkheid van de HIBIN-voorwaarden inhield. Op grond van artikel 6:232 Burgerlijk Wetboek (BW) is [gedaagde] ook aan de voorwaarden gebonden indien zij de inhoud daarvan niet kende.
4.5.
Aan gebondenheid aan (een of meer bedingen van) de algemene voorwaarden kan alsnog worden ontkomen door de vernietiging ervan in te roepen. Een beding in algemene voorwaarden is op grond van artikel 6:233 BW vernietigbaar indien a. sprake is van een onredelijk bezwarend beding en/of b. de gebruiker van de algemene voorwaarden aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de inhoud van de algemene voorwaarden kennis te nemen, als bedoeld in artikel 6:234 BW. Beide gevallen zijn volgens [gedaagde] aan de orde. [eiser] betwist dit.
4.6.
[gedaagde] heeft zich beroepen op de vernietigbaarheid van artikel 12 van de HIBIN-voorwaarden. Dit beroep faalt en de rechtbank licht dit hieronder toe.
a. geen onredelijk bezwarend beding
4.7.
Ter onderbouwing van haar stelling dat artikel 12 van de HIBIN-voorwaarden onredelijk bezwarend is, heeft [gedaagde] gewezen op artikel 6:237 BW (de zogenaamde grijze lijst) die onder f. bepaalt dat een uitsluiting van aansprakelijkheid wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat het een grote order betrof waaraan [eiser] goed heeft verdiend en dat partijen dit onderdeel niet hebben uitonderhandeld.
4.8.
Hiermee heeft [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan artikel 12 in de rechtsverhouding tussen deze partijen als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt. Immers, zoals [gedaagde] heeft onderkend, heeft artikel 6:237 BW alleen betrekking op overeenkomsten met consumenten. Het is juist dat de omstandigheid dat een beding voorkomt op de zwarte of de grijze lijst via de open norm van artikel 6:233 onder a BW kan worden betrokken bij de beoordeling of een beding onredelijk bezwarend is, maar dat is in gevallen waarin de positie van de wederpartij grote gelijkenis vertoont met die van een consument. Het gaat in dit geval om twee professionele partijen die binnen het kader van hun bedrijfsvoering een overeenkomst hebben gesloten en op die overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing hebben verklaard die, zoals onweersproken aangevoerd door [eiser], gebruikelijk zijn binnen de branche. Daarbij zijn exoneratiebedingen in algemene voorwaarden niet ongebruikelijk. Een professionele partij als [gedaagde] had daarop bedacht moeten zijn. Dat het een grote order betrof waaraan [eiser] goed heeft verdiend, zoals [gedaagde] stelt, doet aan het voorgaande niet af. [gedaagde] heeft met de toepasselijkheid van de HIBIN-voorwaarden - dus inclusief artikel 12 - ingestemd (zie 4.4). Dat zij niet over dit onderdeel heeft onderhandeld doet daaraan niet af.
b. kennis genomen van de algemene voorwaarden
4.9.
Het wettelijk uitgangspunt is dat de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten aan de wederpartij ter hand zijn gesteld. Vaststaat dat [eiser] de HIBIN-voorwaarden niet bij haar offerte van 25 maart 2024 heeft meegezonden. De mededeling dat de algemene voorwaarden zijn gedeponeerd bij de rechtbank Amsterdam voldoet niet, in elk geval niet zonder meer. Maar partijen hebben vervolgens over een onderdeel van de algemene voorwaarden (artikel 8: het eigendomsvoorbehoud) verder onderhandeld en een nadere overeenstemming bereikt, die is vastgelegd in de brief van [eiser] van 29 mei 2024. In deze brief heeft [eiser] ook vastgelegd dat ‘de overige voorwaarden onverkort van kracht blijven’. Gezien deze onderhandeling gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagde] in elk geval op dat moment kennis had van de inhoud van de HIBIN-voorwaarden en deze inhoud toen uitdrukkelijk heeft aanvaard. [gedaagde] heeft niets gesteld waaruit volgt dat hij ondanks deze specifieke onderhandeling die kennis alsnog niet had. Dit leidt ertoe dat [gedaagde] zich niet tegenover [eiser] op vernietigbaarheid van een beding in algemene voorwaarden kan beroepen (de zogenoemde ‘bekendheidsuitzondering’). Dit is niet anders wanneer de bekendheid van [gedaagde] met de algemene voorwaarden niet door toedoen van [eiser] maar op andere wijze is ontstaan. Het beroep op vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden gaat dan ook niet op.
Beperkende werking van redelijkheid en billijkheid
4.10.
Daarmee komt de rechtbank toe aan het subsidiaire verweer van [gedaagde]; dat artikel 12 op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing moet blijven. [eiser] betwist dit. De rechtbank overweegt als volgt.
4.11.
Een exoneratiebeding moet buiten toepassing blijven voor zover die toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij is terughoudendheid geboden. Bij de beantwoording van de vraag of het beroep op een exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moeten alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Van onaanvaardbaarheid is in het algemeen sprake als de schade is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van de schuldenaar of van met de leiding van zijn bedrijf belaste personen. Met andere woorden; de lat voor het buiten toepassing laten van een exoneratiebeding ligt hoog.
4.12.
[gedaagde] onderbouwt haar subsidiaire verweer met de stelling dat [eiser] wist of had moeten weten dat de gebrekkige levering tot aanzienlijke gevolgschade voor [gedaagde] zou (kunnen) leiden en dat uitsluiting van aansprakelijkheid tot een onredelijke uitkomst leidt omdat alleen zij de schade draagt, terwijl zij forse kosten aan [eiser] heeft gemaakt en [eiser] is tekortgeschoten.
4.13.
[gedaagde] heeft niet betoogd dat er sprake is van opzet of bewust roekeloos handelen aan de kant van [eiser]. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] door een gebrekkige levering (een tekortkoming) van [eiser] aanzienlijke gevolgschade kan lijden die zijzelf moet dragen, maakt het beding nog niet onaanvaardbaar. Dat is nu eenmaal de kern van een exoneratiebeding en zoals eerder overwogen gaat het hier om een tussen commerciële partijen niet ongebruikelijk beding. Overigens betwist [eiser] de ernst van de gestelde tekortkoming; het zou slechts gaan om twee gevelplaten. Dit onderbouwt zij met de e-mail van 21 juni 2024 van de fabrikant. De door [gedaagde] aangevoerde omstandigheid dat het een grote order betrof is in het kader van het beroep op artikel 6:233 sub a BW al beoordeeld. Deze omstandigheid heeft ook in het kader van de beoordeling of een beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, geen gevolgen.
Tussenconclusie
4.14.
Dit betekent dat geen van de verweren tegen gebondenheid aan het exoneratiebeding slaagt. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van de door [gedaagde] opgevoerde – en door [eiser] betwiste – schadeposten. Die betreffen immers gevolgschade.
4.15.
Daarmee is de onder I. gevorderde hoofdsom toewijsbaar. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke handelsrente niet betwist, zodat deze ook zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.16.
In artikel 7 van de HIBIN-voorwaarden is bepaald dat de kosten voor (gerechtelijke) invordering voor rekening komen van de koper, met een minimum van 15% van het gevorderde bedrag. [eiser] stelt en onderbouwt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en maakt aanspraak op een vergoeding van 15%.
4.17.
[gedaagde] betwist dat zij een vergoeding is verschuldigd, omdat [eiser] niet zou hebben toegelicht waaruit de gevorderde kosten bestaan en enige buitengerechtelijke kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt, omdat [eiser] eerst het gesprek met [gedaagde] had moeten aangaan. Verder stelt [gedaagde] dat het beding onredelijk bezwarend is dan wel buiten toepassing moet worden blijven op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, omdat [eiser] het gesprek met [gedaagde] niet is aangegaan.
4.18.
Dit verweer gaat niet op. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] graag met [eiser] tot een onderlinge oplossing was gekomen, maar er bestaat geen verplichting tot het aangaan van een gesprek. [gedaagde] heeft ook verder geen feiten of omstandigheden genoemd waaruit volgt dat een beroep op dit beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verder heeft [gedaagde] nagelaten toe te lichten waarom het beding volgens haar onredelijk bezwarend zou zijn. Dit beroep zal de rechtbank dan ook als niet (voldoende) onderbouwd passeren.
4.19.
Het uitgangspunt is dan wat partijen zijn overeengekomen over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten, behoudens rechterlijke matiging in de zin van artikel 242 Burgerlijke Rechtsvordering. De kosten moeten redelijk zijn tegenover de schuldenaar. De rechtbank zal de bedongen vergoeding matigen tot een bedrag van € 3.560,62, de helft van het gevorderde bedrag. De rechtbank acht de bedongen vergoeding buitensporig in het licht van de door [eiser] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. Daarbij betrekt zij dat de minimumvergoeding in artikel 7 van de HIBIN-voorwaarden kennelijk niet alleen ziet op buitengerechtelijke, maar ook op gerechtelijke kosten.
Ten overvloede
4.20.
De rechtbank overweegt tot slot, ten overvloede, als volgt. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat zij schade heeft geleden en eventueel nog zal lijden (boete NS) door een tekortkoming van [eiser], maar zij heeft deze - betwiste - stelling in deze procedure niet voldoende onderbouwd. Zo ontbreekt onder meer een planning van project NS Hoofddorp, heeft [gedaagde] niet concreet gemaakt welke werkzaamheden wanneer niet konden worden uitgevoerd en ontbreken verklaringen. Dit geldt voor zowel haar klachten over de schroeven en bitjes als over de gevelplaten. Dit klemt temeer omdat [gedaagde] tot 7 november 2024 herhaaldelijk aan [eiser] heeft bericht dat zij de openstaande facturen zal gaan betalen. Dit steeds zonder enige hint van een schadeclaim, sterker nog met de opmerking ‘begrijpelijk niet jullie probleem maar helaas wel even de onze’. Dit verhoudt zich slecht tot de aanzienlijke schade die zij stelt toen al te hebben geleden.
4.21.
Een ander oordeel over de HIBIN-voorwaarden zou daarom niet hebben geleid tot een geslaagd beroep op verrekening.
Proceskosten
4.22.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.723,35
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 35.198,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 18 november 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.560,62 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.723,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.
1680
ook wel exoneratie genoemd
personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf
vergelijk arrest van de Hoge Raad, 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1197 (Hibma Zuivel)
artikel 6:234 BW
vergelijk arrest van de Hoge Raad, 1 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2977 (Geurtzen/Kampstaal)
vergelijk arrest van de Hoge Raad, 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1599 (De Eendracht/Doens)
artikel 6:248 lid 2 BW
vergelijk arrest van de Hoge Raad, 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5783 (Interpolis Schade)
vergelijk arrest van de Hoge Raad, 12 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2524 (Gemeente Stein/Driessen)
vergelijk arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1868, rov. 3.5.9
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/361348 / HA ZA 25-44
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M. Helmstrijd,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. B.Z. Loonstein.
De zaak in het kort
Een verkoper van bouwmaterialen vordert betaling van facturen van haar koper, een aannemer. De aannemer verweert zich en voert aan dat de geleverde producten gebrekkig waren waardoor haar bouwproject stil heeft gelegen en zij dubbel werk heeft moeten doen. De hieraan verbonden kosten, zogenoemde gevolgschade, wil de koper verrekenen met het bedrag aan openstaande facturen. In de algemene voorwaarden die de verkoper op haar offerte aan de koper van toepassing heeft verklaard, wordt aansprakelijkheid van de verkoper voor gevolgschade uitgesloten. Geen van de verweren van de koper tegen de algemene voorwaarden slaagt. Het beroep op verrekening gaat dan ook niet op. De rechtbank wijst de vorderingen toe en legt dit hierna uit.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 mei 2025 en de daarin genoemde stukken
- de brief van 25 augustus 2025 van de kant van [eiser] met producties 23 t/m 26
- de mondelinge behandeling van 15 september 2025, waarbij mr. Helmstrijd en mr. Loonstein spreekaantekeningen hebben overgelegd en de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] verkoopt bouwmaterialen. [gedaagde] exploiteert een aannemingsbedrijf.
2.2.
Partijen hebben overleg gehad over gevelplaten die [gedaagde] zou gebruiken voor een opdracht van de Nederlandse Spoorwegen om direct naast een treinspoor in Hoofddorp een gevel te bekleden met platen (hierna: project NS Hoofddorp). Door deze locatie was het van groot belang dat de werkzaamheden volgens planning verliepen.
2.3.
In vervolg daarop heeft [eiser] op 25 maart 2024 aan [gedaagde] een offerte uitgebracht voor onder meer gevelplaten “Cembrit Windstopper Extreme Naturel Grey” van fabrikant Swisspearl (hierna: de fabrikant). Op de offerte staat vermeld dat de HIBIN verkoop- en leveringsvoorwaarden bouw- en afbouwmaterialen (hierna: de HIBIN-voorwaarden) van toepassing zijn, gedeponeerd bij de rechtbank [plaats 2]. [gedaagde] heeft de offerte de volgende dag geaccordeerd.
2.4.
In de HIBIN-voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:
Artikel 7. Betaling
[…]
3. Indien ondernemer, dan wel een derde namens ondernemer, overgaat tot het inschakelen van derden voor de (gerechtelijke) invordering dan zijn alle daaraan verbonden kosten voor rekening van koper met een minimum van 15% van het gevorderde bedrag en voorts met een minimum van € 500,00 te vermeerderen met BTW.
4. Indien de koper niet tijdig betaalt worden alle betalingsverplichtingen van de koper ongeacht of ondernemer ter zake reeds heeft gefactureerd terstond opeisbaar en vanaf de vervaldag rentedragend tegen de wettelijke rente.
[…]
Artikel 12. Aansprakelijkheid
1. De aansprakelijkheid van ondernemer, als in deze voorwaarden bedoeld, als ook iedere andere aansprakelijkheid, voortvloeiende uit andere feiten of omstandigheden, gaat nimmer verder dan vergoeding van de factuurwaarde, dan wel herlevering van soortgelijke materialen, zulks ter keuze van ondernemer en voor zover ondernemer in staat is om soortgelijke zaken te leveren.
2. Ondernemer is nimmer aansprakelijk voor gevolgschade en (in)directe bedrijfsschade, stagnatieschade, vertraging van de bouw, verlies van orders, winstderving, bewerkingskosten en dergelijke.
[…]
2.5.
Na het versturen van een eerste aanbetalingsfactuur zijn partijen in overleg getreden over de betalingsvoorwaarden. In vervolg daarop heeft [eiser] bij brief van 29 mei 2024 met de HIBIN-voorwaarden als bijlage, aan [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:
Op al onze leveranties zijn de HIBIN-voorwaarden van toepassing (zie bijgaand)
Onderdeel daarvan is artikel 8:
Artikel 8. Eigendomsvoorbehoud
[…]
In afwijking hiervan is in het kader van uw order voor het project NS Hoofddorp het volgende afgesproken:
U betaalt bij wijze van voorschot een bedrag van € 250.000,00 exclusief btw, waarna wij de gehele order zullen plaatsen bij onze toeleveranciers. Het eigendomsvoorbehoud van Bouwcenter [eiser] blijft alleen van kracht op die goederen die niet zijn voldaan. Ergo, op de goederen die geleverd zijn, maar wel zijn voldaan geldt geen eigendomsvoorbehoud. Als de goederen door een toeleverancier afgeleverd worden bij Bouwcenter [eiser], zal gelden dat wij de goederen voor u houden, uitgaande dat die goederen al zijn betaald. De overige voorwaarden blijven onverkort van kracht.
2.6.
Nadien hebben partijen afgesproken dat [gedaagde] in plaats van € 250.000 ineens steeds 50% zou aanbetalen bij (deel)leveranties. [eiser] heeft daarop de eerdere aanbetalingsfactuur ingetrokken en bij e-mail van 14 juni 2024 een nieuwe aanbetalingsfactuur en nog eens de HIBIN-voorwaarden gestuurd. [gedaagde] heeft deze factuur op 17 juni 2024 voldaan.
2.7.
[eiser] heeft de door [gedaagde] bestelde goederen aan [gedaagde] geleverd. De totale factuursom bedroeg € 461.499,56.
2.8.
Kort voor of op 11 juni 2025 heeft [gedaagde] bij [eiser] geklaagd over ongeschikte schroeven en het kromtrekken van gevelplaten. [gedaagde] heeft [eiser] daarbij gevraagd of zij met de montage van de gevelplaten kon doorgaan.
2.9.
In een e-mail van 11 juni 2024 van [eiser] aan de fabrikant heeft zij bevestigd dat de fabrikant de volgende ochtend met een koerier 1.000 nieuwe schroeven aan [gedaagde] zal leveren en heeft zij de fabrikant gevraagd “met bloedspoed” te laten weten of de montage kan worden voortgezet.
2.10.
In een e-mail van 12 juni 2024 van [eiser] aan de fabrikant is onder meer opgenomen:
Wil jij met bloedspoed contact met [betrokkene] [[gedaagde]] opnemen betreffende de geschiktheid van de plaat, met name het kromtrekken van de plaat.
De naden kunnen nu niet afgeplakt worden en isolatie met omegaprofielen kunnen niet op een kromme plaats gemonteerd worden!
[betrokkene] is nu onderweg naar de NS om dit te bespreken.
Ns en [betrokkene] hebben op dit moment geen vertrouwen in de aangebrachte platen.
2.11.
Bij e-mail van 14 juni 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] bericht dat de montage ook volgens de fabrikant kan worden voortgezet “met de verwerkingsrichtlijnen die zijn besproken”. In reactie daarop heeft [gedaagde] [eiser] gevraagd underlayment stroken “op jullie/swisspearl” te leveren en:
Als jullie deze kosten willen dekken dan kunnen we door.
2.12.
In een e-mail van 21 juni 2024 van de fabrikant aan [gedaagde] naar aanleiding van diens bezoek aan project NS Hoofddorp, is onder meer opgenomen:
We identified two boards exhibiting a certain amount of bowing.
2.13.
[gedaagde] heeft project NS Hoofddorp afgerond.
2.14.
Op 9 oktober 2024 heeft [eiser] [gedaagde] een betalingsherinnering gestuurd. In reactie daarop heeft [gedaagde] diezelfde dag het volgende geantwoord:
Wij hebben helaas wat langer tijd nodig voor de betaling aangezien wij ook nog wachten op betaling van de NS.
Begrijpelijk niet jullie probleem maar helaas wel even de onze.
Ik zal deze week vast een gedeelte over maken.
en in een volgende e-mail diezelfde dag:
Deze week zal ik 50.0000 [de rechtbank begrijpt 50.000] euro overmaken.
2.15.
Na een betalingsherinnering van 4 november 2024 van [eiser] heeft [gedaagde] dezelfde dag geantwoord:
Zodra de NS betaalt zullen we meteen doorstorten.
2.16.
Bij e-mail van 7 november 2024 heeft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiser] bericht:
Er is nu helderheid waarom onze betalingen nog niet zijn ontvangen vanuit opdrachtgever.
Er is een beroep gedaan op de boeteclausule door onze opdrachtgever vanwege te laat opleveren en kosten voor het verzetten van neven aannemers die na onze werkzaamheden zouden starten, dit komt door het uitlopen van afronding van onze werkzaamheden.
De grootste reden van het uitlopen is dat wij minimaal 2 weken hebben stil gestaan door het vervormen van de platen, en dit onderzocht en hersteld moest worden.
We hebben hier zelf kosten aan gemaakt qua arbeid, materiaal maar nu ook externe kosten waar wij juridisch verantwoordelijk voor zijn.
Deze kosten vind ik het resultaat van de problemen die zijn ontslaan door de gevel bekleding.
Deze kosten zal ik inzichtelijk maken en vervolgens aanbieden aan jullie.
Ik hoop dat jullie begrijpen dat wij deze kosten bij de partij verhalen waar de oorzaak ligt.
2.17.
Bij e-mail van 21 november 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd de openstaande factuursom van op dat moment € 45.433,00 te betalen. Daarnaast had [gedaagde] een factuur van € 2.041,88 van [eiser] met betrekking tot een ander project nog niet betaald. Bij e-mails van 3 en 7 januari 2024 heeft de advocaat van [eiser] gereageerd op berichten van [gedaagde] en haar nogmaals gesommeerd te betalen.
2.18.
Na dagvaarding heeft [gedaagde] twee betalingen gedaan van € 12.276,76 in totaal.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – na vermindering van eis en samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen:
I. tot betaling van € 35.198,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 18 november 2024,
II. tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig de HIBIN-voorwaarden van € 7.121,23,
III. in de proceskosten.
3.2.
[eiser] gaat voor de berekening van de rente uit van de vervaldatum van de laatste factuur op 18 november 2024.
3.3.
[gedaagde] doet als verweer een beroep op verrekening met haar schade en voert daarvoor het volgende aan. De eerst geleverde schroeven/bitjes pasten niet en na montage van de gevelplaten trokken die krom; over tientallen meters honderden platen. Als gevolg daarvan heeft project NS Hoofddorp stil gelegen en heeft [gedaagde] vervolgens herstelwerkzaamheden moeten uitvoeren wat dubbel werk betekende. Daarnaast heeft zij ook kosten gemaakt voor een bouwkundig onderzoek. Haar schade beloopt € 37.240,00, exclusief een contractuele boete waarop de NS vanwege een te late oplevering nog aanspraak kan maken. De HIBIN-voorwaarden zijn niet van toepassing, want ze zijn niet tijdig van toepassing verklaard en onredelijk bezwarend. Subsidiair voert [gedaagde] aan dat toepassing van die voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
3.4.
De rechtbank zal hierna, voor zover nodig, nader op de stellingen van partijen ingaan.
4De beoordeling
4.1.
Niet staat ter discussie dat [gedaagde] de openstaande facturen van [eiser] is verschuldigd. In geschil is wel of het beroep van [gedaagde] op verrekening als verweer slaagt.
Gevolgschade
4.2.
[gedaagde] wil haar schuld aan [eiser] verrekenen met een schadevergoeding die zij van [eiser] te vorderen heeft. De schade die [gedaagde] opvoert betreft gevolgschade; schade die zij lijdt als gevolg van een gebrekkige prestatie van [eiser] en die [eiser] niet kan voorkomen of ongedaan kan maken door alsnog correct na te komen.
4.3.
[eiser] betwist dat zij [gedaagde] een schadevergoeding is verschuldigd, onder meer omdat aansprakelijkheid voor gevolgschade en vormen als stagnatieschade en vertraging in de bouw zijn uitgesloten in artikel 12 van de HIBIN-voorwaarden. [gedaagde] bestrijdt op haar beurt dat deze algemene voorwaarden tussen partijen van toepassing zijn.
HIBIN-voorwaarden
4.4.
In de offerte van [eiser] die door [gedaagde] is geaccepteerd, staat dat de HIBIN-voorwaarden van toepassing zijn. Door haar akkoord op die offerte maken de algemene voorwaarden deel uit van de overeenkomst tussen partijen. [gedaagde] heeft namelijk geen enkel feit of omstandigheid aangevoerd waaruit zou volgen dat haar akkoord op de offerte niet ook aanvaarding van de toepasselijkheid van de HIBIN-voorwaarden inhield. Op grond van artikel 6:232 Burgerlijk Wetboek (BW) is [gedaagde] ook aan de voorwaarden gebonden indien zij de inhoud daarvan niet kende.
4.5.
Aan gebondenheid aan (een of meer bedingen van) de algemene voorwaarden kan alsnog worden ontkomen door de vernietiging ervan in te roepen. Een beding in algemene voorwaarden is op grond van artikel 6:233 BW vernietigbaar indien a. sprake is van een onredelijk bezwarend beding en/of b. de gebruiker van de algemene voorwaarden aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de inhoud van de algemene voorwaarden kennis te nemen, als bedoeld in artikel 6:234 BW. Beide gevallen zijn volgens [gedaagde] aan de orde. [eiser] betwist dit.
4.6.
[gedaagde] heeft zich beroepen op de vernietigbaarheid van artikel 12 van de HIBIN-voorwaarden. Dit beroep faalt en de rechtbank licht dit hieronder toe.
a. geen onredelijk bezwarend beding
4.7.
Ter onderbouwing van haar stelling dat artikel 12 van de HIBIN-voorwaarden onredelijk bezwarend is, heeft [gedaagde] gewezen op artikel 6:237 BW (de zogenaamde grijze lijst) die onder f. bepaalt dat een uitsluiting van aansprakelijkheid wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat het een grote order betrof waaraan [eiser] goed heeft verdiend en dat partijen dit onderdeel niet hebben uitonderhandeld.
4.8.
Hiermee heeft [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan artikel 12 in de rechtsverhouding tussen deze partijen als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt. Immers, zoals [gedaagde] heeft onderkend, heeft artikel 6:237 BW alleen betrekking op overeenkomsten met consumenten. Het is juist dat de omstandigheid dat een beding voorkomt op de zwarte of de grijze lijst via de open norm van artikel 6:233 onder a BW kan worden betrokken bij de beoordeling of een beding onredelijk bezwarend is, maar dat is in gevallen waarin de positie van de wederpartij grote gelijkenis vertoont met die van een consument. Het gaat in dit geval om twee professionele partijen die binnen het kader van hun bedrijfsvoering een overeenkomst hebben gesloten en op die overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing hebben verklaard die, zoals onweersproken aangevoerd door [eiser], gebruikelijk zijn binnen de branche. Daarbij zijn exoneratiebedingen in algemene voorwaarden niet ongebruikelijk. Een professionele partij als [gedaagde] had daarop bedacht moeten zijn. Dat het een grote order betrof waaraan [eiser] goed heeft verdiend, zoals [gedaagde] stelt, doet aan het voorgaande niet af. [gedaagde] heeft met de toepasselijkheid van de HIBIN-voorwaarden - dus inclusief artikel 12 - ingestemd (zie 4.4). Dat zij niet over dit onderdeel heeft onderhandeld doet daaraan niet af.
b. kennis genomen van de algemene voorwaarden
4.9.
Het wettelijk uitgangspunt is dat de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten aan de wederpartij ter hand zijn gesteld. Vaststaat dat [eiser] de HIBIN-voorwaarden niet bij haar offerte van 25 maart 2024 heeft meegezonden. De mededeling dat de algemene voorwaarden zijn gedeponeerd bij de rechtbank Amsterdam voldoet niet, in elk geval niet zonder meer. Maar partijen hebben vervolgens over een onderdeel van de algemene voorwaarden (artikel 8: het eigendomsvoorbehoud) verder onderhandeld en een nadere overeenstemming bereikt, die is vastgelegd in de brief van [eiser] van 29 mei 2024. In deze brief heeft [eiser] ook vastgelegd dat ‘de overige voorwaarden onverkort van kracht blijven’. Gezien deze onderhandeling gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagde] in elk geval op dat moment kennis had van de inhoud van de HIBIN-voorwaarden en deze inhoud toen uitdrukkelijk heeft aanvaard. [gedaagde] heeft niets gesteld waaruit volgt dat hij ondanks deze specifieke onderhandeling die kennis alsnog niet had. Dit leidt ertoe dat [gedaagde] zich niet tegenover [eiser] op vernietigbaarheid van een beding in algemene voorwaarden kan beroepen (de zogenoemde ‘bekendheidsuitzondering’). Dit is niet anders wanneer de bekendheid van [gedaagde] met de algemene voorwaarden niet door toedoen van [eiser] maar op andere wijze is ontstaan. Het beroep op vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden gaat dan ook niet op.
Beperkende werking van redelijkheid en billijkheid
4.10.
Daarmee komt de rechtbank toe aan het subsidiaire verweer van [gedaagde]; dat artikel 12 op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing moet blijven. [eiser] betwist dit. De rechtbank overweegt als volgt.
4.11.
Een exoneratiebeding moet buiten toepassing blijven voor zover die toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij is terughoudendheid geboden. Bij de beantwoording van de vraag of het beroep op een exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moeten alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Van onaanvaardbaarheid is in het algemeen sprake als de schade is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van de schuldenaar of van met de leiding van zijn bedrijf belaste personen. Met andere woorden; de lat voor het buiten toepassing laten van een exoneratiebeding ligt hoog.
4.12.
[gedaagde] onderbouwt haar subsidiaire verweer met de stelling dat [eiser] wist of had moeten weten dat de gebrekkige levering tot aanzienlijke gevolgschade voor [gedaagde] zou (kunnen) leiden en dat uitsluiting van aansprakelijkheid tot een onredelijke uitkomst leidt omdat alleen zij de schade draagt, terwijl zij forse kosten aan [eiser] heeft gemaakt en [eiser] is tekortgeschoten.
4.13.
[gedaagde] heeft niet betoogd dat er sprake is van opzet of bewust roekeloos handelen aan de kant van [eiser]. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] door een gebrekkige levering (een tekortkoming) van [eiser] aanzienlijke gevolgschade kan lijden die zijzelf moet dragen, maakt het beding nog niet onaanvaardbaar. Dat is nu eenmaal de kern van een exoneratiebeding en zoals eerder overwogen gaat het hier om een tussen commerciële partijen niet ongebruikelijk beding. Overigens betwist [eiser] de ernst van de gestelde tekortkoming; het zou slechts gaan om twee gevelplaten. Dit onderbouwt zij met de e-mail van 21 juni 2024 van de fabrikant. De door [gedaagde] aangevoerde omstandigheid dat het een grote order betrof is in het kader van het beroep op artikel 6:233 sub a BW al beoordeeld. Deze omstandigheid heeft ook in het kader van de beoordeling of een beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, geen gevolgen.
Tussenconclusie
4.14.
Dit betekent dat geen van de verweren tegen gebondenheid aan het exoneratiebeding slaagt. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van de door [gedaagde] opgevoerde – en door [eiser] betwiste – schadeposten. Die betreffen immers gevolgschade.
4.15.
Daarmee is de onder I. gevorderde hoofdsom toewijsbaar. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke handelsrente niet betwist, zodat deze ook zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.16.
In artikel 7 van de HIBIN-voorwaarden is bepaald dat de kosten voor (gerechtelijke) invordering voor rekening komen van de koper, met een minimum van 15% van het gevorderde bedrag. [eiser] stelt en onderbouwt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en maakt aanspraak op een vergoeding van 15%.
4.17.
[gedaagde] betwist dat zij een vergoeding is verschuldigd, omdat [eiser] niet zou hebben toegelicht waaruit de gevorderde kosten bestaan en enige buitengerechtelijke kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt, omdat [eiser] eerst het gesprek met [gedaagde] had moeten aangaan. Verder stelt [gedaagde] dat het beding onredelijk bezwarend is dan wel buiten toepassing moet worden blijven op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, omdat [eiser] het gesprek met [gedaagde] niet is aangegaan.
4.18.
Dit verweer gaat niet op. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] graag met [eiser] tot een onderlinge oplossing was gekomen, maar er bestaat geen verplichting tot het aangaan van een gesprek. [gedaagde] heeft ook verder geen feiten of omstandigheden genoemd waaruit volgt dat een beroep op dit beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verder heeft [gedaagde] nagelaten toe te lichten waarom het beding volgens haar onredelijk bezwarend zou zijn. Dit beroep zal de rechtbank dan ook als niet (voldoende) onderbouwd passeren.
4.19.
Het uitgangspunt is dan wat partijen zijn overeengekomen over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten, behoudens rechterlijke matiging in de zin van artikel 242 Burgerlijke Rechtsvordering. De kosten moeten redelijk zijn tegenover de schuldenaar. De rechtbank zal de bedongen vergoeding matigen tot een bedrag van € 3.560,62, de helft van het gevorderde bedrag. De rechtbank acht de bedongen vergoeding buitensporig in het licht van de door [eiser] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. Daarbij betrekt zij dat de minimumvergoeding in artikel 7 van de HIBIN-voorwaarden kennelijk niet alleen ziet op buitengerechtelijke, maar ook op gerechtelijke kosten.
Ten overvloede
4.20.
De rechtbank overweegt tot slot, ten overvloede, als volgt. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat zij schade heeft geleden en eventueel nog zal lijden (boete NS) door een tekortkoming van [eiser], maar zij heeft deze - betwiste - stelling in deze procedure niet voldoende onderbouwd. Zo ontbreekt onder meer een planning van project NS Hoofddorp, heeft [gedaagde] niet concreet gemaakt welke werkzaamheden wanneer niet konden worden uitgevoerd en ontbreken verklaringen. Dit geldt voor zowel haar klachten over de schroeven en bitjes als over de gevelplaten. Dit klemt temeer omdat [gedaagde] tot 7 november 2024 herhaaldelijk aan [eiser] heeft bericht dat zij de openstaande facturen zal gaan betalen. Dit steeds zonder enige hint van een schadeclaim, sterker nog met de opmerking ‘begrijpelijk niet jullie probleem maar helaas wel even de onze’. Dit verhoudt zich slecht tot de aanzienlijke schade die zij stelt toen al te hebben geleden.
4.21.
Een ander oordeel over de HIBIN-voorwaarden zou daarom niet hebben geleid tot een geslaagd beroep op verrekening.
Proceskosten
4.22.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.723,35
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 35.198,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 18 november 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.560,62 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.723,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.
1680
ook wel exoneratie genoemd
personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf
vergelijk arrest van de Hoge Raad, 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1197 (Hibma Zuivel)
artikel 6:234 BW
vergelijk arrest van de Hoge Raad, 1 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2977 (Geurtzen/Kampstaal)
vergelijk arrest van de Hoge Raad, 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1599 (De Eendracht/Doens)
artikel 6:248 lid 2 BW
vergelijk arrest van de Hoge Raad, 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5783 (Interpolis Schade)
vergelijk arrest van de Hoge Raad, 12 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2524 (Gemeente Stein/Driessen)
vergelijk arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1868, rov. 3.5.9