Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6629

2026-09-17 Civiel recht; Arbeidsrecht 12041616 UE VERZ 26-8 en 12046952 \ UE VERZ 26-10
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
12041616 UE VERZ 26-8 en 12046952 \ UE VERZ 26-10
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Werknemer treedt in dienst bij tweede werkgever zonder dit te melden bij eerste werkgever en meld zich daarna ziek bij eerste werkgever. Rechtsgeldig ontslag op staande voet. Werknemer moet ontvangen loon terugbetalen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (39.812 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummers / rekestnummers: 12041616 UE VERZ 26-8 en 12046952 \ UE VERZ 26-10




Beschikking van 17 september 2026




in de zaak van





[verzoeker]
,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij in zaak 12041616 UE VERZ 26-8,
verwerende partij in het tegenverzoek in zaak 12041616 UE VERZ 26-8,
verwerende partij in zaak 12046952 \ UE VERZ 26-10,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. P. van Kerkvoorden en J.K. Boesveld, werkzaam bij ARAG,



Tegen





[verweerder]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij in zaak 12041616 UE VERZ 26-8,
verzoekende partij in het tegenverzoek in zaak 12041616 UE VERZ 26-8,
verzoekende partij in zaak 12046952 \ UE VERZ 26-10,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. L.M. Burger.






1De procedure


1.1

In het dossier zitten de volgende stukken:

12041616 UE VERZ 26-8




het verzoekschrift van [verzoeker] ,


het verweerschrift van [verweerder] , met een tegenverzoek,


aanvullende producties 9 en 10 van [verzoeker] ,



12046952 \ UE VERZ 26-10



het verzoekschrift van [verweerder] ,


het verweerschrift van [verzoeker] ,



in beide zaken



het proces-verbaal van de aangehouden mondelinge behandeling op 5 maart 2026,


de akte van [verweerder] ingekomen [geboortedatum] 2026,


de akte van [verzoeker] ingekomen 6 mei 2026, met aanvullende producties 9 tot en met 14 ( [verzoeker] heeft dus twee verschillende producties 9 ingediend)


de vermeerdering van eis van [verweerder] (met de correctie daarop) met producties 35 en 36), tevens reactie op het verweerschrift van [verzoeker] en haar akte (met producties 9 tot en met 14),


het ‘verweerschrift’ van [verzoeker] daar weer op met producties 15 tot en met 17.





1.2
Beide zaken zijn gelijktijdig besproken tijdens de mondelinge behandeling op 20 augustus 2026. Besproken is dat de zaken gevoegd zullen worden afgedaan. [verzoeker] was aanwezig, vergezeld door een vriendin en bijgestaan door haar twee gemachtigden. Namens [verweerder] waren [A] , voormalig teamleidster van [verzoeker] , en [B] , werkzaam bij [verweerder] , aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigde. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de gemachtigden hebben hierbij gebruikgemaakt van hun spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag de beslissing in beide gevoegde zaken zal worden gegeven.





2De kern van de zaak


2.1

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1999, was sinds 15 mei 2023 in dienst bij [verweerder] voor 40 uur per week in de functie Medewerker Databeheer 2. Op 17 juni 2025 heeft zij zich ziekgemeld, waarna zij in verschillende verzuimgesprekken met [verweerder] en de bedrijfsarts heeft aangegeven niet in staat te zijn haar werkzaamheden te hervatten. In oktober 2025 heeft [verweerder] ontdekt dat [verzoeker] een dienstverband bij [bedrijf] was aangegaan als Office Manager. [verweerder] heeft [verzoeker] vervolgens verzocht om vóór 30 oktober 2025 14.00 uur inzicht te geven in de datum van aanvang van het dienstverband bij [bedrijf] en het aantal uren dat zij voor [bedrijf] werkt. Toen [verzoeker] hieraan geen gehoor gaf, heeft [verweerder] [verzoeker] diezelfde dag op staande voet ontslagen.



2.2

[verzoeker] wil – kort gezegd – dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, [verweerder] haar het loon vanaf 30 oktober 2025 betaalt en de overige verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst nakomt. [verweerder] wil – kort gezegd – dat het ontslag op staande voet in stand blijft, dat [verzoeker] haar een deel van het loon terugbetaalt en dat [verzoeker] schadevergoeding betaalt. De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoeker] af en de verzoeken van [verweerder] (grotendeels) toe.





3De beoordeling


3.1
De zaken 12041616 UE VERZ 26-8 en 12046952 \ UE VERZ 26-10 hangen zo nauw met elkaar samen, dat de kantonrechter ze heeft gevoegd en de verzoeken over en weer gezamenlijk zal behandelen en beoordelen.



Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig





3.2
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd. De kantonrechter oordeelt dat [verweerder] [verzoeker] rechtsgeldig op 30 oktober 2025 heeft ontslagen en de arbeidsovereenkomst daarom op die dag is geëindigd. De kantonrechter motiveert dit als volgt.



3.3
Op grond van de wet mag een werkgever de arbeidsovereenkomst onverwijld opzeggen als daar een dringende reden voor is en hij die reden onverwijld aan de werknemer heeft meegedeeld.



Er is sprake van een dringende reden




3.4
Voor de werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van werknemer, dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.



3.5
De dringende reden moet beoordeeld worden aan de hand van de ontslagbrief van 30 oktober 2025:



“Alles bij elkaar genomen verwijten wij jou, kort gezegd:






dat je zonder melding of overleg met de [verweerder] een arbeidsovereenkomst bent aangegaan met [bedrijf] en/of daar werkzaamheden hebt verricht tijdens jouw ziekteperiode;




dat je, zelfs na sommatie daartoe, geweigerd hebt de gevraagde informatie/stukken te verstrekken;




dat je zelfs jouw leidinggevende tijdens de verzuimgesprekken hebt voorgelogen of in ieder geval op het verkeerde been hebt gezet door haar tijdens de verzuimgesprekken steeds voor te houden dat je niet in staat was werkzaamheden te verrichten;




dat je niet (vooraf) de bedrijfsarts iets hebt gemeld over jouw nevenwerkzaamheden;




dat je, dus, in strijd hebt gehandeld met artikel 8 van de Ambtenarenwet, artikel 7:611 BW (goed werknemerschap) en jouw Eed/Belofte.






Alle hiervoor benoemde en/of beschreven feiten, zowel ieder voor zich en zeker in samenhang, zijn aan te merken als zodanige daden, eigenschappen of gedragingen die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.”





3.6

[verzoeker] heeft zich op 17 juni 2025 ziekgemeld bij [verweerder] . Vervolgens is zij op 31 juli 2025 op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest en heeft deze interventie geadviseerd. Op 11 augustus 2025 hebben [verweerder] en [verzoeker] een plan van aanpak opgesteld voor de re-integratie. [verzoeker] heeft toen aangegeven geen mogelijkheden te zien om de werkzaamheden te hervatten. Op 11 september 2025 is [verzoeker] op nieuw naar het spreekuur van de bedrijfsarts geweest. Op basis van dat gesprek heeft de bedrijfsarts aangegeven dat geen mogelijkheden aanwezig zijn om de werkzaamheden (eigen of aangepast) te hervatten. Ook heef [verzoeker] tijdens de verschillende gesprekken in augustus en september 2025 met haar leidinggevende, mevrouw Vernooij, gezegd geen mogelijkheden te zien om haar werkzaamheden te hervatten.



3.7
Op 20 oktober 2025 heeft [verweerder] zelf ontdekt dat [verzoeker] werkzaamheden verrichtte bij [bedrijf] , omdat [verzoeker] op de website van [bedrijf] als officemanager stond vermeld. [verweerder] heeft in een gesprek met [verzoeker] eerst gevraagd of [verzoeker] nevenwerkzaamheden verrichtte waarvan [verweerder] moest afweten. Hierop heeft [verzoeker] ontkennend gereageerd. Pas op het moment dat [verweerder] haar confronteerde met de website van [bedrijf] , heeft [verzoeker] toegegeven dat zij daar werkzaamheden verrichtte.



3.8

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat het hier gaat om nevenwerkzaamheden waarvan zij mocht verwachten dat die in beginsel zijn toegestaan. Maar, in hoofdstuk 3 van het personeelshandboek van [verweerder] staat dat een werknemer melding moet maken van nevenwerkzaamheden en dat dan samen met de leidinggevende onder andere wordt gekeken of de werkzaamheden het risico met zich meebrengen dat de werknemer onvoldoende beschikbaar wordt voor de eigen functie. Daarbij staat in paragraaf 4.2 van de Handreiking van [verweerder] :



“De nevenactiviteiten en de werkzaamheden voor [verweerder] moeten voldoende in balans zijn. De werkzaamheden mogen niet zoveel tijd in beslag nemen dat de beschikbaarheid voor de functie in het gedrang komt. De medewerker heeft hiervoor zelf de verantwoordelijkheid. […]”





3.9
Voor [verzoeker] had op basis van deze werkinstructies duidelijk moeten zijn dat zij haar werkzaamheden bij [bedrijf] had moeten melden bij [verweerder] . De werkzaamheden bij [bedrijf] stonden bovendien op gespannen voet met haar werkzaamheden bij [verweerder] . Zij werd namelijk bij [verweerder] geacht tijdens normale kantoortijden, op maandag tot en met vrijdag, 40 uur per week te werken, maar gedurende die normale kantoortijd was zij aan het werk voor [bedrijf] . Volgens [verzoeker] kon zij de werkzaamheden bij [bedrijf] combineren met haar werkzaamheden bij [verweerder] , omdat zij in de vroeg ochtend- of avonduren en weekenden voor [verweerder] werkte. Het was echter niet aan haar om te bepalen dat zij buiten de kantoortijden om voor [verweerder] zou gaan werken en [verweerder] heeft toegelicht dat je buiten kantoortijden de functie die [verzoeker] uitoefende niet effectief kunt uitvoeren. Zoals hierna zal worden besproken is ook gebleken dat [verzoeker] feitelijk geen werkzaamheden meer voor [verweerder] heeft verricht nadat zij aan de slag is gegaan bij [bedrijf] . Wat [verzoeker] ook ernstig kan worden verweten is dat zij de werkzaamheden die zij verrichte voor [bedrijf] niet heeft gemeld tijdens de verzuimgesprekken en zelfs bewust deze cruciale informatie heeft achtergehouden. Daardoor heeft zij de bedrijfsarts en [verweerder] de mogelijkheid ontnomen die werkzaamheden te betrekken bij de re-integratieplannen en de beoordeling van de belastbaarheid van [verzoeker] . Tenslotte is ernstig verwijtbaar dat [verzoeker] niet meteen openheid van zaken heeft gegeven toen [verweerder] ontdekte dat zij ergens anders aan het werk was. Om deze redenen kon van [verweerder] niet worden verwacht dat zij de arbeidsverhouding met [verzoeker] voort zou zetten. [verweerder] heeft dus op goede gronden op 30 oktober 2025 een einde gemaakt aan de samenwerking.




[verweerder] heeft de dringende reden onverwijld aan [verzoeker] medegedeeld




3.10
Voor het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de feiten die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd bekend zijn geworden bij degene die bevoegd was het ontslag te verlenen.



3.11
Zodra [verweerder] op 20 oktober 2025 ter ore kwam dat [verzoeker] werkzaamheden verrichtte bij [bedrijf] , heeft [verweerder] [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 23 oktober 2025. Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] dit gesprek uitgesteld, omdat zij griep had en nog in afwachting was van een antwoord van de bedrijfsarts op de vraag of zij deel kon nemen aan een gesprek. Nadat [verweerder] een nieuwe datum had voorgesteld, 28 oktober 2025, en had benadrukt dat dit gesprek niet vrijblijvend was, heeft [verzoeker] ermee ingestemd om dit gesprek via teams te laten plaatsvinden. [verzoeker] heeft deze gang van zaken niet weersproken. Tijdens het gesprek van 28 oktober 2025 werd het voor [verweerder] duidelijk dat [verzoeker] werkzaamheden bij [bedrijf] verrichtte. Op dat moment wist [verweerder] echter nog niet om hoeveel uur per week dit ging en om de ernst van de situatie in te kunnen schatten, heeft [verweerder] [verzoeker] gesommeerd om uiterlijk 30 oktober 2025 om 14.00 uur inzicht te geven in het aantal uren dat [verzoeker] bij [bedrijf] werkzaam was. Toen [verzoeker] hier geen gehoor aan gaf, heeft [verweerder] haar diezelfde dag op staande voet ontslagen en in diezelfde brief de dringende redenen medegedeeld. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] hiermee de dringende reden voldoende onverwijld aan [verzoeker] heeft medegedeeld.



Conclusie




3.12
Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig gegeven. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 30 oktober 2025 is geëindigd.



De verzoeken van [verzoeker] worden afgewezen





3.13

[verzoeker] verzoekt vernietiging van het ontslag op staande voet, betaling van het loon van € 3.426,50 bruto per maand vanaf 30 oktober 2025 vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, netto/bruto specificaties hiervan op straffe van een dwangsom en veroordeling van [verweerder] zorg te dragen voor de pensioenafdrachten met terugwerkende kracht vanaf 30 oktober 2025 op straffe van een dwangsom.



3.14

[verweerder] heeft formeel betoogd dat [verzoeker] haar verzoekschrift te laat heeft ingediend en dus niet ontvankelijk is in haar verzoeken. De kantonrechter heeft in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 maart 2026 verwoord dat op het verzoekschrift zelf geen poststempel staat vermeld en dat de enveloppe waarin het verzoekschrift zat, is afgestempeld op 1 januari 2026. Omdat dit geen werkdag is, heeft de kantonrechter opgenomen dat zij er vooralsnog vanuit ging dat het verzoekschrift op 31 december 2025 moet zijn ontvangen en uit een mail van mr. Burger van 31 december 2025 blijkt dat hij van de griffie heeft vernomen dat die dag een verzoekschrift van [verzoeker] was ingekomen. Maar, echte duidelijkheid over het ontvangstmoment op de griffie is er niet. Wel heeft de gemachtigde van [verzoeker] gemotiveerd toegelicht dat zij het verzoekschrift al op 22 december 2025 bij PostNL heeft aangeleverd. Dat maakt het niet zonder meer evident dat het verzoek te laat bij de griffie terecht is gekomen. Voorstelbaar is dat het verzoek na ontvangst op de rechtbank niet direct op de juiste plek voorzien is van een stempel. Het gaat hier om een vervaltermijn. Daarom is van groot belang dat objectief en overtuigend kan worden vastgesteld dat een verzoek te laat is ingediend. Omdat de kantonrechter die duidelijkheid hier niet heeft, gaat zij ervan uit dat het verzoek tijdig is ingekomen en zal zij [verzoeker] in haar verzoek in de zaak met nummer 12041616 UE VERZ 26-8 ontvangen en dus ook [verweerder] in het tegenverzoek in die zaak.



3.15
Omdat de kantonrechter, zoals hiervoor is overwogen, van oordeel is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, worden de verzoeken van [verzoeker] grotendeels afgewezen. Het verzoek om een deugdelijke netto/bruto specificatie wordt toegewezen, zie onder 3.38 van dit vonnis.



3.16
Omdat de verzoeken van [verzoeker] met betrekking tot het ontslag op staande voet worden afgewezen, hoeven de voorwaardelijke tegenverzoeken van [verweerder] inhoudende ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen van [verzoeker] dan wel op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, niet besproken te worden.




[verzoeker] heeft geen recht op een transitievergoeding of andere vergoeding





3.17

[verweerder] verzoekt in haar tegenverzoek een verklaring voor recht dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding of andere vergoeding. Dit verzoek wordt toegewezen. De kantonrechter motiveert dit als volgt.



3.18
De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, namelijk als het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Hiervoor is geoordeeld dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen dat [verweerder] een dringende reden heeft gegeven voor het ontslag op staande voet. Dat maakt dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding, noch op een andere vergoeding.




[verzoeker] moet aan [verweerder] een gefixeerde schadevergoeding betalen





3.19

[verweerder] verzoekt in de zaak met nummer 12046952 \ UE VERZ 26-10 een verklaring voor recht dat [verzoeker] door opzet of schuld aan [verweerder] een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen en veroordeling van [verzoeker] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 4.165,43, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling. Dit verzoek zal worden toegewezen.



3.20
Op grond van artikel 7:677 lid 2 BW is [verzoeker] aan [verweerder] een vergoeding verschuldigd als zij [verweerder] door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven voor het ontslag op staande voet. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is en verwijst naar overwegingen 3.6 t/m 3.9 van dit vonnis. Daarbij heeft [verzoeker] de hoogte van deze vergoeding niet betwist.



3.21
Omdat deze verzoeken worden toegewezen, heeft [verweerder] geen belang meer bij toewijzing van het inhoudelijk zelfde tegenverzoek in de zaak met nummer 12041616 UE VERZ 26-8.




[verzoeker] moet een deel van haar ontvangen loon aan [verweerder] terugbetalen





3.22

[verweerder] vordert als tegenverzoek, na vermeerdering van eis, terugbetaling van € 16.969,40 aan loon over de periode van 1 april 2025 (de aanvang van het dienstverband bij [bedrijf] ) tot 30 oktober 2025 (de datum van het gegeven ontslag op staande voet), vermeerderd met de wettelijke rente en te bepalen dat [verweerder] dus rechtmatig heeft verrekend bij de eindafrekening. Zij voert hiertoe aan dat [verzoeker] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, met als gevolg dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst kan ontbinden en er ongedaanmakingsverbintenissen zijn ontstaan. De kantonrechter wijst deze tegenverzoeken toe en overweegt hiertoe als volgt.



3.23
De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op 30 oktober 2025 al geëindigd vanwege het rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet en kan als zodanig dus niet meer worden ontbonden, omdat een ontbinding geen terugwerkende kracht heeft. Maar, de arbeidsovereenkomst kan wel gedeeltelijk worden ontbonden, namelijk voor het gedeelte dat ziet op de verplichting in het verleden tot betaling van loon door [verweerder] als tegenprestatie voor de werkzaamheden die [verzoeker] moest verrichten op basis van de arbeidsovereenkomst. Door deze gedeeltelijke ontbinding ontstaan dan verbintenissen tot ongedaanmaking. Voor de vraag of de arbeidsovereenkomst gedeeltelijk kan worden ontbonden moet worden beoordeeld of aan de wettelijke vereisten voor ontbinding is voldaan. De aard van de rechtsverhouding brengt bovendien met zich dat niet lichtvaardig tot ontbinding kan worden besloten. Er zal in ieder geval sprake moeten zijn van een ernstige tekortkoming.



Aan de vereisten voor ontbinding is voldaan




3.24

[verzoeker] is vanaf het moment van indiensttreding bij [bedrijf] ernstig tekort geschoten in haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst met [verweerder] . De kantonrechter motiveert dit als volgt.



3.25
Nadat [verzoeker] zich op 17 juni 2025 had ziekgemeld is [verweerder] er bij toeval achtergekomen dat [verzoeker] werkzaamheden verrichtte voor [bedrijf] . Toen zij [verzoeker] daar op 28 oktober 2025 mee confronteerde, zei [verzoeker] dat zij op advies van de bedrijfsarts op zoek was gegaan naar ander werk. Zij suggereerde dus dat zij pas ná haar ziekmelding bij [verweerder] werkzaamheden is gaan verrichten bij [bedrijf] . Maar, tijdens deze procedure is aan het licht gekomen dat [verzoeker] al vóór haar ziekmelding bij [verweerder] een arbeidsovereenkomst met [bedrijf] was aangegaan. [verzoeker] heeft dus niet alleen haar nevenwerkzaamheden verzwegen, maar zij heeft daarnaast bewust gelogen over de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst bij [bedrijf] .



3.26


[verzoeker] is met ingang van 1 april 2025 voor 16 uur in dienst getreden bij [bedrijf] . Dat dienstverband is na 14 dagen uitgebreid naar 24 uur per week. [verzoeker] heeft de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst overgelegd en hieruit blijkt dat zij geacht werd op woensdag en vrijdag te werken voor [bedrijf] . Later is daar de maandag bijgekomen. In de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst staat:

“De werktijden zijn van maandag tot en met vrijdag en vangen aan tussen 7.30 en 9.30 en eindigen tussen 16.00 en 18.00 uur bij een werkdag van 8 uur, tenzij dit anders is overeengekomen. Het aantal werkdagen bedraagt 2. Het aantal uren per week bedraagt 16. We spreken hierbij twee vaste werkdagen af: de woensdag en vrijdag. Daarbij worden de werkzaamheden op woensdag in principe op kantoor ( [adres] ) uitgevoerd.”





3.27

[verweerder] heeft op grond van een gedegen onderzoek aannemelijk gemaakt dat [verzoeker] sinds het begin van de arbeidsovereenkomst met [bedrijf] nauwelijks meer werkzaamheden heeft verricht voor [verweerder] . Op basis van de door [verweerder] geraadpleegde systemen, heeft [verweerder] de volgende conclusies getrokken:


er is door [verzoeker] bijna nooit op zaterdag en zondag gewerkt;


er is nooit in de avonduren gewerkt door [verzoeker] , wel zo nu en dan in de vroege ochtend;


op het merendeel van de dagen hebben er geen activiteiten, raadplegingen of inlogging op de telefoon plaatsgevonden in de systemen, dus zijn er geen werkzaamheden uitgevoerd. Dit terwijl in de weekroosters wel wekelijks uren zijn gepland en in AFAS uren zijn verantwoord voor die werkzaamheden;


op alle woensdagen en vrijdagen hebben geen activiteiten, raadplegingen en beschikbaarheid voor telefonie plaatsgevonden terwijl de woensdag en vrijdag als vaste werkdagen in de arbeidsovereenkomst met [bedrijf] worden vermeld.



[verzoeker] heeft deze conclusies onvoldoende onderbouwd weersproken. Zij heeft niet inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden zij op welk moment voor [verweerder] heeft verricht. Zij heeft alleen maar aangevoerd dat zij haar uren heeft geregistreerd in AFAS en haar leidinggevende de uren steeds heeft goedgekeurd. Uit die goedkeuring kan niet worden afgeleid dat [verzoeker] ook daadwerkelijk voor [verweerder] heeft gewerkt. [verweerder] heeft namelijk gemotiveerd uitgelegd dat die goedkeuring niet was gebaseerd op een controle van verrichte werkzaamheden, maar alleen op het vertrouwen dat [verzoeker] de uren die zij registreerde ook daadwerkelijk had gewerkt. Dat vertrouwen heeft [verzoeker] beschaamd en dat gegeven kan [verzoeker] dus niet in haar voordeel gebruiken.



3.28
Dat de door [verzoeker] verrichtte werkzaamheden bij [verweerder] vanaf 1 april 2025 zijn gereduceerd tot (vrijwel) nihil, levert naar het oordeel van de kantonrechter een ernstige tekortkoming op die gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.



3.29
Niet vereist is dat [verzoeker] op dit punt in verzuim is geraakt, omdat deugdelijke nakoming van haar verplichting tot het verrichten van werkzaamheden voor [verweerder] blijvend onmogelijk is geworden door de indiensttreding bij [bedrijf] . Aan de vereisten voor gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst is dus voldaan.



Ongedaanmakingsverbintenissen




3.30
De gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen leidt tot ongedaanmakingsverbintenissen vanaf 1 april 2025 tot 30 oktober 2025. Dit betekent dat [verweerder] recht heeft op terugbetaling van het loon dat zij over deze periode voor of namens [verzoeker] heeft betaald en [verzoeker] recht heeft op ongedaanmaking van haar prestatie, te weten de verrichte werkzaamheden. Maar, voor zover [verzoeker] werkzaamheden heeft verricht kunnen die niet ongedaan gemaakt worden. De kantonrechter zal dus moeten vaststellen of [verzoeker] een op geld waardeerbare prestatie heeft verricht en zo ja, welke waarde daaraan kan worden verbonden.



3.31

[verzoeker] was van 5 juni 2025 tot en met 16 juni 2025 met verlof. Voor deze periode vraagt [verweerder] terecht geen terugbetaling tot loon, omdat [verzoeker] voldoende vakantiedagen had opgebouwd om betaald verlof te nemen.



3.32

[verweerder] heeft vastgesteld dat [verzoeker] van 3 april 2025 tot 5 juni 2025 enige werkzaamheden zou kunnen hebben verricht voor [verweerder] . [verweerder] heeft haar arbeidsprestatie daarom welwillend begroot op 2/5e van haar ontvangen salaris, aangezien [verzoeker] 24 uur (3/5e deel van een 40-urige werkweek) werkzaam was voor [bedrijf] . [verweerder] vordert in die periode daarom 3/5e deel van het ontvangen salaris terug. Zoals hiervoor onder 3.27 is overwogen, heeft [verweerder] voldoende onderbouwd dat weinig tot geen werkzaamheden door [verzoeker] zijn verricht. Dit verzoek wordt toegewezen.



3.33

[verzoeker] was tot en met 2 april 2025 en daarna vanaf 17 juni 2025 tot de dag van het ontslag op staande voet ziekgemeld. Tijdens deze periode verzoekt [verweerder] het volledige loon terug, omdat [verzoeker] in die periode geen tegenprestatie heeft geleverd. De kantonrechter overweegt dat [verzoeker] op grond van artikel 7:629 BW tijdens arbeidsongeschiktheid recht heeft op doorbetaling van het loon. Als dus vóór de ziekte recht bestond op loon en een werknemer vanwege arbeidsongeschiktheid geen prestatie heeft kunnen leveren in de vorm van de overeengekomen en eerder verrichte werkzaamheden, dan zou de wet eraan in de weg staan dat een werkgever een prestatie uit hoofde van ongedaanmaking op nihil zou waarderen enkel omdat wegens ziekte geen werkzaamheden zijn verricht. Maar, [verweerder] betwist op goede gronde dat [verzoeker] in de periode tot 2 april 2025 en na 17 juni 2025 arbeidsongeschikt was.



3.34

[verzoeker] heeft niet alleen [verweerder] , maar ook de bedrijfsarts voorgelogen. Zij heeft de bedrijfsarts namelijk verteld dat zij niet in staat was enige werkzaamheden te verrichten terwijl zij feitelijk bij [bedrijf] aan de slag was gegaan. Het oordeel van de bedrijfsarts over de geschiktheid van [verzoeker] om haar werkzaamheden te verrichten kan dus niet zonder meer als uitgangspunt worden genomen voor de vraag of [verzoeker] recht had op betaling van loon tijdens ziekte. In deze procedure heeft [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt dat zij wel geschikt was om werkzaamheden te verrichten voor [bedrijf] , maar niet geschikt was soortgelijke werkzaamheden te verrichten voor [verweerder] . Het enige dat zij ter verklaring op dit punt heeft ingebracht is dat ze haar werk bij [verweerder] niet zo leuk vond, mede vanwege de relatie met haar collega’s. Om dit te onderbouwen heeft zij een e-mail van haar aan een collega overgelegd waarin [verzoeker] te kennen geeft er niet van gediend te zijn dat kritische vragen worden gesteld over haar werkprestatie. Die mail kan bezwaarlijk worden beschouwd als een gegronde basis voor een ziekmelding en een uitleg dat zij wegens arbeidsongeschiktheid niet in staat was de werkzaamheden voor [verweerder] voort te zetten. Zeker nu is gebleken dat terecht vragen zijn gesteld over de arbeidsprestatie van [verzoeker] . Wettelijk gezien had het ook op de weg van [verzoeker] gelegen om een deskundigenoordeel van het UWV te overleggen, ter onderbouwing van haar recht op betaling van loon tijdens arbeidsongeschiktheid. Het geheel overziende is er dus geen reden om aan te nemen dat [verzoeker] gedurende de periode dat zij zich ziek had gemeld ondanks haar ernstige tekortkoming wel recht had op een waardering in de vorm van loondoorbetaling. [verzoeker] heeft dus, anders dan [verweerder] , geen recht op een waarde gekoppeld aan de ongedaanmaking van haar verplichtingen.



3.35

In de door [verweerder] overgelegde vermeerdering van eis heeft zij onder randnummer 19 een overzicht gemaakt van het loon dat [verzoeker] aan haar moet terugbetalen. Het gaat om
€ 19.561,26 aan salaris, € 3.227,60 aan IKB rechten, €4.735,25 aan werkgeversafdracht pensioenpremie en € 81,60 aan thuiswerkvergoeding. In totaal gaat het dus om € 27.605,70 aan uitbetaalde bedragen in de periode 1 april 2025 tot en met 29 oktober 2025. Bij een eerdere eindafrekening heeft [verweerder] kennelijk al €10.636,30 verrekend, dus dat bedrag heeft zij in mindering gebracht op haar vordering. In totaal gaat het dus om €16.969,40 dat [verweerder] wil dat [verzoeker] terugbetaalt. [verzoeker] heeft de hoogte van deze bedragen niet betwist. Daarom zal dit bedrag wordt toegewezen. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.




3.36
Of [verweerder] al rechtsgeldig € 10.636,30 heeft verrekend kan de kantonrechter niet zonder meer vaststellen. Dat beschouwt ze meer als een gegeven. Voor een verklaring voor recht is dit gedeelte van het verzoek onvoldoende onderbouwd. Dat tegenverzoek van [verweerder] zal daarom worden afgewezen.



3.37
Het subsidiaire tegenverzoek van [verweerder] , terugbetaling van een bedrag aan loon van € 11.248,33, behoeft geen bespreking, omdat het primaire tegenverzoek al wordt toegewezen.




[verweerder] moet een bruto/netto specificatie aan [verzoeker] sturen





3.38

[verweerder] vordert, zo begrijpt de kantonrechter, de netto betalingen terug die voor/aan [verzoeker] zijn betaald. Vóór de wijziging van eis maakte [verweerder] aanspraak op terugbetaling van € 19.992,08, waarin een gedeelte loonheffingen zat. Bij de wijziging van eis komt in het overzicht geen bedrag aan loonheffing meer terug. Bij de eerdere eindafrekening is echter wel rekening gehouden met een component loonheffing. [verzoeker] heeft dus belang bij een deugdelijke specificatie van wat er, na ongedaanmaking, aan loon aan haar is uitbetaald en welke afdrachten daarover al zijn gedaan aan de belastingdienst en/of werknemerspremies, zodat [verzoeker] dat mee kan nemen in haar belastingaangifte over 2025. Het verzoek van [verzoeker] op dit punt zal dus worden toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt niet toegewezen. De kantonrechter gaat ervan uit dat [verweerder] zich houdt aan dit vonnis.




[verzoeker] moet de proceskosten betalen





12041616 UE VERZ 26-8


in het verzoek




3.39
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.



3.40
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



in het tegenverzoek




3.41
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 865,00 aan salaris gemachtigde.



3.42
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



12046952 \ UE VERZ 26-10




3.43
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 946,50 (€ 514,00 aan griffierecht en 0,5 x € 865,00 aan salaris gemachtigde).



3.44
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






4De beslissing


De kantonrechter




in de zaak 12041616 UE VERZ 26-8





op het verzoek



4.1
veroordeelt [verweerder] tot het ter beschikking stellen aan [verzoeker] van deugdelijke netto/bruto specificaties als bedoeld onder 3.38 van dit vonnis,



4.2
wijst de andere verzoeken van [verzoeker] af,



4.3
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



4.4
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



op het tegenverzoek




4.5
ontbindt de arbeidsovereenkomst gedeeltelijk en wel voor de verplichting van [verweerder] tot betaling van loon en de verplichting van [verzoeker] tot het verrichten van werkzaamheden, vanaf 1 april 2025 tot 30 oktober 2025, op grond van een ernstige tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst door [verzoeker] ,



4.6
bepaalt dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, waardoor de arbeidsovereenkomst op 30 oktober 2025 rechtsgeldig is geëindigd,



4.7
bepaalt dat [verzoeker] geen transitievergoeding of andere vergoeding toekomt,


4.8
veroordeelt [verzoeker] tot betaling aan [verweerder] van € 16.969,40 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het moment dat dit vonnis aan haar is betekend tot het moment dat het volledige bedrag is betaald,



4.9
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



4.10
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



4.11
wijst het meer of anders verzochte af,



in de zaak 12046952 \ UE VERZ 26-10





4.12
veroordeelt [verzoeker] tot betaling aan [verweerder] van € 4.165,43 aan gefixeerde schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 oktober 2025 tot het moment dat het volledige bedrag is betaald,



4.13
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 946,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



4.14
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



4.15
wijst het meer of anders gevorderde af,



in beide zaken





4.16
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.


VL/58599



Artikel 7:677 lid 1 BW.


Artikel 7:678 lid 1 BW.


Artikel 7:673 BW.


Zie HR 06-06-1997, NJ 1998, 128 (Van Bommel/Ruijgrok), waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat ontbinding geen terugwerkende kracht heeft, maar dat dit er niet aan in de weg staat dat ontbinding van de – in die zaak – huurovereenkomst de huurder kan bevrijden van zijn verplichting tot huurbetaling over een al afgelopen periode. De Hoge Raad verwijst naar artikel 6:271 BW, waarin is bepaald dat voor zover de verbintenissen al zijn nagekomen, de rechtsgrond voor deze nakoming in stand blijft, maar voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de al door hen ontvangen prestaties bestaat. Er is geen grond om aan te nemen dat dit anders zou zijn voor een al geëindigde arbeidsovereenkomst.


Zie artikel 6:265 BW:
1. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
2. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is.


Zie art. 6:272 lid 2 BW


Zie art. 7:629a BW.


Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.