Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6502
2026-09-01
Bestuursrecht
UTR 25/4658
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Het CBR heeft een Educatieve Maatregel Gedrag (EMG) aan eiser opgelegd. Eiser vindt dat het CBR niet kan uitgaan van het proces-verbaal van de politie en dat geen sprake was van een gevaar voor de verkeersveiligheid. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de EMG in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond.
Citeert (9)
- ECLI:NL:RVS:2024:4148 Raad van State 16-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2017:2330 Raad van State 30-08-2017
- ECLI:NL:RBMNE:2020:4305 Rechtbank Midden-Nederland 07-10-2020
- ECLI:NL:RVS:2021:2851 Raad van State 15-12-2021
- ECLI:NL:RVS:2017:3010 Raad van State 08-11-2017
- ECLI:NL:RVS:2017:2330 Raad van State 30-08-2017
- ECLI:NL:RVS:2022:1552 Raad van State 01-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2017:2330 Raad van State 30-08-2017
- ECLI:NL:RVS:2021:1877 Raad van State 01-09-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.469 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4658
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: R.V. Lie-A-Lien),
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het CBR aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) mocht opleggen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR aan eiser een EMG mocht opleggen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het CBR heeft met het besluit van 11 april 2025 een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) aan eiser opgelegd. Met het bestreden besluit van 1 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. De rechter bij deze zitting was mr. A.M. den Dulk. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.
6. De rechtbank heeft partijen na de zitting bericht dat mr. A.M. den Dulk niet in de gelegenheid is om uitspraak te doen en het beroep zal worden behandeld door mr. M. van der Knijff. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om opnieuw op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
7. Het CBR heeft een EMG aan eiser opgelegd, omdat de politie een schriftelijke mededeling aan het CBR heeft gedaan van het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid vereist voor het besturen van een auto. De politie heeft op 6 april 2025 namelijk de volgende gedragingen geconstateerd terwijl eiser zijn auto bestuurde:
U reed in het midden van twee rijstroken;
U vertoonde slingerend rijgedrag;
U overschreed een doorgetrokken streep.
U gaf meerdere keren geen richting aan;
U remde meermaals kort en onnodig.
Mocht het CBR uitgaan van de juistheid van het mutatierapport?
8. Eiser vindt dat het CBR niet kon uitgaan van de juistheid van het mutatierapport van de politie. Het mutatierapport is volgens eiser niet compleet, omdat de politie daarin geen waarnemingen heeft opgenomen over de wegafsluiting, de precieze locatie (nummers van de hectometerpaaltjes) van de gedragingen en de snelheid waarmee eiser reed. De wegafsluiting is namelijk de reden voor de verschillende gedragingen die de politie heeft waargenomen.
9. Het CBR mag uitgaan van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal of mutatierapport, tenzij eiser tegenbewijs levert waaruit blijkt dat niet van de juistheid van het proces-verbaal of mutatierapport kan worden uitgegaan. Dat volgens eiser het mutatierapport geen constateringen bevat van de gestelde wegafsluiting, de precieze locatie van de gedragingen en de snelheid waarmee eiser reed betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het CBR daarom niet mocht uitgaan van de juistheid daarvan. Ongeacht die informatie bevat het mutatierapport namelijk voldoende feitelijke waarnemingen waar het CBR zijn besluit op kon baseren. De stellingen van eiser doen daarmee niet af aan de geconstateerde gedragingen.
Is sprake van meerdere gedragingen?
10. Eiser erkent dat sprake is van diverse gedragingen, maar stelt dat daaraan één beslismoment ten grondslag lag dat veroorzaakt werd door een plotselinge wegafsluiting. Eiser wijst op een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 oktober 2020. Volgens eiser is sprake van een eenmalige, verklaarbare verkeersfout. Het CBR had daarom geen EMG aan eiser mogen opleggen. Eiser wijst op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 december 2021.
11. De rechtbank overweegt dat uit artikel 14, eerste lid, onder a van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) volgt dat het CBR een EMG oplegt als de betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht zoals genoemd in de bij de Regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III.
12. De rechtbank stelt voorop dat uit het bovenstaande blijkt dat sprake moet zijn van herhaaldelijk gedragingen verrichten zoals die zijn genoemd in de bijlage bij de Regeling. De rechtbank ziet hierin geen grondslag voor het oordeel dat het CBR pas een EMG mag opleggen als sprake is van meerdere beslismomenten die ten grondslag liggen aan die gedragingen.
13. Hoe dan ook is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is geweest van één beslismoment dat het gevolg is geweest van een plotselinge wegafsluiting. Uit de toelichting van eiser op de zitting volgt dat de wegafsluiting waar hij over heeft verklaard zich niet voordeed op de plek waar de politie de gedragingen die zijn vastgelegd in het mutatierapport heeft geconstateerd, maar dat hij die wegafsluiting al eerder was tegengekomen en daarom nu een andere route reed dan hij had gepland. Ook heeft het CBR nadere informatie opgevraagd bij de politie. De politie heeft aan het CBR bevestigd dat op het moment dat eiser hen opviel vanwege zijn rijgedrag geen sprake was van wegwerkzaamheden. Dat sprake zou zijn geweest van één beslismoment als het gevolg van een plotselinge wegafsluiting kan de rechtbank dan ook niet volgen. Bovendien heeft de politie verschillende gedragingen geconstateerd die zich niet op hetzelfde moment kunnen hebben voorgedaan: in het midden van twee rijstroken rijden, slingerend rijgedrag vertonen, een doorgetrokken streep overschrijden, meerdere keren geen richting aangeven en meermaals kort en onnodig remmen. Het CBR heeft dan ook aan eiser een EMG kunnen opleggen omdat sprake is geweest van herhaaldelijk gedragingen verrichten zoals bedoeld in bijlage 1, onder A, onderdeel III van de Regeling. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021 verandert het oordeel van de rechtbank niet, omdat de omstandigheden van dat geval en met name het geconstateerde rijgedrag anders zijn dan in dit geval.
Kon het CBR een EMG opleggen gelet op het gevaar voor de verkeersveiligheid?
14. Eiser vindt dat uit het mutatierapport van de politie niet blijkt dat andere verkeersdeelnemers in zijn directe nabijheid reden. Van een gevaar voor andere verkeersdeelnemers of incorrect samenspel is daarom geen sprake. Eiser wijst daarvoor op twee uitspraken van de Afdeling van 8 november 2017 en 30 augustus 2017. Verder vindt eiser dat de politie in het mutatierapport niet heeft onderbouwd waarom er geen noodzaak was om kort te remmen. Volgens eiser is sprake van een eenmalige, verklaarbare verkeersfout. Een enkele overtreding zonder context van verkeersonveilig, gevaarlijk en respectloos weggedrag rechtvaardigt volgens eiser een EMG niet. Ook het niet aangeven van richting en in het midden rijden van twee rijstroken is onvoldoende om een EMG op te leggen. Eiser wijst daarvoor op een uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2022.
15. De rechtbank is van oordeel dat het CBR het meermaals kort en onnodig remmen, het niet aangeven van richting en het in het midden van twee rijstroken rijden wel ten grondslag heeft kunnen leggen aan het opleggen van een EMG. Dat in het mutatierapport van de politie niet is opgenomen of er naast eiser en de verbalisanten nog andere verkeersdeelnemers waren ten tijde van het onnodig remmen maakt niet dat het CBR zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is geweest van onnodig remmen en stoppen, wat in de Regeling wordt benoemd als een gedraging die valt onder incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers. Bovendien is het niet van belang of de gedragingen daadwerkelijk de verkeersveiligheid in gevaar hebben gebracht. Vast moet komen te staan of eiser gedragingen heeft verricht zoals genoemd in bijlage 1, onder a, onderdeel III van de Regeling. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2022 wat betreft het niet aangeven van richting en in het midden van twee rijstroken rijden verandert het oordeel van de rechtbank niet. Dit omdat de politie in die zaak had erkend niet de juiste inschatting van het rijgedrag te hebben gemaakt. Dat is in het geval van eiser niet zo. De politie heeft namelijk op 18 november 2025 aan het CBR bevestigd het mutatierapport en de daarin gemaakte inschatting van het rijgedrag te handhaven.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het opleggen van de EMG in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4148, overweging 3.1 en van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2330, overweging 4.2.
Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:4305.
Uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2851.
Uitspraken van de Afdeling van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3010, overweging 4.1 en van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2330 overweging 4.2.
Uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1552.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2330, overweging 4.2.
Uitspraak van de Afdeling van 1 september 2021 ECLI:NL:RVS:2021:1877, overweging 7.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4658
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: R.V. Lie-A-Lien),
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het CBR aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) mocht opleggen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR aan eiser een EMG mocht opleggen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het CBR heeft met het besluit van 11 april 2025 een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) aan eiser opgelegd. Met het bestreden besluit van 1 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. De rechter bij deze zitting was mr. A.M. den Dulk. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.
6. De rechtbank heeft partijen na de zitting bericht dat mr. A.M. den Dulk niet in de gelegenheid is om uitspraak te doen en het beroep zal worden behandeld door mr. M. van der Knijff. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om opnieuw op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
7. Het CBR heeft een EMG aan eiser opgelegd, omdat de politie een schriftelijke mededeling aan het CBR heeft gedaan van het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid vereist voor het besturen van een auto. De politie heeft op 6 april 2025 namelijk de volgende gedragingen geconstateerd terwijl eiser zijn auto bestuurde:
U reed in het midden van twee rijstroken;
U vertoonde slingerend rijgedrag;
U overschreed een doorgetrokken streep.
U gaf meerdere keren geen richting aan;
U remde meermaals kort en onnodig.
Mocht het CBR uitgaan van de juistheid van het mutatierapport?
8. Eiser vindt dat het CBR niet kon uitgaan van de juistheid van het mutatierapport van de politie. Het mutatierapport is volgens eiser niet compleet, omdat de politie daarin geen waarnemingen heeft opgenomen over de wegafsluiting, de precieze locatie (nummers van de hectometerpaaltjes) van de gedragingen en de snelheid waarmee eiser reed. De wegafsluiting is namelijk de reden voor de verschillende gedragingen die de politie heeft waargenomen.
9. Het CBR mag uitgaan van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal of mutatierapport, tenzij eiser tegenbewijs levert waaruit blijkt dat niet van de juistheid van het proces-verbaal of mutatierapport kan worden uitgegaan. Dat volgens eiser het mutatierapport geen constateringen bevat van de gestelde wegafsluiting, de precieze locatie van de gedragingen en de snelheid waarmee eiser reed betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het CBR daarom niet mocht uitgaan van de juistheid daarvan. Ongeacht die informatie bevat het mutatierapport namelijk voldoende feitelijke waarnemingen waar het CBR zijn besluit op kon baseren. De stellingen van eiser doen daarmee niet af aan de geconstateerde gedragingen.
Is sprake van meerdere gedragingen?
10. Eiser erkent dat sprake is van diverse gedragingen, maar stelt dat daaraan één beslismoment ten grondslag lag dat veroorzaakt werd door een plotselinge wegafsluiting. Eiser wijst op een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 oktober 2020. Volgens eiser is sprake van een eenmalige, verklaarbare verkeersfout. Het CBR had daarom geen EMG aan eiser mogen opleggen. Eiser wijst op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 december 2021.
11. De rechtbank overweegt dat uit artikel 14, eerste lid, onder a van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) volgt dat het CBR een EMG oplegt als de betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht zoals genoemd in de bij de Regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III.
12. De rechtbank stelt voorop dat uit het bovenstaande blijkt dat sprake moet zijn van herhaaldelijk gedragingen verrichten zoals die zijn genoemd in de bijlage bij de Regeling. De rechtbank ziet hierin geen grondslag voor het oordeel dat het CBR pas een EMG mag opleggen als sprake is van meerdere beslismomenten die ten grondslag liggen aan die gedragingen.
13. Hoe dan ook is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is geweest van één beslismoment dat het gevolg is geweest van een plotselinge wegafsluiting. Uit de toelichting van eiser op de zitting volgt dat de wegafsluiting waar hij over heeft verklaard zich niet voordeed op de plek waar de politie de gedragingen die zijn vastgelegd in het mutatierapport heeft geconstateerd, maar dat hij die wegafsluiting al eerder was tegengekomen en daarom nu een andere route reed dan hij had gepland. Ook heeft het CBR nadere informatie opgevraagd bij de politie. De politie heeft aan het CBR bevestigd dat op het moment dat eiser hen opviel vanwege zijn rijgedrag geen sprake was van wegwerkzaamheden. Dat sprake zou zijn geweest van één beslismoment als het gevolg van een plotselinge wegafsluiting kan de rechtbank dan ook niet volgen. Bovendien heeft de politie verschillende gedragingen geconstateerd die zich niet op hetzelfde moment kunnen hebben voorgedaan: in het midden van twee rijstroken rijden, slingerend rijgedrag vertonen, een doorgetrokken streep overschrijden, meerdere keren geen richting aangeven en meermaals kort en onnodig remmen. Het CBR heeft dan ook aan eiser een EMG kunnen opleggen omdat sprake is geweest van herhaaldelijk gedragingen verrichten zoals bedoeld in bijlage 1, onder A, onderdeel III van de Regeling. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021 verandert het oordeel van de rechtbank niet, omdat de omstandigheden van dat geval en met name het geconstateerde rijgedrag anders zijn dan in dit geval.
Kon het CBR een EMG opleggen gelet op het gevaar voor de verkeersveiligheid?
14. Eiser vindt dat uit het mutatierapport van de politie niet blijkt dat andere verkeersdeelnemers in zijn directe nabijheid reden. Van een gevaar voor andere verkeersdeelnemers of incorrect samenspel is daarom geen sprake. Eiser wijst daarvoor op twee uitspraken van de Afdeling van 8 november 2017 en 30 augustus 2017. Verder vindt eiser dat de politie in het mutatierapport niet heeft onderbouwd waarom er geen noodzaak was om kort te remmen. Volgens eiser is sprake van een eenmalige, verklaarbare verkeersfout. Een enkele overtreding zonder context van verkeersonveilig, gevaarlijk en respectloos weggedrag rechtvaardigt volgens eiser een EMG niet. Ook het niet aangeven van richting en in het midden rijden van twee rijstroken is onvoldoende om een EMG op te leggen. Eiser wijst daarvoor op een uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2022.
15. De rechtbank is van oordeel dat het CBR het meermaals kort en onnodig remmen, het niet aangeven van richting en het in het midden van twee rijstroken rijden wel ten grondslag heeft kunnen leggen aan het opleggen van een EMG. Dat in het mutatierapport van de politie niet is opgenomen of er naast eiser en de verbalisanten nog andere verkeersdeelnemers waren ten tijde van het onnodig remmen maakt niet dat het CBR zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is geweest van onnodig remmen en stoppen, wat in de Regeling wordt benoemd als een gedraging die valt onder incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers. Bovendien is het niet van belang of de gedragingen daadwerkelijk de verkeersveiligheid in gevaar hebben gebracht. Vast moet komen te staan of eiser gedragingen heeft verricht zoals genoemd in bijlage 1, onder a, onderdeel III van de Regeling. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2022 wat betreft het niet aangeven van richting en in het midden van twee rijstroken rijden verandert het oordeel van de rechtbank niet. Dit omdat de politie in die zaak had erkend niet de juiste inschatting van het rijgedrag te hebben gemaakt. Dat is in het geval van eiser niet zo. De politie heeft namelijk op 18 november 2025 aan het CBR bevestigd het mutatierapport en de daarin gemaakte inschatting van het rijgedrag te handhaven.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het opleggen van de EMG in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4148, overweging 3.1 en van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2330, overweging 4.2.
Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:4305.
Uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2851.
Uitspraken van de Afdeling van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3010, overweging 4.1 en van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2330 overweging 4.2.
Uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1552.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2330, overweging 4.2.
Uitspraak van de Afdeling van 1 september 2021 ECLI:NL:RVS:2021:1877, overweging 7.