Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6414
2026-08-20
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/16/616260 / JL RK 26-519
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Toewijzing ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van twee maanden. Overige deel aangehouden. Doelen ondertoezichtstelling niet duidelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.179 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/616260 / JL RK 26-519
Datum uitspraak: 20 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
locatie Utrecht,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. E. Lucas uit Lelystad,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
advocaat: mr. J.M. Poortinga uit Putten,
WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: WSG.
De kinderrechter merkt als informant aan:
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te Almere,
hierna te noemen: SAVE.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 augustus 2026, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
mr. N.R. Pronk namens de vader (waarnemend voor mr. J.M. Poortinga);
de moeder (digitaal aangesloten) en haar advocaat;
[A.] namens de Raad;
[B.] namens WSG;
[C.] namens SAVE.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft met zijn moeder op een geheim adres van de [instelling] .
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 2 juni 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van SAVE en een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de moeder (op een geheim adres) tot 21 augustus 2026.
3Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen van WSG voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad, voor zover de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] niet (voorlopig) bij de moeder wordt bepaald, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder te verlenen voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
De Raad
4.1.
De Raad vindt een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder noodzakelijk in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is tot nu toe opgegroeid in een gespannen en gewelddadige thuissituatie. Daarnaast ziet de Raad signalen van ernstige onveiligheid van de vader richting de moeder. De vader heeft de moeder gewurgd en dat is een rode vlag voor intieme terreur. De Raad maakt zich zorgen om [minderjarige] , omdat hij daarbij was. De moeder is kwetsbaar en onvoldoende weerbaar om [minderjarige] te beschermen tegen dit geweld. De vader erkent niet dat het geweld fors is geweest en bagatelliseert de zorgen over [minderjarige] . [minderjarige] moet daarom samen met zijn moeder op een geheime veilige plek verblijven. Omdat de ouders geen overeenstemming hebben over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , is daarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing nodig.
Volgens de Raad moeten de volgende doelen worden behaald om [minderjarige] veilig te laten opgroeien:
[minderjarige] groeit op in een veilige opvoedomgeving, waarbij hij zowel fysiek als emotioneel veilig is;
er is zicht op de opvoedvaardigheden van de ouders;
de moeder ontvangt passende hulpverlening die aansluit bij wat zij nodig heeft om beschikbaar te zijn voor [minderjarige] ;
de vader ontvangt passende hulpverlening;
[minderjarige] heeft veilig contact met beide ouders;
er is zicht op eventueel middelengebruik van de ouders.
SAVE
4.2.
SAVE vindt dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] , maar weet niet hoe de bedreiging weggenomen kan worden. Daarvoor moet er eerst duidelijkheid komen over het geweld dat tussen de ouders heeft plaatsgevonden. De ouders hebben hier totaal verschillende verhalen over. Pas als duidelijk is of sprake is van intieme terreur of van huiselijk geweld, kan hulpverlening worden ingezet. Als sprake is van intieme terreur, moeten er namelijk andere vervolgstappen worden gezet dan bij huiselijk geweld. Ook heeft dit invloed op het contact tussen [minderjarige] en de vader. Het is daarom van belang dat een MASIC wordt ingezet. SAVE heeft gevraagd of de Raad dit wil doen. Hier is geen reactie op gekomen. In de Raadsrapportage staat dat er omgang moet komen tussen [minderjarige] en de vader. SAVE kan het hier op dit moment niet mee eens zijn, want als sprake is van intieme terreur is contact niet in het belang van [minderjarige] en zijn moeder. Eerst zal een MASIC moeten worden uitgevoerd. Pas daarna kan een besluit worden genomen over het contact tussen [minderjarige] en zijn vader.
WSG
4.3.
WSG vindt net als SAVE dat onderzoek naar de aard van het geweld tussen de ouders nodig is om passende hulpverlening in te zetten. Ook WSG begrijpt niet dat de Raad adviseert om de beslissing over de zorgregeling (in de procedure tussen de ouders) aan te houden in afwachting van informatie en advies van de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, zonder dit aspect zelf te hebben meegenomen in het Raadsonderzoek.
De vader
4.4.
De vader verzet zich, gelet op de geuite beschuldigingen, niet tegen de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Hij heeft hier vanuit zijn hart wel grote moeite mee en had gedacht en gehoopt dat het anders kon. Het raakt hem dat [minderjarige] met vrijheidsbeperkingen op code rood verblijft bij de [instelling] en dat [minderjarige] zich daar tussen kwetsbare mensen bevindt. De vader ontkent niet dat er huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, maar dit was een enkel incident waar beide ouders deel aan hadden. Dat sprake zou zijn van intieme terreur, stelselmatige dreiging, dwang en controle, is niet gebaseerd op feiten. De vader hoopt dat hij met het toezicht vanuit de ondertoezichtstelling duidelijk kan maken dat hij geen gevaar is voor [minderjarige] en dat er geen sprake is van intieme terreur. De vader zal daarom zo goed mogelijk meewerken. De vader hoopt dat er snel zicht komt op wanneer hij [minderjarige] weer kan zien. Daarnaast vraagt de vader zich af of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder wel noodzakelijk is. In de lopende procedure over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , heeft hij laten weten dat hij akkoord gaat met het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder.
De moeder
4.5.
De moeder is het eens met de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. De ondertoezichtstelling is nodig om de juiste hulpverlening voor [minderjarige] en haarzelf te organiseren. De moeder begrijpt niet dat er discussie is ontstaan over de uitvoering van een MASIC, nu duidelijk is dat er een MASIC had moeten worden uitgevoerd. Toch heeft de Raad in het rapport van 12 augustus 2026 al advies gegeven over de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader. De moeder kan zich er op zich in vinden dat de WSG een regierol krijgt in het contact tussen [minderjarige] en zijn vader, maar wil geen zorgregeling voordat er duidelijkheid is over de aard van het geweld dat heeft plaatsgevonden.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht van WSG voor de duur van twee maanden. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder voor de duur van twee maanden. De kinderrechter houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan en legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat in elk geval één keer (en mogelijk vaker) sprake is geweest van fors geweld tussen de vader en de moeder. De vader heeft erkend dat hij de moeder heeft gewurgd, maar dat gebeurde volgens hem nadat zij hem had gebeten. Wat de aanleiding ook was, er is sprake geweest van wurging door de vader van de moeder waar [minderjarige] bij was. De kinderrechter maakt zich dan ook zorgen over de gespannen en gewelddadige thuissituatie waarin [minderjarige] tot nu toe is opgegroeid. Deze ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder heeft moeite met het bieden van weerstand aan de vader en de vader bagatelliseert de zorgen over [minderjarige] .
5.3.
Ondanks de grote zorgen over [minderjarige] , wijst de kinderrechter de ondertoezichtstelling slechts toe voor de duur van twee maanden. De rest houdt de kinderrechter aan. Een van de doelen van de onder toezichtstelling is namelijk dat [minderjarige] veilig contact heeft met allebei zijn ouders. In het Raadsrapport wordt verder geadviseerd om geen voorlopige zorgregeling tussen [minderjarige] en zijn vader vast te leggen, maar de regie in dit contact bij de uitvoerder van de ondertoezichtstelling te leggen. SAVE en WSG hebben tijdens de zitting naar voren gebracht dat daar niet aan kan worden gewerkt zolang niet duidelijk is of er tussen ouders sprake is van huiselijk geweld of van intieme terreur. Intieme terreur kan een contra-indicatie zijn voor contact omdat de vader dan via [minderjarige] toegang krijgt tot het leven van de moeder. Voordat WSG aan het doel over het veilige contact kan werken en regie kan voeren op dat contact, moet dus duidelijk zijn of er wel of geen contact tussen [minderjarige] en zijn vader moet komen. Daarvoor is verder onderzoek nodig, de gecertificeerde instellingen noemen daarvoor de MASIC-methode. Als wordt vastgesteld dat sprake is (geweest) van intieme terreur, kan het doel van de ondertoezichtstelling niet zonder meer zijn dat [minderjarige] contact heeft met de vader, zoals door de Raad geformuleerd. Als geen sprake is van intieme terreur, is het juist belangrijk dat het contact tussen de vader en [minderjarige] zo snel mogelijk wordt hersteld. De kinderrechter houdt de beslissing daarom aan, zodat de Raad de doelen van de ondertoezichtstelling na nader onderzoek (via de MASIC) kan verduidelijken.
5.4.
De machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder is noodzakelijk, omdat [minderjarige] met zijn moeder op een veilige en beschermde plek moet verblijven. Omdat de procedure over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] nog loopt, is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder hiervoor noodzakelijk. Omdat de machtiging tot uithuisplaatsing niet langer kan worden verleend dan de duur van de ondertoezichtstelling, verleent de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van twee maanden en houdt de rest van dit verzoek aan.
5.5.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 21 augustus 2026 tot 21 oktober 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder met ingang van 21 augustus 2026 tot 21 oktober 2026;
6.3.
houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 21 oktober 2026, tegen welke zitting de Raad, WSG, de vader en de moeder dienen te worden opgeroepen;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026 door
mr. M.M. Janssen - Witteveen, kinderrechter, in aanwezigheid van A. Spanninga als griffier, en op schrift gesteld op 26 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:255 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/616260 / JL RK 26-519
Datum uitspraak: 20 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
locatie Utrecht,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. E. Lucas uit Lelystad,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
advocaat: mr. J.M. Poortinga uit Putten,
WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: WSG.
De kinderrechter merkt als informant aan:
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te Almere,
hierna te noemen: SAVE.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 augustus 2026, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
mr. N.R. Pronk namens de vader (waarnemend voor mr. J.M. Poortinga);
de moeder (digitaal aangesloten) en haar advocaat;
[A.] namens de Raad;
[B.] namens WSG;
[C.] namens SAVE.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft met zijn moeder op een geheim adres van de [instelling] .
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 2 juni 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van SAVE en een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de moeder (op een geheim adres) tot 21 augustus 2026.
3Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen van WSG voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad, voor zover de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] niet (voorlopig) bij de moeder wordt bepaald, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder te verlenen voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
De Raad
4.1.
De Raad vindt een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder noodzakelijk in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is tot nu toe opgegroeid in een gespannen en gewelddadige thuissituatie. Daarnaast ziet de Raad signalen van ernstige onveiligheid van de vader richting de moeder. De vader heeft de moeder gewurgd en dat is een rode vlag voor intieme terreur. De Raad maakt zich zorgen om [minderjarige] , omdat hij daarbij was. De moeder is kwetsbaar en onvoldoende weerbaar om [minderjarige] te beschermen tegen dit geweld. De vader erkent niet dat het geweld fors is geweest en bagatelliseert de zorgen over [minderjarige] . [minderjarige] moet daarom samen met zijn moeder op een geheime veilige plek verblijven. Omdat de ouders geen overeenstemming hebben over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , is daarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing nodig.
Volgens de Raad moeten de volgende doelen worden behaald om [minderjarige] veilig te laten opgroeien:
[minderjarige] groeit op in een veilige opvoedomgeving, waarbij hij zowel fysiek als emotioneel veilig is;
er is zicht op de opvoedvaardigheden van de ouders;
de moeder ontvangt passende hulpverlening die aansluit bij wat zij nodig heeft om beschikbaar te zijn voor [minderjarige] ;
de vader ontvangt passende hulpverlening;
[minderjarige] heeft veilig contact met beide ouders;
er is zicht op eventueel middelengebruik van de ouders.
SAVE
4.2.
SAVE vindt dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] , maar weet niet hoe de bedreiging weggenomen kan worden. Daarvoor moet er eerst duidelijkheid komen over het geweld dat tussen de ouders heeft plaatsgevonden. De ouders hebben hier totaal verschillende verhalen over. Pas als duidelijk is of sprake is van intieme terreur of van huiselijk geweld, kan hulpverlening worden ingezet. Als sprake is van intieme terreur, moeten er namelijk andere vervolgstappen worden gezet dan bij huiselijk geweld. Ook heeft dit invloed op het contact tussen [minderjarige] en de vader. Het is daarom van belang dat een MASIC wordt ingezet. SAVE heeft gevraagd of de Raad dit wil doen. Hier is geen reactie op gekomen. In de Raadsrapportage staat dat er omgang moet komen tussen [minderjarige] en de vader. SAVE kan het hier op dit moment niet mee eens zijn, want als sprake is van intieme terreur is contact niet in het belang van [minderjarige] en zijn moeder. Eerst zal een MASIC moeten worden uitgevoerd. Pas daarna kan een besluit worden genomen over het contact tussen [minderjarige] en zijn vader.
WSG
4.3.
WSG vindt net als SAVE dat onderzoek naar de aard van het geweld tussen de ouders nodig is om passende hulpverlening in te zetten. Ook WSG begrijpt niet dat de Raad adviseert om de beslissing over de zorgregeling (in de procedure tussen de ouders) aan te houden in afwachting van informatie en advies van de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, zonder dit aspect zelf te hebben meegenomen in het Raadsonderzoek.
De vader
4.4.
De vader verzet zich, gelet op de geuite beschuldigingen, niet tegen de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Hij heeft hier vanuit zijn hart wel grote moeite mee en had gedacht en gehoopt dat het anders kon. Het raakt hem dat [minderjarige] met vrijheidsbeperkingen op code rood verblijft bij de [instelling] en dat [minderjarige] zich daar tussen kwetsbare mensen bevindt. De vader ontkent niet dat er huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, maar dit was een enkel incident waar beide ouders deel aan hadden. Dat sprake zou zijn van intieme terreur, stelselmatige dreiging, dwang en controle, is niet gebaseerd op feiten. De vader hoopt dat hij met het toezicht vanuit de ondertoezichtstelling duidelijk kan maken dat hij geen gevaar is voor [minderjarige] en dat er geen sprake is van intieme terreur. De vader zal daarom zo goed mogelijk meewerken. De vader hoopt dat er snel zicht komt op wanneer hij [minderjarige] weer kan zien. Daarnaast vraagt de vader zich af of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder wel noodzakelijk is. In de lopende procedure over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , heeft hij laten weten dat hij akkoord gaat met het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder.
De moeder
4.5.
De moeder is het eens met de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. De ondertoezichtstelling is nodig om de juiste hulpverlening voor [minderjarige] en haarzelf te organiseren. De moeder begrijpt niet dat er discussie is ontstaan over de uitvoering van een MASIC, nu duidelijk is dat er een MASIC had moeten worden uitgevoerd. Toch heeft de Raad in het rapport van 12 augustus 2026 al advies gegeven over de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader. De moeder kan zich er op zich in vinden dat de WSG een regierol krijgt in het contact tussen [minderjarige] en zijn vader, maar wil geen zorgregeling voordat er duidelijkheid is over de aard van het geweld dat heeft plaatsgevonden.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht van WSG voor de duur van twee maanden. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder voor de duur van twee maanden. De kinderrechter houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan en legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat in elk geval één keer (en mogelijk vaker) sprake is geweest van fors geweld tussen de vader en de moeder. De vader heeft erkend dat hij de moeder heeft gewurgd, maar dat gebeurde volgens hem nadat zij hem had gebeten. Wat de aanleiding ook was, er is sprake geweest van wurging door de vader van de moeder waar [minderjarige] bij was. De kinderrechter maakt zich dan ook zorgen over de gespannen en gewelddadige thuissituatie waarin [minderjarige] tot nu toe is opgegroeid. Deze ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder heeft moeite met het bieden van weerstand aan de vader en de vader bagatelliseert de zorgen over [minderjarige] .
5.3.
Ondanks de grote zorgen over [minderjarige] , wijst de kinderrechter de ondertoezichtstelling slechts toe voor de duur van twee maanden. De rest houdt de kinderrechter aan. Een van de doelen van de onder toezichtstelling is namelijk dat [minderjarige] veilig contact heeft met allebei zijn ouders. In het Raadsrapport wordt verder geadviseerd om geen voorlopige zorgregeling tussen [minderjarige] en zijn vader vast te leggen, maar de regie in dit contact bij de uitvoerder van de ondertoezichtstelling te leggen. SAVE en WSG hebben tijdens de zitting naar voren gebracht dat daar niet aan kan worden gewerkt zolang niet duidelijk is of er tussen ouders sprake is van huiselijk geweld of van intieme terreur. Intieme terreur kan een contra-indicatie zijn voor contact omdat de vader dan via [minderjarige] toegang krijgt tot het leven van de moeder. Voordat WSG aan het doel over het veilige contact kan werken en regie kan voeren op dat contact, moet dus duidelijk zijn of er wel of geen contact tussen [minderjarige] en zijn vader moet komen. Daarvoor is verder onderzoek nodig, de gecertificeerde instellingen noemen daarvoor de MASIC-methode. Als wordt vastgesteld dat sprake is (geweest) van intieme terreur, kan het doel van de ondertoezichtstelling niet zonder meer zijn dat [minderjarige] contact heeft met de vader, zoals door de Raad geformuleerd. Als geen sprake is van intieme terreur, is het juist belangrijk dat het contact tussen de vader en [minderjarige] zo snel mogelijk wordt hersteld. De kinderrechter houdt de beslissing daarom aan, zodat de Raad de doelen van de ondertoezichtstelling na nader onderzoek (via de MASIC) kan verduidelijken.
5.4.
De machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder is noodzakelijk, omdat [minderjarige] met zijn moeder op een veilige en beschermde plek moet verblijven. Omdat de procedure over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] nog loopt, is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder hiervoor noodzakelijk. Omdat de machtiging tot uithuisplaatsing niet langer kan worden verleend dan de duur van de ondertoezichtstelling, verleent de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van twee maanden en houdt de rest van dit verzoek aan.
5.5.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 21 augustus 2026 tot 21 oktober 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder met ingang van 21 augustus 2026 tot 21 oktober 2026;
6.3.
houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 21 oktober 2026, tegen welke zitting de Raad, WSG, de vader en de moeder dienen te worden opgeroepen;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026 door
mr. M.M. Janssen - Witteveen, kinderrechter, in aanwezigheid van A. Spanninga als griffier, en op schrift gesteld op 26 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:255 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.