Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2020:11874
2020-06-03
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
8337697 \ CV EXPL 20-1873
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
ambtshalve getoetst aan het dwingende consumentenrecht. Daarbij overweegt de kantonrechter dat de eisende partij geen handelaar is in de zin van Afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 BW.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:2704 Hoge Raad 25-11-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.924 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8337697 \ CV EXPL 20-1873
Uitspraakdatum: 27 mei 2020
Verstekvonnis in de zaak van:
Stichting Hogeschool van [plaats 1]
gevestigd te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: Swier cs gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen
De procedure
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
De beoordeling
De vordering wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De kantonrechter heeft bij de beoordeling van de vordering ook ambtshalve getoetst aan het dwingende consumentenrecht. Deze toets geeft geen aanleiding de vordering af te wijzen. Daarbij overweegt de kantonrechter dat de eisende partij geen handelaar is in de zin van Afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 BW.
De eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan de gedaagde partij een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
De gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de te nemen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, aangezien het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze extra akte op te stellen.
De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 687,54, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 631,63 vanaf 30 januari 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 105,09 wegens dagvaardingskosten,
€ 499,00 wegens griffierecht en
€ 120,00 wegens salaris gemachtigde;
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8337697 \ CV EXPL 20-1873
Uitspraakdatum: 27 mei 2020
Verstekvonnis in de zaak van:
Stichting Hogeschool van [plaats 1]
gevestigd te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: Swier cs gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen
De procedure
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
De beoordeling
De vordering wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De kantonrechter heeft bij de beoordeling van de vordering ook ambtshalve getoetst aan het dwingende consumentenrecht. Deze toets geeft geen aanleiding de vordering af te wijzen. Daarbij overweegt de kantonrechter dat de eisende partij geen handelaar is in de zin van Afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 BW.
De eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan de gedaagde partij een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
De gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de te nemen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, aangezien het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze extra akte op te stellen.
De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 687,54, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 631,63 vanaf 30 januari 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 105,09 wegens dagvaardingskosten,
€ 499,00 wegens griffierecht en
€ 120,00 wegens salaris gemachtigde;
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter