Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6233
Inhoudsindicatie
De verdachte wordt vrijgesproken van het primaire feit (art. 6 WvW) en veroordeeld voor het subsidiaire feit (art. 5 WvW). De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bestuurder is geweest van het motorrijtuig is geweest. De verdachte is door het rode verkeerslicht gereden, terwijl dit verkeerslicht al ruim 6 minuten rood uitstraalde en hij harder reed dan toegestaan. Er is geen informatie bekend over hoe hard de verdachte reed ten tijde van de botsing. Het is ook niet bekend waar het slachtoffer precies heeft overgestoken. Daardoor kan de rechtbank niet vaststellen of de verdachte haar heeft kunnen zien en in staat was zijn snelheid te reguleren om een aanrijding te voorkomen. Uit het dossier blijkt bovendien niet dat de verdachte op zo’n manier reed – bijvoorbeeld met een dermate forse overschrijding van de snelheid en onder invloed – dat het zonder meer duidelijk is dat een aanrijding geheel aan hem te wijten is. Met zijn handelingen, zeker gelet op het feit dat het donker was, heeft de verdachte zich wel schuldig gemaakt aan de overtreding van art. 5 WvW. Straf: taakstraf van 60 uur en een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 4 maanden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (38.535 tekens)
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/192377-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 augustus 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).
1Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
de verdachte;
de officier van justitie: mr. M.L. Kruit;
de advocaat van de verdachte: mr. B. van Elst (hierna: de advocaat);
het slachtoffer: [slachtoffer] .
2Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair (artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994)
op 15 augustus 2024 in Vianen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend op een motor of scooter heeft gereden, door een rood verkeerslicht te negeren en te hard te rijden en dat het zijn schuld is dat daardoor een verkeersongeval is ontstaan waarbij [slachtoffer] zwaar gewond is geraakt;
en voor het geval die beschuldiging niet tot een veroordeling zou leiden, subsidiair (artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994)
op 15 augustus 2024 in Vianen op een motor of scooter heeft gereden en op de hiervoor beschreven manier gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3Bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte integraal vrij te spreken omdat volgens de advocaat niet bewezen kan worden dat de verdachte de bestuurder is geweest van het motorrijtuig. Indien de rechtbank wel tot dat oordeel komt, verzoekt de advocaat om verdachte vrij te spreken van het primaire feit en laat hij de beslissing over aan de rechtbank voor wat betreft het subsidiaire feit. De verweren van de advocaat over het bewijs worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 4.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat het primaire feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
3.3.2.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het subsidiaire feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.3.3.
Bewijsoverwegingen
De feiten
Op 15 augustus 2024 vindt iets na middernacht een ongeval plaats op de [locatie] in Vianen tussen een motor of scooter en [slachtoffer] , die als voetgangster haar hond uitliet. Het ongeval gebeurde kort nadat de motor of scooter een met verkeerslichten beveiligd kruispunt is gepasseerd. De politie treft naast het slachtoffer een man aan met verwondingen aan zijn aangezicht. Uit camerabeelden volgt dat de motor of scooter na het ongeval is verplaatst. De politie heeft dit voertuig niet meer aangetroffen. Op camerabeelden is te zien dat een motor of scooter na de botsing over de weg schuift, en tot stilstand komt. Direct daarna komen de onderbenen, broek en schoenen van een persoon het beeld in glijden. De onderbenen maken over de gehele lengte contact met het wegdek. Deze persoon zit of ligt dus op het wegdek. Vervolgens is op de beelden te zien dat een persoon met vergelijkbare schoenen en broek de motor of scooter omhoog trekt en deze verplaatst.
[slachtoffer] is gewond geraakt en heeft meerdere breuken en kneuzingen opgelopen. Haar hond is ter plaatse overleden. De verdachte werd vlakbij gewond aangetroffen in een van de voortuinen.
De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij het ongeval en dat hij een helm droeg die niet van hem was. Hij weet verder niet of hij de motor of scooter heeft bestuurd, maar hij denkt van niet. Hij heeft geen herinneringen meer aan die avond. Hij weet dat hij bij een vriend was geweest op het industrieterrein in Vianen. Van vrienden heeft hij begrepen dat hij daar lopend is weggegaan en normaliter gaat hij vanaf daar ook lopend naar zijn huis. De verdachte herkent zichzelf niet op de camerabeelden. Gelet op het letsel dat hij zelf heeft opgelopen acht hij het bovendien niet voorstelbaar dat hij diegene is geweest die de motor of scooter vervolgens oppakt. De verdachte vermoedt dat hij achterop heeft gezeten en dat iemand anders de motor of scooter heeft bestuurd.
Is de verdachte de bestuurder geweest van het motorrijtuig?
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte de bestuurder van het motorrijtuig is geweest. De verdachte is aangetroffen in de nabijheid van de plaats van het ongeval, had verwondingen en had een helm op. Zowel de getuige [getuige 1] als de getuige [getuige 2] verklaren dat er een persoon was, die gewond was, die de motor of scooter oppakte en verplaatste. De rechtbank leidt verder uit bewijsmiddelen af dat de persoon die de scooter verplaatst kort daarvoor op het wegdek heeft gezeten of gelegen, wat erop wijst dat die persoon bij het ongeval betrokken is geweest. Getuige [getuige 2] verklaart dat zij deze persoon in haar voortuin heeft gezet. Verbalisant [verbalisant] treft de verdachte met letsel aan in de voortuin van een woning. Door de getuigen is verder niet verklaard over de aanwezigheid van andere personen op het wegdek dan het slachtoffer en de verdachte. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de bestuurder is geweest van de bij het ongeval betrokken scooter of motor. Voor de verklaring van de verdachte dat hij mogelijk achterop het motorrijtuig heeft gezeten terwijl een ander dit voertuig bestuurde, zijn geen aanknopingspunten in het dossier. Dit alternatieve scenario is dus niet aannemelijk geworden.
Tussenconclusie
De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder is geweest van de motor of scooter. Hierna zal de rechtbank over de verdachte spreken wanneer gesproken wordt over de bestuurder van de motor of scooter.
De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of uit de bewijsmiddelen volgt dat het rijgedrag van de verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) of van gevaarzettend rijgedrag als bedoeld in artikel 5 WVW.
Vrijspraak van het primaire feit (artikel 6 WvW)
De rechtbank oordeelt dat het primair tenlastegelegde feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
De verdachte wordt er primair van beschuldigd dat hij artikel 6 WVW heeft overtreden, doordat hij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Om deze schuld te bewijzen, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht.
De schuld heeft geen betrekking op de relatie tussen het gedrag en de gevolgen bij één of meer slachtoffers. Dat betekent dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het handelen kan worden vastgesteld dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Hoe tragisch de gevolgen in dit geval ook zijn geweest.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte door het rode verkeerslicht is gereden, terwijl dit verkeerslicht al ruim 6 minuten rood uitstraalde en dat hij tussen 59 en 65 kilometer per uur reed. De rechtbank kan niet vaststellen met wat voor soort tweewielig motorrijtuig het ongeval heeft plaatsgevonden. Voor scooters geldt een maximumsnelheid van 45 kilometer per uur en op deze weg geldt een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur voor motoren. De verdachte reed dus te hard toen hij door rood reed. Uit het dossier volgt dan weer niet dat de verdachte te hard reed ten tijde van de botsing. De vermoedelijke plaats van het ongeval is namelijk gelegen op enige afstand na het stoplicht en er is geen informatie bekend over hoe hard hij toen reed.
Het is ook niet bekend waar [slachtoffer] precies heeft overgestoken. De politie heeft dit niet kunnen vaststellen en vermoedt dat het ongeveer 35 meter na het stoplicht is geweest. [slachtoffer] heeft in ieder geval niet op het met verkeerslichten beveiligde kruispunt overgestoken waar de verdachte door rood is gereden en ook niet op een voetgangersoversteekplaats. Zij heeft verklaard dat zij normaal gesproken goed kijkt voordat zij oversteekt maar dat zij niet meer weet hoe dat deze keer precies is gegaan. Het is daarom onduidelijk hoe zij in dit geval heeft overgestoken. Daardoor kan de rechtbank niet vaststellen of de verdachte haar heeft kunnen zien en in staat was zijn snelheid te reguleren om een aanrijding te voorkomen. Uit het dossier blijkt bovendien niet dat de verdachte op zo’n manier reed – bijvoorbeeld met een dermate forse overschrijding van de snelheid en onder invloed – dat het zonder meer duidelijk is dat een aanrijding geheel aan hem te wijten is.
De verdachte heeft verkeersfouten gemaakt door ongeveer 35 meter voor het verkeersongeval door rood licht te rijden en daar harder te rijden dan was toegestaan, maar deze verkeersfouten leveren in de omstandigheden van dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen schuld op in de zin van artikel 6 WVW, zodat de verdachte van het primaire feit zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring van het subsidiaire feit (artikel 5 WvW)
De verdachte heeft op een motor of scooter gereden met een hogere snelheid dan toegestaan en hij heeft met die snelheid door een rood verkeerslicht gereden. Dat zijn, zeker gelet op het feit dat het donker was, gevaarlijke handelingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg en het hinderen van het verkeer op die weg.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 15 augustus 2024 te Vianen als bestuurder van een tweewielig motorvoertuig,daarmee rijdende op de weg, de [locatie] ,- kort voor het ongeval een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd rood lichtuitstralend verkeerslicht op het kruispunt gevormd door de [straat] en de[straat] en de [locatie] heeft genegeerd en- daarbij met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheidheeft gereden en- met voornoemde snelheid de kruising over is gestoken en in de richting van de[locatie] is gereden, terwijl een voetgangster doende was de[locatie] over te steken en- vervolgens tegen voornoemde voetgangster is aangereden,door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd,.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
4.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5Straf en/of maatregel
5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 6 maanden.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf van 60 uur op en een rijontzegging voor de duur van vier maanden geheel voorwaardelijk.
Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft gevaar op de weg veroorzaakt en het verkeer op die weg gehinderd door te hard door een rood verkeerslicht te rijden en harder te rijden dan was toegestaan. Vervolgens heeft een verkeersongeval plaatsgevonden. Hierbij heeft het slachtoffer flink letsel opgelopen en is haar hond, een 5 maanden oude pup, overleden. Het letsel van het slachtoffer bestond uit een gebroken borstbeen, een breuk in het borstbeen, meerdere aangezichtsfracturen en verschillende kneuzingen. Zij is geopereerd aan haar oog. Uit de door het slachtoffer voorgedragen verklaring volgt dat het leven voor haar en haar man volledig anders is dan voor het ongeval. Haar sleutelbeen zal niet meer herstellen, zij kan niet meer paard rijden terwijl ze daar voorheen veel ontspanning uithaalde, ze is gedeeltelijk arbeidsongeschikt en verkeersgeluiden zijn nog steeds een trigger voor haar. Ook psychologisch kampt zij nog met de gevolgen van het ongeval.
De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Hij houdt vol dat hij niet de bestuurder is geweest van het motorrijtuig en staat niet open voor de objectieve aanwijzingen uit het dossier waaruit volgt dat hij dat wél was.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft het strafblad van de verdachte van 5 juni 2026 bekeken. Hieruit volgt dat de verdachte in 2023 is veroordeeld voor rijden onder invloed van drugs in 2020. De rechtbank neemt deze veroordeling in strafverzwarende zin mee.
Strafkader
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in andere, vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval een geheel onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden is. De rechtbank ziet echter aanleiding voor een lagere taakstraf dan door de officier van justitie is geëist. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. De rechtbank legt op een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uur.
De rechtbank zal daarnaast aan de verdachte een geheel voorwaardelijke rijontzegging opleggen voor de duur van 4 maanden. De rechtbank weegt hierbij mee dat het voor de verkeersveiligheid niet nog nodig is dat aan de verdachte bijna twee jaar later een rijontzegging wordt opgelegd. Verder is het, zoals op de zitting besproken, noodzakelijk voor de verdachte om voor zijn werk de beschikking te hebben over een geldig rijbewijs. Met deze voorwaardelijke straf heeft de verdachte een prikkel om in het verkeer niet opnieuw in de fout te gaan. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen rijontzegging voldoende recht doet aan de ernst van het gepleegde feit.
6Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregel is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
7De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart primaire feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en/of maatregel
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis;
ontzegt verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden;
bepaalt dat de ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;
Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Michon, voorzitter, mr. K. de Meulder en mr. S.D. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Bemmelen als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 15 augustus 2024, te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden,althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van eenmotorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de [locatie] ,zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeftplaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,onvoorzichtig en/of onoplettend,- (kort voor het ongeval) een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd rood lichtuitstralend verkeerslicht op het kruispunt gevormd door de [straat] en/of de[straat] en/of de [locatie] te negeren en/of- (daarbij) met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheiden/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was te rijden en/of- met voornoemde snelheid de kruising over te steken en/of in de richting van de[locatie] te rijden, terwijl een voetgangster doende was de[locatie] over te steken, althans die zich daartoe opvoornoemde [locatie] bevond en/of- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels enverkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuigzodanig te regelen dat hij, verdachte, in staat was dat motorrijtuig tot stilstand tebrengen binnen de afstand waarover de weg vrij was van verkeer en/of- (vervolgens) tegen voornoemde voetgangster te botsen en/of aan te rijden,waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten eenhoofdwond en/of oogletsel en/of een gebroken sleutelbeen en/of meerdereaangezichtsfracturen en/of een borstbeenfractuur en/of een gekneusdevenwichtsorgaan en/of een gekneusde elleboog, of zodanig lichamelijk letsel werdtoegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van denormale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij, op of omstreeks 15 augustus 2024, te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden,althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (tweewielig motorvoertuig),daarmee rijdende op de weg, de [locatie] ,- (kort voor het ongeval) een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd rood lichtuitstralend verkeerslicht op het kruispunt gevormd door de [straat] en/of de[straat] en/of de [locatie] heeft genegeerd en/of- (daarbij) met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheiden/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was heeft gereden en/of- met voornoemde snelheid de kruising over is gestoken en/of in de richting van de[locatie] is gereden, terwijl een voetgangster doende was de[locatie] over te steken, althans die zich daartoe opvoornoemde [locatie] bevond en/of- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels enverkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuigzodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat motorrijtuig tot stilstandte brengen binnen de afstand waarover de weg vrij was van verkeer en/of- (vervolgens) tegen voornoemde voetgangster is gebotst/aangereden,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van 23 juli 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 15 augustus 2024 was ik op de [locatie] in Vianen betrokken bij een ongeval. Ik had een helm op en ik had letsel.
Een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik deed onderzoek naar het verkeersongeval op donderdag 15 augustus 2024 omstreeks 00:05 uur op de [locatie] te Vianen. Ik bekeek de beelden met bestandsnaam Beelden Securitas-15-08-2004 00_02_09 (UTC+02_00).
Op foto 2, 36 seconden van de opname, is te zien dat er een voertuig aan komt glijden
uit de richting van [straat] , dit voertuig glijdt, aan de vonkenregen te zien, op de
rijstrook voor tegemoetkomend verkeer, tegen het fietspad aan. De verlichting aan de
voorzijde schijnt naar de camera. Rechts onderin beeld zijn 2 benen zichtbaar,
gekleed in een donkere broek en lichte schoenen. Mij is ambtshalve bekend dat er een
aanrijding heeft plaatsgevonden.
Op foto 3, op 44 seconden van de opname, is te zien dat de het voertuig tot stilstand
is gekomen en rechts onderin beeld is te zien dat de benen bewegen.
Op foto 7, 01:44 minuten van de opname, is te zien dat er een persoon aan komt lopen
die een aantal goederen in zijn handen heeft, lijkende op onder andere een helm. De
broek en schoenen zijn gelijkende op de kleding die op foto 3 te zien zijn.
Op foto 11, 02:11 minuten van de opname, is te zien dat de persoon in het donker
gekleed gaat helpen om het voertuig op te tillen.
Op foto 12, 02:16 minuten van de opname, is te zien dat het voertuig overeind staat
en dat de persoon in het donker gekleed het voertuig voorwaarts duwt.
Op foto 13, 02:22 minuten van de opname, is te zien dat het voertuig in een
parkeervak wordt gestald, de verlichting staat nog aan.
Een opname van beeld, als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten camerabeelden bestandsnaam 15-8-2024 00_02_09 (UTC+02_00), inhoudende:
Het betreft een opname van beeld 15 augustus 2024 van de [locatie] . De rechtbank ziet vanaf 35 seconden een voorwerp rechts in beeld komen dat over het wegdek glijdt. De rechtbank ziet dat direct daarna de benen van een persoon in beeld komen. De benen van de persoon komen in beeld op dezelfde plek en vanuit dezelfde richting als het hiervoor genoemde voorwerp. De rechtbank ziet dat de benen van de persoon horizontaal over het wegdek bewegen en tot stilstand komen. De benen zijn dan zichtbaar tot aan de knieën en maken over de gehele zichtbare lengte contact met het wegdek. De rechtbank ziet dat de persoon een donkerkleurige broek en witte schoenen draagt.
Een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 15 augustus 2024 om 00:10 uur kwam ik ter plaatse op de [locatie] te Vianen. Ik zag dat er diverse personen zich ontfermd hadden over een vrouw die aan de rechterzijde van de weg tegen een geparkeerd auto lag. Ik zag dat deze vrouw gewond was. Omdat er gesproken werd over een aanrijding met een brommer ben ik op zoek gegaan naar de bestuurder. Ik hoorde van een omstander dat de bestuurder even tijdelijk opgevangen was in een voortuin. Ik ben hierop naar deze man gegaan. Ik zag dat deze man, welke later bleek te zijn: [verdachte] geboren op [geboortedatum] -90, verwondingen aan zijn aangezicht had.
Een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstreeks 00:15 uur kwamen wij ter plaatse bij de [locatie] te Vianen. Ik zag dat een man in de voortuin van een omstander zat. Ik zag dat hij een bebloed gezicht had. Ik stelde vast dat de bestuurder van de motor [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] betrof.
Een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 15 augustus 2024 kwam ik ter plaatse op de [locatie] te Vianen. Ik zag een vrouw tegen één van de geparkeerde auto's op de rijbaan zitten. Ik hoorde een persoon die mij opgaf te zijn: [getuige 1] . Ik hoorde hem het volgende verklaren:- ik reed op de [straat] te Vianen komende vanaf de richting snelweg A27 en wilde afslaan richting de [locatie] ;- ik zag dat er een persoon met de buik op de grond lag op de rijstrook welke het dichtstbij de geparkeerde auto's was gelegen;- ik zag dat de betrokken scooter ongeveer 10 meter verderop lag net op het fietspad;- ik zag dat de scooter met de neus richting de [straat] lag;- ik zag dat een persoon, waarvan ik zag dat hij gewond was, de scooter oppakte en ik dacht een moment dat de scooterrijder weg wilde rijden;- ik zag dat de persoon de scooter op de parkeerplaats neerzette en in een tuin ging zitten naast de parkeerplaats.
Ik sprak hierna een persoon die mij opgaf te zijn: [getuige 2] . Ik hoorde haar het volgende verklaren:- ik woon aan de [adres 2] en hoorde een heel harde knal en ben direct naar buiten gegaan;- ik zag dat er een persoon op de grond op de weg lag;- ik zag dat er een jongen die gewond was een scooter in zijn handen had en deze parkeerde voor mijn huis;- ik heb deze jongen direct op een stoel in mijn voortuin gezet en heb gewacht op de hulpdiensten.
Een proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] als verdachte, voor zover inhoudende, zakelijke weergegeven:
V: Wat ging u doen, voordat de aanrijding plaatsvond?A: De hond uitlaten.
V: Waarom stak u daar over?A: Om de hond te laten plassen of poepen aan de overkant.
Een proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het verkeersongeval had plaatsgevonden op de [locatie] .
2.3
Verkeersmaatregelen ter plaatse
Wij zagen het volgende:
• Genoemde weg was voor het openbaar verkeer opengesteld.
• Ingevolge artikel 20 onder a van het RW 1990 bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid voor motorvoertuigen 50 km per uur.
• Ingevolge artikel 20 onder b, onder 2 van het RW 1990 bedroeg de ter plaatse toegestane
maximumsnelheid voor bromfietsen 45 km per uur.
5. Onderzoek verkeersregelinstallatie
Ongeveer 35 meter voor de plaats van het verkeersongeval bevond zich een kruispunt met een verkeersregelinstallatie (VRI). Onder andere de logbestanden van deze verkeersregelinstallatie zijn opgevraagd om het mogelijk te maken onderzoek te doen naar de snelheid van de tweewieler. De verkeersregelinstallatie was voorzien van nummer [nummer] .
5.3
Tijdcontrole
Op 15 augustus 2024, omstreeks 02:45:30 uur, werd door mij, verbalisant [verbalisant] , een unieke detectorregistratie veroorzaakt door tegelijkertijd op de richtingen 02 en 03 van de VRI met een politievoertuig tweemaal achteruit te rijden. Wij openden het logbestand van 15 augustus 2024 en zochten de unieke detectorregistratie op. In de faselog zagen wij dat de unieke detectorregistratie omstreeks 02:45:30 uur begon. Hieruit bleek ons dat de tijdlijn van de logbestanden nagenoeg overeenkwam met de werkelijke tijd.
5.4
Moment van het ongeval
Op de beelden van de camera van Securitas zagen wij de uitloop van het verkeersongeval. Wij zagen dat de tweewieler omstreeks op donderdag 15 augustus, omstreeks 00:02:45 uur, aan de rechterzijde in beeld kwam.
Wij zagen omstreeks 00:02:45 uur dat de tweewieler met zijn linkerzijde over de detectielus in het wegdek schoof en dat detectielus daarna werd verlaten. Deze detectielus is in de verkeersregeling opgenomen als detector 112. Omstreeks 00:02:48 uur was de tweewieler tot stilstand gekomen. Een bromfiets of motorfiets die over zijn zijkant over het wegdek schuift beïnvloedt het magnetisch veld op een andere manier dan een bromfiets of motorfiets die overeind een detectielus passeert. Ook zijn de hoeken van een lange detectielus doorgaans gevoeliger dan de overige delen van de detectielus.
Wij zijn in de faselog op zoek gegaan naar activaties van detectielus 112. Wij zagen dat detectielus 112 te 00:02:47.9 uur werd geactiveerd en om 00:02:49.0 uur werd gedeactiveerd terwijl de andere twee detectoren (113 en 111) op die richting niet werden geactiveerd. Gezien het tijdstip en de afwijking van het normale, opeenvolgende, beeld moet deze registratie zijn veroorzaakt door de tweewieler.
Om te onderzoeken op welke richting van kruispunt K010 de tweewieler de plaats van het verkeersongeval was genaderd zijn in de opmaak van de faselog de richtingen 01, 02, 03, 04, 05, 08 en 11 opgenomen. Wij zagen op richting 05, de voorsorteerstrook voor rechtdoorgaand en links afslaand verkeer op de [straat] , om 00:02:40.2 uur een activatie van detectielus 053. Wij zagen dat om 00:02:48.8 uur detectielus 051 werd geactiveerd. Wij zagen geen activatie van detector 112. Detector 112 is een ongeveer 20 meter lange detectielus. Lange
detectielussen hebben een afwijkend magnetisch veld ten opzichte van kortere lussen waardoor overeind staande tweewielers minder goed of niet gedetecteerd worden.
Gezien het overige verkeersbeeld in de faselog, het niet activeren van de lange detectielus op richting 05 en het tijdstip waarop detectielus 112 werd ge(de)activeerd, moeten deze registraties op richting 05 zijn veroorzaakt door de tweewieler. Wij zagen dat vanaf 23:55:57.4 uur een roodfase actief was op richting 05 en dat deze roodfase om 00:08:29.1 uur eindigde. Dit houdt in dat de bestuurder van de tweewieler op donderdag 15 augustus 2024, omstreeks 00:02:43 uur, de stopstreep passeerde terwijl de voor hem geldende verkeerslichten vanaf minimaal 6 minuten en 45 seconden rood licht uitstraalden.
5.5
Inmeten punten van detectie
Op zaterdag 24 augustus 2024 zijn de punten van detectie vastgesteld en ingemeten met
landmeetapparatuur. De punten van detectie zijn vastgesteld met een bromfiets van het merk SYM. De bromfiets werd ter hoogte van de middenas van de voorsorteerstrook geplaatst. Wanneer het punt van detectie werd vastgesteld werd de positie van het voorwiel gemarkeerd met krijt. Tijdens het bepalen van de punten van detectie bleek dat de lange lus (052) niet door de SYM werd geactiveerd. Wij zagen dat tussen de punten van detectie van detectoren 053 en 051 een afstand van ongeveer 44,39 meter zat. Wij zagen dat tussen het punt van detectie van detector 051 en het gedeelte van detectielus 112 waar de tweewieler overheen was geschoven een afstand van ongeveer 72,42 meter zat.
5.6
Snelheidsberekening
Correcties en formules
Voor de snelheidsberekening is gebruikgemaakt van de afstanden tussen de detectiepunten die tijdens het onderzoek op zaterdag 24 augustus 2024 waren vastgesteld. De afstanden tussen de ingemeten detectiepunten zijn in de berekening van de indicatieve snelheid nog eens gecorrigeerd met ± 0,5 meter. Door de correctie ontstond een variatie in de lengte van elk traject van totaal 1,0 meter. De tijd tussen de verschillende detectorregistraties is op basis van het hiervoor genoemde onderzoek gecorrigeerd met ±0,1 seconde. Hierdoor ontstond een variatie in de tijd van elk traject van 0,2 seconde. Voor het berekenen van de minimale en maximale indicatieve gemiddelde snelheden zijn de volgende formules gebruikt:
Uitwerking berekening
Tussen de punten van detectie van detectoren 053 en 051 (voor het kruispunt) zat een afstand
ongeveer 44,39 meter. Tussen het activeren van beide detectoren zat (00:02:42.8 - 00:02:40.2 =) 2,6 seconden. Tussen het punt van detectie van detector 051 en het gedeelte van detectielus 112 waar de tweewieler overheen was geschoven (over en voorbij het kruispunt) zat een afstand van ongeveer 72,42 meter. Tussen het activeren van detector 051 en het deactiveren van detector 112 zat (00:02:49.0 - 00:02:42.8 =) 6,2 seconden.
De uitwerkingen van de berekeningen is opgenomen in tabel 1.
5.7
Conclusie analyse
Uit de analyse blijkt dat de detectorregistraties op richting 05 moeten zijn veroorzaakt door de tweewieler. Daaruit volgt dat de bestuurder van de tweewieler met een minimale indicatieve gemiddelde snelheid van 59 km per uur en een maximale indicatieve gemiddelde snelheid van 65 km per uur op donderdag 15 augustus 2024, omstreeks 00:02:43 uur, de stopstreep passeerde terwijl de voor hem geldende verkeerslichten vanaf minimaal 6 minuten en 45 seconden rood licht uitstraalden. Tussen de stopstreep en het bijna tot stilstand (een snelheid van ongeveer 0 km per uur) komen had de bestuurder van de tweewieler een minimale indicatieve gemiddelde snelheid van 41 km per uur en een maximale indicatieve gemiddelde snelheid van 43 km per uur. Omdat de tweewieler aan het einde over het wegdek gegleden had en aan het einde van het glijden geen snelheid had, moet de werkelijke snelheid aan het begin van het traject hoger zijn geweest dan de indicatieve gemiddelde snelheid 41 - 43 km per uur (en dus meer in de richting van de 59 - 65 km per uur zijn geweest).
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024257012, doorgenummerd pagina 1 tot en met 234 en bijbehorende bijlagen. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
Pagina 105.
Pagina 106.
Pagina 99.
Pagina 91.
Pagina 92.
Pagina 189.
Pagina 190.
Pagina 20.
Pagina 21.
Pagina 35.
Pagina 36.
Pagina 40.
Pagina 41.
Pagina 46.
Pagina 47.
Pagina 48.