Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6275
2026-09-01
Civiel recht
C/16/614814 / KG ZA 26-448
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Verschillende vorderingen, o.a. verstrekken stukken, meewerken overdracht overeenkomsten, gebiedsverbod, betaling geldbedragen, verbod doen van bepaalde uitlatingen en overdracht accounts. De vordering lijfsdwang wordt afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2015:3554 Hoge Raad 11-12-2015
- ECLI:NL:HR:2018:2221 Hoge Raad 30-11-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (62.912 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/614814 / KG ZA 26-448
Vonnis in kort geding van 1 september 2026
in de zaak van
1 [eiseres sub 1 (C.V.)] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 1 (C.V.)] ,2. [eiseres sub 2 (B.V.)],
gevestigd te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 2 (B.V.)] ,3. [eiseres sub 3] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 3] ,4. [eiseres sub 4] N.V.,
gevestigd te [plaats 3] (België),
hierna te noemen: [eiseres sub 4] ,5. [eiseres sub 5] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 5] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.,
advocaat: mr. J.A.G. de Boer,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
verschenen in persoon,2. [gedaagde sub 2],
wonende te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
niet verschenen,3. [gedaagde sub 3] B.V.,
gevestigd te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
niet verschenen,4. [gedaagde sub 4] B.V.,
gevestigd te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,
niet verschenen,5. [gedaagde sub 5] B.V.,
gevestigd te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 5] ,
niet verschenen,6. [gedaagde sub 6] U.A.,
gevestigd te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 6] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 96;
- akte overlegging producties 97 t/m 101;
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 14.
1.2
Op 18 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren namens [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. aanwezig: de heer [A] , de heer [B] , mr. De Boer en mr. [C] . Daarnaast was [gedaagde sub 1] aanwezig. De advocaten van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. en [gedaagde sub 1] hebben spreekaantekeningen voorgedragen, deze zijn toegevoegd aan het procesdossier. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3
Daarna is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
2.1
Op 15 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] veroordeeld om stukken aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te verstrekken. Deze zijn volgens [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. nog niet allemaal verstrekt en daarom vorderen zij nu dat alle gedaagden worden veroordeeld om deze stukken alsnog te verstrekken. Daarnaast hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. nog verschillende andere vorderingen ingesteld, namelijk:
het meewerken aan de overdracht van overeenkomsten van nutsvoorzieningen;
een gebiedsverbod voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ;
de betaling van verschillende geldbedragen;
het overdragen van accounts en een website;
een verbod op het doen van diffamerende en onjuiste uitlatingen;
het teruggeven van een hoofdzekering.
Voor de volledigheid is een overzicht van alle vorderingen van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
2.2
Een groot deel van de vorderingen wordt toegewezen, omdat daar geen of onvoldoende verweer tegen is gevoerd. De gevorderde lijfsdwang van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] wordt afgewezen, want in het vorige vonnis zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] nog niet eerder persoonlijk veroordeeld.
3De achtergrond van het geschil
3.1
Partijen hebben samengewerkt aan de ontwikkeling van 82 duurzame, ecologische, modulaire wooneenheden (hierna: Woody’s) in [plaats 5] (hierna: het project).
3.2
[eiseres sub 1 (C.V.)] is opgericht voor de realisatie en verhuur van de Woody’s. De beherend vennoot is [eiseres sub 2 (B.V.)] en de commanditaire vennoten zijn [eiseres sub 5] , [eiseres sub 4] en [gedaagde sub 4] . [eiseres sub 3] is een werkmaatschappij gelieerd aan [eiseres sub 4] en [eiseres sub 5] .
3.3
[gedaagde sub 4] is de enige aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 3] . [gedaagde sub 2] is op zijn beurt de enige bestuurder van [gedaagde sub 4] . [gedaagde sub 5] hield zich bezig met het verhuurbeheer van de al opgeleverde Woody’s. Dit beheer is inmiddels overgedragen aan een door [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. aangewezen partij ( [ondereming] B.V.). [gedaagde sub 3] was betrokken bij de bouw en realisatie van de Woody’s. [gedaagde sub 2] is ook de enig bestuurder van [gedaagde sub 6] . [gedaagde sub 6] is, volgens [gedaagde sub 1] , opgericht omdat dit verplicht was om een ontheffing te krijgen op grond van de Energiewet.
3.4
Partijen hebben de afspraken over hun samenwerking in verschillende overeenkomsten vastgelegd. Eén van die overeenkomsten is een projectmanagementovereenkomst die [eiseres sub 3] en [gedaagde sub 3] in april 2023 zijn overeengekomen. Daarin is afgesproken dat [gedaagde sub 1] feitelijk de rol van haar partner over zou nemen, want [gedaagde sub 2] is eind 2022 uitgevallen door ziekte.
4De beoordeling
Opmerkingen vooraf
4.1
Voor de beoordeling van de individuele vorderingen worden eerst de volgende onderwerpen besproken:
De bevoegdheid van de voorzieningenrechter
Het verstek van bijna alle gedaagde partijen
Het vonnis van 15 mei 2026
Het spoedeisende belang van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.
De reconventionele vorderingen van [gedaagde sub 1]
De energielevering van het project
De rol van [gedaagde sub 1]
Voor geen enkele vordering wordt nu lijfsdwang opgelegd
1. De bevoegdheid van de voorzieningenrechter
4.2
De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland is bevoegd. De voorzieningenrechter van de rechtbank kan namelijk in alle zaken, en dus ook in kantonzaken, een voorlopige voorziening geven. Dat, zoals [gedaagde sub 1] stelt, alleen de kantonrechter bevoegd zou zijn om over bepaalde vorderingen van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te beslissen, klopt dus niet. De voorzieningenrechter is ook relatief bevoegd, want alle gedaagden hebben hun woonplaats of zijn gevestigd in het arrondissement van de rechtbank Midden-Nederland. Dat in de projectmanagementovereenkomst een andere rechtbank is aangewezen, is niet relevant. In deze procedure zijn geen vorderingen ingesteld die hun grondslag vinden in de projectmanagementovereenkomst.
2. Het verstek van bijna alle gedaagde partijen
4.3
[gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] zijn niet verschenen. [gedaagde sub 1] heeft in haar conclusie van antwoord en op de mondelinge behandeling uitdrukkelijk verklaard dat zij alleen namens zichzelf is verschenen. Omdat bij de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, wordt aan [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] verstek verleend. Dit betekent dat de vorderingen tegen [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] in beginsel worden toegewezen, tenzij die vorderingen onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
4.4
Voor zover [gedaagde sub 1] verweer heeft gevoerd tegen vorderingen die zijn ingesteld tegen andere gedaagden, wordt met dat verweer geen rekening gehouden. Zij kan namelijk alleen namens zichzelf verweer voeren. Omdat dit een zaak is tegen meerdere gedaagden en [gedaagde sub 1] wel is verschenen, wordt één vonnis gewezen dat als vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
3. Het vonnis van 15 mei 2026
4.5
Op 15 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland in een eerdere procedure tussen partijen vonnis gewezen (hierna: het vorige vonnis). In het vorige vonnis zijn [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] onder andere veroordeeld om allerlei stukken te verstrekken op straffe van een dwangsom. Voor zover deze procedure een vervolg van het vorige vonnis is, geldt dat wat in dat vonnis is overwogen en besloten in deze procedure als uitgangspunt geldt. Het vorige vonnis is inmiddels namelijk onherroepelijk geworden. Dit geldt ook voor vorderingen die tegen [gedaagde sub 6] zijn ingesteld, want hoewel zij in de vorige procedure geen partij was heeft zij in deze procedure geen verweer gevoerd.
4. Het spoedeisende belang van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.
4.6
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorzieningen vraagt een spoedeisend belang heeft. [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben dat voor de meeste vorderingen voldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover zij dat voor bepaalde vorderingen niet hebben gedaan, wordt daar bij de beoordeling van die vorderingen op ingegaan. Zij willen het project namelijk zo snel mogelijk afronden en daar moet nog veel voor gebeuren. Ook loopt de deadline voor de aanvraag van de MIA-subsidie op 31 december 2026 af. Om voor die subsidie in aanmerking te komen moet het project dan ook zijn afgerond. Daarnaast hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. er belang bij dat zij zo snel mogelijk en op een veilige manier meer Woody’s kunnen gaan verhuren, want dan ontvangt [eiseres sub 1 (C.V.)] meer huurinkomsten om de maandelijkse kosten te kunnen betalen.
5. De reconventionele vorderingen van [gedaagde sub 1]
4.7
In haar conclusie van antwoord heeft [gedaagde sub 1] gevorderd dat het [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. wordt verboden om de naam [naam 1] te gebruiken. Daarnaast heeft zij in haar spreekaantekeningen de voorzieningenrechter onder meer verzocht om te bepalen dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. op straffe van een dwangsom ervoor moet zorgen dat de nieuwe verhuurbeheerder stopt met het innen van geld dat volgens haar aan de coöperatie toekomt. Deze tegenvorderingen/-verzoeken (ook wel reconventionele vorderingen genoemd) worden in deze procedure niet beoordeeld. [gedaagde sub 1] is namelijk in persoon verschenen (zonder advocaat) en kan daarom geen proceshandelingen verrichten. Dit betekent onder andere dat zij geen vorderingen in reconventie kan instellen.
6. De energielevering van het project
4.8
Een groot struikelblok tussen partijen is dat [gedaagde sub 1] zichzelf, [gedaagde sub 6] of [gedaagde sub 5] als enige bevoegde aanlegger en beheerder van het energienetwerk van het project beschouwt. Maar deze stelling heeft zij onvoldoende onderbouwd. Het is bijvoorbeeld nog steeds onduidelijk wie nu precies de beheerder is. Daarnaast heeft [gedaagde sub 6] een aantal jaren geleden een ontheffing gekregen van de RVO om een eigen energienetwerk te beheren, maar deze ontheffing is eind 2025 ingetrokken. Volgens [gedaagde sub 1] wordt sindsdien gedoogd dat [gedaagde sub 6] de beheerder is, maar het is niet gebleken dat in deze gedoogsituatie [gedaagde sub 6] (of [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 5] ) de enige beheerder moet blijven en dat dit niet kan worden overgedragen. In feite wordt op dit moment ook geen beheer gevoerd door [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 5] .
4.9
Tussen partijen staat wel vast dat de huidige voorzieningen onvoldoende zijn om alle 82 Woody’s op aan te sluiten. Om dit te kunnen realiseren erkennen [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. dat zij zonnepanelen en/of een batterij moeten plaatsen. Totdat dat is gebeurd, kunnen niet alle Woody’s klaar worden gemaakt voor verhuur. [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben voldoende onderbouwd dat [eiseres sub 1 (C.V.)] de partij is om dit verder op te pakken en met de officiële instanties af te wikkelen. In haar opdracht is immers het project gerealiseerd. Het is belangrijk dat er helderheid komt over de nutsvoorzieningen in het project, want dan kan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. alle maatregelen treffen die nodig zijn om de veiligheid van de huurders van de Woody’s te garanderen.
7. De rol van [gedaagde sub 1]
4.10
Het staat vast dat [gedaagde sub 1] geen statutair bestuurder van één van de gedaagde rechtspersonen is. Uit de uittreksels van de Kamer van Koophandel blijkt [gedaagde sub 2] , al dan niet via [gedaagde sub 4] , de enige bestuurder is. Omdat haar man de afgelopen jaren door medische redenen niets kon doen, heeft [gedaagde sub 1] de afgelopen jaren alleen een - aldus haarzelf - operationeel, uitvoerende en adviserende rol bij deze rechtspersonen gehad. Zij betwist dan ook de stelling van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. dat zij feitelijk beleidsbepaler van deze rechtspersonen zou zijn. Ter onderbouwing verwijst zij naar de projectmanagementovereenkomst. Dat dit niet klopt en dat haar rol omvangrijker was, blijkt alleen al uit de omschrijving in de projectmanagementovereenkomst van de diensten die zij moest verrichten. In artikel 3.1 van de overeenkomst staan dat zij onder andere:
leiding moest geven aan het team van arbeiders die de productie, opbouw en installaties van de Woody’s verzorgen;
de assemblage/productie van de Woody’s moest opstarten en managen;
de verschillende actoren in het project moest coördineren;
moest zorgdragen (uitnodigen en voorzitten) voor de verschillende vergaderingen;
documenten afkomstig van adviseurs en overige actoren moest contoleren, en
de projectcorrespondentie met derden moest voeren.
4.11
Naast de rol die [gedaagde sub 1] op grond van de projectmanagementovereenkomst had, zijn de volgende omstandigheden relevant voor het voorlopige oordeel dat [gedaagde sub 1] als feitelijk beleidsbepaler van de gedaagde rechtspersonen optreedt:
volgens [gedaagde sub 1] is haar man sinds eind 2022 niet meer in staat om de rol van bestuurder te vervullen en hij kan dus niets doen namens de rechtspersonen. Zij is daarom vanaf dat moment deze rol gaan vervullen en op het moment dat zij dat niet (meer) doet, handelt er niemand namens de rechtspersonen;
alleen [gedaagde sub 1] communiceert de laatste jaren namens de rechtspersonen;
ook na het vorige vonnis heeft [gedaagde sub 1] namens [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] met [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. gecommuniceerd over de wijze waarop aan dat vonnis kon worden voldaan;
[gedaagde sub 1] beheert de [naam 1] website, het Facebookaccount, het Instagramaccount en de LinkedInpagina van [gedaagde sub 5] .
4.12
[gedaagde sub 1] stelt dat zij inmiddels niets meer namens de rechtspersonen doet en dat zij daarom ook niet veroordeeld kan worden om stukken te overleggen. Op dit moment is er volgens haar dan ook niemand die namens de rechtspersonen kan handelen. Maar dat zij niets meer doet, blijkt niet uit haar recente activiteiten. Bijvoorbeeld:
Op 30 juni 2026 heeft ze (samen met [gedaagde sub 2] ) de hoofdzekering van woonblok A meegenomen;
Ze blijft contact opzoeken met de gemeente [gemeente] over het project;
Ze onderhoudt nog steeds de Facebookpagina met de naam [naam 1] ;
Ze heeft een nieuw Instagramaccount geopend met de naam [naam 2] ;
Ze heeft contact opgenomen over de MIA-subsidie met een belastinginspecteur;
Ze heeft contact opgenomen over het elektriciteitsnetwerk en het handelen van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. met Liander, de politie en ACM.
Dat zij niets voor of met het project doet, klopt dus niet. Daarom is het voorshands aannemelijk dat [gedaagde sub 1] nog steeds feitelijk beleidsbepaler van [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] is.
8. Voor geen enkele vordering wordt nu lijfsdwang opgelegd
4.13
[eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben gevorderd dat meerdere veroordelingen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ten uitvoer moeten kunnen worden gelegd bij lijfsdwang. Dit zal nu niet worden toegewezen. In het vorige vonnis zijn namelijk alleen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] veroordeeld om stukken te overleggen. Als feitelijk beleidsbepaler rust op [gedaagde sub 1] de verplichting om ervoor te zorgen dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] de verplichtingen uit het vorige vonnis nakomen, maar in het vorige vonnis is nog niet vastgesteld dat zij dat is. Alleen dit is al een reden om haar nog niet op straffe van lijfsdwang te veroordelen. Ook rust op [gedaagde sub 2] als bestuurder van deze rechtspersonen de verplichting om de veroordelingen na te komen, maar hij is in het vorige vonnis ook nog niet persoonlijk veroordeeld. Kennelijk is hij ook om medische redenen niet in staat om als bestuurder te functioneren. Daar komt bij dat op dit moment onvoldoende is gebleken dat sprake is van onwil van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] . Dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in een procedure met een derde eerder al twee keer € 75.000,00 aan dwangsommen hebben verbeurd, is onvoldoende reden om toch lijfsdwang op te leggen. [gedaagde sub 1] heeft op de mondelinge behandeling namelijk verklaard dat deze dwangsommen ondertussen volledig zijn betaald. Ook het feit dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] ondertussen dwangsommen verbeurd hebben omdat zij verplichtingen uit het vorige vonnis niet zijn nagekomen, is onvoldoende voor lijfsdwang.
4.14
Op dit moment is er dus onvoldoende reden om hen op straffe van een lijfsdwang te veroordelen. Voor zover [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in dit vonnis (ook) in privé worden veroordeeld, wordt daaraan een dwangsom verbonden als prikkel tot nakoming. De voorzieningenrechter hoopt dat dit voldoende is om ervoor te zorgen dat de veroordelingen worden nagekomen. Als blijkt dat de veroordelingen uit dit vonnis nog steeds niet worden nagekomen, dan lopen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] als de omstandigheden verder vergelijkbaar zijn, een groot risico dat zij een volgende keer allebei zullen worden veroordeeld op straffe van lijfsdwang. Lijfsdwang kan namelijk worden opgelegd als het aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel (zoals een dwangsom) onvoldoende uitkomst biedt en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt. Dit zal in een eventuele volgende procedure moeten worden beoordeeld.
[gedaagde sub 1] c.s. moeten informatie en zaken verstrekken (vordering I)
4.15
In het vorige vonnis zijn [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 3] veroordeeld om stukken aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te verstrekken. In dit vonnis worden zij daarom niet opnieuw veroordeeld. In dit vonnis worden wel [gedaagde sub 2] (als bestuurder), [gedaagde sub 1] (als feitelijk beleidsbepaler), [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] veroordeeld om de nog ontbrekende stukken te verstrekken. Deze vordering komt de voorzieningenrechter namelijk niet ongegrond of onrechtmatig voor. Ook slaagt het verweer van [gedaagde sub 1] niet. Zij heeft aangevoerd dat zij bepaalde stukken niet heeft of dat die niet bestaan, maar zij heeft niet concreet aangegeven over welke stukken dat dan gaat. Ten aanzien van de tekeningen heeft zij wel concreet als verweer gevoerd dat zij deze niet wil overleggen omdat ze bang is dat het concept wordt nagemaakt. Maar dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. dat van plan zijn, heeft zij niet onderbouwd. Sterker nog, [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben dit betwist. Ook wil ze de tekeningen niet overleggen omdat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. deze stukken niet nodig hebben, maar het is onvoldoende gebleken dat dat zo is. Het ligt voor de hand dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. deze stukken nodig hebben als er bijvoorbeeld reparaties moeten worden uitgevoerd of als ze de Woody’s willen doorverkopen. Verder zullen [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] stukken moeten opvragen voor zover zij daar niet zelf beschikken. Het is aannemelijk dat zij die stukken (als feitelijk beleidsbepaler, dan wel bestuurder) eenvoudig kunnen opvragen.
4.16
Hierna wordt opgesomd welke stukken nog ontbreken. Daarbij wordt opgemerkt dat ze alleen worden veroordeeld om stukken die concreet zijn opgesomd te verstrekken. Dat betekent dat voor zover in de opsomming van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. “et cetera” staat dat deel van de vordering onvoldoende bepaalbaar is en daarom wordt afgewezen. De volgende stukken moeten nog worden verstrekt:
De uitvoeringstekeningen van de huiskamer: schema’s/tekeningen van elektriciteit, waterleiding en waterafvoer;
Alle facturen van leveranciers en de betalingsbewijzen, zowel voor leveranciers die werken hebben uitgevoerd in [plaats 5] als voor de leveranciers die materialen/prestaties hebben geleverd voor de productie van de woningen;
Alle documentatie met betrekking tot de elektriciteitsvoorziening;
Alle as-built tekeningen van de al gebouwde woningen in [plaats 5] , waaronder in ieder geval:
a. Tekening dakelement;
b. Tekening zij element;
c. Tekening voorkant woning;
d. Tekening achterkant woning;
e. Tekening volledig dak over blok C, idem blok B en idem blok A;
f. Tekening/schema elektriciteit;
g. Tekening/schema waterafvoer;
h. Tekening/schema waterleiding;
5. Administratie en documentatie ten aanzien van het energiebeheer, in het bijzonder:
a. Elektriciteit: contract energieleverancier, afrekeningen met bewoners, facturen voor energie, wachtwoorden voor toegang;
b. Internet: contract internet, facturen, wachtwoorden voor toegang beheer;
c. Water: contract water, facturen, afrekeningen met bewoners, wachtwoorden voor toegang beheer;
d. Wasmachines: contract wasmachines, facturen, wachtwoorden voor toegang beheer;
6. Telefoonnummers van de bewoners;
7. Toegang tot het algemene domotica systeem Woody Access;
8. Sleutels, in ieder geval sleutels van de woningen blok C;
9. Sleutels van alle technische kasten van de woningen van Blok C, Blok B en Blok A;
10. Sleutels van de 4 elektrische kasten;
11. Sleutel kast hoofdaansluiting;
12. Sleutels kasten blok C, Blok B en blok A;
13. Een actueel huuroverzicht + servicekosten: dus het totale bedrag per huurder per maand uitgesplitst in kale huur + alle overige kosten volledig uitgesplitst;
14. De volledige beheers- en financiële administratie van [gedaagde sub 6] met inbegrip van de volledige transparante boekhouding en ingelegde gelden.
4.17
Deze opsomming lijkt uitgebreider dan waartoe [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 3] in het vorige vonnis zijn veroordeeld. Dat komt onder andere doordat in het vorige vonnis niet expliciet is besloten dat de administratie en documentatie ten aanzien van het energiebeheer (sub 5) en de telefoonnummers van de bewoners (sub 6) moesten worden overgelegd. Omdat dit onder “de complete beheer-, financiële en huuradministratie van de woningen” (zie 5.6 van het vorige vonnis) valt, worden [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] hiertoe ook expliciet veroordeeld. Daarnaast is in het vorige vonnis niet opgesomd welke tekeningen en sleutels moeten worden overgelegd en in de opsomming van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. is dit nu wel geconcretiseerd.
4.18
Aan het overleggen van de sleutels (sub 8 t/m 12) wordt geen dwangsom gekoppeld. De sleutels waar gedaagden over beschikken, moeten zij overleggen. Het ligt voor de hand dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. (voor zover zij dat nog niet hebben gedaan) alle sleutels toch zullen vervangen gegeven het risico dat er kopieën van in omloop zijn. Aan het overleggen van alle andere stukken zal een dwangsom worden gekoppeld. Deze wordt beperkt en gemaximaliseerd tot € 1.000 per dag(deel) en tot maximum € 25.000,00.
[gedaagde sub 1] c.s. moeten meewerken aan het op naam stellen van de nutsvoorzieningen (vorderingen II en III)
4.19
[gedaagde sub 1] c.s. moeten meewerken aan het op naam stellen van de nutsvoorzieningen op naam van [eiseres sub 1 (C.V.)] of een door haar aan te wijzen derde. Als de overeenkomsten niet kunnen worden overgedragen, dan moeten [gedaagde sub 1] c.s. deze beëindigen en ermee instemmen en gedogen dat een overeenkomst tot stand komt met [eiseres sub 1 (C.V.)] of een door haar aan te wijzen derde. Hoewel de overeenkomsten met Pure Energie, Liander en Dunea inmiddels wel op naam van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. staan, heeft [gedaagde sub 1] op de mondelinge behandeling verklaard dat Liander dit mogelijk weer gaat veranderen. Daarom hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. belang bij deze vorderingen. Omdat, zoals hiervoor overwogen, [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. voldoende hebben onderbouwd dat [eiseres sub 1 (C.V.)] de partij is om de energielevering verder op te pakken, geldt dit in ieder geval voor de overeenkomsten met Pure Energie en Liander. Tegen de overdracht van de overeenkomsten van andere nutsvoorzieningen is geen verweer gevoerd, dus ook met betrekking tot de overeenkomst met Dunea kan de vordering worden toegewezen. De vordering wordt echter alleen toegewezen voor de overeenkomsten met Pure Energie, Liander en Dunea. [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben namelijk niet gesteld dat er nog andere nutsvoorzieningen op naam van [eiseres sub 1 (C.V.)] moeten worden gezet.
4.20
Voor zover [gedaagde sub 1] c.s. hier niet aan meewerken, wordt bepaald dat dit vonnis in de plaats treedt van alle vereiste (rechts)handelingen, instructies en instemmingen van [gedaagde sub 1] c.s. Zij zullen dus geen dwangsommen verbeuren op het moment dat zij niet meewerken en [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. kan dan zelf alle noodzakelijke handelingen uitvoeren.
De hoofdzekering hoeft niet te worden overgedragen (vorderingen XV en XVI)
4.21
De vordering tot teruggave van de verwijderde hoofdzekering van woonblok A wordt afgewezen. Bij de teruggave van de hoofdzekering hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. namelijk geen spoedeisend belang. Op de mondelinge behandeling hebben zij verklaard dat de hoofdzekering inmiddels is vervangen en dat dit vooral een principieel punt is.
Het gebiedsverbod wordt afgewezen (vordering IV)
4.22
Het gevorderde gebiedsverbod wordt afgewezen. [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben hun belang daarbij onvoldoende onderbouwd. Een gebiedsverbod kan alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. Bij de beoordeling van zo’n vordering moeten alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen en de belangen van alle betrokken partijen worden afgewezen. Een gebiedsverbod is namelijk een ingrijpende maatregel die inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder het recht dat iedereen heeft om zich vrij te verplaatsen.
4.23
[eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben gesteld dat hun belang is dat een gebiedsverbod zorgt voor rust op het terrein van het project, want [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] frustreren en saboteren volgens hen het project. Dit laatste hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. onderbouwd met het feit dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] op 30 juni 2026 de hoofdzekering hebben weggehaald. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde sub 1] dit heeft gedaan omdat zij de vaste overtuiging heeft dat zij dat als/namens de beheerder van het elektriciteitsnetwerk moest doen. Dit enkele feit is daarom onvoldoende om een gebiedsverbod op te leggen. Daarnaast is gebleken dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. de sleutels inmiddels heeft vervangen of op korte termijn laat vervangen, dus [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben niet zomaar meer toegang tot het project. Voor het toewijzen van een gebiedsverbod is daarom op dit moment onvoldoende aanleiding.
De verschuldigde huurafdracht moet worden betaald (vordering V)
4.24
[gedaagde sub 5] wordt veroordeeld om de verschuldigde huurafdracht van € 152.068,50 te betalen. Deze vordering komt de voorzieningenrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor. Ook is het restitutierisico laag, want [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben op de mondelinge behandeling verklaard dat [eiseres sub 1 (C.V.)] eigenaar is van de Woody’s (die een waarde vertegenwoordigen) waarop geen hypotheek rust. [gedaagde sub 5] moet over dit bedrag ook de wettelijke rente betalen vanaf de datum van de dagvaarding in deze procedure, een eerdere ingangsdatum voor de wettelijke rente hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. onvoldoende onderbouwd.
4.25
Overigens heeft [gedaagde sub 1] op de mondelinge behandeling deze vordering wel betwist, maar dit heeft zij dus niet namens [gedaagde sub 5] gedaan. Ook heeft zij haar betwisting verder niet onderbouwd. Daarom wordt geen rekening gehouden met deze betwisting.
De verbeurde dwangsommen moeten worden betaald (vorderingen VI en VII)
4.26
Om dezelfde reden worden [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] ook veroordeeld tot betaling van de verbeurde dwangsommen. Zoals eerder overwogen zijn [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] de veroordelingen uit het vorige vonnis niet nagekomen en daarmee staat voldoende vast dat de verbeurde dwangsommen verschuldigd zijn. Het verzoek om ook te bepalen dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] daarover rente zijn verschuldigd, zal worden afgewezen. De reden daarvoor is dat het gaat om eventueel in de toekomst verschuldigde rente als [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] niet aan de veroordeling voldoet. Daarbij is geen spoedeisend belang.
Het betaling voorschot schadevergoeding wordt afgewezen (vordering VIII)
4.27
De betaling van een voorschot voor schadevergoeding door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] wordt afgewezen, want [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben deze vordering onvoldoende onderbouwd. Zij stellen dat zij schade lijden omdat:
de huurafdrachten niet zijn ontvangen;
huurinkomsten zijn misgelopen een nieuwe projectmanager moest worden ingehuurd;
de MIA-subsidie door het handelen mogelijk niet wordt verkregen;
e Woody’s inbreuk maken op de auteursrechten van een andere architect;
facturen van [eiseres sub 3] niet zijn betaald.
4.28
Voor a) geldt dat [gedaagde sub 5] in dit vonnis wordt veroordeeld om de huurafdrachten te betalen, dus dit bedrag wordt al toegewezen. Voor b) tot en met e) geldt dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. deze schadeposten onvoldoende hebben onderbouwd. Daarom kan niet worden beoordeeld hoe aannemelijk het is dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. deze schade lijden en wat dan de omvang daarvan is en of daarom een voorschot daarop op zijn plaats is.
[gedaagde sub 1] c.s. mogen de naam [naam 1] niet meer gebruiken en moeten de accounts overdragen (vordering IX en XI)
4.29
[gedaagde sub 1] c.s. mogen de naam “ [naam 1] ” dan wel namen die daar in geringe mate van afwijken, niet meer gebruiken. Het verweer van [gedaagde sub 1] dat de naam [naam 1] goodwill is, geen onderdeel uitmaakt van het verhuurbeheer en alleen maar om praktische overwegingen tijdelijk zou worden gebruikt door [eiseres sub 1 (C.V.)] slaagt niet. Dit is namelijk onvoldoende onderbouwd. Ook staat daartegenover dat [naam 1] de (handels)naam van [eiseres sub 1 (C.V.)] en [eiseres sub 2 (B.V.)] is en daarom aan hen toebehoort. Daarom mag de naam (of een naam die daar van geringe mate afwijkt) niet door een ander, en dus ook niet door [gedaagde sub 1] c.s., worden gebruikt.
4.30
Hoewel het recht op een domeinnaam niet wettelijk geregeld is, is het uitgangspunt dat degene die zich als domeinnaamhouder heeft laten registreren alleen kan worden gedwongen om deze aan een ander over te dragen als hij daartoe rechtens verplicht is. Die plicht kan berusten op een overeenkomst of voortvloeien uit de vaststelling dat registratie of gebruik van de domeinnaam tegenover die ander onrechtmatig is. Dit geldt ook voor social media accounts. Gelet op wat hiervoor in 4.29 is overwogen, wordt ook de vordering tot de overdracht van de website en de accounts op socialmediaplatformen toegewezen. Daarbij gaat het om de volgende website en accounts op socialmediaplatformen waarvan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben gesteld dat deze door [gedaagde sub 1] c.s., althans [gedaagde sub 1] , worden gebruikt:
[naam 1] . [.] .com
Facebook, onder de account(naam) ‘ [naam 1] ’
Facebook, onder de account(naam) ‘ [naam 3] )
Instagram, onder de account(naam) ‘ [naam 1] ’)
X (voorheen twitter), onder de account(naam) ‘ [naam 4] ’
X (voorheen twitter), onder de account(naam) ‘ [naam 5] ’
Facebook, onder de account(naam) ‘ [naam 2] ’
[gedaagde sub 1] heeft niet betwist dat zij deze website en accounts beheert. Zij heeft op de mondelinge behandeling wel verklaard dat ook anderen af en toe een stukje voor de website schrijven, maar dat heeft zij verder niet onderbouwd. Met deze verklaring heeft [gedaagde sub 1] wel feitelijk erkend dat zij deze website en accounts beheert.
4.31
Niet alleen [gedaagde sub 1] , maar ook alle andere gedaagden worden veroordeeld om de website en social media accounts over te dragen. Zij krijgen hiervoor twee weken de tijd. Als dit niet binnen die twee weken gebeurt, dan is een dwangsom verschuldigd van € 5.000,00 per dag(deel) en tot een maximum van € 20.000,00. Verder geldt voor elke keer dat na die twee weken de naam “ [naam 1] ” of een naam die daar in geringe mate van afwijkt (waaronder [naam 2] ) wordt gebruikt als bijvoorbeeld een domeinnaam of accountnaam op een socialmediaplatform, een dwangsom wordt verbeurd. Deze wordt ook beperkt en gemaximaliseerd tot € 5.000,00 per overtreding en tot een maximum van € 20.000,00.
De vorderingen over diffamerende en onjuiste uitlatingen van [gedaagde sub 1] c.s. worden afgewezen (vordering X en XII)
4.32
De vordering dat [gedaagde sub 1] c.s. geen diffamerende of onjuiste uitlatingen over [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s., hun werknemers, hun opdrachtnemers of aan hen gelieerde personen mogen doen, wordt afgewezen. Deze vordering is onvoldoende onderbouwd. Ter onderbouwing verwijzen [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. naar artikelen die op de oude blog van de website van [naam 1] waren geplaatst. Deze productie bestaat uit 54 pagina’s en [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben niet concreet gemaakt welke uitlatingen die daar zijn gedaan diffamerend of onjuist zijn. Daarom kan niet worden beoordeeld of de uitlatingen van [gedaagde sub 1] op dat blog onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW zijn. Daarnaast verwijzen zij naar een eerdere procedure van [gedaagde sub 1] tegen een derde waar zij ook herhaaldelijk zou zijn veroordeeld om geen diffamerende uitlatingen over die derde meer te doen. Dat [gedaagde sub 1] eerder dit soort uitlatingen zou hebben gedaan, is onvoldoende om haar te verbieden om dit soort uitlatingen over [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. en aan haar gelieerde personen te doen. Hierdoor handelt zij tegenover [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. namelijk nog niet onrechtmatig. Verder heeft [gedaagde sub 1] recent een LinkedIn-bericht geplaatst waarin zij het heeft over het project en verwijst naar [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. als “grote ego’s met weinig vakkennis” en stelt zij dat “onverantwoorde beslissingen” worden genomen. Ook dit is nog onvoldoende om aan te merken als onrechtmatige uitlatingen en valt nog binnen het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde sub 1] c.s., althans van [gedaagde sub 1] .
4.33
Ook wordt de vordering dat [gedaagde sub 1] c.s. alle geplaatste berichten over [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s., de door hen ingeschakelde personen en/of het project moeten verwijderen en verwijderd moeten houden afgewezen. Deze vordering is namelijk te breed, want [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben ook niet concreet gemaakt om welke berichten dit gaat.
De bankafschriften van [gedaagde sub 5] moeten worden verstrekt (vorderingen XIII en XIV)
4.34
[gedaagde sub 5] wordt veroordeeld om de gevorderde bankafschriften te verstrekken. Tegen deze vordering is geen verweer gevoerd. [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben deze vordering ook voldoende onderbouwd, want aan de vereisten van artikel 194 Rv voldaan. Ten eerste hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hun belang bij deze gegevens voldoende onderbouwd, want met de bankafschriften:
willen zij de huuradministratie te reconstrueren, want [gedaagde sub 5] heeft daarin tot nu toe nog geen inzage gegeven;
willen ze de huuradministratie controleren, als zij deze alsnog ontvangen;
willen ze aantonen dat [gedaagde sub 5] zich schuldig heeft gemaakt aan verhaalsfrustratie;
willen ze onderzoeken of ze ook een vordering op [gedaagde sub 1] c.s. hebben omdat [gedaagde sub 1] eerder heeft erkend dat ontvangen huurpenningen voor andere doeleinden zijn gebruikt.
Ten tweede is aan het vereiste dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. partij zijn bij een rechtsbetrekking is voldaan, onder andere omdat [gedaagde sub 5] het verhuurbeheer deed en verplicht was om huurpenningen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] af te dragen. Ten derde is de gevraagde informatie ook voldoende concreet omschreven.
4.35
De voorzieningenrechter veroordeelt alleen [gedaagde sub 5] om de bankafschriften binnen twee weken aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te verstrekken. Daarnaast wordt aan deze veroordeling geen dwangsom verbonden. In plaats daarvan wordt op grond van artikel 3:299 BW aan [eiseres sub 2 (B.V.)] een machtiging verstrekt om zelf de bankafschriften op te vragen. Als er aan het opvragen kosten verbonden zijn, dan moeten [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. die zelf betalen en kunnen ze die te zijner tijd bij [gedaagde sub 5] in rekening brengen.
De beslagkosten en BIK hoeven nog niet te worden betaald (vordering XVI en XVIII)
4.36
De vorderingen van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. tot betaling van de beslagkosten en van de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, want zij hebben het spoedeisend belang daarbij onvoldoende onderbouwd.
[gedaagde sub 1] c.s. moeten de proceskosten van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. betalen (vordering XIX)
4.37
[gedaagde sub 1] c.s. zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. betalen. De proceskosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,57
- griffierecht
€
7.062,00
- salaris advocaat
€
1.766,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
9.142,57
4.38
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.39
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de voorzieningenrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1
verleent verstek tegen gedaagden sub 2 t/m 5 ( [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] );
5.2
beveelt en gebiedt gedaagden sub 1, 2, 4 en 6 ( [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] ), zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te verstrekken de bescheiden en sleutels als bedoeld 4.16, op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden sub 1, 2, 4 en 6 na betekening van dit vonnis in gebreke blijven om de bescheiden te verstrekken, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt;
5.3
beveelt [gedaagde sub 1] c.s., zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, om binnen twee weken na betekening van dit vonnis alle medewerking te verlenen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. teneinde de overeenkomsten met (i) Pure Energie, (ii) Liander (waaronder onder meer de aansluit- en transportovereenkomsten) en (iii) Dunea ten aanzien van de levering van de nutsvoorzieningen (a) over te dragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde dan wel (b) te beëindigen indien de desbetreffende overeenkomst niet kan worden overgedragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde en ermee in te stemmen en te gedogen dat een overeenkomst tot stand komt met [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde;
5.4
bepaalt dat indien [gedaagde sub 1] c.s. niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis voldoen aan de verplichting onder 5.3 van dit vonnis, dit vonnis in de plaats treedt van alle vereiste (rechts)handelingen, instructies en instemmingen namens [gedaagde sub 1] c.s. teneinde te bewerkstelligen dat alle overeenkomsten met Pure Energie, Liander en Dunea ten aanzien van de levering van nutsvoorzieningen op naam van een van [gedaagde sub 1] c.s. (a) worden overgedragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde dan wel (b) worden beëindigd indien de desbetreffende overeenkomst(en) niet kan worden overgedragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde en ermee wordt ingestemd en gedoogd dat een (nieuwe) overeenkomst tot stand komt met [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde;
5.5
veroordeelt gedaagde sub 5 ( [gedaagde sub 5] ) om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] te betalen een bedrag van € 152.068,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf de datum van de dagvaarding in deze procedure tot aan de dag van volledige betaling;
5.6
veroordeelt gedaagde sub 5 ( [gedaagde sub 5] ) om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te betalen een bedrag van € 15.000,00 uit hoofde van de verbeurde dwangsommen uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2026 (C/16/609625 / KG ZA 26-187);
5.7
veroordeelt gedaagde sub 3 ( [gedaagde sub 3] ) om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te betalen een bedrag van € 25.000,00 uit hoofde van de verbeurde dwangsommen uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2026 (C/16/609625 / KG ZA 26-187);
5.8
verbiedt [gedaagde sub 1] c.s., zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, om na betekening van dit vonnis (a) de naam " [naam 1] ", dan wel enige daarvan slechts in geringe mate afwijkende naam of aanduiding, te gebruiken, waaronder begrepen het gebruik in of als (sub)domeinnaam, website, socialemedia-account, e-mailadres, briefpapier of enige andere (digitale) uiting, en (b) zich op enigerlei wijze, direct of indirect, voor te doen als (vertegenwoordiger van) het Project, [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. op straffe van een dwangsom van € 5.000 per overtreding, te vermeerderen met € 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 50.000 is bereikt;
5.9
beveelt en gebiedt [gedaagde sub 1] c.s., zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, om binnen twee weken na het wijzen van het vonnis, alle in 4.30 opgesomde (sub)domeinnamen, websites, socialemedia-accounts, op sociale media of enig ander (digitaal) platform, over te dragen (inclusief de desbetreffende inloggegevens), op straffe van een dwangsom van € 5.000 per overtreding, te vermeerderen met € 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 50.000 is bereikt;
5.10
beveelt en gebiedt [gedaagde sub 5] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis alle bankafschriften van [gedaagde sub 5] B.V. vanaf 1 januari 2023 aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te verstrekken;
5.11
bepaalt dat, indien [gedaagde sub 5] niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis volledig aan de verplichting onder 5.10 van dit vonnis hebben voldaan, [eiseres sub 2 (B.V.)] op de voet van artikel 3:299 BW is gemachtigd om namens [gedaagde sub 5] B.V., bij ING Bank N.V. op te vragen afschriften van alle bankproducten vanaf 1 januari 2023 in de administratie bekend op de naam van [gedaagde sub 5] B.V.;
5.12
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 9.142,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.13
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.14
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
TS5596
Bijlage: de vorderingen van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.
[eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. vorderen dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, beveelt en gebiedt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan eisers te verstrekken de bescheiden, informatie, goederen en/of roerende zaken die [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] op grond van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2026 (C/16/609625 / KG ZA 26-187) te verstrekken, en bepaalt dat deze veroordeling jegens gedaagden sub 1 en 2 ( [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) ten uitvoer kan worden gelegd bij lijfsdwang, voor een door de voorzieningenrechter te bepalen duur van telkens ten hoogste één jaar, indien zij in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, althans (subsidiair) op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden na betekening van dit vonnis in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van EUR 50.000;
II. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, beveelt en gebiedt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis alle medewerking te verlenen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. teneinde alle overeenkomsten (met onder meer (i) Pure Energie, (ii) Liander (waaronder onder meer de aansluit- en transportovereenkomsten) en (iii) Dunea) ten aanzien van de levering van de nutsvoorzieningen (a) over te dragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde dan wel (b) te beëindigen indien de desbetreffende overeenkomst niet kan worden overgedragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde en ermee in te stemmen en te gedogen dat een overeenkomst tot stand komt met [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde, en bepaalt dat deze veroordeling jegens gedaagden sub 1 en 2 ( [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) ten uitvoer kan worden gelegd bij lijfsdwang, voor een door de voorzieningenrechter te bepalen duur van telkens ten hoogste één jaar, indien zij in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, althans (subsidiair) op straffe van een dwangsom van EUR 2.500 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden na betekening van dit vonnis in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van EUR 50.000;
III. bepaalt dat, indien gedaagden niet binnen een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis voldoen aan de verplichting onder II van dit petitum, dit vonnis in de plaats treedt van alle vereiste (rechts)handelingen, instructies en instemmingen namens gedaagden teneinde te bewerkstelligen dat alle overeenkomsten ten aanzien van de levering van nutsvoorzieningen (waaronder maar niet uitsluitend ten aanzien van energie/elektriciteit en drinkwater) op naam van een van gedaagden (a) worden overgedragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde dan wel (b) worden beëindigd indien de desbetreffende overeenkomst(en) niet kan worden overgedragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde en ermee wordt ingestemd en gedoogd dat een (nieuwe) overeenkomst tot stand komt met [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde;
IV. gedaagde sub 1 en sub 2 ( [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ) verbiedt om zich, na betekening van dit vonnis, gedurende een periode van twee jaar te bevinden en/of te begeven in het gebied omvattende een straal van 300 meter van het terrein van de [naam 1] gelegen aan de [adres] te [plaats 5] , zoals nader aangeduid op de als productie E94 overgelegde kaart en te bepalen dat de verplichting uitvoerbaar zal zijn bij lijfsdwang, met dien verstande dat:
a. voor de eerste overtreding voor de duur van 1 week in lijfsdwang kan worden gesteld;
b. voor iedere volgende overtreding de lijfsdwang wordt vermeerderd met 1 week;
c. de lijfsdwang voor deze verplichting in totaal niet meer dan 6 maanden zal belopen.
V. gedaagde sub 5 ( [gedaagde sub 5] B.V.) veroordeelt om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] te betalen een bedrag van EUR 152.068,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, over dit bedrag vanaf 17 maart 2026, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;
VI. gedaagde sub 5 ( [gedaagde sub 5] B.V.) veroordeelt om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te betalen een bedrag van EUR 15.000 uit hoofde van de verbeurde dwangsommen uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2026 (C/16/609625 / KG ZA 26-187), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, over dit bedrag vanaf de datum twee weken na betekening van het vonnis, tot aan de dag van volledige betaling;
VII. gedaagde sub 3 ( [gedaagde sub 3] B.V.) veroordeelt om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te betalen een bedrag van EUR 25.000 uit hoofde van de verbeurde dwangsommen uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2026 (C/16/609625 / KG ZA 26-187), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, over dit bedrag vanaf de datum twee weken na betekening van het vonnis, tot aan de dag van volledige betaling;
VIII. gedaagden sub 1 en 2 ( [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres sub 1 (C.V.)] te betalen een bedrag van EUR 152.068,50 bij wijze van voorschot op de door [eiseres sub 1 (C.V.)] geleden en te lijden schade wegens onrechtmatig handelen, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf twee weken na betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;
IX. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, verbiedt om na betekening van dit vonnis (a) de naam " [naam 1] ", dan wel enige daarvan slechts in geringe mate afwijkende naam of aanduiding, te gebruiken, waaronder begrepen het gebruik in of als (sub)domeinnaam, website, socialemedia-account, e-mailadres, briefpapier of enige andere (digitale) uiting, en (b) zich op enigerlei wijze, direct of indirect, voor te doen als (vertegenwoordiger van) het Project, [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. of de bij het Project betrokken investeerders, dan wel de indruk te wekken namens hen op te treden of mededelingen te doen, een en ander behoudens voor zover het gebruik van de naam noodzakelijk is voor een feitelijke en neutrale aanduiding van het Project in gerechtelijke procedures, zulks op straffe van lijfsdwang met dien verstande dat:
a. voor de eerste overtreding voor de duur van 1 week in lijfsdwang kan worden gesteld;
b. voor iedere volgende overtreding de lijfsdwang wordt vermeerderd met 1 week;
c. de lijfsdwang voor deze verplichting in totaal niet meer dan 6 maanden zal belopen,
althans subsidiair op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 per overtreding, te vermeerderen met EUR 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van EUR 100.000;
X. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, beveelt en gebiedt om direct na het wijzen van het vonnis, alle door (een van) gedaagden op sociale media of enig ander (digitaal) platform (waaronder de website [naam 1] . [.] .com) geplaatste berichten over [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s., de door hen ingeschakelde personen en/of het Project per direct te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van lijfsdwang met dien verstande dat:
a. voor de eerste overtreding voor de duur van 1 week in lijfsdwang kan worden gesteld;
b. voor iedere volgende overtreding de lijfsdwang wordt vermeerderd met 1 week;
c. de lijfsdwang voor deze verplichting in totaal niet meer dan 6 maanden zal belopen,
althans subsidiair op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 per overtreding, te vermeerderen met EUR 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van EUR 100.000;
XI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, beveelt en gebiedt om binnen twee dagen na het wijzen van het vonnis, alle door (een van) gedaagden gebruikte (sub)domeinnamen, websites, socialemedia-accounts, op sociale media of enig ander (digitaal) platform met de naam " [naam 1] ", dan wel enige daarvan slechts in geringe mate afwijkende naam of aanduiding (waaronder maar niet uitsluitend de in de dagvaarding genoemde socialemedia-accounts en website), over te dragen (inclusief de desbetreffende inloggegevens) dan wel te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van lijfsdwang met dien verstande dat:
a. voor de eerste overtreding voor de duur van 1 week in lijfsdwang kan worden gesteld;
b. voor iedere volgende overtreding de lijfsdwang wordt vermeerderd met 1 week; c. de lijfsdwang voor deze verplichting in totaal niet meer dan 6 maanden zal belopen,
althans subsidiair op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 per overtreding, te vermeerderen met EUR 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van EUR 100.000;
XII. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, te verbieden zich na het wijzen van het vonnis diffamerend of onjuist uit te laten over [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. en/of (a) hun werknemers, (b) hun opdrachtnemers en (c) aan hen gelieerde personen, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden na betekening van dit vonnis in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van EUR 100.000;
XIII. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, beveelt en gebiedt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis alle bankafschriften van [gedaagde sub 5] B.V. vanaf 1 januari 2023 aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te verstrekken, op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 per overtreding, te vermeerderen met EUR 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van EUR 50.000;
XIV. bepaalt dat, indien [gedaagde sub 5] niet binnen tien dagen na betekening van dit vonnis volledig aan het onder XIII gevorderde heeft voldaan, [eiseres sub 2 (B.V.)] op de voet van artikel 3:299 BW is gemachtigd om op haar eigen kosten namens [gedaagde sub 5] B.V., bij ING Bank N.V. op te vragen afschriften van alle bankproducten vanaf 1 januari 2023 in de administratie bekend op de naam van [gedaagde sub 5] B.V., althans dat het vonnis in de plaats treedt van de opdracht en instemming van [gedaagde sub 5] B.V. aan ING Bank N.V. om de afschriften van alle bankproducten vanaf 1 januari 2023 in de administratie bekend op de naam van [gedaagde sub 5] B.V. te verstrekken aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.;
XV. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, beveelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de op 30 juni 2026 verwijderde hoofdzekering van de verdeelkast van woonblok A terug te geven aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s., zulks op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven, met een maximum van EUR 100.000;
XVI. althans een zodanige voorziening treft als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
XVII. gedaagden, althans gedaagde sub 5 ( [gedaagde sub 5] B.V.), veroordeelt tot betaling van de beslagkosten ad EUR 18.485,23;
XVIII. gedaagden, althans gedaagden sub 1, 2 en 5 ( [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 5] B.V.), veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 2.295,69 conform de BIK-staffel;
XIX. gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van eisers en het griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan, alsmede in de nakosten ten bedrage van EUR 178 zonder betekening, dan wel EUR 274 in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
Artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
Artikel 99 Rv.
Artikel 140 lid 3 Rv.
Uitgangspunt daarvoor is de e-mail van 5 juni 2026 (productie 70 van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.).
Hoge Raad 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3554 en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2221.
Productie 69 van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.
Productie 40 van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/614814 / KG ZA 26-448
Vonnis in kort geding van 1 september 2026
in de zaak van
1 [eiseres sub 1 (C.V.)] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 1 (C.V.)] ,2. [eiseres sub 2 (B.V.)],
gevestigd te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 2 (B.V.)] ,3. [eiseres sub 3] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 3] ,4. [eiseres sub 4] N.V.,
gevestigd te [plaats 3] (België),
hierna te noemen: [eiseres sub 4] ,5. [eiseres sub 5] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 5] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.,
advocaat: mr. J.A.G. de Boer,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
verschenen in persoon,2. [gedaagde sub 2],
wonende te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
niet verschenen,3. [gedaagde sub 3] B.V.,
gevestigd te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
niet verschenen,4. [gedaagde sub 4] B.V.,
gevestigd te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,
niet verschenen,5. [gedaagde sub 5] B.V.,
gevestigd te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 5] ,
niet verschenen,6. [gedaagde sub 6] U.A.,
gevestigd te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 6] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 96;
- akte overlegging producties 97 t/m 101;
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 14.
1.2
Op 18 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren namens [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. aanwezig: de heer [A] , de heer [B] , mr. De Boer en mr. [C] . Daarnaast was [gedaagde sub 1] aanwezig. De advocaten van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. en [gedaagde sub 1] hebben spreekaantekeningen voorgedragen, deze zijn toegevoegd aan het procesdossier. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3
Daarna is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
2.1
Op 15 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] veroordeeld om stukken aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te verstrekken. Deze zijn volgens [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. nog niet allemaal verstrekt en daarom vorderen zij nu dat alle gedaagden worden veroordeeld om deze stukken alsnog te verstrekken. Daarnaast hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. nog verschillende andere vorderingen ingesteld, namelijk:
het meewerken aan de overdracht van overeenkomsten van nutsvoorzieningen;
een gebiedsverbod voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ;
de betaling van verschillende geldbedragen;
het overdragen van accounts en een website;
een verbod op het doen van diffamerende en onjuiste uitlatingen;
het teruggeven van een hoofdzekering.
Voor de volledigheid is een overzicht van alle vorderingen van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
2.2
Een groot deel van de vorderingen wordt toegewezen, omdat daar geen of onvoldoende verweer tegen is gevoerd. De gevorderde lijfsdwang van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] wordt afgewezen, want in het vorige vonnis zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] nog niet eerder persoonlijk veroordeeld.
3De achtergrond van het geschil
3.1
Partijen hebben samengewerkt aan de ontwikkeling van 82 duurzame, ecologische, modulaire wooneenheden (hierna: Woody’s) in [plaats 5] (hierna: het project).
3.2
[eiseres sub 1 (C.V.)] is opgericht voor de realisatie en verhuur van de Woody’s. De beherend vennoot is [eiseres sub 2 (B.V.)] en de commanditaire vennoten zijn [eiseres sub 5] , [eiseres sub 4] en [gedaagde sub 4] . [eiseres sub 3] is een werkmaatschappij gelieerd aan [eiseres sub 4] en [eiseres sub 5] .
3.3
[gedaagde sub 4] is de enige aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 3] . [gedaagde sub 2] is op zijn beurt de enige bestuurder van [gedaagde sub 4] . [gedaagde sub 5] hield zich bezig met het verhuurbeheer van de al opgeleverde Woody’s. Dit beheer is inmiddels overgedragen aan een door [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. aangewezen partij ( [ondereming] B.V.). [gedaagde sub 3] was betrokken bij de bouw en realisatie van de Woody’s. [gedaagde sub 2] is ook de enig bestuurder van [gedaagde sub 6] . [gedaagde sub 6] is, volgens [gedaagde sub 1] , opgericht omdat dit verplicht was om een ontheffing te krijgen op grond van de Energiewet.
3.4
Partijen hebben de afspraken over hun samenwerking in verschillende overeenkomsten vastgelegd. Eén van die overeenkomsten is een projectmanagementovereenkomst die [eiseres sub 3] en [gedaagde sub 3] in april 2023 zijn overeengekomen. Daarin is afgesproken dat [gedaagde sub 1] feitelijk de rol van haar partner over zou nemen, want [gedaagde sub 2] is eind 2022 uitgevallen door ziekte.
4De beoordeling
Opmerkingen vooraf
4.1
Voor de beoordeling van de individuele vorderingen worden eerst de volgende onderwerpen besproken:
De bevoegdheid van de voorzieningenrechter
Het verstek van bijna alle gedaagde partijen
Het vonnis van 15 mei 2026
Het spoedeisende belang van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.
De reconventionele vorderingen van [gedaagde sub 1]
De energielevering van het project
De rol van [gedaagde sub 1]
Voor geen enkele vordering wordt nu lijfsdwang opgelegd
1. De bevoegdheid van de voorzieningenrechter
4.2
De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland is bevoegd. De voorzieningenrechter van de rechtbank kan namelijk in alle zaken, en dus ook in kantonzaken, een voorlopige voorziening geven. Dat, zoals [gedaagde sub 1] stelt, alleen de kantonrechter bevoegd zou zijn om over bepaalde vorderingen van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te beslissen, klopt dus niet. De voorzieningenrechter is ook relatief bevoegd, want alle gedaagden hebben hun woonplaats of zijn gevestigd in het arrondissement van de rechtbank Midden-Nederland. Dat in de projectmanagementovereenkomst een andere rechtbank is aangewezen, is niet relevant. In deze procedure zijn geen vorderingen ingesteld die hun grondslag vinden in de projectmanagementovereenkomst.
2. Het verstek van bijna alle gedaagde partijen
4.3
[gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] zijn niet verschenen. [gedaagde sub 1] heeft in haar conclusie van antwoord en op de mondelinge behandeling uitdrukkelijk verklaard dat zij alleen namens zichzelf is verschenen. Omdat bij de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, wordt aan [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] verstek verleend. Dit betekent dat de vorderingen tegen [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] in beginsel worden toegewezen, tenzij die vorderingen onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
4.4
Voor zover [gedaagde sub 1] verweer heeft gevoerd tegen vorderingen die zijn ingesteld tegen andere gedaagden, wordt met dat verweer geen rekening gehouden. Zij kan namelijk alleen namens zichzelf verweer voeren. Omdat dit een zaak is tegen meerdere gedaagden en [gedaagde sub 1] wel is verschenen, wordt één vonnis gewezen dat als vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
3. Het vonnis van 15 mei 2026
4.5
Op 15 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland in een eerdere procedure tussen partijen vonnis gewezen (hierna: het vorige vonnis). In het vorige vonnis zijn [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] onder andere veroordeeld om allerlei stukken te verstrekken op straffe van een dwangsom. Voor zover deze procedure een vervolg van het vorige vonnis is, geldt dat wat in dat vonnis is overwogen en besloten in deze procedure als uitgangspunt geldt. Het vorige vonnis is inmiddels namelijk onherroepelijk geworden. Dit geldt ook voor vorderingen die tegen [gedaagde sub 6] zijn ingesteld, want hoewel zij in de vorige procedure geen partij was heeft zij in deze procedure geen verweer gevoerd.
4. Het spoedeisende belang van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.
4.6
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorzieningen vraagt een spoedeisend belang heeft. [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben dat voor de meeste vorderingen voldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover zij dat voor bepaalde vorderingen niet hebben gedaan, wordt daar bij de beoordeling van die vorderingen op ingegaan. Zij willen het project namelijk zo snel mogelijk afronden en daar moet nog veel voor gebeuren. Ook loopt de deadline voor de aanvraag van de MIA-subsidie op 31 december 2026 af. Om voor die subsidie in aanmerking te komen moet het project dan ook zijn afgerond. Daarnaast hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. er belang bij dat zij zo snel mogelijk en op een veilige manier meer Woody’s kunnen gaan verhuren, want dan ontvangt [eiseres sub 1 (C.V.)] meer huurinkomsten om de maandelijkse kosten te kunnen betalen.
5. De reconventionele vorderingen van [gedaagde sub 1]
4.7
In haar conclusie van antwoord heeft [gedaagde sub 1] gevorderd dat het [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. wordt verboden om de naam [naam 1] te gebruiken. Daarnaast heeft zij in haar spreekaantekeningen de voorzieningenrechter onder meer verzocht om te bepalen dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. op straffe van een dwangsom ervoor moet zorgen dat de nieuwe verhuurbeheerder stopt met het innen van geld dat volgens haar aan de coöperatie toekomt. Deze tegenvorderingen/-verzoeken (ook wel reconventionele vorderingen genoemd) worden in deze procedure niet beoordeeld. [gedaagde sub 1] is namelijk in persoon verschenen (zonder advocaat) en kan daarom geen proceshandelingen verrichten. Dit betekent onder andere dat zij geen vorderingen in reconventie kan instellen.
6. De energielevering van het project
4.8
Een groot struikelblok tussen partijen is dat [gedaagde sub 1] zichzelf, [gedaagde sub 6] of [gedaagde sub 5] als enige bevoegde aanlegger en beheerder van het energienetwerk van het project beschouwt. Maar deze stelling heeft zij onvoldoende onderbouwd. Het is bijvoorbeeld nog steeds onduidelijk wie nu precies de beheerder is. Daarnaast heeft [gedaagde sub 6] een aantal jaren geleden een ontheffing gekregen van de RVO om een eigen energienetwerk te beheren, maar deze ontheffing is eind 2025 ingetrokken. Volgens [gedaagde sub 1] wordt sindsdien gedoogd dat [gedaagde sub 6] de beheerder is, maar het is niet gebleken dat in deze gedoogsituatie [gedaagde sub 6] (of [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 5] ) de enige beheerder moet blijven en dat dit niet kan worden overgedragen. In feite wordt op dit moment ook geen beheer gevoerd door [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 5] .
4.9
Tussen partijen staat wel vast dat de huidige voorzieningen onvoldoende zijn om alle 82 Woody’s op aan te sluiten. Om dit te kunnen realiseren erkennen [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. dat zij zonnepanelen en/of een batterij moeten plaatsen. Totdat dat is gebeurd, kunnen niet alle Woody’s klaar worden gemaakt voor verhuur. [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben voldoende onderbouwd dat [eiseres sub 1 (C.V.)] de partij is om dit verder op te pakken en met de officiële instanties af te wikkelen. In haar opdracht is immers het project gerealiseerd. Het is belangrijk dat er helderheid komt over de nutsvoorzieningen in het project, want dan kan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. alle maatregelen treffen die nodig zijn om de veiligheid van de huurders van de Woody’s te garanderen.
7. De rol van [gedaagde sub 1]
4.10
Het staat vast dat [gedaagde sub 1] geen statutair bestuurder van één van de gedaagde rechtspersonen is. Uit de uittreksels van de Kamer van Koophandel blijkt [gedaagde sub 2] , al dan niet via [gedaagde sub 4] , de enige bestuurder is. Omdat haar man de afgelopen jaren door medische redenen niets kon doen, heeft [gedaagde sub 1] de afgelopen jaren alleen een - aldus haarzelf - operationeel, uitvoerende en adviserende rol bij deze rechtspersonen gehad. Zij betwist dan ook de stelling van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. dat zij feitelijk beleidsbepaler van deze rechtspersonen zou zijn. Ter onderbouwing verwijst zij naar de projectmanagementovereenkomst. Dat dit niet klopt en dat haar rol omvangrijker was, blijkt alleen al uit de omschrijving in de projectmanagementovereenkomst van de diensten die zij moest verrichten. In artikel 3.1 van de overeenkomst staan dat zij onder andere:
leiding moest geven aan het team van arbeiders die de productie, opbouw en installaties van de Woody’s verzorgen;
de assemblage/productie van de Woody’s moest opstarten en managen;
de verschillende actoren in het project moest coördineren;
moest zorgdragen (uitnodigen en voorzitten) voor de verschillende vergaderingen;
documenten afkomstig van adviseurs en overige actoren moest contoleren, en
de projectcorrespondentie met derden moest voeren.
4.11
Naast de rol die [gedaagde sub 1] op grond van de projectmanagementovereenkomst had, zijn de volgende omstandigheden relevant voor het voorlopige oordeel dat [gedaagde sub 1] als feitelijk beleidsbepaler van de gedaagde rechtspersonen optreedt:
volgens [gedaagde sub 1] is haar man sinds eind 2022 niet meer in staat om de rol van bestuurder te vervullen en hij kan dus niets doen namens de rechtspersonen. Zij is daarom vanaf dat moment deze rol gaan vervullen en op het moment dat zij dat niet (meer) doet, handelt er niemand namens de rechtspersonen;
alleen [gedaagde sub 1] communiceert de laatste jaren namens de rechtspersonen;
ook na het vorige vonnis heeft [gedaagde sub 1] namens [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] met [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. gecommuniceerd over de wijze waarop aan dat vonnis kon worden voldaan;
[gedaagde sub 1] beheert de [naam 1] website, het Facebookaccount, het Instagramaccount en de LinkedInpagina van [gedaagde sub 5] .
4.12
[gedaagde sub 1] stelt dat zij inmiddels niets meer namens de rechtspersonen doet en dat zij daarom ook niet veroordeeld kan worden om stukken te overleggen. Op dit moment is er volgens haar dan ook niemand die namens de rechtspersonen kan handelen. Maar dat zij niets meer doet, blijkt niet uit haar recente activiteiten. Bijvoorbeeld:
Op 30 juni 2026 heeft ze (samen met [gedaagde sub 2] ) de hoofdzekering van woonblok A meegenomen;
Ze blijft contact opzoeken met de gemeente [gemeente] over het project;
Ze onderhoudt nog steeds de Facebookpagina met de naam [naam 1] ;
Ze heeft een nieuw Instagramaccount geopend met de naam [naam 2] ;
Ze heeft contact opgenomen over de MIA-subsidie met een belastinginspecteur;
Ze heeft contact opgenomen over het elektriciteitsnetwerk en het handelen van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. met Liander, de politie en ACM.
Dat zij niets voor of met het project doet, klopt dus niet. Daarom is het voorshands aannemelijk dat [gedaagde sub 1] nog steeds feitelijk beleidsbepaler van [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] is.
8. Voor geen enkele vordering wordt nu lijfsdwang opgelegd
4.13
[eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben gevorderd dat meerdere veroordelingen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ten uitvoer moeten kunnen worden gelegd bij lijfsdwang. Dit zal nu niet worden toegewezen. In het vorige vonnis zijn namelijk alleen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] veroordeeld om stukken te overleggen. Als feitelijk beleidsbepaler rust op [gedaagde sub 1] de verplichting om ervoor te zorgen dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] de verplichtingen uit het vorige vonnis nakomen, maar in het vorige vonnis is nog niet vastgesteld dat zij dat is. Alleen dit is al een reden om haar nog niet op straffe van lijfsdwang te veroordelen. Ook rust op [gedaagde sub 2] als bestuurder van deze rechtspersonen de verplichting om de veroordelingen na te komen, maar hij is in het vorige vonnis ook nog niet persoonlijk veroordeeld. Kennelijk is hij ook om medische redenen niet in staat om als bestuurder te functioneren. Daar komt bij dat op dit moment onvoldoende is gebleken dat sprake is van onwil van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] . Dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in een procedure met een derde eerder al twee keer € 75.000,00 aan dwangsommen hebben verbeurd, is onvoldoende reden om toch lijfsdwang op te leggen. [gedaagde sub 1] heeft op de mondelinge behandeling namelijk verklaard dat deze dwangsommen ondertussen volledig zijn betaald. Ook het feit dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] ondertussen dwangsommen verbeurd hebben omdat zij verplichtingen uit het vorige vonnis niet zijn nagekomen, is onvoldoende voor lijfsdwang.
4.14
Op dit moment is er dus onvoldoende reden om hen op straffe van een lijfsdwang te veroordelen. Voor zover [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in dit vonnis (ook) in privé worden veroordeeld, wordt daaraan een dwangsom verbonden als prikkel tot nakoming. De voorzieningenrechter hoopt dat dit voldoende is om ervoor te zorgen dat de veroordelingen worden nagekomen. Als blijkt dat de veroordelingen uit dit vonnis nog steeds niet worden nagekomen, dan lopen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] als de omstandigheden verder vergelijkbaar zijn, een groot risico dat zij een volgende keer allebei zullen worden veroordeeld op straffe van lijfsdwang. Lijfsdwang kan namelijk worden opgelegd als het aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel (zoals een dwangsom) onvoldoende uitkomst biedt en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt. Dit zal in een eventuele volgende procedure moeten worden beoordeeld.
[gedaagde sub 1] c.s. moeten informatie en zaken verstrekken (vordering I)
4.15
In het vorige vonnis zijn [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 3] veroordeeld om stukken aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te verstrekken. In dit vonnis worden zij daarom niet opnieuw veroordeeld. In dit vonnis worden wel [gedaagde sub 2] (als bestuurder), [gedaagde sub 1] (als feitelijk beleidsbepaler), [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] veroordeeld om de nog ontbrekende stukken te verstrekken. Deze vordering komt de voorzieningenrechter namelijk niet ongegrond of onrechtmatig voor. Ook slaagt het verweer van [gedaagde sub 1] niet. Zij heeft aangevoerd dat zij bepaalde stukken niet heeft of dat die niet bestaan, maar zij heeft niet concreet aangegeven over welke stukken dat dan gaat. Ten aanzien van de tekeningen heeft zij wel concreet als verweer gevoerd dat zij deze niet wil overleggen omdat ze bang is dat het concept wordt nagemaakt. Maar dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. dat van plan zijn, heeft zij niet onderbouwd. Sterker nog, [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben dit betwist. Ook wil ze de tekeningen niet overleggen omdat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. deze stukken niet nodig hebben, maar het is onvoldoende gebleken dat dat zo is. Het ligt voor de hand dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. deze stukken nodig hebben als er bijvoorbeeld reparaties moeten worden uitgevoerd of als ze de Woody’s willen doorverkopen. Verder zullen [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] stukken moeten opvragen voor zover zij daar niet zelf beschikken. Het is aannemelijk dat zij die stukken (als feitelijk beleidsbepaler, dan wel bestuurder) eenvoudig kunnen opvragen.
4.16
Hierna wordt opgesomd welke stukken nog ontbreken. Daarbij wordt opgemerkt dat ze alleen worden veroordeeld om stukken die concreet zijn opgesomd te verstrekken. Dat betekent dat voor zover in de opsomming van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. “et cetera” staat dat deel van de vordering onvoldoende bepaalbaar is en daarom wordt afgewezen. De volgende stukken moeten nog worden verstrekt:
De uitvoeringstekeningen van de huiskamer: schema’s/tekeningen van elektriciteit, waterleiding en waterafvoer;
Alle facturen van leveranciers en de betalingsbewijzen, zowel voor leveranciers die werken hebben uitgevoerd in [plaats 5] als voor de leveranciers die materialen/prestaties hebben geleverd voor de productie van de woningen;
Alle documentatie met betrekking tot de elektriciteitsvoorziening;
Alle as-built tekeningen van de al gebouwde woningen in [plaats 5] , waaronder in ieder geval:
a. Tekening dakelement;
b. Tekening zij element;
c. Tekening voorkant woning;
d. Tekening achterkant woning;
e. Tekening volledig dak over blok C, idem blok B en idem blok A;
f. Tekening/schema elektriciteit;
g. Tekening/schema waterafvoer;
h. Tekening/schema waterleiding;
5. Administratie en documentatie ten aanzien van het energiebeheer, in het bijzonder:
a. Elektriciteit: contract energieleverancier, afrekeningen met bewoners, facturen voor energie, wachtwoorden voor toegang;
b. Internet: contract internet, facturen, wachtwoorden voor toegang beheer;
c. Water: contract water, facturen, afrekeningen met bewoners, wachtwoorden voor toegang beheer;
d. Wasmachines: contract wasmachines, facturen, wachtwoorden voor toegang beheer;
6. Telefoonnummers van de bewoners;
7. Toegang tot het algemene domotica systeem Woody Access;
8. Sleutels, in ieder geval sleutels van de woningen blok C;
9. Sleutels van alle technische kasten van de woningen van Blok C, Blok B en Blok A;
10. Sleutels van de 4 elektrische kasten;
11. Sleutel kast hoofdaansluiting;
12. Sleutels kasten blok C, Blok B en blok A;
13. Een actueel huuroverzicht + servicekosten: dus het totale bedrag per huurder per maand uitgesplitst in kale huur + alle overige kosten volledig uitgesplitst;
14. De volledige beheers- en financiële administratie van [gedaagde sub 6] met inbegrip van de volledige transparante boekhouding en ingelegde gelden.
4.17
Deze opsomming lijkt uitgebreider dan waartoe [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 3] in het vorige vonnis zijn veroordeeld. Dat komt onder andere doordat in het vorige vonnis niet expliciet is besloten dat de administratie en documentatie ten aanzien van het energiebeheer (sub 5) en de telefoonnummers van de bewoners (sub 6) moesten worden overgelegd. Omdat dit onder “de complete beheer-, financiële en huuradministratie van de woningen” (zie 5.6 van het vorige vonnis) valt, worden [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] hiertoe ook expliciet veroordeeld. Daarnaast is in het vorige vonnis niet opgesomd welke tekeningen en sleutels moeten worden overgelegd en in de opsomming van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. is dit nu wel geconcretiseerd.
4.18
Aan het overleggen van de sleutels (sub 8 t/m 12) wordt geen dwangsom gekoppeld. De sleutels waar gedaagden over beschikken, moeten zij overleggen. Het ligt voor de hand dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. (voor zover zij dat nog niet hebben gedaan) alle sleutels toch zullen vervangen gegeven het risico dat er kopieën van in omloop zijn. Aan het overleggen van alle andere stukken zal een dwangsom worden gekoppeld. Deze wordt beperkt en gemaximaliseerd tot € 1.000 per dag(deel) en tot maximum € 25.000,00.
[gedaagde sub 1] c.s. moeten meewerken aan het op naam stellen van de nutsvoorzieningen (vorderingen II en III)
4.19
[gedaagde sub 1] c.s. moeten meewerken aan het op naam stellen van de nutsvoorzieningen op naam van [eiseres sub 1 (C.V.)] of een door haar aan te wijzen derde. Als de overeenkomsten niet kunnen worden overgedragen, dan moeten [gedaagde sub 1] c.s. deze beëindigen en ermee instemmen en gedogen dat een overeenkomst tot stand komt met [eiseres sub 1 (C.V.)] of een door haar aan te wijzen derde. Hoewel de overeenkomsten met Pure Energie, Liander en Dunea inmiddels wel op naam van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. staan, heeft [gedaagde sub 1] op de mondelinge behandeling verklaard dat Liander dit mogelijk weer gaat veranderen. Daarom hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. belang bij deze vorderingen. Omdat, zoals hiervoor overwogen, [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. voldoende hebben onderbouwd dat [eiseres sub 1 (C.V.)] de partij is om de energielevering verder op te pakken, geldt dit in ieder geval voor de overeenkomsten met Pure Energie en Liander. Tegen de overdracht van de overeenkomsten van andere nutsvoorzieningen is geen verweer gevoerd, dus ook met betrekking tot de overeenkomst met Dunea kan de vordering worden toegewezen. De vordering wordt echter alleen toegewezen voor de overeenkomsten met Pure Energie, Liander en Dunea. [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben namelijk niet gesteld dat er nog andere nutsvoorzieningen op naam van [eiseres sub 1 (C.V.)] moeten worden gezet.
4.20
Voor zover [gedaagde sub 1] c.s. hier niet aan meewerken, wordt bepaald dat dit vonnis in de plaats treedt van alle vereiste (rechts)handelingen, instructies en instemmingen van [gedaagde sub 1] c.s. Zij zullen dus geen dwangsommen verbeuren op het moment dat zij niet meewerken en [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. kan dan zelf alle noodzakelijke handelingen uitvoeren.
De hoofdzekering hoeft niet te worden overgedragen (vorderingen XV en XVI)
4.21
De vordering tot teruggave van de verwijderde hoofdzekering van woonblok A wordt afgewezen. Bij de teruggave van de hoofdzekering hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. namelijk geen spoedeisend belang. Op de mondelinge behandeling hebben zij verklaard dat de hoofdzekering inmiddels is vervangen en dat dit vooral een principieel punt is.
Het gebiedsverbod wordt afgewezen (vordering IV)
4.22
Het gevorderde gebiedsverbod wordt afgewezen. [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben hun belang daarbij onvoldoende onderbouwd. Een gebiedsverbod kan alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. Bij de beoordeling van zo’n vordering moeten alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen en de belangen van alle betrokken partijen worden afgewezen. Een gebiedsverbod is namelijk een ingrijpende maatregel die inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder het recht dat iedereen heeft om zich vrij te verplaatsen.
4.23
[eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben gesteld dat hun belang is dat een gebiedsverbod zorgt voor rust op het terrein van het project, want [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] frustreren en saboteren volgens hen het project. Dit laatste hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. onderbouwd met het feit dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] op 30 juni 2026 de hoofdzekering hebben weggehaald. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde sub 1] dit heeft gedaan omdat zij de vaste overtuiging heeft dat zij dat als/namens de beheerder van het elektriciteitsnetwerk moest doen. Dit enkele feit is daarom onvoldoende om een gebiedsverbod op te leggen. Daarnaast is gebleken dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. de sleutels inmiddels heeft vervangen of op korte termijn laat vervangen, dus [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben niet zomaar meer toegang tot het project. Voor het toewijzen van een gebiedsverbod is daarom op dit moment onvoldoende aanleiding.
De verschuldigde huurafdracht moet worden betaald (vordering V)
4.24
[gedaagde sub 5] wordt veroordeeld om de verschuldigde huurafdracht van € 152.068,50 te betalen. Deze vordering komt de voorzieningenrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor. Ook is het restitutierisico laag, want [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben op de mondelinge behandeling verklaard dat [eiseres sub 1 (C.V.)] eigenaar is van de Woody’s (die een waarde vertegenwoordigen) waarop geen hypotheek rust. [gedaagde sub 5] moet over dit bedrag ook de wettelijke rente betalen vanaf de datum van de dagvaarding in deze procedure, een eerdere ingangsdatum voor de wettelijke rente hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. onvoldoende onderbouwd.
4.25
Overigens heeft [gedaagde sub 1] op de mondelinge behandeling deze vordering wel betwist, maar dit heeft zij dus niet namens [gedaagde sub 5] gedaan. Ook heeft zij haar betwisting verder niet onderbouwd. Daarom wordt geen rekening gehouden met deze betwisting.
De verbeurde dwangsommen moeten worden betaald (vorderingen VI en VII)
4.26
Om dezelfde reden worden [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] ook veroordeeld tot betaling van de verbeurde dwangsommen. Zoals eerder overwogen zijn [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] de veroordelingen uit het vorige vonnis niet nagekomen en daarmee staat voldoende vast dat de verbeurde dwangsommen verschuldigd zijn. Het verzoek om ook te bepalen dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] daarover rente zijn verschuldigd, zal worden afgewezen. De reden daarvoor is dat het gaat om eventueel in de toekomst verschuldigde rente als [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] niet aan de veroordeling voldoet. Daarbij is geen spoedeisend belang.
Het betaling voorschot schadevergoeding wordt afgewezen (vordering VIII)
4.27
De betaling van een voorschot voor schadevergoeding door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] wordt afgewezen, want [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben deze vordering onvoldoende onderbouwd. Zij stellen dat zij schade lijden omdat:
de huurafdrachten niet zijn ontvangen;
huurinkomsten zijn misgelopen een nieuwe projectmanager moest worden ingehuurd;
de MIA-subsidie door het handelen mogelijk niet wordt verkregen;
e Woody’s inbreuk maken op de auteursrechten van een andere architect;
facturen van [eiseres sub 3] niet zijn betaald.
4.28
Voor a) geldt dat [gedaagde sub 5] in dit vonnis wordt veroordeeld om de huurafdrachten te betalen, dus dit bedrag wordt al toegewezen. Voor b) tot en met e) geldt dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. deze schadeposten onvoldoende hebben onderbouwd. Daarom kan niet worden beoordeeld hoe aannemelijk het is dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. deze schade lijden en wat dan de omvang daarvan is en of daarom een voorschot daarop op zijn plaats is.
[gedaagde sub 1] c.s. mogen de naam [naam 1] niet meer gebruiken en moeten de accounts overdragen (vordering IX en XI)
4.29
[gedaagde sub 1] c.s. mogen de naam “ [naam 1] ” dan wel namen die daar in geringe mate van afwijken, niet meer gebruiken. Het verweer van [gedaagde sub 1] dat de naam [naam 1] goodwill is, geen onderdeel uitmaakt van het verhuurbeheer en alleen maar om praktische overwegingen tijdelijk zou worden gebruikt door [eiseres sub 1 (C.V.)] slaagt niet. Dit is namelijk onvoldoende onderbouwd. Ook staat daartegenover dat [naam 1] de (handels)naam van [eiseres sub 1 (C.V.)] en [eiseres sub 2 (B.V.)] is en daarom aan hen toebehoort. Daarom mag de naam (of een naam die daar van geringe mate afwijkt) niet door een ander, en dus ook niet door [gedaagde sub 1] c.s., worden gebruikt.
4.30
Hoewel het recht op een domeinnaam niet wettelijk geregeld is, is het uitgangspunt dat degene die zich als domeinnaamhouder heeft laten registreren alleen kan worden gedwongen om deze aan een ander over te dragen als hij daartoe rechtens verplicht is. Die plicht kan berusten op een overeenkomst of voortvloeien uit de vaststelling dat registratie of gebruik van de domeinnaam tegenover die ander onrechtmatig is. Dit geldt ook voor social media accounts. Gelet op wat hiervoor in 4.29 is overwogen, wordt ook de vordering tot de overdracht van de website en de accounts op socialmediaplatformen toegewezen. Daarbij gaat het om de volgende website en accounts op socialmediaplatformen waarvan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben gesteld dat deze door [gedaagde sub 1] c.s., althans [gedaagde sub 1] , worden gebruikt:
[naam 1] . [.] .com
Facebook, onder de account(naam) ‘ [naam 1] ’
Facebook, onder de account(naam) ‘ [naam 3] )
Instagram, onder de account(naam) ‘ [naam 1] ’)
X (voorheen twitter), onder de account(naam) ‘ [naam 4] ’
X (voorheen twitter), onder de account(naam) ‘ [naam 5] ’
Facebook, onder de account(naam) ‘ [naam 2] ’
[gedaagde sub 1] heeft niet betwist dat zij deze website en accounts beheert. Zij heeft op de mondelinge behandeling wel verklaard dat ook anderen af en toe een stukje voor de website schrijven, maar dat heeft zij verder niet onderbouwd. Met deze verklaring heeft [gedaagde sub 1] wel feitelijk erkend dat zij deze website en accounts beheert.
4.31
Niet alleen [gedaagde sub 1] , maar ook alle andere gedaagden worden veroordeeld om de website en social media accounts over te dragen. Zij krijgen hiervoor twee weken de tijd. Als dit niet binnen die twee weken gebeurt, dan is een dwangsom verschuldigd van € 5.000,00 per dag(deel) en tot een maximum van € 20.000,00. Verder geldt voor elke keer dat na die twee weken de naam “ [naam 1] ” of een naam die daar in geringe mate van afwijkt (waaronder [naam 2] ) wordt gebruikt als bijvoorbeeld een domeinnaam of accountnaam op een socialmediaplatform, een dwangsom wordt verbeurd. Deze wordt ook beperkt en gemaximaliseerd tot € 5.000,00 per overtreding en tot een maximum van € 20.000,00.
De vorderingen over diffamerende en onjuiste uitlatingen van [gedaagde sub 1] c.s. worden afgewezen (vordering X en XII)
4.32
De vordering dat [gedaagde sub 1] c.s. geen diffamerende of onjuiste uitlatingen over [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s., hun werknemers, hun opdrachtnemers of aan hen gelieerde personen mogen doen, wordt afgewezen. Deze vordering is onvoldoende onderbouwd. Ter onderbouwing verwijzen [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. naar artikelen die op de oude blog van de website van [naam 1] waren geplaatst. Deze productie bestaat uit 54 pagina’s en [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben niet concreet gemaakt welke uitlatingen die daar zijn gedaan diffamerend of onjuist zijn. Daarom kan niet worden beoordeeld of de uitlatingen van [gedaagde sub 1] op dat blog onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW zijn. Daarnaast verwijzen zij naar een eerdere procedure van [gedaagde sub 1] tegen een derde waar zij ook herhaaldelijk zou zijn veroordeeld om geen diffamerende uitlatingen over die derde meer te doen. Dat [gedaagde sub 1] eerder dit soort uitlatingen zou hebben gedaan, is onvoldoende om haar te verbieden om dit soort uitlatingen over [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. en aan haar gelieerde personen te doen. Hierdoor handelt zij tegenover [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. namelijk nog niet onrechtmatig. Verder heeft [gedaagde sub 1] recent een LinkedIn-bericht geplaatst waarin zij het heeft over het project en verwijst naar [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. als “grote ego’s met weinig vakkennis” en stelt zij dat “onverantwoorde beslissingen” worden genomen. Ook dit is nog onvoldoende om aan te merken als onrechtmatige uitlatingen en valt nog binnen het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde sub 1] c.s., althans van [gedaagde sub 1] .
4.33
Ook wordt de vordering dat [gedaagde sub 1] c.s. alle geplaatste berichten over [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s., de door hen ingeschakelde personen en/of het project moeten verwijderen en verwijderd moeten houden afgewezen. Deze vordering is namelijk te breed, want [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben ook niet concreet gemaakt om welke berichten dit gaat.
De bankafschriften van [gedaagde sub 5] moeten worden verstrekt (vorderingen XIII en XIV)
4.34
[gedaagde sub 5] wordt veroordeeld om de gevorderde bankafschriften te verstrekken. Tegen deze vordering is geen verweer gevoerd. [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben deze vordering ook voldoende onderbouwd, want aan de vereisten van artikel 194 Rv voldaan. Ten eerste hebben [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hun belang bij deze gegevens voldoende onderbouwd, want met de bankafschriften:
willen zij de huuradministratie te reconstrueren, want [gedaagde sub 5] heeft daarin tot nu toe nog geen inzage gegeven;
willen ze de huuradministratie controleren, als zij deze alsnog ontvangen;
willen ze aantonen dat [gedaagde sub 5] zich schuldig heeft gemaakt aan verhaalsfrustratie;
willen ze onderzoeken of ze ook een vordering op [gedaagde sub 1] c.s. hebben omdat [gedaagde sub 1] eerder heeft erkend dat ontvangen huurpenningen voor andere doeleinden zijn gebruikt.
Ten tweede is aan het vereiste dat [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. partij zijn bij een rechtsbetrekking is voldaan, onder andere omdat [gedaagde sub 5] het verhuurbeheer deed en verplicht was om huurpenningen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] af te dragen. Ten derde is de gevraagde informatie ook voldoende concreet omschreven.
4.35
De voorzieningenrechter veroordeelt alleen [gedaagde sub 5] om de bankafschriften binnen twee weken aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te verstrekken. Daarnaast wordt aan deze veroordeling geen dwangsom verbonden. In plaats daarvan wordt op grond van artikel 3:299 BW aan [eiseres sub 2 (B.V.)] een machtiging verstrekt om zelf de bankafschriften op te vragen. Als er aan het opvragen kosten verbonden zijn, dan moeten [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. die zelf betalen en kunnen ze die te zijner tijd bij [gedaagde sub 5] in rekening brengen.
De beslagkosten en BIK hoeven nog niet te worden betaald (vordering XVI en XVIII)
4.36
De vorderingen van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. tot betaling van de beslagkosten en van de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, want zij hebben het spoedeisend belang daarbij onvoldoende onderbouwd.
[gedaagde sub 1] c.s. moeten de proceskosten van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. betalen (vordering XIX)
4.37
[gedaagde sub 1] c.s. zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. betalen. De proceskosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,57
- griffierecht
€
7.062,00
- salaris advocaat
€
1.766,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
9.142,57
4.38
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.39
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de voorzieningenrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1
verleent verstek tegen gedaagden sub 2 t/m 5 ( [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] );
5.2
beveelt en gebiedt gedaagden sub 1, 2, 4 en 6 ( [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 6] ), zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te verstrekken de bescheiden en sleutels als bedoeld 4.16, op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden sub 1, 2, 4 en 6 na betekening van dit vonnis in gebreke blijven om de bescheiden te verstrekken, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt;
5.3
beveelt [gedaagde sub 1] c.s., zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, om binnen twee weken na betekening van dit vonnis alle medewerking te verlenen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. teneinde de overeenkomsten met (i) Pure Energie, (ii) Liander (waaronder onder meer de aansluit- en transportovereenkomsten) en (iii) Dunea ten aanzien van de levering van de nutsvoorzieningen (a) over te dragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde dan wel (b) te beëindigen indien de desbetreffende overeenkomst niet kan worden overgedragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde en ermee in te stemmen en te gedogen dat een overeenkomst tot stand komt met [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde;
5.4
bepaalt dat indien [gedaagde sub 1] c.s. niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis voldoen aan de verplichting onder 5.3 van dit vonnis, dit vonnis in de plaats treedt van alle vereiste (rechts)handelingen, instructies en instemmingen namens [gedaagde sub 1] c.s. teneinde te bewerkstelligen dat alle overeenkomsten met Pure Energie, Liander en Dunea ten aanzien van de levering van nutsvoorzieningen op naam van een van [gedaagde sub 1] c.s. (a) worden overgedragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde dan wel (b) worden beëindigd indien de desbetreffende overeenkomst(en) niet kan worden overgedragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde en ermee wordt ingestemd en gedoogd dat een (nieuwe) overeenkomst tot stand komt met [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde;
5.5
veroordeelt gedaagde sub 5 ( [gedaagde sub 5] ) om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] te betalen een bedrag van € 152.068,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf de datum van de dagvaarding in deze procedure tot aan de dag van volledige betaling;
5.6
veroordeelt gedaagde sub 5 ( [gedaagde sub 5] ) om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te betalen een bedrag van € 15.000,00 uit hoofde van de verbeurde dwangsommen uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2026 (C/16/609625 / KG ZA 26-187);
5.7
veroordeelt gedaagde sub 3 ( [gedaagde sub 3] ) om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te betalen een bedrag van € 25.000,00 uit hoofde van de verbeurde dwangsommen uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2026 (C/16/609625 / KG ZA 26-187);
5.8
verbiedt [gedaagde sub 1] c.s., zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, om na betekening van dit vonnis (a) de naam " [naam 1] ", dan wel enige daarvan slechts in geringe mate afwijkende naam of aanduiding, te gebruiken, waaronder begrepen het gebruik in of als (sub)domeinnaam, website, socialemedia-account, e-mailadres, briefpapier of enige andere (digitale) uiting, en (b) zich op enigerlei wijze, direct of indirect, voor te doen als (vertegenwoordiger van) het Project, [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. op straffe van een dwangsom van € 5.000 per overtreding, te vermeerderen met € 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 50.000 is bereikt;
5.9
beveelt en gebiedt [gedaagde sub 1] c.s., zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, om binnen twee weken na het wijzen van het vonnis, alle in 4.30 opgesomde (sub)domeinnamen, websites, socialemedia-accounts, op sociale media of enig ander (digitaal) platform, over te dragen (inclusief de desbetreffende inloggegevens), op straffe van een dwangsom van € 5.000 per overtreding, te vermeerderen met € 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 50.000 is bereikt;
5.10
beveelt en gebiedt [gedaagde sub 5] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis alle bankafschriften van [gedaagde sub 5] B.V. vanaf 1 januari 2023 aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te verstrekken;
5.11
bepaalt dat, indien [gedaagde sub 5] niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis volledig aan de verplichting onder 5.10 van dit vonnis hebben voldaan, [eiseres sub 2 (B.V.)] op de voet van artikel 3:299 BW is gemachtigd om namens [gedaagde sub 5] B.V., bij ING Bank N.V. op te vragen afschriften van alle bankproducten vanaf 1 januari 2023 in de administratie bekend op de naam van [gedaagde sub 5] B.V.;
5.12
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 9.142,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.13
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.14
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
TS5596
Bijlage: de vorderingen van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.
[eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. vorderen dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, beveelt en gebiedt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan eisers te verstrekken de bescheiden, informatie, goederen en/of roerende zaken die [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] op grond van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2026 (C/16/609625 / KG ZA 26-187) te verstrekken, en bepaalt dat deze veroordeling jegens gedaagden sub 1 en 2 ( [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) ten uitvoer kan worden gelegd bij lijfsdwang, voor een door de voorzieningenrechter te bepalen duur van telkens ten hoogste één jaar, indien zij in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, althans (subsidiair) op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden na betekening van dit vonnis in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van EUR 50.000;
II. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, beveelt en gebiedt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis alle medewerking te verlenen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. teneinde alle overeenkomsten (met onder meer (i) Pure Energie, (ii) Liander (waaronder onder meer de aansluit- en transportovereenkomsten) en (iii) Dunea) ten aanzien van de levering van de nutsvoorzieningen (a) over te dragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde dan wel (b) te beëindigen indien de desbetreffende overeenkomst niet kan worden overgedragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde en ermee in te stemmen en te gedogen dat een overeenkomst tot stand komt met [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde, en bepaalt dat deze veroordeling jegens gedaagden sub 1 en 2 ( [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) ten uitvoer kan worden gelegd bij lijfsdwang, voor een door de voorzieningenrechter te bepalen duur van telkens ten hoogste één jaar, indien zij in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, althans (subsidiair) op straffe van een dwangsom van EUR 2.500 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden na betekening van dit vonnis in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van EUR 50.000;
III. bepaalt dat, indien gedaagden niet binnen een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis voldoen aan de verplichting onder II van dit petitum, dit vonnis in de plaats treedt van alle vereiste (rechts)handelingen, instructies en instemmingen namens gedaagden teneinde te bewerkstelligen dat alle overeenkomsten ten aanzien van de levering van nutsvoorzieningen (waaronder maar niet uitsluitend ten aanzien van energie/elektriciteit en drinkwater) op naam van een van gedaagden (a) worden overgedragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde dan wel (b) worden beëindigd indien de desbetreffende overeenkomst(en) niet kan worden overgedragen aan [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde en ermee wordt ingestemd en gedoogd dat een (nieuwe) overeenkomst tot stand komt met [eiseres sub 1 (C.V.)] of door haar aan te wijzen derde;
IV. gedaagde sub 1 en sub 2 ( [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ) verbiedt om zich, na betekening van dit vonnis, gedurende een periode van twee jaar te bevinden en/of te begeven in het gebied omvattende een straal van 300 meter van het terrein van de [naam 1] gelegen aan de [adres] te [plaats 5] , zoals nader aangeduid op de als productie E94 overgelegde kaart en te bepalen dat de verplichting uitvoerbaar zal zijn bij lijfsdwang, met dien verstande dat:
a. voor de eerste overtreding voor de duur van 1 week in lijfsdwang kan worden gesteld;
b. voor iedere volgende overtreding de lijfsdwang wordt vermeerderd met 1 week;
c. de lijfsdwang voor deze verplichting in totaal niet meer dan 6 maanden zal belopen.
V. gedaagde sub 5 ( [gedaagde sub 5] B.V.) veroordeelt om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] te betalen een bedrag van EUR 152.068,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, over dit bedrag vanaf 17 maart 2026, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;
VI. gedaagde sub 5 ( [gedaagde sub 5] B.V.) veroordeelt om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te betalen een bedrag van EUR 15.000 uit hoofde van de verbeurde dwangsommen uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2026 (C/16/609625 / KG ZA 26-187), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, over dit bedrag vanaf de datum twee weken na betekening van het vonnis, tot aan de dag van volledige betaling;
VII. gedaagde sub 3 ( [gedaagde sub 3] B.V.) veroordeelt om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te betalen een bedrag van EUR 25.000 uit hoofde van de verbeurde dwangsommen uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2026 (C/16/609625 / KG ZA 26-187), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, over dit bedrag vanaf de datum twee weken na betekening van het vonnis, tot aan de dag van volledige betaling;
VIII. gedaagden sub 1 en 2 ( [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres sub 1 (C.V.)] te betalen een bedrag van EUR 152.068,50 bij wijze van voorschot op de door [eiseres sub 1 (C.V.)] geleden en te lijden schade wegens onrechtmatig handelen, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf twee weken na betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;
IX. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, verbiedt om na betekening van dit vonnis (a) de naam " [naam 1] ", dan wel enige daarvan slechts in geringe mate afwijkende naam of aanduiding, te gebruiken, waaronder begrepen het gebruik in of als (sub)domeinnaam, website, socialemedia-account, e-mailadres, briefpapier of enige andere (digitale) uiting, en (b) zich op enigerlei wijze, direct of indirect, voor te doen als (vertegenwoordiger van) het Project, [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. of de bij het Project betrokken investeerders, dan wel de indruk te wekken namens hen op te treden of mededelingen te doen, een en ander behoudens voor zover het gebruik van de naam noodzakelijk is voor een feitelijke en neutrale aanduiding van het Project in gerechtelijke procedures, zulks op straffe van lijfsdwang met dien verstande dat:
a. voor de eerste overtreding voor de duur van 1 week in lijfsdwang kan worden gesteld;
b. voor iedere volgende overtreding de lijfsdwang wordt vermeerderd met 1 week;
c. de lijfsdwang voor deze verplichting in totaal niet meer dan 6 maanden zal belopen,
althans subsidiair op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 per overtreding, te vermeerderen met EUR 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van EUR 100.000;
X. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, beveelt en gebiedt om direct na het wijzen van het vonnis, alle door (een van) gedaagden op sociale media of enig ander (digitaal) platform (waaronder de website [naam 1] . [.] .com) geplaatste berichten over [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s., de door hen ingeschakelde personen en/of het Project per direct te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van lijfsdwang met dien verstande dat:
a. voor de eerste overtreding voor de duur van 1 week in lijfsdwang kan worden gesteld;
b. voor iedere volgende overtreding de lijfsdwang wordt vermeerderd met 1 week;
c. de lijfsdwang voor deze verplichting in totaal niet meer dan 6 maanden zal belopen,
althans subsidiair op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 per overtreding, te vermeerderen met EUR 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van EUR 100.000;
XI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, beveelt en gebiedt om binnen twee dagen na het wijzen van het vonnis, alle door (een van) gedaagden gebruikte (sub)domeinnamen, websites, socialemedia-accounts, op sociale media of enig ander (digitaal) platform met de naam " [naam 1] ", dan wel enige daarvan slechts in geringe mate afwijkende naam of aanduiding (waaronder maar niet uitsluitend de in de dagvaarding genoemde socialemedia-accounts en website), over te dragen (inclusief de desbetreffende inloggegevens) dan wel te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van lijfsdwang met dien verstande dat:
a. voor de eerste overtreding voor de duur van 1 week in lijfsdwang kan worden gesteld;
b. voor iedere volgende overtreding de lijfsdwang wordt vermeerderd met 1 week; c. de lijfsdwang voor deze verplichting in totaal niet meer dan 6 maanden zal belopen,
althans subsidiair op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 per overtreding, te vermeerderen met EUR 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van EUR 100.000;
XII. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, te verbieden zich na het wijzen van het vonnis diffamerend of onjuist uit te laten over [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. en/of (a) hun werknemers, (b) hun opdrachtnemers en (c) aan hen gelieerde personen, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden na betekening van dit vonnis in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van EUR 100.000;
XIII. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, beveelt en gebiedt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis alle bankafschriften van [gedaagde sub 5] B.V. vanaf 1 januari 2023 aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. te verstrekken, op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 per overtreding, te vermeerderen met EUR 1.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van EUR 50.000;
XIV. bepaalt dat, indien [gedaagde sub 5] niet binnen tien dagen na betekening van dit vonnis volledig aan het onder XIII gevorderde heeft voldaan, [eiseres sub 2 (B.V.)] op de voet van artikel 3:299 BW is gemachtigd om op haar eigen kosten namens [gedaagde sub 5] B.V., bij ING Bank N.V. op te vragen afschriften van alle bankproducten vanaf 1 januari 2023 in de administratie bekend op de naam van [gedaagde sub 5] B.V., althans dat het vonnis in de plaats treedt van de opdracht en instemming van [gedaagde sub 5] B.V. aan ING Bank N.V. om de afschriften van alle bankproducten vanaf 1 januari 2023 in de administratie bekend op de naam van [gedaagde sub 5] B.V. te verstrekken aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.;
XV. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, beveelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de op 30 juni 2026 verwijderde hoofdzekering van de verdeelkast van woonblok A terug te geven aan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s., zulks op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven, met een maximum van EUR 100.000;
XVI. althans een zodanige voorziening treft als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
XVII. gedaagden, althans gedaagde sub 5 ( [gedaagde sub 5] B.V.), veroordeelt tot betaling van de beslagkosten ad EUR 18.485,23;
XVIII. gedaagden, althans gedaagden sub 1, 2 en 5 ( [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 5] B.V.), veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 2.295,69 conform de BIK-staffel;
XIX. gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van eisers en het griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan, alsmede in de nakosten ten bedrage van EUR 178 zonder betekening, dan wel EUR 274 in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
Artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
Artikel 99 Rv.
Artikel 140 lid 3 Rv.
Uitgangspunt daarvoor is de e-mail van 5 juni 2026 (productie 70 van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.).
Hoge Raad 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3554 en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2221.
Productie 69 van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.
Productie 40 van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s.