Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6754
2026-10-02
Strafrecht
16.366712.24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank verklaart het preliminaire verweer ongegrond en spreekt de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De rechtbank kan namelijk, bij gebrek aan overtuigend steunbewijs, niet buiten redelijke twijfel vaststellen wat er is gebeurd in de kelderbox. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2023:261 Hoge Raad 21-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2024:251 Parket bij de Hoge Raad 05-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.961 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.366712.24
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2004] in [geboorteplaats] ,
wonende op de [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .
1Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 18 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
de officier van justitie: mr. M.M.L. Kalsbeek;
de advocaat van [verdachte] : mr. D. van den Broek (hierna: de advocaat);
de advocaat van de benadeelde partij: A.Y. Bleeker;
de moeder van het slachtoffer.
2Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
primair: op 23 januari 2021 in [plaats] , samen met een ander, [slachtoffer] heeft verkracht;
subsidiair: op 23 januari 2021 in [plaats] , samen met een ander, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam;
meer subsidiair: op 23 januari 2021 in [plaats] medeplichtig is geweest bij ontucht.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage bij dit vonnis.
3Ontvankelijkheid van de officier van justitie
3.1.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft een preliminair verweer gevoerd. Daarbij heeft zij aangevoerd dat de redelijke termijn (het recht van een verdachte om binnen een redelijke periode te worden berecht) in deze zaak is overschreden en dat er inbreuk is gemaakt op twee belangrijke verdedigingsrechten: (i) recht om ontlastende informatie in te brengen (wat door het lange tijdsverloop onmogelijk gemaakt is) en (ii) het recht om de aangeefster te ondervragen en op die manier haar betrouwbaarheid te kunnen toetsen (welk recht eveneens door de termijnoverschrijding ernstig is geschaad).
Concluderend stelt de advocaat dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat er geen sprake meer is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
3.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie erkent en benadrukt dat het voor alle betrokkenen heel vervelend is dat het zo lang heeft geduurd voor deze zaak op zitting is gepland, maar stelt dat het niet om een dermate lange overschrijding van de redelijke termijn of een dermate grove inbreuk op verdedigingsrechten gaat dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden. Bij dit standpunt heeft de officier van justitie ook de ernst van de verdenking en de belangen van het slachtoffer meegewogen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat een enkele overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Er moet daarnaast ook sprake zijn van een zodanige inbreuk op de rechten van de verdediging dat er daardoor niet meer kan worden gesproken van een eerlijk proces. Dat laatste ziet de rechtbank in dit geval niet. Hoewel het tijdverloop enige afbreuk zal hebben gedaan aan de herinneringen van de gehoorde getuigen, is het niet zo dat (daardoor) niet langer sprake was van een effectieve ondervragingsmogelijkheid. Bovendien kan hiervoor worden gecompenseerd door het tijdverloop mee te wegen in de beoordeling van het bewijs. Ook heeft de verdediging niet geconcretiseerd welk direct relevante ontlastende bewijs er als gevolg van het tijdverloop niet meer ingebracht kon worden. De rechtbank verklaart het preliminaire verweer daarom ongegrond.
4Verkrachting (primaire beschuldiging)
4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de primaire beschuldiging (medeplegen van verkrachting) heeft gepleegd. De officier van justitie vindt de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en stelt dat deze verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van de primaire beschuldiging. De advocaat heeft aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar is om als basis te dienen voor een bewezenverklaring en gesteld dat er daarnaast ook onvoldoende steunbewijs is.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Er staat in deze zaak niet ter discussie dat [verdachte] (destijds 16 jaar oud), [medeverdachte] (destijds 15 jaar oud), [slachtoffer] (destijds 15 jaar oud) met nog één of twee andere jongens - [A] en/of [B] - op 23 januari 2021 in [plaats] samen in de kelderbox van de moeder van [verdachte] zijn geweest. [slachtoffer] en [verdachte] hadden op dat moment een relatie. [verdachte] en [slachtoffer] hebben echter verschillend verklaard over wat er daar vervolgens zou zijn gebeurd is, welke seksuele handelingen daar al dan niet zouden zijn verricht, wie daarvoor het initiatief nam en of er daarbij sprake is geweest van dwang in enige vorm. Samengevat verklaart [slachtoffer] dat zij door de vier aanwezige jongens in de kelderbox onder druk is gezet om [verdachte] in hun bijzijn te pijpen en daarna onder druk is gezet om seks te hebben met [medeverdachte] . Zij heeft verklaard dat zij met haar gedrag voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij dit niet wilde, maar dat de jongens hun zin hebben doorgedrukt, onder andere door haar broek uit te trekken. [verdachte] ontkent dat hij is gepijpt door [slachtoffer] . Hij bevestigt dat er seks heeft plaatsgevonden met [medeverdachte] , maar dat was op het eigen initiatief van [slachtoffer] . Van enige vorm van dwang was daarbij geen sprake, aldus [verdachte] .
Bewijs in zedenzaken
In zedenzaken, zo ook in deze zaak, doet zich vaak de situatie voor dat alleen het slachtoffer en de verdachte(n) aanwezig zijn geweest bij de seksuele handelingen waarvan de verdachten worden beschuldigd. Er zijn in veel gevallen geen neutrale getuigen die het verhaal van het slachtoffer of het verhaal van de verdachten kunnen bevestigen of ander objectief bewijsmateriaal dat de verklaring van een van beiden kan ondersteunen. De verklaring van het slachtoffer staat in zo’n geval tegenover die van de verdachten, net als in deze zaak.
In ons rechtssysteem kan een verdachte niet veroordeeld worden alleen op basis van de verklaring van (één) iemand anders. Daarvoor is meer nodig. Indien er echter naast een voldoende betrouwbare verklaring van het slachtoffer ander bewijs is dat zijn of haar verklaring ondersteunt - zogeheten steunbewijs - kan dat steunbewijs ertoe leiden dat er in zulke gevallen toch een bewezenverklaring kan volgen. Of sprake is van voldoende steunbewijs, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het slachtoffer, als die betrouwbaar wordt gevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd (het slachtoffer). De rechtbank moet dus beoordelen of (i) de verklaring van de aangeefster (hierna: [slachtoffer] ) betrouwbaar is en (ii) of deze verklaring voldoende ondersteund wordt door bewijs uit een andere bron dan [slachtoffer] .
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Om de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster te kunnen beoordelen kan worden gekeken in hoeverre die verklaring concreet, gedetailleerd en consistent is. De rechtbank merkt daarbij op dat dit niet betekent dat iemand die aangifte doet van een zedenmisdrijf steeds heel concreet, gedetailleerd en volledig consistent moet verklaren. Er kunnen allerlei omstandigheden een rol spelen (tijdsverloop, leeftijd, impact van de gebeurtenissen, werking van het geheugen, de druk van een verhoor of het doen van aangifte) die kunnen verklaren dat een verklaring op bepaalde punten niet heel concreet of niet altijd consistent is.
In dit geval stelt de rechtbank vast dat de verklaring van [slachtoffer] bij het informatieve gesprek bij de politie (op 15 april 2021) en de aangifte een paar weken later (op 8 mei 2021) in grote lijnen overeenkomen, zowel ten aanzien van de seksuele handelingen die zouden hebben plaatsgevonden (het pijpen van [verdachte] en het seks hebben met [medeverdachte] ) als de volgorde daarvan (eerst [verdachte] , toen [medeverdachte] ). [slachtoffer] heeft verklaard dat zij zich onder druk gezet voelde door de jongens, zowel door hun uitspraken als door hoe zij zich gedroegen. Er zijn bij de aangifte wat details aangevuld of soms genuanceerd ten opzichte van het informatieve gesprek, maar dat doet, zoals gezegd, op zichzelf niet aan af aan de betrouwbaarheid van [slachtoffer] ’s verklaring. Jaren later, in december 2025, heeft [slachtoffer] nog een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris en daarbij heeft zij ook aangegeven zich niet meer alles te herinneren.
De rechtbank komt daarom tot de tussenconclusie dat zij op het eerste gezicht geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] , nu deze op hoofdlijnen concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent overkomt. Er zijn bovendien geen tegenstrijdigheden in haar verklaringen en zij heeft het ook eerlijk aangegeven wanneer ze iets niet meer of niet meer zeker weet.
Steunbewijs
De rechtbank zal vervolgens moeten vaststellen of er voldoende steun is voor [slachtoffer] ’s verhaal in andere bewijsmiddelen. De officier van justitie heeft gesteld dat dat het geval is. De rechtbank zal hieronder aan de hand van het steunbewijs dat door de officier van justitie in het requisitoir is opgenomen beoordelen of voldaan is aan het bewijsminimum.
Het filmpje
Uit het dossier volgt dat er mogelijk een filmpje is gemaakt in de kelderbox. De bewegende beelden daarvan zitten niet in het dossier (en die heeft de rechtbank dus ook niet gezien), maar er is wel een beschrijving van het filmpje gemaakt door de politie. Daarin wordt geconcludeerd dat op het filmpje een meisje te zien is, gekleed, in een soort kelderbox. Om haar heen staan verschillende jongens, niet herkenbaar. Er zijn geen seksuele handelingen te zien op het filmpje. Gelet op de conclusie van de politie, is de rechtbank van oordeel dat dit filmpje hooguit bevestigt dat [slachtoffer] en de jongens samen in die kelderbox waren (wat overigens ook niet ter discussie staat), maar niet kan worden gebruikt als steunbewijs.
Het Snapchatgesprek
De officier van justitie heeft ook een screenshot van een Snapchatgesprek aangehaald waarin, door derden, zou worden gesproken over een filmpje van de verdenking en waarin wordt gezegd dat “ [slachtoffer] geneukt is door een paar boys”. Het dossier biedt echter geen enkel inzicht over welk filmpje dit zou kunnen gaan, wat er op dat filmpje te zien zou zijn, of dat een ander filmpje is dan het hiervoor besproken filmpje en waar de deelnemers de conclusie op baseren dat [slachtoffer] (tegen haar zin in) seksuele handelingen zou hebben moeten verrichten. Dit screenshot vormt daarmee geen aanwijzing welke kant van het verhaal de juiste is, laat staan dat het kan dienen als steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer] .
Het Whatsappgesprek
De officier van justitie ziet daarnaast ook steunbewijs in een Whatsappgesprek tussen [medeverdachte] en [C] (het nichtje van [slachtoffer] ) van 13 september 2024 (ongeveer 3,5 jaar later dan de beschuldiging). In dat gesprek heeft [medeverdachte] verklaard dat hij ‘daar’ inderdaad zelf bij was maar dat [C] bij [verdachte] moet zijn, en niet bij [medeverdachte] . Ook zegt [medeverdachte] in dat gesprek dat hij ‘zelf ook gebruikt was toen’ en ‘Zij zat zelf met [verdachte] video's ofzo te maken’.
De rechtbank is van oordeel dat terughoudend moet worden omgegaan met het trekken van conclusies uit een dergelijk (kort) gesprek en het interpreteren van wat er is gezegd, zolang dat niet ondubbelzinnig is. De uitlatingen van [medeverdachte] zijn op meerdere manieren te interpreteren, waarbij één van die interpretaties inderdaad zou kunnen zijn dat [slachtoffer] die dag zou zijn ‘gebruikt’ en dat [verdachte] daaraan schuldig zou zijn. In datzelfde gesprek verklaart [medeverdachte] echter dat [slachtoffer] zelf video’s aan het maken was met [verdachte] ‘enzo’, wat juist als steun voor de verklaring van [verdachte] zou kunnen worden geïnterpreteerd. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat de uitlatingen van [medeverdachte] in dit gesprek onvoldoende concreet, dubbelzinnig en voor meerdere interpretaties vatbaar zijn. Daarom kan dit gesprek niet als steunbewijs dienen.
Verklaringen [verdachte]
De officier van justitie ziet ook steun in sommige elementen uit de verklaringen van [verdachte] bij de politie en de rechter-commissaris. De rechtbank ziet dat anders, nu [verdachte] op essentiële en relevante delen (het initiatief tot de seksuele handelingen en de daarbij uitgeoefende dwang) juist heel anders heeft verklaard dan [slachtoffer] , waardoor de specifieke punten waarop zijn verklaringen wél met die van [slachtoffer] overeenkomen, redelijkerwijs niet als steunbewijs kunnen worden gebruikt.
Disclosure getuige en waargenomen emoties
Onder omstandigheden kan ook de verklaring van een getuige over waargenomen emoties of een gemoedstoestand bij een slachtoffer na het delict als steunbewijs dienen. Daarvoor moet dan kunnen worden vastgesteld dat er een verband is tussen de door de getuige waargenomen emoties en het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd. Het tijdsverloop is daarbij relevant. Hoe meer tijd verstreken is tussen het feit en het waarnemen van de emoties, hoe minder duidelijk het verband daartussen zal zijn.
In deze zaak vindt de officier van justitie dat de verklaring van getuige [getuige] (een vriendin van [slachtoffer] ) als steunbewijs kan dienen. [getuige] heeft verklaard dat ze van [slachtoffer] heeft gehoord dat er seks had plaatsgevonden en dat zij ( [getuige] ), toen [slachtoffer] dat vertelde, emoties (verdriet) bij [slachtoffer] zag. Ook heeft zij van [slachtoffer] gehoord dat zij ( [slachtoffer] ) door de jongens zou zijn aangespoord om dingen te doen. Daarnaast weegt de officier van justitie ook de emoties van [slachtoffer] die tijdens de verhoren bij de politie en bij de rechter-commissaris zijn waargenomen mee als steunbewijs.
De rechtbank constateert dat getuige [getuige] , de politie en de rechter-commissaris inderdaad waargenomen emotie(s) bij [slachtoffer] beschrijven op momenten dat zij over de huidige verdenkingen heeft verklaard. Zowel de politie als de rechter-commissaris hebben [slachtoffer] echter pas geruime tijd na de verdenking gesproken - in het geval van de politie maanden, in het geval van de rechter-commissaris pas jaren later. Dat maakt dat het verband tussen die waargenomen emoties en de verdenking niet zonder meer vastgesteld kan worden.
Met betrekking tot [getuige] is onduidelijk gebleven wanneer zij precies met [slachtoffer] gesproken heeft hierover, zij verklaart eerst “geen idee te hebben” wanneer dat is geweest. Daarna ‘denkt zij’ de dag erna, maar zegt zij ook dat niet zeker te weten. Ook weet zij niet meer of dit gesprek in persoon of telefonisch heeft plaatsgevonden, wat, bij het beoordelen van waargenomen emoties, wezenlijk verschil maakt. Daarbij wringt dat [getuige] pas jaren later - in februari 2024 - door de politie is gehoord. Bij emoties of gedragsveranderingen die pas weken of maanden later worden opgemerkt, stelt de Hoge Raad dat dit geen deugdelijk steunbewijs is: er kunnen immers in de tussentijd heel andere oorzaken zijn voor die emoties. In dit geval kan de rechtbank, gelet op het lange tijdsverloop, niet vaststellen dat de waargenomen emoties het gevolg moeten zijn van de verweten gedragingen, waardoor deze emoties niet bruikbaar zijn als steunbewijs. Ten aanzien van de verklaring van [getuige] komt daar nog bij dat [getuige] ook nog verklaart dat zij niet weet of [slachtoffer] vrijwillig seks had gehad, wat het duiden van de emoties nog lastiger maakt.
Gedragsverandering
Uit een brief van [organisatie] (GGZ) volgt dat [slachtoffer] is gediagnostiseerd met PTSS, onder andere gerelateerd aan seksueel misbruik. Daarnaast wordt er bij haar een negatieve verandering in emoties en cognities gezien en is er sprake van zelfdestructief gedrag, hypervigilantie, concentratie- en slaapproblematiek. De officier van justitie ziet hierin steunbewijs. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze brief om meerdere redenen niet als steunbewijs worden gebruikt. Daartoe wijst de rechtbank allereerst op het lange tijdverloop tussen deze diagnoses en de verdenking, wat maakt dat het vaststellen van een direct verband daartussen minder vanzelfsprekend is. Daarbij komt dat uit de brief van [organisatie] volgt dat de bij haar vastgestelde psychische problematiek - droevig genoeg - meerdere oorzaken kent. Ook dat maakt dat het bestaan van die problematiek niet zonder meer als steunbewijs voor de verdenking kan worden gebruikt.
Conclusie
De rechtbank komt, gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen, tot de volgende conclusie over de primaire beschuldiging. De rechtbank kan, bij gebrek aan overtuigend steunbewijs, niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat er in de kelderbox sprake is geweest van dwang. [slachtoffer] ’s verhaal staat - waar het de dwang betreft - lijnrecht tegenover het verhaal van [verdachte] en wordt onvoldoende ondersteund door ander bewijsmateriaal. Bij die stand van zaken kan de rechtbank de tenlastegelegde verkrachting niet bewezen verklaren.
Dat betekent niet dat de rechtbank [slachtoffer] niet gelooft of dat uitgesloten is dat er iets heel naars in die kelderbox is gebeurd. De rechtbank kan uiteindelijk niet met de voldoende zekerheid vaststellen wát er in de kelderbox is gebeurd om [verdachte] voor verkrachting te veroordelen. Daarom zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van het medeplegen van verkrachting.
5Ontucht (subsidiaire en meer subsidiaire beschuldiging)
5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primaire beschuldiging en zich daarom niet uitgelaten over de subsidiair tenlastegelegde ontucht en de meer subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan die ontucht.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van zowel de subsidiaire als de meer subsidiaire beschuldiging. Daarbij heeft zij betoogd dat wat gebeurd is niet aan te merken is als ontuchtig en áls het al ontuchtig zou zijn geweest, dan was er geen sprake van medeplegen of medeplichtigheid door [verdachte] .
5.3
Oordeel van de rechtbank
Beoordelingskader
Bij de subsidiair ten laste gelegde ontucht (met seksueel binnendringen) moet worden beoordeeld of er sprake is van handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Of hier sprake van is, is altijd afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De rechtbank heeft er oog voor dat wat naar de meerderheidsopvattingen als niet leeftijdsadequaat en non-consensueel kan worden beschouwd (‘ontuchtig’), in de beleving van de jongere(n) kan gelden als vrijwillige seksuele contacten, al dan niet in het kader van experimenteergedrag. Bij de beoordeling of binnen deze context sprake is van overschrijding van de sociaal-ethische norm, kunnen onder andere de volgende factoren van belang zijn: de aard en context van de handelingen, het bestaan van een affectieve relatie, verschil in seksuele ontwikkeling, vrijwilligheid en intentie van de dader.
Conclusie
De rechtbank kan, zoals bij de primaire beschuldiging al is besproken, niet vaststellen of [slachtoffer] [verdachte] in de kelderbox heeft gepijpt, gelet op de uiteenlopende verklaringen daarover en gelet op het gebrek aan steunbewijs voor [slachtoffer] ’s kant van het verhaal. De rechtbank spreekt [verdachte] daarom vrij van dat deel van de subsidiaire beschuldiging.
De rechtbank kan wel vaststellen dat in de kelderbox seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en [medeverdachte] . Zowel [slachtoffer] als [verdachte] hebben daarover verklaard. Onduidelijk is echter gebleven wat voor handelingen er hebben plaatsgevonden, op wiens initiatief dat heeft plaatsgevonden en wie daar, buiten [slachtoffer] en [medeverdachte] , bij aanwezig waren. [slachtoffer] heeft verklaard dat alle vier de jongens daarbij aanwezig waren, [verdachte] heeft verklaard dat alleen [A] in de kelderbox aanwezig was, terwijl [A] dat zelf ontkend heeft. Bij gebrek aan steunbewijs kan de rechtbank niet vaststellen wiens versie de waarheid betreft en wat er nou exact heeft plaatsgevonden.
Hoewel de setting waar de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden - een kelderbox - uiteraard vragen oproept, is die setting op zichzelf onvoldoende om de handelingen een ontuchtig karakter te geven. Er is sprake van seksuele handelingen tussen jongeren die qua leeftijd en ontwikkelingsfase gelijkwaardig aan elkaar waren. Het enkele feit dat deze handelingen hebben plaatsgevonden in een kelderbox is onvoldoende om te conclusie te rechtvaardigen dat die die seksuele handelingen in strijd waren met de sociaal-ethische norm. Daarom zal de rechtbank [verdachte] ook vrijspreken van de subsidiaire en de meer subsidiaire beschuldiging.
6Vordering benadeelde partij
6.1.
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 16.000 euro, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van het aan hem ten laste gelegde feit (primair, subsidiair en meer subsidiair). Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering.
7De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat [verdachte] het feit (zowel primair, subsidiair, als meer subsidiair) heeft gepleegd en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]
- verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. T.M. Sanders, in tegenwoordigheid van mr. M. Besselink als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
op 23 januari 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging, met een of meer anderen, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten- het beletten van die [slachtoffer] om de ruimte te verlaten, en/of- het uittrekken van een of meer kledingstukken van die [slachtoffer] , en/of- het duwen van die [slachtoffer] in de gewenste positie, en/of- het vastpakken van die [slachtoffer] bij haar heupen, en/of- tezamen met een of meer van zijn, verdachtes, mededader(s) door hungezamenlijke aanwezigheid een dusdanig overwicht op die [slachtoffer] uit teoefenen, dat zij werd belemmerd in haar mogelijkheden tot verzet en/of dat zij zich niet durfde te verzetten, en/of- voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer] , [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van hetlichaam van die [slachtoffer] , te weten- het brengen en/of duwen en/of bewegen van een penis in de mond en/of de vagina van die [slachtoffer] ;( art 242 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 januari 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging met eenander, althans alleen, met [slachtoffer] , geboren op [2005] , die deleeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), meermalen, althanseenmaal, een penis in de mond en/of de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of bewogen;( art 245 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op of omstreeks 23 januari 2021 te [plaats] met [slachtoffer] ,geboren op [2005] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die vanzestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeftgepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen vanhet lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, medeverdachte [medeverdachte] ,meermalen, althans eenmaal, zijn penis in vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of bewogen, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 23 januari 2021 te [plaats] opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:- met medeverdachte naar de garagebox van zijn, verdachtes, woning te gaan, en/of- die [slachtoffer] te beletten om de ruimte te verlaten, en/of- een of meer kledingstukken van die [slachtoffer] uit te trekken, en/of- die [slachtoffer] in de gewenste positie te duwen, en/of- medeverdachte een condoom aan te geven;( art 245 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )
ECLI:NL:HR:2023:261
ECLI:NL:PHR:2024:251.
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.366712.24
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2004] in [geboorteplaats] ,
wonende op de [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .
1Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 18 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
de officier van justitie: mr. M.M.L. Kalsbeek;
de advocaat van [verdachte] : mr. D. van den Broek (hierna: de advocaat);
de advocaat van de benadeelde partij: A.Y. Bleeker;
de moeder van het slachtoffer.
2Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
primair: op 23 januari 2021 in [plaats] , samen met een ander, [slachtoffer] heeft verkracht;
subsidiair: op 23 januari 2021 in [plaats] , samen met een ander, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam;
meer subsidiair: op 23 januari 2021 in [plaats] medeplichtig is geweest bij ontucht.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage bij dit vonnis.
3Ontvankelijkheid van de officier van justitie
3.1.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft een preliminair verweer gevoerd. Daarbij heeft zij aangevoerd dat de redelijke termijn (het recht van een verdachte om binnen een redelijke periode te worden berecht) in deze zaak is overschreden en dat er inbreuk is gemaakt op twee belangrijke verdedigingsrechten: (i) recht om ontlastende informatie in te brengen (wat door het lange tijdsverloop onmogelijk gemaakt is) en (ii) het recht om de aangeefster te ondervragen en op die manier haar betrouwbaarheid te kunnen toetsen (welk recht eveneens door de termijnoverschrijding ernstig is geschaad).
Concluderend stelt de advocaat dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat er geen sprake meer is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
3.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie erkent en benadrukt dat het voor alle betrokkenen heel vervelend is dat het zo lang heeft geduurd voor deze zaak op zitting is gepland, maar stelt dat het niet om een dermate lange overschrijding van de redelijke termijn of een dermate grove inbreuk op verdedigingsrechten gaat dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden. Bij dit standpunt heeft de officier van justitie ook de ernst van de verdenking en de belangen van het slachtoffer meegewogen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat een enkele overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Er moet daarnaast ook sprake zijn van een zodanige inbreuk op de rechten van de verdediging dat er daardoor niet meer kan worden gesproken van een eerlijk proces. Dat laatste ziet de rechtbank in dit geval niet. Hoewel het tijdverloop enige afbreuk zal hebben gedaan aan de herinneringen van de gehoorde getuigen, is het niet zo dat (daardoor) niet langer sprake was van een effectieve ondervragingsmogelijkheid. Bovendien kan hiervoor worden gecompenseerd door het tijdverloop mee te wegen in de beoordeling van het bewijs. Ook heeft de verdediging niet geconcretiseerd welk direct relevante ontlastende bewijs er als gevolg van het tijdverloop niet meer ingebracht kon worden. De rechtbank verklaart het preliminaire verweer daarom ongegrond.
4Verkrachting (primaire beschuldiging)
4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de primaire beschuldiging (medeplegen van verkrachting) heeft gepleegd. De officier van justitie vindt de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en stelt dat deze verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van de primaire beschuldiging. De advocaat heeft aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar is om als basis te dienen voor een bewezenverklaring en gesteld dat er daarnaast ook onvoldoende steunbewijs is.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Er staat in deze zaak niet ter discussie dat [verdachte] (destijds 16 jaar oud), [medeverdachte] (destijds 15 jaar oud), [slachtoffer] (destijds 15 jaar oud) met nog één of twee andere jongens - [A] en/of [B] - op 23 januari 2021 in [plaats] samen in de kelderbox van de moeder van [verdachte] zijn geweest. [slachtoffer] en [verdachte] hadden op dat moment een relatie. [verdachte] en [slachtoffer] hebben echter verschillend verklaard over wat er daar vervolgens zou zijn gebeurd is, welke seksuele handelingen daar al dan niet zouden zijn verricht, wie daarvoor het initiatief nam en of er daarbij sprake is geweest van dwang in enige vorm. Samengevat verklaart [slachtoffer] dat zij door de vier aanwezige jongens in de kelderbox onder druk is gezet om [verdachte] in hun bijzijn te pijpen en daarna onder druk is gezet om seks te hebben met [medeverdachte] . Zij heeft verklaard dat zij met haar gedrag voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij dit niet wilde, maar dat de jongens hun zin hebben doorgedrukt, onder andere door haar broek uit te trekken. [verdachte] ontkent dat hij is gepijpt door [slachtoffer] . Hij bevestigt dat er seks heeft plaatsgevonden met [medeverdachte] , maar dat was op het eigen initiatief van [slachtoffer] . Van enige vorm van dwang was daarbij geen sprake, aldus [verdachte] .
Bewijs in zedenzaken
In zedenzaken, zo ook in deze zaak, doet zich vaak de situatie voor dat alleen het slachtoffer en de verdachte(n) aanwezig zijn geweest bij de seksuele handelingen waarvan de verdachten worden beschuldigd. Er zijn in veel gevallen geen neutrale getuigen die het verhaal van het slachtoffer of het verhaal van de verdachten kunnen bevestigen of ander objectief bewijsmateriaal dat de verklaring van een van beiden kan ondersteunen. De verklaring van het slachtoffer staat in zo’n geval tegenover die van de verdachten, net als in deze zaak.
In ons rechtssysteem kan een verdachte niet veroordeeld worden alleen op basis van de verklaring van (één) iemand anders. Daarvoor is meer nodig. Indien er echter naast een voldoende betrouwbare verklaring van het slachtoffer ander bewijs is dat zijn of haar verklaring ondersteunt - zogeheten steunbewijs - kan dat steunbewijs ertoe leiden dat er in zulke gevallen toch een bewezenverklaring kan volgen. Of sprake is van voldoende steunbewijs, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het slachtoffer, als die betrouwbaar wordt gevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd (het slachtoffer). De rechtbank moet dus beoordelen of (i) de verklaring van de aangeefster (hierna: [slachtoffer] ) betrouwbaar is en (ii) of deze verklaring voldoende ondersteund wordt door bewijs uit een andere bron dan [slachtoffer] .
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Om de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster te kunnen beoordelen kan worden gekeken in hoeverre die verklaring concreet, gedetailleerd en consistent is. De rechtbank merkt daarbij op dat dit niet betekent dat iemand die aangifte doet van een zedenmisdrijf steeds heel concreet, gedetailleerd en volledig consistent moet verklaren. Er kunnen allerlei omstandigheden een rol spelen (tijdsverloop, leeftijd, impact van de gebeurtenissen, werking van het geheugen, de druk van een verhoor of het doen van aangifte) die kunnen verklaren dat een verklaring op bepaalde punten niet heel concreet of niet altijd consistent is.
In dit geval stelt de rechtbank vast dat de verklaring van [slachtoffer] bij het informatieve gesprek bij de politie (op 15 april 2021) en de aangifte een paar weken later (op 8 mei 2021) in grote lijnen overeenkomen, zowel ten aanzien van de seksuele handelingen die zouden hebben plaatsgevonden (het pijpen van [verdachte] en het seks hebben met [medeverdachte] ) als de volgorde daarvan (eerst [verdachte] , toen [medeverdachte] ). [slachtoffer] heeft verklaard dat zij zich onder druk gezet voelde door de jongens, zowel door hun uitspraken als door hoe zij zich gedroegen. Er zijn bij de aangifte wat details aangevuld of soms genuanceerd ten opzichte van het informatieve gesprek, maar dat doet, zoals gezegd, op zichzelf niet aan af aan de betrouwbaarheid van [slachtoffer] ’s verklaring. Jaren later, in december 2025, heeft [slachtoffer] nog een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris en daarbij heeft zij ook aangegeven zich niet meer alles te herinneren.
De rechtbank komt daarom tot de tussenconclusie dat zij op het eerste gezicht geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] , nu deze op hoofdlijnen concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent overkomt. Er zijn bovendien geen tegenstrijdigheden in haar verklaringen en zij heeft het ook eerlijk aangegeven wanneer ze iets niet meer of niet meer zeker weet.
Steunbewijs
De rechtbank zal vervolgens moeten vaststellen of er voldoende steun is voor [slachtoffer] ’s verhaal in andere bewijsmiddelen. De officier van justitie heeft gesteld dat dat het geval is. De rechtbank zal hieronder aan de hand van het steunbewijs dat door de officier van justitie in het requisitoir is opgenomen beoordelen of voldaan is aan het bewijsminimum.
Het filmpje
Uit het dossier volgt dat er mogelijk een filmpje is gemaakt in de kelderbox. De bewegende beelden daarvan zitten niet in het dossier (en die heeft de rechtbank dus ook niet gezien), maar er is wel een beschrijving van het filmpje gemaakt door de politie. Daarin wordt geconcludeerd dat op het filmpje een meisje te zien is, gekleed, in een soort kelderbox. Om haar heen staan verschillende jongens, niet herkenbaar. Er zijn geen seksuele handelingen te zien op het filmpje. Gelet op de conclusie van de politie, is de rechtbank van oordeel dat dit filmpje hooguit bevestigt dat [slachtoffer] en de jongens samen in die kelderbox waren (wat overigens ook niet ter discussie staat), maar niet kan worden gebruikt als steunbewijs.
Het Snapchatgesprek
De officier van justitie heeft ook een screenshot van een Snapchatgesprek aangehaald waarin, door derden, zou worden gesproken over een filmpje van de verdenking en waarin wordt gezegd dat “ [slachtoffer] geneukt is door een paar boys”. Het dossier biedt echter geen enkel inzicht over welk filmpje dit zou kunnen gaan, wat er op dat filmpje te zien zou zijn, of dat een ander filmpje is dan het hiervoor besproken filmpje en waar de deelnemers de conclusie op baseren dat [slachtoffer] (tegen haar zin in) seksuele handelingen zou hebben moeten verrichten. Dit screenshot vormt daarmee geen aanwijzing welke kant van het verhaal de juiste is, laat staan dat het kan dienen als steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer] .
Het Whatsappgesprek
De officier van justitie ziet daarnaast ook steunbewijs in een Whatsappgesprek tussen [medeverdachte] en [C] (het nichtje van [slachtoffer] ) van 13 september 2024 (ongeveer 3,5 jaar later dan de beschuldiging). In dat gesprek heeft [medeverdachte] verklaard dat hij ‘daar’ inderdaad zelf bij was maar dat [C] bij [verdachte] moet zijn, en niet bij [medeverdachte] . Ook zegt [medeverdachte] in dat gesprek dat hij ‘zelf ook gebruikt was toen’ en ‘Zij zat zelf met [verdachte] video's ofzo te maken’.
De rechtbank is van oordeel dat terughoudend moet worden omgegaan met het trekken van conclusies uit een dergelijk (kort) gesprek en het interpreteren van wat er is gezegd, zolang dat niet ondubbelzinnig is. De uitlatingen van [medeverdachte] zijn op meerdere manieren te interpreteren, waarbij één van die interpretaties inderdaad zou kunnen zijn dat [slachtoffer] die dag zou zijn ‘gebruikt’ en dat [verdachte] daaraan schuldig zou zijn. In datzelfde gesprek verklaart [medeverdachte] echter dat [slachtoffer] zelf video’s aan het maken was met [verdachte] ‘enzo’, wat juist als steun voor de verklaring van [verdachte] zou kunnen worden geïnterpreteerd. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat de uitlatingen van [medeverdachte] in dit gesprek onvoldoende concreet, dubbelzinnig en voor meerdere interpretaties vatbaar zijn. Daarom kan dit gesprek niet als steunbewijs dienen.
Verklaringen [verdachte]
De officier van justitie ziet ook steun in sommige elementen uit de verklaringen van [verdachte] bij de politie en de rechter-commissaris. De rechtbank ziet dat anders, nu [verdachte] op essentiële en relevante delen (het initiatief tot de seksuele handelingen en de daarbij uitgeoefende dwang) juist heel anders heeft verklaard dan [slachtoffer] , waardoor de specifieke punten waarop zijn verklaringen wél met die van [slachtoffer] overeenkomen, redelijkerwijs niet als steunbewijs kunnen worden gebruikt.
Disclosure getuige en waargenomen emoties
Onder omstandigheden kan ook de verklaring van een getuige over waargenomen emoties of een gemoedstoestand bij een slachtoffer na het delict als steunbewijs dienen. Daarvoor moet dan kunnen worden vastgesteld dat er een verband is tussen de door de getuige waargenomen emoties en het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd. Het tijdsverloop is daarbij relevant. Hoe meer tijd verstreken is tussen het feit en het waarnemen van de emoties, hoe minder duidelijk het verband daartussen zal zijn.
In deze zaak vindt de officier van justitie dat de verklaring van getuige [getuige] (een vriendin van [slachtoffer] ) als steunbewijs kan dienen. [getuige] heeft verklaard dat ze van [slachtoffer] heeft gehoord dat er seks had plaatsgevonden en dat zij ( [getuige] ), toen [slachtoffer] dat vertelde, emoties (verdriet) bij [slachtoffer] zag. Ook heeft zij van [slachtoffer] gehoord dat zij ( [slachtoffer] ) door de jongens zou zijn aangespoord om dingen te doen. Daarnaast weegt de officier van justitie ook de emoties van [slachtoffer] die tijdens de verhoren bij de politie en bij de rechter-commissaris zijn waargenomen mee als steunbewijs.
De rechtbank constateert dat getuige [getuige] , de politie en de rechter-commissaris inderdaad waargenomen emotie(s) bij [slachtoffer] beschrijven op momenten dat zij over de huidige verdenkingen heeft verklaard. Zowel de politie als de rechter-commissaris hebben [slachtoffer] echter pas geruime tijd na de verdenking gesproken - in het geval van de politie maanden, in het geval van de rechter-commissaris pas jaren later. Dat maakt dat het verband tussen die waargenomen emoties en de verdenking niet zonder meer vastgesteld kan worden.
Met betrekking tot [getuige] is onduidelijk gebleven wanneer zij precies met [slachtoffer] gesproken heeft hierover, zij verklaart eerst “geen idee te hebben” wanneer dat is geweest. Daarna ‘denkt zij’ de dag erna, maar zegt zij ook dat niet zeker te weten. Ook weet zij niet meer of dit gesprek in persoon of telefonisch heeft plaatsgevonden, wat, bij het beoordelen van waargenomen emoties, wezenlijk verschil maakt. Daarbij wringt dat [getuige] pas jaren later - in februari 2024 - door de politie is gehoord. Bij emoties of gedragsveranderingen die pas weken of maanden later worden opgemerkt, stelt de Hoge Raad dat dit geen deugdelijk steunbewijs is: er kunnen immers in de tussentijd heel andere oorzaken zijn voor die emoties. In dit geval kan de rechtbank, gelet op het lange tijdsverloop, niet vaststellen dat de waargenomen emoties het gevolg moeten zijn van de verweten gedragingen, waardoor deze emoties niet bruikbaar zijn als steunbewijs. Ten aanzien van de verklaring van [getuige] komt daar nog bij dat [getuige] ook nog verklaart dat zij niet weet of [slachtoffer] vrijwillig seks had gehad, wat het duiden van de emoties nog lastiger maakt.
Gedragsverandering
Uit een brief van [organisatie] (GGZ) volgt dat [slachtoffer] is gediagnostiseerd met PTSS, onder andere gerelateerd aan seksueel misbruik. Daarnaast wordt er bij haar een negatieve verandering in emoties en cognities gezien en is er sprake van zelfdestructief gedrag, hypervigilantie, concentratie- en slaapproblematiek. De officier van justitie ziet hierin steunbewijs. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze brief om meerdere redenen niet als steunbewijs worden gebruikt. Daartoe wijst de rechtbank allereerst op het lange tijdverloop tussen deze diagnoses en de verdenking, wat maakt dat het vaststellen van een direct verband daartussen minder vanzelfsprekend is. Daarbij komt dat uit de brief van [organisatie] volgt dat de bij haar vastgestelde psychische problematiek - droevig genoeg - meerdere oorzaken kent. Ook dat maakt dat het bestaan van die problematiek niet zonder meer als steunbewijs voor de verdenking kan worden gebruikt.
Conclusie
De rechtbank komt, gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen, tot de volgende conclusie over de primaire beschuldiging. De rechtbank kan, bij gebrek aan overtuigend steunbewijs, niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat er in de kelderbox sprake is geweest van dwang. [slachtoffer] ’s verhaal staat - waar het de dwang betreft - lijnrecht tegenover het verhaal van [verdachte] en wordt onvoldoende ondersteund door ander bewijsmateriaal. Bij die stand van zaken kan de rechtbank de tenlastegelegde verkrachting niet bewezen verklaren.
Dat betekent niet dat de rechtbank [slachtoffer] niet gelooft of dat uitgesloten is dat er iets heel naars in die kelderbox is gebeurd. De rechtbank kan uiteindelijk niet met de voldoende zekerheid vaststellen wát er in de kelderbox is gebeurd om [verdachte] voor verkrachting te veroordelen. Daarom zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van het medeplegen van verkrachting.
5Ontucht (subsidiaire en meer subsidiaire beschuldiging)
5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primaire beschuldiging en zich daarom niet uitgelaten over de subsidiair tenlastegelegde ontucht en de meer subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan die ontucht.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van zowel de subsidiaire als de meer subsidiaire beschuldiging. Daarbij heeft zij betoogd dat wat gebeurd is niet aan te merken is als ontuchtig en áls het al ontuchtig zou zijn geweest, dan was er geen sprake van medeplegen of medeplichtigheid door [verdachte] .
5.3
Oordeel van de rechtbank
Beoordelingskader
Bij de subsidiair ten laste gelegde ontucht (met seksueel binnendringen) moet worden beoordeeld of er sprake is van handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Of hier sprake van is, is altijd afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De rechtbank heeft er oog voor dat wat naar de meerderheidsopvattingen als niet leeftijdsadequaat en non-consensueel kan worden beschouwd (‘ontuchtig’), in de beleving van de jongere(n) kan gelden als vrijwillige seksuele contacten, al dan niet in het kader van experimenteergedrag. Bij de beoordeling of binnen deze context sprake is van overschrijding van de sociaal-ethische norm, kunnen onder andere de volgende factoren van belang zijn: de aard en context van de handelingen, het bestaan van een affectieve relatie, verschil in seksuele ontwikkeling, vrijwilligheid en intentie van de dader.
Conclusie
De rechtbank kan, zoals bij de primaire beschuldiging al is besproken, niet vaststellen of [slachtoffer] [verdachte] in de kelderbox heeft gepijpt, gelet op de uiteenlopende verklaringen daarover en gelet op het gebrek aan steunbewijs voor [slachtoffer] ’s kant van het verhaal. De rechtbank spreekt [verdachte] daarom vrij van dat deel van de subsidiaire beschuldiging.
De rechtbank kan wel vaststellen dat in de kelderbox seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en [medeverdachte] . Zowel [slachtoffer] als [verdachte] hebben daarover verklaard. Onduidelijk is echter gebleven wat voor handelingen er hebben plaatsgevonden, op wiens initiatief dat heeft plaatsgevonden en wie daar, buiten [slachtoffer] en [medeverdachte] , bij aanwezig waren. [slachtoffer] heeft verklaard dat alle vier de jongens daarbij aanwezig waren, [verdachte] heeft verklaard dat alleen [A] in de kelderbox aanwezig was, terwijl [A] dat zelf ontkend heeft. Bij gebrek aan steunbewijs kan de rechtbank niet vaststellen wiens versie de waarheid betreft en wat er nou exact heeft plaatsgevonden.
Hoewel de setting waar de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden - een kelderbox - uiteraard vragen oproept, is die setting op zichzelf onvoldoende om de handelingen een ontuchtig karakter te geven. Er is sprake van seksuele handelingen tussen jongeren die qua leeftijd en ontwikkelingsfase gelijkwaardig aan elkaar waren. Het enkele feit dat deze handelingen hebben plaatsgevonden in een kelderbox is onvoldoende om te conclusie te rechtvaardigen dat die die seksuele handelingen in strijd waren met de sociaal-ethische norm. Daarom zal de rechtbank [verdachte] ook vrijspreken van de subsidiaire en de meer subsidiaire beschuldiging.
6Vordering benadeelde partij
6.1.
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 16.000 euro, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van het aan hem ten laste gelegde feit (primair, subsidiair en meer subsidiair). Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering.
7De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat [verdachte] het feit (zowel primair, subsidiair, als meer subsidiair) heeft gepleegd en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]
- verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. T.M. Sanders, in tegenwoordigheid van mr. M. Besselink als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
op 23 januari 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging, met een of meer anderen, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten- het beletten van die [slachtoffer] om de ruimte te verlaten, en/of- het uittrekken van een of meer kledingstukken van die [slachtoffer] , en/of- het duwen van die [slachtoffer] in de gewenste positie, en/of- het vastpakken van die [slachtoffer] bij haar heupen, en/of- tezamen met een of meer van zijn, verdachtes, mededader(s) door hungezamenlijke aanwezigheid een dusdanig overwicht op die [slachtoffer] uit teoefenen, dat zij werd belemmerd in haar mogelijkheden tot verzet en/of dat zij zich niet durfde te verzetten, en/of- voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer] , [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van hetlichaam van die [slachtoffer] , te weten- het brengen en/of duwen en/of bewegen van een penis in de mond en/of de vagina van die [slachtoffer] ;( art 242 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 januari 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging met eenander, althans alleen, met [slachtoffer] , geboren op [2005] , die deleeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), meermalen, althanseenmaal, een penis in de mond en/of de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of bewogen;( art 245 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op of omstreeks 23 januari 2021 te [plaats] met [slachtoffer] ,geboren op [2005] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die vanzestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeftgepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen vanhet lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, medeverdachte [medeverdachte] ,meermalen, althans eenmaal, zijn penis in vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of bewogen, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 23 januari 2021 te [plaats] opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:- met medeverdachte naar de garagebox van zijn, verdachtes, woning te gaan, en/of- die [slachtoffer] te beletten om de ruimte te verlaten, en/of- een of meer kledingstukken van die [slachtoffer] uit te trekken, en/of- die [slachtoffer] in de gewenste positie te duwen, en/of- medeverdachte een condoom aan te geven;( art 245 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )
ECLI:NL:HR:2023:261
ECLI:NL:PHR:2024:251.