Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6612
2026-09-16
Civiel recht; Arbeidsrecht
12302489 \ AE VERZ 26-40
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Werkgever ontkent ziekte werknemer, maar heeft geen bedrijfsarts ingeschakeld. Vergoedingen na einde arbeidsovereenkomst toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.044 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer / rekestnummer: 12302489 \ AE VERZ 26-40
Beschikking van 16 september 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. M.J. Roest Crollius,
tegen
[verweerder]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend bij haar bestuurder [A] .
1De procedure
1.1
[verzoeker] heeft op 3 juli 2026 een verzoekschrift met producties ingediend en dat verzoekschrift op 21 juli 2026 aan [verweerder] laten betekenen. De mondelinge behandeling vond plaats op 19 augustus 2026 in het gebouw van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting. [verzoeker] is samen met mr. Roest Crollius verschenen. Kort voordat de zitting begon, heeft [A] , contact opgenomen met de griffie van de rechtbank. De kantonrechter heeft zijn verzoek om telefonisch verweer te mogen voeren tijden de zitting toegewezen. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat een beschikking zal worden gegeven.
2De kern van de zaak
2.1
[verzoeker] is via een proefplaatsing van de gemeente op 1 december 2025 voor zes maanden en één dag bij [verweerder] in dienst getreden als leerling monteur / bouwassistent. Op 8 februari 2026 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld en tot het einde van zijn dienstverband op 2 juni 2026 heeft hij niet meer gewerkt. [verzoeker] wil dat [verweerder] hem een transitievergoeding, een aanzegvergoeding, achterstallig loon, vakantiebijslag, openstaande vakantie-uren, en wettelijke verhoging over die bedragen uitbetaald, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast wil [verzoeker] dat [verweerder] hem loonspecificaties en een eindafrekening verstrekt. [verweerder] zegt dat [verzoeker] niet ziek was en zij hem daarom geen of minder loon hoefde te betalen, maar erkent dat zij geen bedrijfsarts heeft ingeschakeld. De verzoeken van [verzoeker] worden toegewezen.
3De beoordeling
[verweerder] kon de loonuitbetalingen niet (gedeeltelijk) stopzetten
3.1
[verzoeker] zegt dat hij recht heeft op een bedrag van € 8.606,72 bruto aan loon voor de maanden januari tot en met 1 juni 2026, maar dat [verweerder] hem maar € 4.415,35 netto heeft uitbetaald. [verzoeker] wil daarom dat [verweerder] hem ook de rest van het loon betaalt. [verweerder] weigert dat, omdat [verzoeker] volgens haar niet ziek was en zij hem dus geen loon hoefde te betalen voor de periode waarin hij niet is komen werken. Een werkgever moet het loon van een werknemer (gedeeltelijk) doorbetalen als hij zich ziekmeldt. Het is vervolgens niet aan de werkgever om te beoordelen of een werknemer daadwerkelijk ziek is en niet kan werken. Dat mag alleen een bedrijfsarts doen. [verweerder] zegt dat zij niet wist dat zij een bedrijfsarts moest inschakelen en zelf heeft bepaald dat zij [verzoeker] geen of minder loon hoefde te betalen. [verweerder] heeft [verzoeker] dus zonder een advies van de bedrijfsarts, re-integratieafspraken of een waarschuwing een (gedeeltelijke) loonstop opgelegd. Dat mocht zij niet doen.
3.2
Normaal gesproken moet een werknemer een deskundigenverklaring van het UWV overleggen als hij een loonvordering instelt die (deels) gaat over loondoorbetaling bij ziekte. Maar in dit geval kan in redelijkheid niet van [verzoeker] worden verwacht dat hij zo een verklaring overlegt. Voorafgaand aan de procedure heeft [verweerder] aan (de gemachtigde van) [verzoeker] aangegeven dat er geen onwil was om het loon te betalen en zelf per Whatsapp een betalingsregeling voorgesteld. [verzoeker] had dus geen reden om te verwachten dat [verweerder] in deze procedure zou betwisten dat hij ziek was. Van [verzoeker] kan daarom niet worden gevraagd om nu alsnog een deskundigenverklaring aan te gaan vragen, terwijl [verweerder] hem op het verkeerde been heeft gezet en er geen onderzoek door de bedrijfsarts heeft plaatsgevonden.
3.3
[verweerder] moet dus ook loon betalen voor de periode waarin [verzoeker] zich ziek heeft gemeld. Daarnaast heeft [verzoeker] in het verzoekschrift uitgelegd dat hij op grond van de toepasselijke cao voor het gehele dienstverband een hoger brutoloon had moeten ontvangen dan [verweerder] heeft berekend. [verweerder] heeft die uitleg van [verzoeker] en de bedragen die [verzoeker] in zijn verzoek heeft genoemd, niet weersproken. Het verzoek tot loonbetaling wordt daarom toegewezen zoals verzocht. De wettelijke rente over dat bedrag wordt toegewezen vanaf de opeisbaarheid van de onderliggende loonbetalingen.
[verweerder] moet [verzoeker] een transitievergoeding van € 308,69 bruto betalen
3.4
[verzoeker] wil dat [verweerder] hem een transitievergoeding van € 308,69 bruto betaalt. [verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding, omdat [verweerder] zijn arbeidsovereenkomst niet heeft verlengd. [verweerder] heeft verder geen verweer gevoerd tegen dat verzoek. Het verzoek wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 2 juli 2026.
[verweerder] moet [verzoeker] een aanzegvergoeding van € 1.485,52 bruto betalen
3.5
[verzoeker] wil dat [verweerder] hem een aanzegvergoeding van € 1.485,52 bruto betaalt. [verzoeker] heeft recht op een aanzegvergoeding, omdat [verweerder] uiterlijk een maand voor het eind van zijn arbeidsovereenkomst had moeten laten weten dat zij die niet zou gaan verlengen. Dat heeft [verweerder] niet gedaan. [verweerder] heeft verder geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verzoek wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de aanzegvergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop [verweerder] verplicht was om aan te zeggen, dus vanaf 2 juni 2026.
[verweerder] moet [verzoeker] € 816,33 bruto aan vakantiebijslag betalen
3.6
[verzoeker] wil dat [verweerder] hem € 816,33 bruto aan vakantiebijslag betaald, namelijk 8% over het totale brutoloon van € 10.204,16 dat [verzoeker] tijdens zijn dienstverband uitbetaald had moeten krijgen. Uit de wet volgt dat [verzoeker] recht heeft op minimaal 8% vakantiebijslag over zijn brutoloon. [verweerder] heeft verder geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verzoek wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de vakantiebijslag wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 2 juli 2026.
[verweerder] moet [verzoeker] € 1.186,57 bruto voor niet genoten vakantie-uren betalen
3.7
[verzoeker] wil dat [verweerder] hem € 1.186,57 bruto betaald, omdat hij 67 vakantie-uren niet heeft opgenomen en de loonwaarde van die uren € 17,71 bruto per stuk bedraagt. [verweerder] is verplicht om niet genoten vakantie-uren uit te betalen bij het einde van het dienstverband. [verweerder] heeft verder geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verzoek wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de loonwaarde van de niet genoten vakantie-uren wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 2 juli 2026.
[verweerder] moet [verzoeker] loonspecificaties en een eindafrekening verstrekken
3.8
[verzoeker] zegt dat [verweerder] hem onjuiste loonspecificaties heeft verstrekt voor de maanden december 2025 en januari 2026. Voor de overige maanden zegt [verzoeker] dat hij geen loonspecificaties heeft gehad en hij ook geen eindafrekening heeft ontvangen. [verzoeker] wil dat [verweerder] hem correcte loonspecificaties en een eindafrekening verstrekt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag. [verweerder] is verplicht om [verzoeker] correcte loonspecificaties en een eindafrekening te verstrekken. Zij heeft verder geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verzoek wordt daarom toegewezen. Ook de verzochte dwangsom wordt opgelegd, maar die wordt wel gemaximeerd tot € 1.000,00.
[verweerder] moet [verzoeker] wettelijke verhoging betalen
3.9
[verzoeker] wil dat [verweerder] hem wettelijke verhoging betaalt. Tijdens de zitting heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] uitgelegd dat er een fout in het verzoekschrift staat bij het verzoek om wettelijke verhoging, omdat de nummering daarin niet klopt. De kantonrechter oordeelt dat het gaat om een kennelijke verschrijving en dat duidelijk is dat [verzoeker] heeft bedoeld om wettelijke verhoging te verzoeken over het achterstallige loon, de vakantiebijslag, en de loonwaarde van de niet genoten vakantie-uren. Een werknemer heeft recht op de wettelijke verhoging als het aan de werkgever kan worden toegerekend dat (een deel van) zijn loon te laat wordt betaald. Aangezien de genoemde loonbedragen te laat zijn uitbetaald, heeft [verzoeker] recht op de maximale wettelijke verhoging daarover van 50%. [verweerder] heeft verder geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verzoek wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen vanaf de datum van de indiening van het verzoekschrift, dus vanaf 3 juli 2026.
De verzochte vergoeding van de eigen bijdrage wordt afgewezen
3.10
[verzoeker] wil dat [verweerder] hem € 188,00 betaalt, omdat hij rechtsbijstand heeft moeten inschakelen en daarvoor € 188,00 aan eigen bijdrage heeft moeten betalen. Dat verzoek wordt afgewezen. De eigen bijdrage die iemand moet betalen als hij een toevoeging krijgt toegekend, is onderdeel van de salariskosten voor de advocaat die met de toevoeging wordt ingeschakeld. De vraag of die kosten (gedeeltelijk) door de wederpartij moeten worden vergoed, wordt beoordeeld bij de proceskostenveroordeling. Er is daarom geen ruimte voor een aparte vergoeding van de eigen bijdrage. Ook kan de eigen bijdrage om die reden niet als (onderdeel van) de gemaakte buitenrechtelijke incassokosten worden gezien.
[verweerder] moet de proceskosten van [verzoeker] betalen
3.11
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat zij ongelijk krijgt in deze procedure. Dat betekent dat zij de proceskosten van [verzoeker] moet betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen als vermeld in de beslissing.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.12
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als [verweerder] nog in hoger beroep kan gaan of al is gegaan.
4Beslissing
De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen:
een bedrag van € 8.606,72 bruto, verminderd met € 4.415,35 netto aan loon voor de maanden januari tot en met 1 juni 2026, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de onderliggende loonbetalingen, tot aan de dag der algehele voldoening,
een bedrag van € 308,69 bruto aan transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2026, tot aan de dag der algehele voldoening,
een bedrag van € 1.485,52 bruto aan aanzegvergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2026, tot aan de dag der algehele voldoening,
een bedrag van € 816,33 bruto aan vakantiebijslag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2026, tot aan de dag der algehele voldoening,
een bedrag van € 1.186,57 bruto aan niet genoten vakantie-uren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2026, tot aan de dag der algehele voldoening,
de (maximale) wettelijke verhoging over het achterstallige loon, de vakantiebijslag en de loonwaarde van de niet genoten vakantie-uren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2026, tot aan de dag der algehele voldoening,
4.2
veroordeelt [verweerder] om [verzoeker] deugdelijke bruto- en netto-specificaties te verstrekken voor het loon over de maanden december 2025 tot en met juni 2026 en alle andere hiervoor genoemde bedragen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [verweerder] niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 1.000,00,
4.3
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 814,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met:
de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
Artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 14 Arbeidsomstandighedenwet.
Artikel 7:629a lid 1 BW.
Artikel 7:629a lid 2 BW.
Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:2007:BA5315.
Artikel 7:673 lid 1 sub a onder 3 BW.
Artikel 7:668 lid 3 BW.
Artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Artikel 7:641 BW.
Artikel 7:626 BW.
Artikel 7:625 BW.
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer / rekestnummer: 12302489 \ AE VERZ 26-40
Beschikking van 16 september 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. M.J. Roest Crollius,
tegen
[verweerder]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend bij haar bestuurder [A] .
1De procedure
1.1
[verzoeker] heeft op 3 juli 2026 een verzoekschrift met producties ingediend en dat verzoekschrift op 21 juli 2026 aan [verweerder] laten betekenen. De mondelinge behandeling vond plaats op 19 augustus 2026 in het gebouw van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting. [verzoeker] is samen met mr. Roest Crollius verschenen. Kort voordat de zitting begon, heeft [A] , contact opgenomen met de griffie van de rechtbank. De kantonrechter heeft zijn verzoek om telefonisch verweer te mogen voeren tijden de zitting toegewezen. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat een beschikking zal worden gegeven.
2De kern van de zaak
2.1
[verzoeker] is via een proefplaatsing van de gemeente op 1 december 2025 voor zes maanden en één dag bij [verweerder] in dienst getreden als leerling monteur / bouwassistent. Op 8 februari 2026 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld en tot het einde van zijn dienstverband op 2 juni 2026 heeft hij niet meer gewerkt. [verzoeker] wil dat [verweerder] hem een transitievergoeding, een aanzegvergoeding, achterstallig loon, vakantiebijslag, openstaande vakantie-uren, en wettelijke verhoging over die bedragen uitbetaald, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast wil [verzoeker] dat [verweerder] hem loonspecificaties en een eindafrekening verstrekt. [verweerder] zegt dat [verzoeker] niet ziek was en zij hem daarom geen of minder loon hoefde te betalen, maar erkent dat zij geen bedrijfsarts heeft ingeschakeld. De verzoeken van [verzoeker] worden toegewezen.
3De beoordeling
[verweerder] kon de loonuitbetalingen niet (gedeeltelijk) stopzetten
3.1
[verzoeker] zegt dat hij recht heeft op een bedrag van € 8.606,72 bruto aan loon voor de maanden januari tot en met 1 juni 2026, maar dat [verweerder] hem maar € 4.415,35 netto heeft uitbetaald. [verzoeker] wil daarom dat [verweerder] hem ook de rest van het loon betaalt. [verweerder] weigert dat, omdat [verzoeker] volgens haar niet ziek was en zij hem dus geen loon hoefde te betalen voor de periode waarin hij niet is komen werken. Een werkgever moet het loon van een werknemer (gedeeltelijk) doorbetalen als hij zich ziekmeldt. Het is vervolgens niet aan de werkgever om te beoordelen of een werknemer daadwerkelijk ziek is en niet kan werken. Dat mag alleen een bedrijfsarts doen. [verweerder] zegt dat zij niet wist dat zij een bedrijfsarts moest inschakelen en zelf heeft bepaald dat zij [verzoeker] geen of minder loon hoefde te betalen. [verweerder] heeft [verzoeker] dus zonder een advies van de bedrijfsarts, re-integratieafspraken of een waarschuwing een (gedeeltelijke) loonstop opgelegd. Dat mocht zij niet doen.
3.2
Normaal gesproken moet een werknemer een deskundigenverklaring van het UWV overleggen als hij een loonvordering instelt die (deels) gaat over loondoorbetaling bij ziekte. Maar in dit geval kan in redelijkheid niet van [verzoeker] worden verwacht dat hij zo een verklaring overlegt. Voorafgaand aan de procedure heeft [verweerder] aan (de gemachtigde van) [verzoeker] aangegeven dat er geen onwil was om het loon te betalen en zelf per Whatsapp een betalingsregeling voorgesteld. [verzoeker] had dus geen reden om te verwachten dat [verweerder] in deze procedure zou betwisten dat hij ziek was. Van [verzoeker] kan daarom niet worden gevraagd om nu alsnog een deskundigenverklaring aan te gaan vragen, terwijl [verweerder] hem op het verkeerde been heeft gezet en er geen onderzoek door de bedrijfsarts heeft plaatsgevonden.
3.3
[verweerder] moet dus ook loon betalen voor de periode waarin [verzoeker] zich ziek heeft gemeld. Daarnaast heeft [verzoeker] in het verzoekschrift uitgelegd dat hij op grond van de toepasselijke cao voor het gehele dienstverband een hoger brutoloon had moeten ontvangen dan [verweerder] heeft berekend. [verweerder] heeft die uitleg van [verzoeker] en de bedragen die [verzoeker] in zijn verzoek heeft genoemd, niet weersproken. Het verzoek tot loonbetaling wordt daarom toegewezen zoals verzocht. De wettelijke rente over dat bedrag wordt toegewezen vanaf de opeisbaarheid van de onderliggende loonbetalingen.
[verweerder] moet [verzoeker] een transitievergoeding van € 308,69 bruto betalen
3.4
[verzoeker] wil dat [verweerder] hem een transitievergoeding van € 308,69 bruto betaalt. [verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding, omdat [verweerder] zijn arbeidsovereenkomst niet heeft verlengd. [verweerder] heeft verder geen verweer gevoerd tegen dat verzoek. Het verzoek wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 2 juli 2026.
[verweerder] moet [verzoeker] een aanzegvergoeding van € 1.485,52 bruto betalen
3.5
[verzoeker] wil dat [verweerder] hem een aanzegvergoeding van € 1.485,52 bruto betaalt. [verzoeker] heeft recht op een aanzegvergoeding, omdat [verweerder] uiterlijk een maand voor het eind van zijn arbeidsovereenkomst had moeten laten weten dat zij die niet zou gaan verlengen. Dat heeft [verweerder] niet gedaan. [verweerder] heeft verder geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verzoek wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de aanzegvergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop [verweerder] verplicht was om aan te zeggen, dus vanaf 2 juni 2026.
[verweerder] moet [verzoeker] € 816,33 bruto aan vakantiebijslag betalen
3.6
[verzoeker] wil dat [verweerder] hem € 816,33 bruto aan vakantiebijslag betaald, namelijk 8% over het totale brutoloon van € 10.204,16 dat [verzoeker] tijdens zijn dienstverband uitbetaald had moeten krijgen. Uit de wet volgt dat [verzoeker] recht heeft op minimaal 8% vakantiebijslag over zijn brutoloon. [verweerder] heeft verder geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verzoek wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de vakantiebijslag wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 2 juli 2026.
[verweerder] moet [verzoeker] € 1.186,57 bruto voor niet genoten vakantie-uren betalen
3.7
[verzoeker] wil dat [verweerder] hem € 1.186,57 bruto betaald, omdat hij 67 vakantie-uren niet heeft opgenomen en de loonwaarde van die uren € 17,71 bruto per stuk bedraagt. [verweerder] is verplicht om niet genoten vakantie-uren uit te betalen bij het einde van het dienstverband. [verweerder] heeft verder geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verzoek wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de loonwaarde van de niet genoten vakantie-uren wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 2 juli 2026.
[verweerder] moet [verzoeker] loonspecificaties en een eindafrekening verstrekken
3.8
[verzoeker] zegt dat [verweerder] hem onjuiste loonspecificaties heeft verstrekt voor de maanden december 2025 en januari 2026. Voor de overige maanden zegt [verzoeker] dat hij geen loonspecificaties heeft gehad en hij ook geen eindafrekening heeft ontvangen. [verzoeker] wil dat [verweerder] hem correcte loonspecificaties en een eindafrekening verstrekt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag. [verweerder] is verplicht om [verzoeker] correcte loonspecificaties en een eindafrekening te verstrekken. Zij heeft verder geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verzoek wordt daarom toegewezen. Ook de verzochte dwangsom wordt opgelegd, maar die wordt wel gemaximeerd tot € 1.000,00.
[verweerder] moet [verzoeker] wettelijke verhoging betalen
3.9
[verzoeker] wil dat [verweerder] hem wettelijke verhoging betaalt. Tijdens de zitting heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] uitgelegd dat er een fout in het verzoekschrift staat bij het verzoek om wettelijke verhoging, omdat de nummering daarin niet klopt. De kantonrechter oordeelt dat het gaat om een kennelijke verschrijving en dat duidelijk is dat [verzoeker] heeft bedoeld om wettelijke verhoging te verzoeken over het achterstallige loon, de vakantiebijslag, en de loonwaarde van de niet genoten vakantie-uren. Een werknemer heeft recht op de wettelijke verhoging als het aan de werkgever kan worden toegerekend dat (een deel van) zijn loon te laat wordt betaald. Aangezien de genoemde loonbedragen te laat zijn uitbetaald, heeft [verzoeker] recht op de maximale wettelijke verhoging daarover van 50%. [verweerder] heeft verder geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verzoek wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen vanaf de datum van de indiening van het verzoekschrift, dus vanaf 3 juli 2026.
De verzochte vergoeding van de eigen bijdrage wordt afgewezen
3.10
[verzoeker] wil dat [verweerder] hem € 188,00 betaalt, omdat hij rechtsbijstand heeft moeten inschakelen en daarvoor € 188,00 aan eigen bijdrage heeft moeten betalen. Dat verzoek wordt afgewezen. De eigen bijdrage die iemand moet betalen als hij een toevoeging krijgt toegekend, is onderdeel van de salariskosten voor de advocaat die met de toevoeging wordt ingeschakeld. De vraag of die kosten (gedeeltelijk) door de wederpartij moeten worden vergoed, wordt beoordeeld bij de proceskostenveroordeling. Er is daarom geen ruimte voor een aparte vergoeding van de eigen bijdrage. Ook kan de eigen bijdrage om die reden niet als (onderdeel van) de gemaakte buitenrechtelijke incassokosten worden gezien.
[verweerder] moet de proceskosten van [verzoeker] betalen
3.11
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat zij ongelijk krijgt in deze procedure. Dat betekent dat zij de proceskosten van [verzoeker] moet betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen als vermeld in de beslissing.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.12
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als [verweerder] nog in hoger beroep kan gaan of al is gegaan.
4Beslissing
De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen:
een bedrag van € 8.606,72 bruto, verminderd met € 4.415,35 netto aan loon voor de maanden januari tot en met 1 juni 2026, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de onderliggende loonbetalingen, tot aan de dag der algehele voldoening,
een bedrag van € 308,69 bruto aan transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2026, tot aan de dag der algehele voldoening,
een bedrag van € 1.485,52 bruto aan aanzegvergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2026, tot aan de dag der algehele voldoening,
een bedrag van € 816,33 bruto aan vakantiebijslag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2026, tot aan de dag der algehele voldoening,
een bedrag van € 1.186,57 bruto aan niet genoten vakantie-uren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2026, tot aan de dag der algehele voldoening,
de (maximale) wettelijke verhoging over het achterstallige loon, de vakantiebijslag en de loonwaarde van de niet genoten vakantie-uren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2026, tot aan de dag der algehele voldoening,
4.2
veroordeelt [verweerder] om [verzoeker] deugdelijke bruto- en netto-specificaties te verstrekken voor het loon over de maanden december 2025 tot en met juni 2026 en alle andere hiervoor genoemde bedragen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [verweerder] niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 1.000,00,
4.3
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 814,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met:
de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
Artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 14 Arbeidsomstandighedenwet.
Artikel 7:629a lid 1 BW.
Artikel 7:629a lid 2 BW.
Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:2007:BA5315.
Artikel 7:673 lid 1 sub a onder 3 BW.
Artikel 7:668 lid 3 BW.
Artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Artikel 7:641 BW.
Artikel 7:626 BW.
Artikel 7:625 BW.