Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6622
2026-09-16
Civiel recht
12138068 \ MC EXPL 26-1365
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Betaling premies. Gedaagde moet de hoofdsom met rente betalen. De buitengerectelijke incassokosten worden afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.971 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12138068 \ MC EXPL 26-1365
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: FBTO,
gemachtigde: Syncasso Amsterdam B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
FBTO heeft [gedaagde] op 24 februari 2026 gedagvaard voor de kantonrechter. Daarbij heeft FBTO een aantal producties meegestuurd. [gedaagde] heeft op de dagvaarding geantwoord. Daarna is nog een schriftelijke ronde geweest, waarbij FBTO op het antwoord van [gedaagde] heeft gereageerd (akte uitlaten) en [gedaagde] daarop weer heeft gereageerd (antwoordakte). Omdat [gedaagde] bij zijn antwoordakte producties heeft gevoegd, is FBTO nog in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op de producties van [gedaagde] . FBTO heeft bij akte gereageerd op de antwoordakte van [gedaagde] .
1.2
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.
2De kern van de zaak
2.1
[gedaagde] is verzekerd tegen ziektekosten bij FBTO. [gedaagde] heeft niet alle premies betaald. FBTO wil daarom dat [gedaagde] de niet betaalde premies alsnog betaalt, met rente en kosten. [gedaagde] is het daar niet mee eens. Volgens [gedaagde] heeft hij de gevorderde premies al betaald. De kantonrechter geeft FBTO grotendeels gelijk. [gedaagde] moet de premies, met rente, betalen. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.
3Het geschil
De hoofdsom
3.1
FBTO vordert betaling van de premie voor de basisverzekering van de maanden februari 2025 en november 2025 van in totaal € 312,50 (= 2 x € 156,25). Volgens FBTO heeft [gedaagde] die maanden niet betaald. [gedaagde] is het niet eens met de vordering van FBTO. Volgens [gedaagde] zijn de gevorderde premiemaanden al betaald. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt bankafschriften van 3 februari 2025 en 3 november 2025 overlegd, waarop de automatische incasso’s voor de premiemaanden februari 2025 en november 2025 zijn vermeld. Op zijn bankafrekening zijn geen storneringen of terugboekingen van de voornoemde bedragen te zien. Bovendien zijn de automatische incasso’s in de maanden na februari 2025 en november 2025 zonder onderbreking doorgegaan. Voor zover een automatische incasso was mislukt, had FBTO opnieuw kunnen incasseren of hem daarvan in kennis kunnen stellen. Dat is niet gebeurd, aldus [gedaagde] . De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer van [gedaagde] .
3.2
FBTO heeft gemotiveerd onderbouwd gesteld dat de automatische incasso’s van 3 februari 2025 en 3 november 2025 zijn gestorneerd op respectievelijk 11 februari 2025 en 11 december 2025. Dat de voornoemde betalingen zijn gestorneerd volgt uit de schermprints van de storneringen bij de betreffende betalingen die FBTO in haar akte uitlating heeft vermeld. Uit de schermprints volgt dat de betaalrun met nummer [nummer] ziet op de automatische incasso van 3 februari 2025 bij [gedaagde] voor de maand februari 2025. Dat nummer komt namelijk overeen met het nummer dat vermeld is bij ‘reference’ – [nummer] – dat op het bankafschrift van [gedaagde] is vermeld. Op de schermprints van FBTO is op te maken dat die automatische incasso met betaalrun/‘reference’ nummer [nummer] op 11 februari 2025 is gestorneerd (‘storno’). Hetzelfde geldt voor de schermprints voor de automatische incasso op 3 november 2025. Uit de schermprints volgt dat de betaalrun met nummer [nummer] ziet op de automatische incasso van 3 november 2025 bij [gedaagde] voor de maand november 2025. Dat nummer komt namelijk overeen met het nummer dat vermeld is bij ‘reference’ – [nummer] – dat op het bankafschrift van [gedaagde] is vermeld. Op de schermprint van FBTO is op te maken dat die automatische incasso met betaalrun/‘reference’ nummer [nummer] op 11 december 2025 is gestorneerd (‘storno’). De kantonrechter stelt vast dat FBTO voldoende heeft onderbouwd dat de premies voor de maanden februari 2025 en november 2025 niet door [gedaagde] zijn betaald. [gedaagde] is daarom gehouden de premies voor die maanden alsnog aan FBTO te betalen. De hoofdsom van € 312,50 wordt daarom toegewezen.
Ambtshalve toetsen algemene voorwaarden
3.3
Een zorgverzekeringsovereenkomst is een overeenkomst tussen een consument ( [gedaagde] ) en een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (FBTO). Bij zo’n overeenkomst moet de kantonrechter ambtshalve (uit zichzelf, ook zonder dat de gedaagde partij daar om vraagt) beoordelen of in de toepasselijke polisvoorwaarden bedingen zijn opgenomen die onredelijk bezwarend zijn voor de gedaagde partij, als bedoeld in artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De kantonrechter kan zich daarbij beperken tot die bedingen die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering. In deze procedure gaat het om de bedingen waarin iets is geregeld over rente en de vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.
De rente
3.4
In de toepasselijke polisvoorwaarden is niets geregeld over de vergoeding van rente. Vaststaat dat [gedaagde] de premies voor de maanden februari 2025 en november 2025 niet tijdig – bij vooruitbetaling – heeft voldaan. [gedaagde] is met de betaling daarvan in verzuim en moet daarom de rente betalen. [gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de berekening van de gevorderde rente, zodat de kantonrechter de gevorderde verschenen rente tot en met 24 februari 2026 van € 11,56 zal toewijzen.
3.5
FBTO heeft in het petitum de rente over de hoofdsom vanaf 20 februari 2026 tot de volledige betaling gevorderd. Die gevorderde rente wordt afgewezen, omdat de rente vanaf 20 februari 2026 tot en met 24 februari 2026 al is verdisconteerd in het gevorderde bedrag van € 11,56 aan verschuldigde rente. Immers, die is berekend, volgens de tekst van de dagvaarding, ‘tot en met vandaag’. De rente wordt in plaats daarvan toegewezen vanaf 25 februari 2026 tot de volledige betaling.
De bijkomende kosten
3.6
[gedaagde] stelt dat hij geen herinneringen, aanmaningen of andere correspondentie van FBTO heeft ontvangen. Als hij dat wel had ontvangen, dan had hij direct dit kunnen onderzoeken. De kantonrechter begrijpt dit verweer van [gedaagde] zo dat hij bezwaar maakt tegen de bijkomende kosten, waaronder de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Dit verweer van [gedaagde] slaagt en wel om het volgende.
3.7
Met toepassing van de zogenoemde ontvangsttheorie, zoals opgenomen in artikel 3:37 lid 3 BW, heeft een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring alleen werking wanneer vast staat dat die verklaring de betrokken persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt. Als de ontvangst van de verklaring wordt betwist, moet de afzender feiten en omstandigheden stellen – en zo nodig te bewijzen – waaruit volgt dat de verklaring door haar is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar kon worden bereikt én dat de verklaring is aangekomen.
3.8
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , had het op de weg van FBTO gelegen om haar standpunt – dat haar correspondentie (de betalingsherinneringen en/of sommaties), die FBTO en Syncasso per post en per-email hebben verzonden –, [gedaagde] wél heeft bereikt – op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft FBTO niet gedaan. Het enkel stellen dat haar correspondentie is verzonden naar het e-mailadres en/of woonadres van [gedaagde] is onvoldoende. Als FBTO (of Syncasso) er zeker van had willen zijn dat haar correspondentie [gedaagde] bereikt, had FBTO de brieven aangetekend per post / e-mail moeten versturen. Dit heeft FBTO echter nagelaten, ook nadat zij geen reactie van [gedaagde] had ontvangen.
3.9
Het voorgaande leidt er toe dat niet vast staat dat de correspondentie van FBTO en/of Syncasso [gedaagde] hebben bereikt.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.10
In de toepasselijke polisvoorwaarden is ook niets geregeld over de vergoeding van incassokosten. Om de gevorderde vergoeding te kunnen toewijzen moet de kantonrechter niet alleen toetsen wat daarover in de algemene voorwaarden is geregeld, maar ook of FBTO een aanmaning heeft gestuurd aan [gedaagde] , die voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 6:96 lid 5 en 6 BW. Zoals hiervoor is overwogen is niet vast komen te staan dat de correspondentie van FBTO en/of Syncasso, waaronder de veertiendagenbrieven, [gedaagde] heeft bereikt. Om die reden worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
De proceskosten
3.11
In het feit dat niet vast is komen te staan dat [gedaagde] de herinneringen en/of sommaties van FBTO en/of Syncasso heeft ontvangen, wordt aanleiding gezien de proceskosten tussen partijen te compenseren. Dat betekent dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.12
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd.
4De beslissing
De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO tegen bewijs van kwijting te betalen € 324,06, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 312,50 vanaf 25 februari 2026 tot de voldoening,
4.2
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
16 september 2026.
HHt/37278
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12138068 \ MC EXPL 26-1365
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: FBTO,
gemachtigde: Syncasso Amsterdam B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
FBTO heeft [gedaagde] op 24 februari 2026 gedagvaard voor de kantonrechter. Daarbij heeft FBTO een aantal producties meegestuurd. [gedaagde] heeft op de dagvaarding geantwoord. Daarna is nog een schriftelijke ronde geweest, waarbij FBTO op het antwoord van [gedaagde] heeft gereageerd (akte uitlaten) en [gedaagde] daarop weer heeft gereageerd (antwoordakte). Omdat [gedaagde] bij zijn antwoordakte producties heeft gevoegd, is FBTO nog in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op de producties van [gedaagde] . FBTO heeft bij akte gereageerd op de antwoordakte van [gedaagde] .
1.2
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.
2De kern van de zaak
2.1
[gedaagde] is verzekerd tegen ziektekosten bij FBTO. [gedaagde] heeft niet alle premies betaald. FBTO wil daarom dat [gedaagde] de niet betaalde premies alsnog betaalt, met rente en kosten. [gedaagde] is het daar niet mee eens. Volgens [gedaagde] heeft hij de gevorderde premies al betaald. De kantonrechter geeft FBTO grotendeels gelijk. [gedaagde] moet de premies, met rente, betalen. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.
3Het geschil
De hoofdsom
3.1
FBTO vordert betaling van de premie voor de basisverzekering van de maanden februari 2025 en november 2025 van in totaal € 312,50 (= 2 x € 156,25). Volgens FBTO heeft [gedaagde] die maanden niet betaald. [gedaagde] is het niet eens met de vordering van FBTO. Volgens [gedaagde] zijn de gevorderde premiemaanden al betaald. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt bankafschriften van 3 februari 2025 en 3 november 2025 overlegd, waarop de automatische incasso’s voor de premiemaanden februari 2025 en november 2025 zijn vermeld. Op zijn bankafrekening zijn geen storneringen of terugboekingen van de voornoemde bedragen te zien. Bovendien zijn de automatische incasso’s in de maanden na februari 2025 en november 2025 zonder onderbreking doorgegaan. Voor zover een automatische incasso was mislukt, had FBTO opnieuw kunnen incasseren of hem daarvan in kennis kunnen stellen. Dat is niet gebeurd, aldus [gedaagde] . De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer van [gedaagde] .
3.2
FBTO heeft gemotiveerd onderbouwd gesteld dat de automatische incasso’s van 3 februari 2025 en 3 november 2025 zijn gestorneerd op respectievelijk 11 februari 2025 en 11 december 2025. Dat de voornoemde betalingen zijn gestorneerd volgt uit de schermprints van de storneringen bij de betreffende betalingen die FBTO in haar akte uitlating heeft vermeld. Uit de schermprints volgt dat de betaalrun met nummer [nummer] ziet op de automatische incasso van 3 februari 2025 bij [gedaagde] voor de maand februari 2025. Dat nummer komt namelijk overeen met het nummer dat vermeld is bij ‘reference’ – [nummer] – dat op het bankafschrift van [gedaagde] is vermeld. Op de schermprints van FBTO is op te maken dat die automatische incasso met betaalrun/‘reference’ nummer [nummer] op 11 februari 2025 is gestorneerd (‘storno’). Hetzelfde geldt voor de schermprints voor de automatische incasso op 3 november 2025. Uit de schermprints volgt dat de betaalrun met nummer [nummer] ziet op de automatische incasso van 3 november 2025 bij [gedaagde] voor de maand november 2025. Dat nummer komt namelijk overeen met het nummer dat vermeld is bij ‘reference’ – [nummer] – dat op het bankafschrift van [gedaagde] is vermeld. Op de schermprint van FBTO is op te maken dat die automatische incasso met betaalrun/‘reference’ nummer [nummer] op 11 december 2025 is gestorneerd (‘storno’). De kantonrechter stelt vast dat FBTO voldoende heeft onderbouwd dat de premies voor de maanden februari 2025 en november 2025 niet door [gedaagde] zijn betaald. [gedaagde] is daarom gehouden de premies voor die maanden alsnog aan FBTO te betalen. De hoofdsom van € 312,50 wordt daarom toegewezen.
Ambtshalve toetsen algemene voorwaarden
3.3
Een zorgverzekeringsovereenkomst is een overeenkomst tussen een consument ( [gedaagde] ) en een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (FBTO). Bij zo’n overeenkomst moet de kantonrechter ambtshalve (uit zichzelf, ook zonder dat de gedaagde partij daar om vraagt) beoordelen of in de toepasselijke polisvoorwaarden bedingen zijn opgenomen die onredelijk bezwarend zijn voor de gedaagde partij, als bedoeld in artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De kantonrechter kan zich daarbij beperken tot die bedingen die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering. In deze procedure gaat het om de bedingen waarin iets is geregeld over rente en de vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.
De rente
3.4
In de toepasselijke polisvoorwaarden is niets geregeld over de vergoeding van rente. Vaststaat dat [gedaagde] de premies voor de maanden februari 2025 en november 2025 niet tijdig – bij vooruitbetaling – heeft voldaan. [gedaagde] is met de betaling daarvan in verzuim en moet daarom de rente betalen. [gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de berekening van de gevorderde rente, zodat de kantonrechter de gevorderde verschenen rente tot en met 24 februari 2026 van € 11,56 zal toewijzen.
3.5
FBTO heeft in het petitum de rente over de hoofdsom vanaf 20 februari 2026 tot de volledige betaling gevorderd. Die gevorderde rente wordt afgewezen, omdat de rente vanaf 20 februari 2026 tot en met 24 februari 2026 al is verdisconteerd in het gevorderde bedrag van € 11,56 aan verschuldigde rente. Immers, die is berekend, volgens de tekst van de dagvaarding, ‘tot en met vandaag’. De rente wordt in plaats daarvan toegewezen vanaf 25 februari 2026 tot de volledige betaling.
De bijkomende kosten
3.6
[gedaagde] stelt dat hij geen herinneringen, aanmaningen of andere correspondentie van FBTO heeft ontvangen. Als hij dat wel had ontvangen, dan had hij direct dit kunnen onderzoeken. De kantonrechter begrijpt dit verweer van [gedaagde] zo dat hij bezwaar maakt tegen de bijkomende kosten, waaronder de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Dit verweer van [gedaagde] slaagt en wel om het volgende.
3.7
Met toepassing van de zogenoemde ontvangsttheorie, zoals opgenomen in artikel 3:37 lid 3 BW, heeft een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring alleen werking wanneer vast staat dat die verklaring de betrokken persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt. Als de ontvangst van de verklaring wordt betwist, moet de afzender feiten en omstandigheden stellen – en zo nodig te bewijzen – waaruit volgt dat de verklaring door haar is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar kon worden bereikt én dat de verklaring is aangekomen.
3.8
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , had het op de weg van FBTO gelegen om haar standpunt – dat haar correspondentie (de betalingsherinneringen en/of sommaties), die FBTO en Syncasso per post en per-email hebben verzonden –, [gedaagde] wél heeft bereikt – op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft FBTO niet gedaan. Het enkel stellen dat haar correspondentie is verzonden naar het e-mailadres en/of woonadres van [gedaagde] is onvoldoende. Als FBTO (of Syncasso) er zeker van had willen zijn dat haar correspondentie [gedaagde] bereikt, had FBTO de brieven aangetekend per post / e-mail moeten versturen. Dit heeft FBTO echter nagelaten, ook nadat zij geen reactie van [gedaagde] had ontvangen.
3.9
Het voorgaande leidt er toe dat niet vast staat dat de correspondentie van FBTO en/of Syncasso [gedaagde] hebben bereikt.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.10
In de toepasselijke polisvoorwaarden is ook niets geregeld over de vergoeding van incassokosten. Om de gevorderde vergoeding te kunnen toewijzen moet de kantonrechter niet alleen toetsen wat daarover in de algemene voorwaarden is geregeld, maar ook of FBTO een aanmaning heeft gestuurd aan [gedaagde] , die voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 6:96 lid 5 en 6 BW. Zoals hiervoor is overwogen is niet vast komen te staan dat de correspondentie van FBTO en/of Syncasso, waaronder de veertiendagenbrieven, [gedaagde] heeft bereikt. Om die reden worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
De proceskosten
3.11
In het feit dat niet vast is komen te staan dat [gedaagde] de herinneringen en/of sommaties van FBTO en/of Syncasso heeft ontvangen, wordt aanleiding gezien de proceskosten tussen partijen te compenseren. Dat betekent dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.12
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd.
4De beslissing
De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO tegen bewijs van kwijting te betalen € 324,06, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 312,50 vanaf 25 februari 2026 tot de voldoening,
4.2
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
16 september 2026.
HHt/37278