Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:6204
2026-09-08
Bestuursrecht
UTR 26/7126
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vovo - buitenlands draagmoederschap - laissez-passer geweigerd - belangenafweging - vooralsnog geen twijfel over intentie van draagmoeder om kinderen te laten opvoeden door verzoeker en echtgenote - verzoek toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.842 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/7126
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker]
, uit [plaats 1] , verzoeker
(gemachtigde: mr. E.P.J. Appelman),
en
de Minister van Buitenlandse Zaken,
(gemachtigde: mr. R. Geraedts).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van verzoeker om een laissez-passer voor [minderjarige] (hierna: het kind). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een laissez-passer voor het kind. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 10 augustus 2026 niet in behandeling genomen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
In verband met de vereiste spoed doet de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
3. Het kind is op [geboortedatum] 2026 geboren uit [A] (hierna: de draagmoeder) in [plaats 2] , Iran. De draagmoeder heeft de Iranese nationaliteit. Verzoeker en zijn echtgenote hebben zowel de Nederlandse als de Iranese nationaliteit. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om te bepalen dat de minister een laissez-passer voor het kind dient af te geven zodat hij met hen naar Nederland kan reizen.
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
5. Verzoeker verblijft in [verblijfplaats] en kan niet met het kind naar Nederland reizen zolang het kind geen reisdocument heeft. Zijn echtgenote is al eerder noodgedwongen met hun andere zoon naar Nederland gereisd vanwege verplichtingen hier. Verzoeker voert aan dat hij graag zo snel mogelijk met het kind naar Nederland wil reizen en zich weer bij zijn gezien wil voegen. Ook moet verzoeker zich op korte termijn weer fysiek melden in Nederland in verband met verplichtingen. Verder is de situatie in [verblijfplaats] voor het pasgeboren kind precair omdat babyvoeding gerantsoeneerd is, er geen ziektekostenverzekering is en de opvangmogelijkheden bij familie beperkt zijn. Daarnaast wil verzoeker, samen met zijn echtgenote, een rechtsgeldig DNA-onderzoek laten verrichten en een civiele procedure starten in Nederland om de geboorteakte te laten erkennen en het gezag te verkrijgen. Dat is pas mogelijk als het kind in Nederland is. Deze procedures kosten veel tijd. Het spoedeisend belang wordt door de minister ook niet betwist. De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend belang in deze zaak daarom aan.Kan de voorzieningenrechter nu een inhoudelijk oordeel geven?
6. De voorzieningenrechter zal in deze zaak geen uitspraak doen over de rechtmatigheid van de buitenbehandelingstelling van de aanvraag om een laissez-passer voor het kind. Het verzoek om een voorlopige voorziening leent zich daar niet voor en het besluit raakt bovendien aan de civiele procedure die nog gevoerd moet worden. De voorzieningenrechter zal daarom volstaan met een belangenafweging. Het belang van verzoeker zal worden afgewogen tegenover het belang van de minister.Wiens belang weegt zwaarder?
7. Op grond van de Paspoortwet komen uitsluitend personen met de Nederlandse nationaliteit of met een Nederlands verblijfsrecht in aanmerking voor een Nederlands reisdocument, waaronder een laissez passer.
8. Het belang van de minister is om uitvoering te geven aan de Paspoortwet. Het kind heeft niet de Nederlandse nationaliteit. Daarnaast is de geboorteakte nog niet door een Nederlandse civiele rechter erkend waardoor zijn identiteit en nationaliteit ook niet op basis daarvan kan worden vastgesteld. Op grond van de Paspoortwet kan de minister daarom geen laissez-passer afgeven voor het kind.
9. Tegenover het belang van de minister staat het belang van verzoeker. Verzoeker en zijn echtgenote beschikken over de Nederlandse nationaliteit. Uit DNA-onderzoek door het Iraanse Aramesh Laboratory blijkt dat verzoeker de biologische vader van het kind is. In de Iranese geboorteakte staat dat verzoeker en zijn echtgenote de ouders van het kind zijn. Verzoeker merkt daarover op dat dat vooralsnog in strijd is met het erkenningsregime van artikel 10:101 BW, omdat het kind recht heeft om te weten van wie het afstamt en de Iraanse geboorteakte niet de gegevens vermeld van de vrouw uit wie het geboren is. Verzoeker wil daarom in Nederland een adoptieprocedure starten om het gezag over het kind te krijgen en daarvoor is hun aanwezigheid in Nederland noodzakelijk.
10. Verzoeker heeft een Agreement for the Use of Surrogacy Treatment Method gesloten met de draagmoeder. Daarin is onder andere opgenomen dat het betrekking heeft op “the transfer of the embryo of the Father and the Mother” (…) “into the womb of the Surrogate Mother for the purpose of achieving pregnancy”, en dat de draagmoeder afstand doet van alle ouderlijke rechten op het kind.
10. Het kind heeft de Iraanse nationaliteit en beschikt over een Iraans paspoort. Verzoeker en zijn echtgenote hebben, naast de Nederlandse nationaliteit, ook de Iraanse nationaliteit. De voorzieningenrechter vindt het onaannemelijk dat verzoeker voor het kind op korte termijn een visum zal kunnen verkrijgen waarmee het kind met zijn Iraanse paspoort naar Nederland kan komen.
10. Op basis van de overgelegde documenten heeft de voorzieningenrechter geen twijfel over de intentie van verzoeker, zijn echtgenote en de draagmoeder dat het de bedoeling is dat verzoeker en zijn echtgenote de juridische ouders van het kind worden en dat zij voor hem zullen zorgen en hem zullen opvoeden.
13. Het recht van het kind is dat hij bij zijn ouders leeft en door hen wordt verzorgd. Gelet op de overeenkomst die is gesloten met de draagmoeder, zijn verzoeker en zijn echtgenote verantwoordelijk voor de zorg voor de kinderen.
14. De voorzieningenrechter acht daarom niet uitgesloten dat, na het doorlopen van de daarvoor benodigde procedures, vastgesteld zal worden dat het kind de Nederlandse nationaliteit heeft dan wel zal verkrijgen. Daarnaast is het van zwaarwegend belang dat verzoeker en het kind samen met zijn echtgenote en hun oudere zoon gezinsleven kunnen uitoefenen en dat dit plaatsvindt in het land waar verzoeker en zijn echtgenote wonen en hun sociale netwerk hebben. Verder is het voor verzoeker van groot belang hij en zijn gezin hun leven in Nederland spoedig kunnen hervatten. Het voortzetten van het verblijf van het kind voor een langere periode in Iran, met één van de wensouders, is gelet op het voorgaande ongewenst. Daarbij gaat de voorzieningenrechter er op basis van de overgelegde informatie vanuit dat de wensouders de zorg voor het kind op zich hebben genomen. Om die reden zal de voorzieningenrechter het belang van verzoeker zwaarder laten wegen en het verzoek toewijzen.
Conclusie en gevolgen
15. De voorzieningenrechter draagt de minister op om voor [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026 in [plaats 2] (Iran), zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, een laissez-passer te verstrekken waarmee hij met verzoeker Nederland kan inreizen.
15. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- draagt de minister op voor [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026 in [plaats 2] (Iran), zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, een laissez-passer te verstrekken waarmee hij met verzoeker Nederland kan inreizen;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/7126
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker]
, uit [plaats 1] , verzoeker
(gemachtigde: mr. E.P.J. Appelman),
en
de Minister van Buitenlandse Zaken,
(gemachtigde: mr. R. Geraedts).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van verzoeker om een laissez-passer voor [minderjarige] (hierna: het kind). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een laissez-passer voor het kind. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 10 augustus 2026 niet in behandeling genomen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
In verband met de vereiste spoed doet de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
3. Het kind is op [geboortedatum] 2026 geboren uit [A] (hierna: de draagmoeder) in [plaats 2] , Iran. De draagmoeder heeft de Iranese nationaliteit. Verzoeker en zijn echtgenote hebben zowel de Nederlandse als de Iranese nationaliteit. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om te bepalen dat de minister een laissez-passer voor het kind dient af te geven zodat hij met hen naar Nederland kan reizen.
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
5. Verzoeker verblijft in [verblijfplaats] en kan niet met het kind naar Nederland reizen zolang het kind geen reisdocument heeft. Zijn echtgenote is al eerder noodgedwongen met hun andere zoon naar Nederland gereisd vanwege verplichtingen hier. Verzoeker voert aan dat hij graag zo snel mogelijk met het kind naar Nederland wil reizen en zich weer bij zijn gezien wil voegen. Ook moet verzoeker zich op korte termijn weer fysiek melden in Nederland in verband met verplichtingen. Verder is de situatie in [verblijfplaats] voor het pasgeboren kind precair omdat babyvoeding gerantsoeneerd is, er geen ziektekostenverzekering is en de opvangmogelijkheden bij familie beperkt zijn. Daarnaast wil verzoeker, samen met zijn echtgenote, een rechtsgeldig DNA-onderzoek laten verrichten en een civiele procedure starten in Nederland om de geboorteakte te laten erkennen en het gezag te verkrijgen. Dat is pas mogelijk als het kind in Nederland is. Deze procedures kosten veel tijd. Het spoedeisend belang wordt door de minister ook niet betwist. De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend belang in deze zaak daarom aan.Kan de voorzieningenrechter nu een inhoudelijk oordeel geven?
6. De voorzieningenrechter zal in deze zaak geen uitspraak doen over de rechtmatigheid van de buitenbehandelingstelling van de aanvraag om een laissez-passer voor het kind. Het verzoek om een voorlopige voorziening leent zich daar niet voor en het besluit raakt bovendien aan de civiele procedure die nog gevoerd moet worden. De voorzieningenrechter zal daarom volstaan met een belangenafweging. Het belang van verzoeker zal worden afgewogen tegenover het belang van de minister.Wiens belang weegt zwaarder?
7. Op grond van de Paspoortwet komen uitsluitend personen met de Nederlandse nationaliteit of met een Nederlands verblijfsrecht in aanmerking voor een Nederlands reisdocument, waaronder een laissez passer.
8. Het belang van de minister is om uitvoering te geven aan de Paspoortwet. Het kind heeft niet de Nederlandse nationaliteit. Daarnaast is de geboorteakte nog niet door een Nederlandse civiele rechter erkend waardoor zijn identiteit en nationaliteit ook niet op basis daarvan kan worden vastgesteld. Op grond van de Paspoortwet kan de minister daarom geen laissez-passer afgeven voor het kind.
9. Tegenover het belang van de minister staat het belang van verzoeker. Verzoeker en zijn echtgenote beschikken over de Nederlandse nationaliteit. Uit DNA-onderzoek door het Iraanse Aramesh Laboratory blijkt dat verzoeker de biologische vader van het kind is. In de Iranese geboorteakte staat dat verzoeker en zijn echtgenote de ouders van het kind zijn. Verzoeker merkt daarover op dat dat vooralsnog in strijd is met het erkenningsregime van artikel 10:101 BW, omdat het kind recht heeft om te weten van wie het afstamt en de Iraanse geboorteakte niet de gegevens vermeld van de vrouw uit wie het geboren is. Verzoeker wil daarom in Nederland een adoptieprocedure starten om het gezag over het kind te krijgen en daarvoor is hun aanwezigheid in Nederland noodzakelijk.
10. Verzoeker heeft een Agreement for the Use of Surrogacy Treatment Method gesloten met de draagmoeder. Daarin is onder andere opgenomen dat het betrekking heeft op “the transfer of the embryo of the Father and the Mother” (…) “into the womb of the Surrogate Mother for the purpose of achieving pregnancy”, en dat de draagmoeder afstand doet van alle ouderlijke rechten op het kind.
10. Het kind heeft de Iraanse nationaliteit en beschikt over een Iraans paspoort. Verzoeker en zijn echtgenote hebben, naast de Nederlandse nationaliteit, ook de Iraanse nationaliteit. De voorzieningenrechter vindt het onaannemelijk dat verzoeker voor het kind op korte termijn een visum zal kunnen verkrijgen waarmee het kind met zijn Iraanse paspoort naar Nederland kan komen.
10. Op basis van de overgelegde documenten heeft de voorzieningenrechter geen twijfel over de intentie van verzoeker, zijn echtgenote en de draagmoeder dat het de bedoeling is dat verzoeker en zijn echtgenote de juridische ouders van het kind worden en dat zij voor hem zullen zorgen en hem zullen opvoeden.
13. Het recht van het kind is dat hij bij zijn ouders leeft en door hen wordt verzorgd. Gelet op de overeenkomst die is gesloten met de draagmoeder, zijn verzoeker en zijn echtgenote verantwoordelijk voor de zorg voor de kinderen.
14. De voorzieningenrechter acht daarom niet uitgesloten dat, na het doorlopen van de daarvoor benodigde procedures, vastgesteld zal worden dat het kind de Nederlandse nationaliteit heeft dan wel zal verkrijgen. Daarnaast is het van zwaarwegend belang dat verzoeker en het kind samen met zijn echtgenote en hun oudere zoon gezinsleven kunnen uitoefenen en dat dit plaatsvindt in het land waar verzoeker en zijn echtgenote wonen en hun sociale netwerk hebben. Verder is het voor verzoeker van groot belang hij en zijn gezin hun leven in Nederland spoedig kunnen hervatten. Het voortzetten van het verblijf van het kind voor een langere periode in Iran, met één van de wensouders, is gelet op het voorgaande ongewenst. Daarbij gaat de voorzieningenrechter er op basis van de overgelegde informatie vanuit dat de wensouders de zorg voor het kind op zich hebben genomen. Om die reden zal de voorzieningenrechter het belang van verzoeker zwaarder laten wegen en het verzoek toewijzen.
Conclusie en gevolgen
15. De voorzieningenrechter draagt de minister op om voor [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026 in [plaats 2] (Iran), zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, een laissez-passer te verstrekken waarmee hij met verzoeker Nederland kan inreizen.
15. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- draagt de minister op voor [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026 in [plaats 2] (Iran), zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, een laissez-passer te verstrekken waarmee hij met verzoeker Nederland kan inreizen;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.