Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2023:4788
2023-05-17
Civiel recht
C/15/333788 / HA ZA 22-689
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
NVM koopovereenkomst zakelijk onroerend goed, verplichting storten waarborgsom of stellen bankgarantie niet nagekomen, uitleg artikel 11.6, dagboete verschuldigd, geen matiging / r&b.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:853 Hoge Raad 10-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.510 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/333788 / HA ZA 22-689
Vonnis van 17 mei 2023
in de zaak van
DIRECT FORCE ACTIEMARKETING B.V.,
te Haarlem,
eisende partij,
hierna te noemen: DFA,
advocaat: mr. H.J. Hagemans te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. F.F.A. Havelaar te Amsterdam.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 oktober 2022 van DFA, met producties,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde], met producties,
- het tussenvonnis van 25 januari 2023, waarbij een mondelinge behandeling is gelast,
- de mondelinge behandeling van 11 april 2023, waarbij DFA gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op 3 juni 2021 hebben DFA en [gedaagde] een koopovereenkomst voor bedrijfs-onroerend goed gesloten. Partijen hebben hiertoe een model koopovereenkomst voor bedrijfs-onroerend goed (model 2019) van NVM gebruikt. In de koopovereenkomst is vastgelegd dat DFA het kerkgebouw met erf, ondergrond en verdere aanhorigheden, gelegen aan de [adres], verkoopt aan [gedaagde] voor de koopsom van € 1.475.000 en dat de levering zal plaatsvinden op 1 augustus 2021 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen. In artikel 5 is bepaald dat [gedaagde] uiterlijk op 15 juli 2021 een schriftelijke bankgarantie zal doen stellen voor een bedrag van € 147.500 of een waarborgsom zal storten ter hoogte van dat bedrag.
2.2.
In de koopovereenkomst is in artikel 11 “Ingebrekestelling. Ontbinding.” het volgende bepaald, voor zover hier van belang:
“
11.1
Indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van haar uit deze koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige partij deze koopovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige partij.
(…)
11.3
Indien de wederpartij geen gebruik maakt van haar recht de koopovereenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in artikel 11.1 vermelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zijn van drie promille (3‰) van de koopsom met een maximum van 10 procent (10%) van de koopsom, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijke opeisbare boete, en onverminderd vergoeding van kosten van verhaal.
(…)
11.6
Dit artikel 11 heeft geen toepassing meer na de eigendomsoverdracht.”
2.3.
In een e-mail van 29 juni 2021 heeft DFA aan het bij de levering betrokken notariskantoor Smith Boeser van Grafhorst notarissen (hierna: de notaris) het volgende geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) En ten 2e zijn we nu aan het kijken of de levering vervroegd kan worden naar medio juli. Is dat mogelijk? (…)”
De notaris heeft hierop geantwoord dat het mogelijk is de passeerdatum te vervroegen als de makelaar doorgeeft dat partijen dat zijn overeengekomen.
2.4.
In een whatsapp bericht van 30 juni 2021 heeft [gedaagde] aan JRS makelaars (de makelaar van DFA) een foto toegezonden van zijn kredietovereenkomst met Handelsbanken met het bericht: “Alles rond voor [adres] Kan snel gepasseerd worden”. JRS heeft hierop geantwoord: “Dat is snel gegaan. [A.] heeft de volmacht geregeld alleen is het nog niet leeg. Hij geeft mij een berichtje zodra dit geregeld is.”
2.5.
Op 19 juli 2021 heeft DFA in een whatsapp aan [gedaagde] het volgende geschreven:
“Goedemorgen [gedaagde]. Heb begrepen dat de bankgarantie/waarborgsom niet is voldaan… de afspraak was dat dit in ieder geval de 15e voldaan zou zijn. Je had al eerder aangegeven dat alles bij de Notaris lag, vandaar dat ik verwachtte dat daar ook de bankgarantie bij zou zitten....”
Hierop heeft [gedaagde] het volgende geantwoord: “Morning, we zouden altijd 16e afnemen maar ivm radiostilte niet gebeurd. Gelden staan klaar (hypotheek stukken). Voor 2 weken tot levering lijkt het mij niet nodig mede het klaar ligt. Andere optie is dat we gewoon draaien bv deze week en dat we een bedrag in depot houden zodat lekkage en ontruimen opgelost kan worden. Lijkt mij fair. Groet
Mijn bank kan ook contact met jouw bank opnemen is kortste klap”
2.6.
In een e-mail van 19 juli 2021 heeft [gedaagde] het volgende aan DFA geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) Nav ons onderhoud vandaag.
Aantal weken geleden al de stukken laten zien aan [B.] & [C.] waarin de gelden klaar staan voor transport (hyotheekstukken). Jou dit tevens vrijdag geappt. Er is door mij altijd gestreefd naar afname mid juli. Dit was echter niet mogelijk mede er wat hick ups op de lijn kwamen waarbij ook vanuit jou ivm covid aantal weken radiostilte was.
In mijn optiek is er nul probleem daar de hypotheekstukken bij de notaris liggen om de transactie te draaien. (…)
Mijn voorstel is om asap te draaien bv einde week en dat we een x bedrag in depot houden bij de notaris totdat de vlg zaken zijn opgelost:
(…)
Ik kan in worse case wel wat regelen maar het is bijna 2/8 (…)
Laat maar weten lijkt mij faire en snelle oplossing anders beste dat je even met [C.] kortsluit mede ik op vakantie ga. (…)”
2.7.
In een e-mail van 21 juli 2021 heeft DFA het volgende aan [gedaagde] geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) Ik had begrepen dat alle stukken bij notaris lagen, waaronder de bankgarantie. Vandaar dat ik het vreemd vond dat deze afgelopen donderdag niet was geregeld, en/of de waarborgsom was betaald. We hebben hier duidelijke afspraken over gemaakt, en uitgebreid over gesteggeld. Dat we de leveringsdatum niet hebben kunnen vervroegen, neemt dit punt wat mij betreft niet weg en ik ga er dan ook van uit dat dit zsm wordt geregeld. (…)”
2.8.
In een brief van 22 juli 2021 heeft JRS Makelaars, namens DFA het volgende aan [gedaagde] geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) Mijn cliënt wendde zich tot mij met de mededeling dat u in gebreke bent gebleven om uw verplichtingen na te komen. Deze tekortkoming bestaat uit het feit dat u nagelaten hebt de waarborgsom tijdig te voldoen zoals in artikel 5.1 van de koopovereenkomst in vastgelegd.
Ik verzoek en zo nodig sommeer ik u om binnen 8 dagen na ontvangst van dit schrijven uw verplichtingen die voortvloeien uit de koopovereenkomst alsnog na te komen.
Voor het geval u hieraan geen gehoor geeft, behoudt mijn cliënt zich zowel het recht voor om de koopovereenkomst te ontbinden als het recht om nakoming van de koopovereenkomst te vorderen. (…)”
2.9.
Dezelfde dag heeft [gedaagde] hierop het volgende geantwoord:
“(…) Zoals reeds geïnformeerd ik doe er niks mee (…)”
2.10.
In een e-mail van 27 juli 2021 heeft JRS Makelaars, namens DFA, het volgende aan [gedaagde] geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) Op grond van de koopovereenkomst bent u ertoe gehouden om er voor zorg te dragen dat uiterlijk op 15 juli jl. een waarborgsom ad € 147.500,-- is bijgeschreven op de derdenrekening van de notaris, dan wel er voor zorg te dragen dat een schriftelijke door een bankinstelling afgegeven bankgarantie zal zijn gesteld voor dit bedrag. Per brief d.d. 22 juli jl. hebben wij u namens verkoper in gebreke gesteld (…) U heeft dezelfde dag nog aangegeven niet aan uw verplichtingen te zullen voldoen. Deze mededeling kwalificeert als een mededeling ex artikel 6:83 sub c BW, als gevolg waarvan u per die datum in verzuim bent.
Verkoper maakt om die reden aanspraak op de contractuele boete ad 3 promille van de koopsom voor iedere dag dat u in gebreke blijft om alsnog zorg te dragen voor de voldoening van de waarborgsom, dan wel tot het stellen van een bankgarantie. (…)”
2.11.
Na enkele e-mailberichten over en weer tussen [gedaagde], JRS makelaars en de notaris over de koopsom en de waarborgsom schrijft [gedaagde] op 28 juli 2021 aan JRS Makelaars het volgende, voor zover hier van belang:
“(…) Wou half juli afnemen ivm genuezel bank garantie en gelijk draaien. Je client zelf debet aan dat dit niet is gebeurd.
Vorige week aangegeven dat als ie bank garantie wil dit wel een week duurt en gedoe is ivm mijn vakantie. Tevens aangegeven dat mijn bank met zijn bank contact kon opnemen. Hier nooit reactie op gekregen van je cliënt.
(…)
De hyptheekstukken liggen al lang klaar bij de notaris. Die heb ik zelf gesproken en geeft aan dat er gewoon gedraaid kan worden de 2e. Dit weet jouw cliënt ook.
Hij kon tot vandaag 13.00 reageren dit is niet gebeurd(…)”
2.12.
Op 2 augustus 2021 is de akte van levering gepasseerd.
2.13.
In een brief van 14 april 2022 heeft de advocaat van DFA [gedaagde] aangesproken tot betaling van de contractuele boete.
3Het geschil
3.1.
DFA vordert - samengevat - dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 44.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
DFA legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting uit artikel 5 van de koopovereenkomst om uiterlijk op 15 juli 2021 zorg te dragen voor het doen stellen van een bankgarantie dan wel het storten van een waarborgsom ten bedrage van € 147.500. Op grond van artikel 11 van de koopovereenkomst heeft DFA [gedaagde] in gebreke gesteld. Doordat [gedaagde] dezelfde dag heeft geantwoord niet aan die verplichting te voldoen, is [gedaagde] vanaf 23 juli 2021 in verzuim en is hij de contractuele boete van drie promille per dag dat hij in verzuim verkeerde verschuldigd geworden.
3.3.
[gedaagde] voert hier tegen aan dat DFA geen beroep (meer) toekomt op de boetebepaling, omdat in artikel 11.6 is bepaald dat artikel 11 na de eigendomsoverdracht geen toepassing meer heeft. Subsidiair voert [gedaagde] aan dat hij op grond van artikel 11.3 op zijn vroegst acht dagen na ontvangst van de ingebrekestelling in verzuim is geraakt. Verder beroept hij zich op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en matiging van de boete.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Het primaire verweer van [gedaagde] is dat DFA geen beroep op de boetebepaling toekomt op grond van hetgeen in artikel 11.6 van de koopovereenkomst is bepaald (zie 2.2). Uit deze bepaling volgt volgens [gedaagde] dat DFA geen recht (meer) heeft op de contractuele boete, omdat de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. DFA stelt zich daarentegen op het standpunt dat artikel 11.6 betekent dat na de eigendomsoverdracht geen nieuwe/aanvullende boetes worden verbeurd, maar dat het de verschuldigdheid van de reeds voorafgaand aan de eigendomsoverdracht door [gedaagde] verbeurde boete niet aantast.
uitleg artikel 11 koopovereenkomst
4.2.
De betekenis en rechtsgevolgen van artikel 11, en in het bijzonder 11.6, zullen door middel van uitleg van dat artikel moeten worden uitgelegd. Bij de uitleg zal de “Haviltex-maatstaf” moeten worden toegepast, die er op neerkomt dat de gemeenschappelijke partijbedoeling achterhaald moet worden. Daarbij is niet de tekst van de overeenkomst beslissend, maar de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen uit het contract mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.3.
DFA en [gedaagde] hebben bij de koop gebruik gemaakt van een model koopovereenkomst voor bedrijfs-onroerend goed van NVM Business. DFA en [gedaagde] hebben, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard, destijds de inhoud en strekking van artikel 11 niet besproken en als standaardbepaling in de overeenkomst opgenomen. Het ligt daarom voor de hand om bij de uitleg van dit beding meer belang te hechten aan de taalkundige betekenis van de in het beding gebruikte bewoordingen.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank dient artikel 11 als volgt te worden uitgelegd. Een boeteclausule in een koopovereenkomst betreffende onroerend goed dient normaal gesproken in het maatschappelijk verkeer als prikkel tot nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst. DFA en [gedaagde] hebben verklaard dat zij artikel 11 ook als een zodanige prikkel hebben opgevat. Die prikkel tot nakoming ziet niet alleen op de hoofdverplichtingen onder de koopovereenkomst, dus in de onderhavige zaak de verplichting van DFA om het registergoed te leveren en de verplichting van [gedaagde] om de koopsom te betalen, maar ook op de verplichting van [gedaagde] om de waarborgsom te storten of de bankgarantie te doen stellen. Niet-nakoming van die verplichtingen levert in beginsel een grond tot ontbinding op en koper verbeurt bij niet-nakoming van zijn verplichtingen tevens de overeengekomen boete, onverminderd de verplichting de eventuele verdere schade van verkoper te vergoeden.
4.5.
Artikel 11 bepaalt verder dat de overeenkomst kan worden ontbonden als één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van zijn verplichting(en). Indien de wederpartij geen gebruik maakt van haar recht de koopovereenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij na de genoemde termijn van acht dagen voor elke sindsdien verstreken dag tot aan de dag van de nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zijn van 3 promille van de koopsom tot een maximum van 10 procent. Dit betekent onder meer dat de koper een dagboete kan verbeuren van 3 promille van de koopsom voor het niet nakomen van zijn verplichting tot het stellen van een bankgarantie of het storten van een waarborgsom tot het moment dat de eigendomsoverdracht plaatsvindt (met een maximum van 10 procent). Voor zover de boete voorafgaand aan de eigendomsoverdracht is verbeurd, komt die niet te vervallen na eigendomsoverdracht. Artikel 11.6 ziet er naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de ratio van het artikel, slechts op dat geen aanspraak meer gemaakt kan worden op de contractuele boete bij tekortkomingen die zich na de levering voordoen.
is de dagboete verbeurd?
4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de brief van 22 juli 2021 van DFA (zie 2.8) als ingebrekestelling heeft te gelden ten aanzien van de verplichting van [gedaagde] om de waarborgsom te storten en dat deze ingebrekestelling de grondslag vormt voor de gevorderde boete. In deze brief is [gedaagde] een termijn van acht dagen na ontvangst van de brief gegeven om aan zijn verplichting te voldoen. Hieruit vloeit voort dat [gedaagde] vanaf acht dagen na 23 juli 2021 (de ontvangstdatum van de brief) de boete verbeurt, dus met ingang van 1 augustus 2021. De eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2021. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel over twee dagen de contractuele boete van 3 promille verschuldigd is, in totaal een bedrag van € 8.850.
ingangsdatum dagboete
4.7.
DFA stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] op grond van artikel 6:83 aanhef en sub c BW al op 23 juli 2021 in verzuim is geraakt. De mededeling van [gedaagde] van 22 juli 2021: “(…) Zoals reeds geïnformeerd ik doe er niks mee (…)” heeft volgens DFA te gelden als een mededeling van de schuldenaar waaruit de schuldeiser moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. Daarmee is het verzuim ingetreden. [gedaagde] betwist dat DFA een beroep op artikel 6:83 BW toekomt en stelt dat een recht op de contractuele boete pas na de termijn van acht dagen bestaat.
4.8.
DFA beroept zich op artikel 6:83 BW. Die bepaling is van regelend recht en dit betekent dat partijen daarvan mogen afwijken. Partijen hebben met artikel 11 een specifieke regeling afgesproken die afwijkt van artikel 6:83 BW. Op grond van artikel 11 kan de overeenkomst pas worden ontbonden en kan de boete pas verschuldigd zijn na een ingebrekestelling en na ommekomst van de termijn van acht dagen. Deze bepaling biedt geen ruimte voor een uitleg waarin die voorwaarden niet gelden. Dit betekent dat [gedaagde] niet eerder dan de hiervoor genoemde ingangsdatum van 1 augustus 2021 de dagboete verschuldigd is geworden.
beroep op beperkende werking van redelijkheid en billijkheid
4.9.
[gedaagde] legt aan dit verweer ten grondslag dat het de bedoeling van partijen is geweest tot levering over te gaan vóórdat de waarborgsom moest worden betaald. De wens om eerder af te nemen heeft [gedaagde] ook steeds kenbaar gemaakt. DFA had uit die mededelingen moeten begrijpen dat [gedaagde] de koopovereenkomst tijdig, bij voorkeur eind juni al, zou nakomen. De tijd tussen de ingebrekestelling en de datum van levering was verwaarloosbaar kort, dus het stellen van zekerheid voor die korte termijn was zinloos en kon redelijkerwijs niet van [gedaagde] worden verwacht. Aldus steeds [gedaagde].
4.10.
DFA heeft hier tegen aangevoerd dat het stellen van zekerheid voor haar essentieel was vanwege slechte ervaringen met eerdere kopers, dat hij daar met [gedaagde] over heeft gesproken en dat [gedaagde] wist dat hij zonder die voorwaarde de koopovereenkomst niet zou tekenen. [gedaagde] heeft dit niet betwist.
4.11.
De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde] heeft ingestemd met levering op 1 augustus 2021 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader zouden overeenkomen. Voor een eerdere (of latere) levering was dus de instemming van DFA nodig. Uit de weergegeven correspondentie is op te maken dat partijen de mogelijkheid tot eerder leveren wel hebben onderzocht, maar niet tot overeenstemming zijn gekomen de leveringsdatum daadwerkelijk te vervroegen. Daar had [gedaagde] zich gezien de contractuele afspraken bij neer te leggen.
4.12.
Ook staat vast dat [gedaagde] heeft ingestemd met de verplichting tot het storten van een waarborgsom of het doen stellen van een bankgarantie uiterlijk op 15 juli 2021. Uit de correspondentie is op te maken dat [gedaagde] de zin daar niet van inzag gezien de korte termijn tot levering en zijn wens eerder af te nemen, maar uit de correspondentie vanaf 19 juli 2021 blijkt ook dat die afspraak voor DFA belangrijk was en dat zij [gedaagde] aan deze afspraak hield (zie 2.5 tot en met 2.10). Desondanks heeft [gedaagde] de zekerheid niet gesteld.
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] omstandigheden gesteld waarom het volgens hem onredelijk is geweest van DFA om vast te houden aan de zekerheidsstelling en de daaraan gekoppelde boete. Het stond DFA echter vrij die voorwaarde bij het sluiten van de koopovereenkomst te stellen en [gedaagde] is met de voorwaarde akkoord gegaan. Hij heeft niet gesteld waarom de door DFA gestelde voorwaarde in de zin van artikel van artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Het beroep op dat artikel faalt daarom.
matiging
4.14.
Aan dit verweer legt [gedaagde] dezelfde feiten ten grondslag. Voor een beroep op matiging van een contractuele boete geldt het volgende. Voor matiging kan slechts reden zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik kan maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Zoals hiervoor onder r.o. 4.13 reeds overwogen heeft [gedaagde] daartoe onvoldoende gesteld, zodat ook dit beroep faalt.
conclusie
4.15.
Op grond van artikel 11 heeft [gedaagde] met ingang van 1 augustus 2021 een dagboete verbeurd voor twee dagen. [gedaagde] komt geen beroep toe op artikel 6:248 lid 2 BW en evenmin een beroep op matiging van de boete. Dit betekent dat de boete van in totaal € 8.850 zal worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen met ingang van 28 april 2022, veertien dagen na de sommatie van 14 april 2022.
buitengerechtelijke incassokosten
4.16.
DFA vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is op of na 1 juli 2012 ingetreden. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten (artikel 6:96 leden 5 en 6 BW). DFA heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding toewijzen tot het wettelijke tarief, behorend bij het toe te wijzen bedrag, van € 817,50.
4.17.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
8.850,00
- buitengerechtelijke incassokosten
€
817,50
+
totaal
€
9.667,50
proceskosten
4.18.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, met dien verstande dat het salaris advocaat wordt beperkt tot tarief II, nu de gevorderde hoofdsom grotendeels is afgewezen.
Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van DFA als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
129,74
- griffierecht
€
2.837,00
- salaris advocaat
€
1.016,00
(2 punten × € 508,00)
Totaal
€
3.982,74
4.19.
DFA vordert daarnaast veroordeling van [gedaagde] in de nakosten. Volgens vaste rechtspraak (zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853) levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten. De rechtbank zal daarom de nakosten niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan DFA te betalen een bedrag van € 9.667,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 8.850,00 als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 28 april 2022, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van DFA tot dit vonnis vastgesteld op € 3.982,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot en in het openbaar uitgesproken op
17 mei 2023.
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/333788 / HA ZA 22-689
Vonnis van 17 mei 2023
in de zaak van
DIRECT FORCE ACTIEMARKETING B.V.,
te Haarlem,
eisende partij,
hierna te noemen: DFA,
advocaat: mr. H.J. Hagemans te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. F.F.A. Havelaar te Amsterdam.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 oktober 2022 van DFA, met producties,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde], met producties,
- het tussenvonnis van 25 januari 2023, waarbij een mondelinge behandeling is gelast,
- de mondelinge behandeling van 11 april 2023, waarbij DFA gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op 3 juni 2021 hebben DFA en [gedaagde] een koopovereenkomst voor bedrijfs-onroerend goed gesloten. Partijen hebben hiertoe een model koopovereenkomst voor bedrijfs-onroerend goed (model 2019) van NVM gebruikt. In de koopovereenkomst is vastgelegd dat DFA het kerkgebouw met erf, ondergrond en verdere aanhorigheden, gelegen aan de [adres], verkoopt aan [gedaagde] voor de koopsom van € 1.475.000 en dat de levering zal plaatsvinden op 1 augustus 2021 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen. In artikel 5 is bepaald dat [gedaagde] uiterlijk op 15 juli 2021 een schriftelijke bankgarantie zal doen stellen voor een bedrag van € 147.500 of een waarborgsom zal storten ter hoogte van dat bedrag.
2.2.
In de koopovereenkomst is in artikel 11 “Ingebrekestelling. Ontbinding.” het volgende bepaald, voor zover hier van belang:
“
11.1
Indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van haar uit deze koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige partij deze koopovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige partij.
(…)
11.3
Indien de wederpartij geen gebruik maakt van haar recht de koopovereenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in artikel 11.1 vermelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zijn van drie promille (3‰) van de koopsom met een maximum van 10 procent (10%) van de koopsom, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijke opeisbare boete, en onverminderd vergoeding van kosten van verhaal.
(…)
11.6
Dit artikel 11 heeft geen toepassing meer na de eigendomsoverdracht.”
2.3.
In een e-mail van 29 juni 2021 heeft DFA aan het bij de levering betrokken notariskantoor Smith Boeser van Grafhorst notarissen (hierna: de notaris) het volgende geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) En ten 2e zijn we nu aan het kijken of de levering vervroegd kan worden naar medio juli. Is dat mogelijk? (…)”
De notaris heeft hierop geantwoord dat het mogelijk is de passeerdatum te vervroegen als de makelaar doorgeeft dat partijen dat zijn overeengekomen.
2.4.
In een whatsapp bericht van 30 juni 2021 heeft [gedaagde] aan JRS makelaars (de makelaar van DFA) een foto toegezonden van zijn kredietovereenkomst met Handelsbanken met het bericht: “Alles rond voor [adres] Kan snel gepasseerd worden”. JRS heeft hierop geantwoord: “Dat is snel gegaan. [A.] heeft de volmacht geregeld alleen is het nog niet leeg. Hij geeft mij een berichtje zodra dit geregeld is.”
2.5.
Op 19 juli 2021 heeft DFA in een whatsapp aan [gedaagde] het volgende geschreven:
“Goedemorgen [gedaagde]. Heb begrepen dat de bankgarantie/waarborgsom niet is voldaan… de afspraak was dat dit in ieder geval de 15e voldaan zou zijn. Je had al eerder aangegeven dat alles bij de Notaris lag, vandaar dat ik verwachtte dat daar ook de bankgarantie bij zou zitten....”
Hierop heeft [gedaagde] het volgende geantwoord: “Morning, we zouden altijd 16e afnemen maar ivm radiostilte niet gebeurd. Gelden staan klaar (hypotheek stukken). Voor 2 weken tot levering lijkt het mij niet nodig mede het klaar ligt. Andere optie is dat we gewoon draaien bv deze week en dat we een bedrag in depot houden zodat lekkage en ontruimen opgelost kan worden. Lijkt mij fair. Groet
Mijn bank kan ook contact met jouw bank opnemen is kortste klap”
2.6.
In een e-mail van 19 juli 2021 heeft [gedaagde] het volgende aan DFA geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) Nav ons onderhoud vandaag.
Aantal weken geleden al de stukken laten zien aan [B.] & [C.] waarin de gelden klaar staan voor transport (hyotheekstukken). Jou dit tevens vrijdag geappt. Er is door mij altijd gestreefd naar afname mid juli. Dit was echter niet mogelijk mede er wat hick ups op de lijn kwamen waarbij ook vanuit jou ivm covid aantal weken radiostilte was.
In mijn optiek is er nul probleem daar de hypotheekstukken bij de notaris liggen om de transactie te draaien. (…)
Mijn voorstel is om asap te draaien bv einde week en dat we een x bedrag in depot houden bij de notaris totdat de vlg zaken zijn opgelost:
(…)
Ik kan in worse case wel wat regelen maar het is bijna 2/8 (…)
Laat maar weten lijkt mij faire en snelle oplossing anders beste dat je even met [C.] kortsluit mede ik op vakantie ga. (…)”
2.7.
In een e-mail van 21 juli 2021 heeft DFA het volgende aan [gedaagde] geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) Ik had begrepen dat alle stukken bij notaris lagen, waaronder de bankgarantie. Vandaar dat ik het vreemd vond dat deze afgelopen donderdag niet was geregeld, en/of de waarborgsom was betaald. We hebben hier duidelijke afspraken over gemaakt, en uitgebreid over gesteggeld. Dat we de leveringsdatum niet hebben kunnen vervroegen, neemt dit punt wat mij betreft niet weg en ik ga er dan ook van uit dat dit zsm wordt geregeld. (…)”
2.8.
In een brief van 22 juli 2021 heeft JRS Makelaars, namens DFA het volgende aan [gedaagde] geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) Mijn cliënt wendde zich tot mij met de mededeling dat u in gebreke bent gebleven om uw verplichtingen na te komen. Deze tekortkoming bestaat uit het feit dat u nagelaten hebt de waarborgsom tijdig te voldoen zoals in artikel 5.1 van de koopovereenkomst in vastgelegd.
Ik verzoek en zo nodig sommeer ik u om binnen 8 dagen na ontvangst van dit schrijven uw verplichtingen die voortvloeien uit de koopovereenkomst alsnog na te komen.
Voor het geval u hieraan geen gehoor geeft, behoudt mijn cliënt zich zowel het recht voor om de koopovereenkomst te ontbinden als het recht om nakoming van de koopovereenkomst te vorderen. (…)”
2.9.
Dezelfde dag heeft [gedaagde] hierop het volgende geantwoord:
“(…) Zoals reeds geïnformeerd ik doe er niks mee (…)”
2.10.
In een e-mail van 27 juli 2021 heeft JRS Makelaars, namens DFA, het volgende aan [gedaagde] geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) Op grond van de koopovereenkomst bent u ertoe gehouden om er voor zorg te dragen dat uiterlijk op 15 juli jl. een waarborgsom ad € 147.500,-- is bijgeschreven op de derdenrekening van de notaris, dan wel er voor zorg te dragen dat een schriftelijke door een bankinstelling afgegeven bankgarantie zal zijn gesteld voor dit bedrag. Per brief d.d. 22 juli jl. hebben wij u namens verkoper in gebreke gesteld (…) U heeft dezelfde dag nog aangegeven niet aan uw verplichtingen te zullen voldoen. Deze mededeling kwalificeert als een mededeling ex artikel 6:83 sub c BW, als gevolg waarvan u per die datum in verzuim bent.
Verkoper maakt om die reden aanspraak op de contractuele boete ad 3 promille van de koopsom voor iedere dag dat u in gebreke blijft om alsnog zorg te dragen voor de voldoening van de waarborgsom, dan wel tot het stellen van een bankgarantie. (…)”
2.11.
Na enkele e-mailberichten over en weer tussen [gedaagde], JRS makelaars en de notaris over de koopsom en de waarborgsom schrijft [gedaagde] op 28 juli 2021 aan JRS Makelaars het volgende, voor zover hier van belang:
“(…) Wou half juli afnemen ivm genuezel bank garantie en gelijk draaien. Je client zelf debet aan dat dit niet is gebeurd.
Vorige week aangegeven dat als ie bank garantie wil dit wel een week duurt en gedoe is ivm mijn vakantie. Tevens aangegeven dat mijn bank met zijn bank contact kon opnemen. Hier nooit reactie op gekregen van je cliënt.
(…)
De hyptheekstukken liggen al lang klaar bij de notaris. Die heb ik zelf gesproken en geeft aan dat er gewoon gedraaid kan worden de 2e. Dit weet jouw cliënt ook.
Hij kon tot vandaag 13.00 reageren dit is niet gebeurd(…)”
2.12.
Op 2 augustus 2021 is de akte van levering gepasseerd.
2.13.
In een brief van 14 april 2022 heeft de advocaat van DFA [gedaagde] aangesproken tot betaling van de contractuele boete.
3Het geschil
3.1.
DFA vordert - samengevat - dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 44.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
DFA legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting uit artikel 5 van de koopovereenkomst om uiterlijk op 15 juli 2021 zorg te dragen voor het doen stellen van een bankgarantie dan wel het storten van een waarborgsom ten bedrage van € 147.500. Op grond van artikel 11 van de koopovereenkomst heeft DFA [gedaagde] in gebreke gesteld. Doordat [gedaagde] dezelfde dag heeft geantwoord niet aan die verplichting te voldoen, is [gedaagde] vanaf 23 juli 2021 in verzuim en is hij de contractuele boete van drie promille per dag dat hij in verzuim verkeerde verschuldigd geworden.
3.3.
[gedaagde] voert hier tegen aan dat DFA geen beroep (meer) toekomt op de boetebepaling, omdat in artikel 11.6 is bepaald dat artikel 11 na de eigendomsoverdracht geen toepassing meer heeft. Subsidiair voert [gedaagde] aan dat hij op grond van artikel 11.3 op zijn vroegst acht dagen na ontvangst van de ingebrekestelling in verzuim is geraakt. Verder beroept hij zich op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en matiging van de boete.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Het primaire verweer van [gedaagde] is dat DFA geen beroep op de boetebepaling toekomt op grond van hetgeen in artikel 11.6 van de koopovereenkomst is bepaald (zie 2.2). Uit deze bepaling volgt volgens [gedaagde] dat DFA geen recht (meer) heeft op de contractuele boete, omdat de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. DFA stelt zich daarentegen op het standpunt dat artikel 11.6 betekent dat na de eigendomsoverdracht geen nieuwe/aanvullende boetes worden verbeurd, maar dat het de verschuldigdheid van de reeds voorafgaand aan de eigendomsoverdracht door [gedaagde] verbeurde boete niet aantast.
uitleg artikel 11 koopovereenkomst
4.2.
De betekenis en rechtsgevolgen van artikel 11, en in het bijzonder 11.6, zullen door middel van uitleg van dat artikel moeten worden uitgelegd. Bij de uitleg zal de “Haviltex-maatstaf” moeten worden toegepast, die er op neerkomt dat de gemeenschappelijke partijbedoeling achterhaald moet worden. Daarbij is niet de tekst van de overeenkomst beslissend, maar de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen uit het contract mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.3.
DFA en [gedaagde] hebben bij de koop gebruik gemaakt van een model koopovereenkomst voor bedrijfs-onroerend goed van NVM Business. DFA en [gedaagde] hebben, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard, destijds de inhoud en strekking van artikel 11 niet besproken en als standaardbepaling in de overeenkomst opgenomen. Het ligt daarom voor de hand om bij de uitleg van dit beding meer belang te hechten aan de taalkundige betekenis van de in het beding gebruikte bewoordingen.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank dient artikel 11 als volgt te worden uitgelegd. Een boeteclausule in een koopovereenkomst betreffende onroerend goed dient normaal gesproken in het maatschappelijk verkeer als prikkel tot nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst. DFA en [gedaagde] hebben verklaard dat zij artikel 11 ook als een zodanige prikkel hebben opgevat. Die prikkel tot nakoming ziet niet alleen op de hoofdverplichtingen onder de koopovereenkomst, dus in de onderhavige zaak de verplichting van DFA om het registergoed te leveren en de verplichting van [gedaagde] om de koopsom te betalen, maar ook op de verplichting van [gedaagde] om de waarborgsom te storten of de bankgarantie te doen stellen. Niet-nakoming van die verplichtingen levert in beginsel een grond tot ontbinding op en koper verbeurt bij niet-nakoming van zijn verplichtingen tevens de overeengekomen boete, onverminderd de verplichting de eventuele verdere schade van verkoper te vergoeden.
4.5.
Artikel 11 bepaalt verder dat de overeenkomst kan worden ontbonden als één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van zijn verplichting(en). Indien de wederpartij geen gebruik maakt van haar recht de koopovereenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij na de genoemde termijn van acht dagen voor elke sindsdien verstreken dag tot aan de dag van de nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zijn van 3 promille van de koopsom tot een maximum van 10 procent. Dit betekent onder meer dat de koper een dagboete kan verbeuren van 3 promille van de koopsom voor het niet nakomen van zijn verplichting tot het stellen van een bankgarantie of het storten van een waarborgsom tot het moment dat de eigendomsoverdracht plaatsvindt (met een maximum van 10 procent). Voor zover de boete voorafgaand aan de eigendomsoverdracht is verbeurd, komt die niet te vervallen na eigendomsoverdracht. Artikel 11.6 ziet er naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de ratio van het artikel, slechts op dat geen aanspraak meer gemaakt kan worden op de contractuele boete bij tekortkomingen die zich na de levering voordoen.
is de dagboete verbeurd?
4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de brief van 22 juli 2021 van DFA (zie 2.8) als ingebrekestelling heeft te gelden ten aanzien van de verplichting van [gedaagde] om de waarborgsom te storten en dat deze ingebrekestelling de grondslag vormt voor de gevorderde boete. In deze brief is [gedaagde] een termijn van acht dagen na ontvangst van de brief gegeven om aan zijn verplichting te voldoen. Hieruit vloeit voort dat [gedaagde] vanaf acht dagen na 23 juli 2021 (de ontvangstdatum van de brief) de boete verbeurt, dus met ingang van 1 augustus 2021. De eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2021. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel over twee dagen de contractuele boete van 3 promille verschuldigd is, in totaal een bedrag van € 8.850.
ingangsdatum dagboete
4.7.
DFA stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] op grond van artikel 6:83 aanhef en sub c BW al op 23 juli 2021 in verzuim is geraakt. De mededeling van [gedaagde] van 22 juli 2021: “(…) Zoals reeds geïnformeerd ik doe er niks mee (…)” heeft volgens DFA te gelden als een mededeling van de schuldenaar waaruit de schuldeiser moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. Daarmee is het verzuim ingetreden. [gedaagde] betwist dat DFA een beroep op artikel 6:83 BW toekomt en stelt dat een recht op de contractuele boete pas na de termijn van acht dagen bestaat.
4.8.
DFA beroept zich op artikel 6:83 BW. Die bepaling is van regelend recht en dit betekent dat partijen daarvan mogen afwijken. Partijen hebben met artikel 11 een specifieke regeling afgesproken die afwijkt van artikel 6:83 BW. Op grond van artikel 11 kan de overeenkomst pas worden ontbonden en kan de boete pas verschuldigd zijn na een ingebrekestelling en na ommekomst van de termijn van acht dagen. Deze bepaling biedt geen ruimte voor een uitleg waarin die voorwaarden niet gelden. Dit betekent dat [gedaagde] niet eerder dan de hiervoor genoemde ingangsdatum van 1 augustus 2021 de dagboete verschuldigd is geworden.
beroep op beperkende werking van redelijkheid en billijkheid
4.9.
[gedaagde] legt aan dit verweer ten grondslag dat het de bedoeling van partijen is geweest tot levering over te gaan vóórdat de waarborgsom moest worden betaald. De wens om eerder af te nemen heeft [gedaagde] ook steeds kenbaar gemaakt. DFA had uit die mededelingen moeten begrijpen dat [gedaagde] de koopovereenkomst tijdig, bij voorkeur eind juni al, zou nakomen. De tijd tussen de ingebrekestelling en de datum van levering was verwaarloosbaar kort, dus het stellen van zekerheid voor die korte termijn was zinloos en kon redelijkerwijs niet van [gedaagde] worden verwacht. Aldus steeds [gedaagde].
4.10.
DFA heeft hier tegen aangevoerd dat het stellen van zekerheid voor haar essentieel was vanwege slechte ervaringen met eerdere kopers, dat hij daar met [gedaagde] over heeft gesproken en dat [gedaagde] wist dat hij zonder die voorwaarde de koopovereenkomst niet zou tekenen. [gedaagde] heeft dit niet betwist.
4.11.
De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde] heeft ingestemd met levering op 1 augustus 2021 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader zouden overeenkomen. Voor een eerdere (of latere) levering was dus de instemming van DFA nodig. Uit de weergegeven correspondentie is op te maken dat partijen de mogelijkheid tot eerder leveren wel hebben onderzocht, maar niet tot overeenstemming zijn gekomen de leveringsdatum daadwerkelijk te vervroegen. Daar had [gedaagde] zich gezien de contractuele afspraken bij neer te leggen.
4.12.
Ook staat vast dat [gedaagde] heeft ingestemd met de verplichting tot het storten van een waarborgsom of het doen stellen van een bankgarantie uiterlijk op 15 juli 2021. Uit de correspondentie is op te maken dat [gedaagde] de zin daar niet van inzag gezien de korte termijn tot levering en zijn wens eerder af te nemen, maar uit de correspondentie vanaf 19 juli 2021 blijkt ook dat die afspraak voor DFA belangrijk was en dat zij [gedaagde] aan deze afspraak hield (zie 2.5 tot en met 2.10). Desondanks heeft [gedaagde] de zekerheid niet gesteld.
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] omstandigheden gesteld waarom het volgens hem onredelijk is geweest van DFA om vast te houden aan de zekerheidsstelling en de daaraan gekoppelde boete. Het stond DFA echter vrij die voorwaarde bij het sluiten van de koopovereenkomst te stellen en [gedaagde] is met de voorwaarde akkoord gegaan. Hij heeft niet gesteld waarom de door DFA gestelde voorwaarde in de zin van artikel van artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Het beroep op dat artikel faalt daarom.
matiging
4.14.
Aan dit verweer legt [gedaagde] dezelfde feiten ten grondslag. Voor een beroep op matiging van een contractuele boete geldt het volgende. Voor matiging kan slechts reden zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik kan maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Zoals hiervoor onder r.o. 4.13 reeds overwogen heeft [gedaagde] daartoe onvoldoende gesteld, zodat ook dit beroep faalt.
conclusie
4.15.
Op grond van artikel 11 heeft [gedaagde] met ingang van 1 augustus 2021 een dagboete verbeurd voor twee dagen. [gedaagde] komt geen beroep toe op artikel 6:248 lid 2 BW en evenmin een beroep op matiging van de boete. Dit betekent dat de boete van in totaal € 8.850 zal worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen met ingang van 28 april 2022, veertien dagen na de sommatie van 14 april 2022.
buitengerechtelijke incassokosten
4.16.
DFA vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is op of na 1 juli 2012 ingetreden. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten (artikel 6:96 leden 5 en 6 BW). DFA heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding toewijzen tot het wettelijke tarief, behorend bij het toe te wijzen bedrag, van € 817,50.
4.17.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
8.850,00
- buitengerechtelijke incassokosten
€
817,50
+
totaal
€
9.667,50
proceskosten
4.18.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, met dien verstande dat het salaris advocaat wordt beperkt tot tarief II, nu de gevorderde hoofdsom grotendeels is afgewezen.
Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van DFA als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
129,74
- griffierecht
€
2.837,00
- salaris advocaat
€
1.016,00
(2 punten × € 508,00)
Totaal
€
3.982,74
4.19.
DFA vordert daarnaast veroordeling van [gedaagde] in de nakosten. Volgens vaste rechtspraak (zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853) levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten. De rechtbank zal daarom de nakosten niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan DFA te betalen een bedrag van € 9.667,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 8.850,00 als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 28 april 2022, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van DFA tot dit vonnis vastgesteld op € 3.982,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot en in het openbaar uitgesproken op
17 mei 2023.