Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6130

2026-08-24 Civiel recht 12225611 \ UE VERZ 26-200
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-24
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12225611 \ UE VERZ 26-200
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1474; AR-Updates.nl 2026-1474

Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoeker op staande voet ontslagen. [verzoeker] wil verschillende vergoedingen van verweerder omdat er volgens hem niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ontslag op staande voet. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2026:6126)

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (43.716 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer / rekestnummer: 12225611 \ UE VERZ 26-200




Beschikking van 24 augustus 2026




in de zaak van





[verzoeker]
,
wonende in [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. D.C. Soetens,



tegen





[verweerster] B.V.,
gevestigd in [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigden: mr. N.E.J.M. Kennis en mr. B. Willemse.






1De procedure


1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- het verzoekschrift met de producties 1 t/m 30;
- het verweerschrift met de producties 1 t/m 32;
- de akte van [verzoeker] met overlegging nadere producties 31 t/m 34;
- de akte van [verweerster] met vermeerdering van verzoek en overlegging nadere productie 33;
- de akte van [verzoeker] van 10 juli 2026 met bezwaar tegen de late indiening van de akte van [verweerster] met vermeerdering van verzoek en overlegging nadere productie 33.



1.2
De mondelinge behandeling is tegelijk met de zaak 12238707 \ UE VERZ 26-235 gehouden op 13 juli 2026. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [verweerster] is verschenen [A] , (indirect) bestuurder van [verweerster] , en [B] , bijgestaan door de gemachtigden. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.



1.3
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat een beschikking zal worden gewezen. De beschikking is nader bepaald op vandaag.





2De kern van de zaak



[verweerster] heeft [verzoeker] op staande voet ontslagen. [verzoeker] wil verschillende vergoedingen van [verweerster] omdat er volgens hem niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoeker] gedeeltelijk toe, omdat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven. Het tegenverzoek van [verweerster] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen.






3De achtergrond van de zaak


3.1

[verzoeker] is sinds 1 oktober 2023 in dienst bij [verweerster] . Het gaat om een bedrijf dat zich bezighoudt met het Apk-keuren van auto’s en waarbij [verzoeker] werkzaam was in de functie van Apk-keurmeester voor 40 uur per week. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd.



3.2

[verweerster] was, naast [locatie 1] en [locatie 2] , één van de vestigingen van [.] die zich bezighield met het Apk-keuren van auto’s. De werkzaamheden van [verweerster] zijn met ingang van april 2026 beëindigd. Het ging om een klein bedrijf waar vijf mensen werkzaam waren, waarvan enkele op zzp-basis, die op verschillende dagen werden ingezet. Hieronder was ook [verzoeker] begrepen. Het ging om een zelfsturend team, waarbij de werknemer met het langste dienstverband – die op dat moment werkte – verantwoordelijk was voor de aansturing van het personeel op de werkvloer. Dat ging dan bijvoorbeeld om de verdeling van de op die dag te keuren auto’s. Van een franchiseconstructie was geen sprake. [A] fungeerde als formeel leidinggevende en [B] als de feitelijk leidinggevende op afstand vanuit Den Haag. [A] kwam slechts sporadisch in beeld als leidinggevende , onder andere bij het ondertekenen van de vaste dienstverbanden. [B] was verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken en nam daaromtrent de nodige beslissingen, al dan niet in overleg met [A] . Zij ondertekende de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, regelde de inroostering en was het aanspreekpunt voor de werknemers. De werknemers genoten op de werkvloer veel vrijheid om binnen de inroostering, op aangeven van de werknemer met het langste dienstverband, de Apk-keuringen te verrichten.



3.3
De verantwoordelijkheid voor het kassasysteem op de werkvloer lag volgens [A] en [B] bij hen. Van beleid voor het hanteren van het kassasysteem is niet gebleken. Het kassasysteem was uitgerust met de mogelijkheid om te pinnen, waarbij er twee opties voorhanden waren. De eerste optie zorgde ervoor dat het bedrag van de factuur automatisch werd doorgezet naar het PIN-apparaat. De tweede optie heette 'PIN handmatig' en fungeerde als ‘noodknop’ in het geval een bedrag gepind moest worden dat afweek van de te betalen factuur.



3.4
Het was werknemers van [verweerster] toegestaan om fooi voor hun werkzaamheden in ontvangst te nemen. Tot oktober 2025 konden de werknemers van [verweerster] fooien van klanten via de automatische pinoptie verwerken. Daarna is die functionaliteit stopgezet, omdat het tot onverklaarbare boekhoudkundige problemen leidde. De gangbare praktijk was dat de werknemers vanaf die datum ook de optie 'PIN handmatig' voor het ontvangen van fooien gebruikten.



3.5
In februari 2026 werd bij [verweerster] duidelijk dat er door werknemers van de vestiging [plaats 2] buitenproportioneel veel gebruik werd gemaakt van de optie 'PIN handmatig' en dat daarmee ook hoge bedragen waren gemoeid. Uit nader onderzoek bleek vervolgens dat misbruik werd gemaakt van de ‘Hobbyclub-korting’. Dat ging als volgt.



3.6

[verweerster] hanteert verschillende tarieven voor Apk-keuringen, afhankelijk van onder meer het type klant, de brandstofsoort en de gewichtsklasse van het voertuig. Deze tarieven variëren tussen de € 49,95 en € 89,95 per keuring. Voor zakelijke klanten, die in aanmerking komen voor de ‘Hobby Korting’, geldt een gereduceerd tarief van € 40,00 per keuring. Het ging hierbij slechts om een kleine selectieve groep zakelijke leden. Betreffende leden hadden een lidmaatschapspas, maar het tonen daarvan was niet noodzakelijk voor het verkrijgen van de ‘Hobby Korting’. Het proces was door [verweerster] namelijk bewust ingericht op basis van vertrouwen.



3.7
Uit de administratie volgde echter dat de ‘Hobby Korting’ in de periode november 2025 tot en met januari 2026 veelvuldig werd aangeslagen en dat er via de optie “PIN handmatig” een hoger bedrag via de pin werd geïnd dan op de bijbehorende verkoopfactuur was vermeld. In de factuuradministratie was daarbij dan telkens geregistreerd dat het verschil contant aan de klant zou zijn teruggegeven. Na navraag door [verweerster] bij een aantal van de betreffende klanten bleek dat echter niet te kloppen. Ook bleek, naast het misbruiken van de Hobby Korting, dat werknemers met regelmaat de klant een hoger bedrag hebben laten pinnen dan op de factuur stond, en de rest cash hadden uitgeboekt. Het totale vastgestelde kasverschil in de periode november 2025 tot en met januari 2026 bedroeg volgens [verweerster] in ieder geval € 3.926.51, waarvan minimaal € 3.040,22 niet als fooi viel aan te merken.



3.8
Op 12 februari 2026 heeft [verweerster] alle werknemers schriftelijk geïnformeerd over de geconstateerde onregelmatigheden en hen verzocht het tekort in de kassa aan te zuiveren. [verweerster] wilde dit namelijk onderling oplossen, met de insteek: ‘zand erover en weer verder’. Naar aanleiding van deze mededeling zijn er geen medewerkers naar voren gestapt om het kasverschil aan te vullen en heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.



3.9


[verzoeker] is vervolgens schriftelijk geïnformeerd over signalen van zijn betrokkenheid bij de kasverschillen en er is gepoogd er onderling uit te komen. [B] en [A] hebben hem hier op respectievelijk 17 februari 2026 en 23 februari 2026 ieder apart over geïnformeerd. In de brief van [A] is daarin – voor zover relevant – het volgende vermeld:

“(…)Wij zien onze organisatie als familie. En er is altijd wel eens een familielid die een misstap maakt. Rechtzetten, zand erover en doorgaan. Enkel dat rechtzetten is bij jou moeilijk omdat je tot heden in de ontkennende poppenkast sfeer blijft hangen. (…) Op jouw naam kunnen we inmiddels 2.280,71 waterdicht hardmaken. (…) Kortom; kom met een voorstel hoe we de 2.280,71 met elkaar verrekenen/terugbetalen (…) Als je binnen 48 uur hiermee niet akkoord gaat, dan geven we het recherchebureau de opdracht om alsnog het onderzoek en rapportage/aangifte uit te voeren.(…)”.



3.10

[verzoeker] heeft de beschuldigingen diezelfde dag per e-mail betwist, waarna hij zich op 22 februari 2026 beter heeft gemeld en op 23 februari 2026 zijn werkzaamheden heeft hervat. [verweerster] heeft vervolgens aan [verzoeker] meegedeeld het externe onderzoeksbureau [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) in te zullen schakelen, waarna [verzoeker] zich wederom heeft ziekgemeld.



3.11

Op 25 februari 2026 is de opdracht tot onderzoek door [verweerster] aan [bedrijfsnaam 1] verstrekt. Op 11 maart 2026 heeft [bedrijfsnaam 1] haar bevindingen vervolgens in een eindrapport neergelegd en aan [verweerster] aangeboden. Uit dit rapport volgt – samengevat – dat:
I. In de periode november 2025 t/m januari 2026 er in totaal 73 registraties zijn waargenomen waarbij de persoonsgebonden APK-bevoegdheidspas van [verzoeker] is gebruikt en waarbij klanten hogere pinbetalingen hebben verricht tegen onjuiste tarieven. Hierdoor zijn kasvoorschotten ontstaan die zijn weggenomen.
II. Naast de persoonsgebonden APK-bevoegdheidspas zijn de registraties ook tot [verzoeker] te herleiden op grond van de tijdstippen, kentekens van de voertuigen, APK-keurrapporten, bankgegevens van de klanten en vijf afgelegde verklaringen door klanten.




3.12
Op 11 maart 2026 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Als reden voor het ontslag is gegeven dat uit extern onderzoek is gebleken dat er een ernstig vermoeden bestaat dat [verzoeker] bij meerdere klanten hogere bedragen in rekening heeft gebracht dan het bedrag dat op de factuur stond vermeld. Hierdoor zijn opzettelijke kasvoorschotten gecreëerd. Het verschil tussen het gepinde bedrag en het gefactureerde bedrag is steeds aansluitend uit de kassa weggenomen. Het kasverschil bedraagt ongeveer € 3.000,00. De gedragingen hebben volgens [verweerster] geleid tot een ernstig en onherstelbaar verlies van vertrouwen. [verzoeker] is het niet met dit ontslag eens.



3.13
Op 26 maart 2026 is [verzoeker] wederom op staande voet ontslagen. Als reden voor dit ontslag is gegeven dat uit een brief van 24 maart 2026 volgt dat [verzoeker] structureel voertuigen heeft afgemeld voor een collega, [C] , die geen keuringsbevoegdheid had. Hiermee heeft [verzoeker] in strijd gehandeld met de Regeling erkenningen wegverkeer (hierna: de Regeling) en het Toezichtbeleid Erkenninghouders Keurmeesters en Technici RDW (hierna: het Toezichtbeleid), waaruit volgt dat een afmeldende APK-keurmeester dezelfde persoon moet zijn als degene die de keuring van een auto heeft verricht. [verzoeker] is het ook met dit ontslag niet eens.





4De beoordeling



Wat moet de kantonrechter beoordelen?




4.1

[verzoeker] berust in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 11 maart 2026, dan wel 26 maart 2026, maar stelt dat de ontslagen niet onverwijld zijn gegeven en een dringende reden voor de ontslagen ontbreekt. [verzoeker] verzoekt daarom veroordeling van [verweerster] tot betaling van:


€ 4.371,32 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging;


€ 3.768,18 bruto aan transitievergoeding;


€ 52.455,86 bruto aan billijke vergoeding.





4.2

Ook maakt [verzoeker] aanspraak op achterstallig salaris, gemiste pensioenopbouw en een onrechtmatig ingehouden schadevergoeding, waaronder begrepen:
- € 2.863,86 bruto aan niet of niet tijdig doorgevoerde CAO-loonsverhogingen;
- € 505,92 netto aan te weinig en te laat betaald salaris voor de periode november 2025 en februari 2026;
- € 64,80 bruto aan te weinig uitbetaald vakantiegeld;
- € 4.621,00 aan niet afgedragen pensioenpremie;
- € 2.294,11 aan onrechtmatig ingehouden/verrekende schadevergoeding, onder vermelding van 'Wegneeming kasgeld'.

[verzoeker] maakt verder nog aanspraak op openstaande vakantiedagen en/of vakantie-uren, opgebouwd tot de datum van het ontslag, wettelijke verhoging, rente en kosten.




4.3

[verweerster] voert verweer en stelt dat de verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen. In haar tegenverzoek vraagt [verweerster] veroordeling van [verzoeker] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding.



4.4
Het gaat in deze zaak dus om de vraag of partijen vergoedingen aan elkaar verschuldigd zijn. Daarvoor moet allereerst worden beoordeeld of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.



De ontslagen op staande voet voldoen niet aan de eisen die daaraan gesteld worden





4.5
De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder dat de werknemer daarmee schriftelijk instemt. Dat is anders als er sprake is van een dringende reden op grond waarvan de werkgever de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang mag beëindigen, ook wel een ontslag op staande voet genoemd.



4.6
De wet stelt drie eisen aan het ontslag op staande voet. Alleen als aan alle drie de eisen wordt voldaan is het ontslag op staande voet rechtsgeldig. Allereerst moet er een dringende reden zijn. Een dringende reden kan bijvoorbeeld bestaan als de werknemer zich zó gedraagt, dat het niet redelijk is om van de werkgever te verlangen dat hij hem nog in dienst houdt. Daarnaast moet het ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven. Ten slotte moet de dringende reden onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Naar het oordeel van de kantonrechter voldoen de ontslagen op staande voet niet aan de wettelijke vereisten voor een ontslag op staande voet. Dat wordt hierna toegelicht.



Het ontslag wegens het opzettelijk creëren van kasvoorschotten en het aansluitend wegnemen daarvan uit de kassa is niet onverwijld gegeven





4.7

[verzoeker] stelt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. [verzoeker] heeft verwezen naar de brief van [A] van 23 februari 2026, waarin hij aangeeft dat een bedrag van € 2.280,71 op naam van [verzoeker] ‘waterdicht valt hard te maken’ met betrekking tot het opzettelijk creëren van kasvoorschotten en het aansluitend wegnemen daarvan uit de kassa. Van een onverwijld gegeven ontslag is volgens [verzoeker] hierdoor geen sprake.


4.8
Een werkgever moet de werknemer na het ontdekken van de feiten die reden zijn voor het ontslag op staande voet onverwijld ontslaan. Voor het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet snel genoeg is gegeven, wordt dus gekeken naar het moment waarop de feiten en gedragingen die hebben geleid tot het ontslag op staande voet bekend waren bij degene die de werknemer mocht ontslaan. Als een werkgever vermoedt dat sprake is van een dringende reden voor ontslag, maar dat eerst nog wil onderzoeken, dan mag dat. Hij moet dit dan wel zo snel mogelijk en zo efficiënt mogelijk doen. De kantonrechter weegt bij de beoordeling van de onverwijldheid van het ontslag alle omstandigheden van het geval mee.



4.9
De kantonrechter is in dit geval van oordeel dat het ontslag niet onverwijld aan [verzoeker] is gegeven. Naar haar oordeel staat vast dat [verweerster] op 23 februari 2026 een concreet bedrag aan [verzoeker] kon koppelen aan opzettelijk gecreëerde kasvoorschotten die door hem zouden zijn weggenomen. Dit blijkt uit de brief van [A] van 23 februari 2026. Doordat het ontslag uiteindelijk pas op 11 maart 2026 is gegeven, heeft [verweerster] onvoldoende voortvarend gehandeld en is van een onverwijld gegeven ontslag geen sprake. Het in de tussenliggende periode verrichte onderzoek door [bedrijfsnaam 1] maakt deze conclusie niet anders. De onverwijldheidseis voor het geven van ontslag op staande voet neemt namelijk aanvang op het moment dat bij de tot ontslag bevoegde functionaris het vermoeden van een dringende reden ontstaat. [A] kan als indirect bestuurder van [verweerster] als zodanig bevoegde functionaris worden aangemerkt, waarbij uit zijn brief volgt dat er bij hem op 23 februari 2026 al een (concreet) vermoeden van een dringende reden jegens [verzoeker] bestond. Ook heeft [verweerster] [verzoeker] in de periode na het ontstaan van het vermoeden van de dringende reden tot aan de mededeling dat [bedrijfsnaam 1] zou worden ingeschakeld nog laten doorwerken. Ook is [verzoeker] niet na de voorlopige conclusies uit het onderzoek op non-actief gesteld.



4.10
Omdat dit ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, is aan één van de drie eisen niet voldaan. Dat betekent dat het ontslag op staande voet wegens het opzettelijk creëren van kasvoorschotten en het aansluitend wegnemen daarvan uit de kassa niet rechtsgeldig is gegeven.



Het tweede (voorwaardelijke) ontslag wegens het structureel afmelden van voertuigen voor een collega zonder keuringsbevoegdheid





4.11


[verzoeker] stelt dat het ontslag op staande voet wegens het structureel afmelden van voertuigen voor een collega zonder keuringsbevoegdheid eveneens niet onverwijld is gegeven. Volgens [verzoeker] was zijn handelwijze met betrekking tot het structureel afmelden van voertuigen voor collega [C] , die geen keuringsbevoegdheid had, altijd al bij [verweerster] bekend en betrof het ook de gebruikelijke gang van zaken binnen de onderneming. Dat [verweerster] met deze werkwijze bekend was, blijkt volgens [verzoeker] in ieder geval uit een brief van 23 februari 2026, gericht aan [A] , waarin – voor zover relevant – het volgende is opgenomen:

“(…)Bijna alle auto's die [C (voornaam)] nakijkt meld ik ook af. Behalve dat, meld ik ook auto's die [D (voornaam)] en [E (voornaam)] nakijken af als ze met afmeldpauze zitten of vastlopen met de afmeldingen. (…)”

Van een onverwijld gegeven ontslag is volgens [verzoeker] hierdoor geen sprake.




4.12
De kantonrechter is van oordeel dat ook dit ontslag niet onverwijld aan [verzoeker] is gegeven. Naar haar oordeel staat vast dat [verweerster] in ieder geval vanaf 23 februari 2026 op de hoogte was van de handelswijze van [verzoeker] met betrekking tot het structureel afmelden van voertuigen voor collega [C] . [verzoeker] heeft dit naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk aan [verweerster] bericht in zijn brief van 23 februari 2026.



4.13
De kantonrechter acht het verder ook zeer waarschijnlijk dat [verweerster] al veel eerder van de werkwijze van [verzoeker] op de hoogte was of redelijkerwijs had moeten zijn. In dit verband wordt erop gewezen dat [verweerster] [C] heeft aangesteld in de functie van APK-keurmeester , zonder dat hij daartoe gecertificeerd was en waarbij er geen afwijkende werkzaamheden voor hem waren afgesproken. Dit terwijl [C] vóór zijn indiensttreding bij [verweerster] al ruim vier jaar gecertificeerd APK-keurmeester was geweest. Vervolgens heeft [verweerster] ervoor gekozen om de bedrijfsvoering zo in te richten dat sprake was van kleine zelfsturende teams, waarbij de werknemer met het langste dienstverband – die op dat moment werkte – verantwoordelijk was voor de aansturing van het personeel op de werkvloer. Dat heeft erin geresulteerd dat [C] ook gewoon is gaan meedraaien in het Apk-keurproces, omdat sprake was van een krappe dagbezetting en daardoor ook auto’s aan hem ter keuring werden toebedeeld. Dat terwijl [C] de auto’s niet zelf in het systeem van de RDW kon afmelden, wegens het ontbreken van zijn Apk-certificering. [C] was daarbij dus aangewezen op zijn collega’s, waaronder [verzoeker] . De kantonrechter acht het aannemelijk dat deze gang van zaken al geruime tijd sinds de indiensttreding van [C] heeft bestaan, mede omdat de strikte naleving van de in de Regeling en het Toezichtbeleid neergelegde regels door [verweerster] niet op de werkvloer was geborgd. Indien dit wel zo was geweest, zouden de wel bevoegde keurmeesters bij in diensttreding van [C] in ieder geval exact geïnstrueerd zijn over welke taken [C] precies zou gaan verrichten. Nergens blijkt uit dat dat is gebeurd.



4.14
Omdat dit ontslag op staande voet ook niet onverwijld is gegeven, is ook hier aan één van de drie eisen niet voldaan. Dat betekent dat het ontslag op staande voet wegens het structureel afmelden van voertuigen voor een collega zonder keuringsbevoegdheid niet rechtsgeldig is gegeven. Voor de beoordeling welke gevolgen aan dit niet rechtsgeldig gegeven ontslag moeten worden verbonden en voor de beoordeling van de nevenverzoeken, speelt de vraag wat nu het rechtens geldende maandsalaris is. Daarom zal de kantonrechter eerst deze vraag beantwoorden.



Het salaris van [verzoeker]





4.15

Tussen partijen is in geschil of er een cao van toepassing is op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, en zo ja, of dat van invloed is op het salaris van [verzoeker] . De kantonrechter beantwoordt de eerste vraag bevestigend. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Motorvoertuigen- en Tweewielerbedrijf (hierna: de cao MvT) van toepassing. Vanaf 1 oktober 2024 is in de arbeidsovereenkomst expliciet opgenomen dat alle arbeidsvoorwaarden in deze cao op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn. Voor de periode daarvoor zou [verzoeker] slechts op grond van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (WetAVV) aanspraak kunnen maken op die loonsverhogingen, nu zowel werkgever als werknemer niet aangesloten zijn bij respectievelijk een werkgevers- en een werknemersvereniging. Het gaat om een loonsverhoging van 6% per 1 januari 2024 en van € 90,- bruto per 1 augustus 2024, waarop [verzoeker] aanspraak maakt. Deze is opgenomen in de cao MvT 2024/2025, met een looptijd van 1 november 2023 tot en met 31 januari 2025. In artikel 1 aanhef en onder i van de cao MvT 2024/2025 is bepaald dat de cao geldt in de bedrijfstak van het motorvoertuigen- en tweewielerbedrijf, waaronder wordt verstaan het keuren van motorvoertuigen en/of aanhangwagens zoals bedoeld in artikel 72 Wegensverkeerswet. Dat de werkzaamheden van [verweerster] hieronder vallen is door haar niet onderbouwd betwist, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat het bedrijf op zich wel valt onder de werkingssfeer van deze cao. Deze cao is pas op 23 mei 2024 algemeen verbindend verklaard (op 27 mei 2024 gepubliceerd; Stcrt. 2024,13994). Op grond van artikel 2 lid 3 WetAVV heeft verbindendverklaring geen terugwerkende kracht en is het besluit tot verbindendverklaring in werking getreden met ingang van de dag na de datum van publicatie, dus met ingang van 28 mei 2024. Dit betekent dat in beginsel enkel aanspraak bestaat op de loonsverhoging van € 90,- bruto per 1 augustus 2024 en niet op de loonsverhoging van 6% per 1 januari 2024. Uit de stukken blijkt echter dat partijen in 2024 uitgebreid hebben gesproken over aanpassing van de aanvankelijke arbeidsovereenkomst waarbij op verzoek van werknemer(s) de arbeidsovereenkomst is aangepast en waarbij uitdrukkelijk de cao MvT van toepassing is verklaard. Bij die arbeidsovereenkomst is het salaris verhoogd van € 3.000, bruto per maand naar € 3.714,36 bruto per maand, nadat het al eerder per 1 juni 2024 was verhoogd van € 2.700,- naar € 3.000,- bruto. De kantonrechter acht het gezien deze aanzienlijke loonsverhogingen aannemelijk en ook redelijk dat de loonsverhoging per 1 augustus 2024 in het salaris per 1 oktober 2024 verwerkt is of geacht moet worden daarin verwerkt te zijn. Uitgaande van een salaris van € 3.714,36, zouden nadien de volgende salarisverhogingen hebben moeten plaatsvinden:
per 1-1-2025: 1,50% /€ 55,72 = € 3.770,07 bruto per maand;
per 1-6- 2025: 2,20%/€ 82,94 = € 3.853,02 bruto per maand;
per 1-10-2025: 1,30%/€ 50.09 = € 3.903,11 bruto per maand;
per 1-2-2025: € 128,- = € 4.031,10 bruto per maand.
Dit bedrag sluit aan bij het maandbedrag van € 4.039,70 dat [verweerster] feitelijk tegen het einde van het dienstverband heeft betaald en dat zij in deze zaak als uitgangspunt neemt. Weliswaar zijn sommige verhogingen te laat betaald, wat verder bij het verzoek om achterstallige betalingen aan de orde zal komen, maar voor de vaststelling van het rechtens geldende maandsalaris maakt dat niet uit.




4.16
De kantonrechter is daarbij afgeweken van de berekening van [verzoeker] in gedingsstuk 29 bij het verzoekschrift. Daarin wordt echter zonder enige toelichting uitgegaan van een verhoging van het cao-loon per 1 oktober 2025 van € 390,31. Daarom acht de kantonrechter dit onvoldoende onderbouwd en laat zij dit verder buiten beschouwing.



4.17
De kantonrechter stelt het maandsalaris dat [verweerster] laatstelijk verschuldigd was aan [verzoeker] op grond van de cao dan vast op € 4.039,70 bruto per maand. Het verzoek tot betaling van het achterstallige salaris op grond van de niet (tijdig) doorgevoerde cao-loonsverhogingen wordt vastgesteld op (1x € 55,72 + 6 x € 82,94 + 1 x € 50,89 + 1x € 128,- = ) € 732,25 bruto (inclusief 8% vakantietoeslag € 790,83 bruto).







[verzoeker] heeft recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging





4.18
De door [verzoeker] verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn van een maand. Dit bedrag zal worden vastgesteld op € 4039,70 bruto. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 11 maart 2026.



De tegenverzoeken zullen worden afgewezen





4.19
Omdat het ontslag niet rechtsgeldig is, zal het (tegen)verzoek van [verweerster] om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding worden afgewezen. Dit geldt ook voor de door [verweerster] verzochte onderzoekskosten van [bedrijfsnaam 1] ter hoogte van € 4.651,54, waarmee zij haar verzoek heeft vermeerderd. Het gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet om redelijke kosten ter vaststelling van door haar geleden schade. De kantonrechter volgt [verweerster] daarbij niet in haar stelling dat het gaat om een onderzoeksrapport dat is aangeleverd door een onafhankelijk extern onderzoeksbureau. Zo is [A] enig aandeelhouder in en indirect bestuurder van [bedrijfsnaam 1] en heeft [B] een groot deel van het onderzoek naar de kasverschillen voor haar rekening genomen, waaronder het klantcontact en het verzorgen van de bijlagen bij het rapport met de minuten en de betalingen. Die combinatie maakt dat niet van een extern en onafhankelijk onderzoeksrapport kan worden gesproken. Het begeeft zich namelijk teveel binnen de invloedsfeer van de werkgever. Verder acht de kantonrechter de gemaakte onderzoekskosten ook niet noodzakelijk, omdat [verweerster] al vóór de inschakeling van [bedrijfsnaam 1] tot een concreet bedrag was gekomen dat aan [verzoeker] werd gekoppeld als opzettelijk gecreëerd kasvoorschot dat hij had weggenomen. Dat dit kasverschil na het onderzoek van [bedrijfsnaam 1] (iets) hoger is uitgevallen, maakt niet dat daarmee de noodzaak gegeven was. De kantonrechter is in dat verband van oordeel dat [verweerster] , al dan niet met de onderzoekscapaciteiten van [B] , zelfstandig tot dat bedrag had kunnen komen.



4.20
In het tegenverzoek worden de proceskosten vanwege de verwevenheid met het verzoek begroot op nihil.




[verzoeker] heeft geen recht op een transitie- en billijke vergoeding





4.21

[verzoeker] verzoekt toekenning van de transitievergoeding en daarnaast een billijke vergoeding van € 52.455,86 bruto. De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, namelijk als het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.



4.22
Door het niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet is de grondslag voor het toekennen van een billijke vergoeding verder in beginsel gegeven.Bij de toekenning van een billijke vergoeding moet rekening gehouden worden met alle omstandigheden van het geval, zoals de mate van verwijtbaarheid van de werkgever en de gevolgen van het ontslag voor de werknemer.



4.23
Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Er is dus niet voldaan aan de formele vereisten voor het ontslag op staande voet. De kantonrechter is echter van oordeel dat [verzoeker] wel een ernstig verwijt kan worden gemaakt terzake van de omstandigheden die hebben geleid tot het ontslag. Daarom zal geen transitie- en billijke vergoeding worden toegewezen. Dit zal hieronder worden uitgelegd.



4.24
Met betrekking tot het ontslag dat ziet op het opzettelijk creëren van kasvoorschotten en het aansluitend wegnemen daarvan uit de kassa, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat [verzoeker] zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Verwezen wordt naar de vele overgelegde keuringsrapporten, facturen, SEPAY-pinterminaldata en verklaringen van klanten. Uit de analyse van SEPAY-pinterminaldata volgt dat ten aanzien van de 73 aangehaalde pintransacties, de (handmatige) pinactie in alle gevallen plaatsvond na de RDW-afmelding onder het pasnummer van [verzoeker] . De fraudeleuze transacties zijn daarmee rechtstreeks aan hem te relateren. In dat verband wordt ook verwezen naar de verklaring van [F] , waaruit volgt dat [verzoeker] samen met een andere collega aan het einde van de dag structureel bedragen uit de kassa haalde. Dat [verzoeker] daarmee verantwoordelijk is voor alle 73 frauduleuze pintransacties, is echter niet zonder meer komen vast te staan. [verweerster] heeft in dat verband betoogd dat de pinacties in alle gevallen binnen twee minuten plaatsvonden na de RDW-afmelding met het pasnummer van [verzoeker] . Op de mondelinge behandeling is daarbij verwezen naar de hoogte van de bedragen in de SEPAY-pinterminaldata, waaruit dit zou zijn af te leiden. De kantonrechter volgt dat standpunt niet, omdat die koppeling niet zonder meer valt te maken. Ook valt niet uit te sluiten dat andere werknemers dan [verzoeker] de betaling van door hem gekeurde auto’s soms hebben overgenomen, zoals [verzoeker] heeft aangevoerd. Met betrekking tot de werkzaamheden is namelijk gebleken dat het gebruikelijk was dat [verzoeker] en zijn collega’s werk van elkaar overnamen. Echter niet aannemelijk is dat dit ten aanzien van alle transcties het geval was, mede gelet op het korte tijdsbestek tussen de afmelding bij de RDW en de pinbetaling enerzijds en de verklaring van [verzoeker] dat hij de afmelding altijd zelf deed met zijn eigen code. [verzoeker] heeft dat in feite ook niet gesteld, zodat voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] een aandeel heeft gehad in de frauduleuze pintransacties, wat hem ernstig verweten kan worden. Hij heeft daartegen ook weing steekhoudende argumenten aangevoerd. Dat er gebreken zouden zijn in het kassasysteem, die een verklaring zouden kunnen zijn voor de gevonden transactiesverschillen, is onvoldoende aannemelijk gemaakt.



4.25
Omdat [verzoeker] met betrekking tot het ontslag dat ziet op het opzettelijk creëren van kasvoorschotten en het aansluitend wegnemen daarvan uit de kassa een ernstig verwijt kan worden gemaakt, bestaat er reeds geen reden om een transitie- en billijke vergoeding toe te kennen. De ernstige verwijtbaarheid met betrekking tot het (tweede) ontslag dat ziet op het structureel afmelden van voertuigen voor een collega zonder keuringsbevoegdheid kan daarom onbesproken blijven.



De onrechtmatig ingehouden schadevergoeding zal worden toegewezen





4.26


[verweerster] heeft in de maand maart 2026 een bedrag van € 2.294,11 verrekend met het salaris van [verzoeker] onder de vermelding van ‘Wegneeming kasgeld’.
Vaststaat dat dit bedrag ziet op de 73 frauduleuze betalingen waarvoor [verweerster] [verzoeker] verantwoordelijk houdt. Zoals onder 4.24 is overwogen, kan [verzoeker] echter niet zondermeer verantwoordelijk worden gehouden voor de volledige 73 frauduleuze betalingen. Dat maakt dat het bedrag van € 2.294,11 niet zomaar door [verweerster] kon worden verrekend. Dit zal zij dus aan [verzoeker] moeten terugbetalen. De kantonrechter zal deze vordering daarom toewijzen.




Het achterstallige salaris en vakantiegeld (anders dan op grond van cao-verhogingen) zal worden afgewezen





4.27

Volgens [verzoeker] heeft [verweerster] € 505,92 netto aan salaris voor de periode november 2025 en februari 2026 en € 64,80 bruto aan vakantiegeld voor het jaar 2023 te weinig betaald. [verweerster] is het daar niet mee eens. Het salaris van [verzoeker] zou volgens [verweerster] altijd uiterlijk aan het einde van de maand zijn betaald, zoals in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen. Verder zou de salarisverhoging per 1 juni 2025 door een administratieve omissie bij de externe salarisadministrateur aanvankelijk niet zijn verwerkt, maar zou dat later met terugwerkende kracht volledig zijn gecorrigeerd. De discussie over het vakantiegeld lijkt volgens [verweerster] te berusten op een onjuiste vergelijking met het vakantiegeld bij [bedrijfsnaam 2] , dat was gebaseerd op een
volledig dienstjaar. Daarvan was bij [verweerster] echter geen sprake.




4.28
De kantonrechter zal de door [verzoeker] genoemde bedragen aan achterstallig salaris en vakantiegeld, zoals hiervoor gevorderd, afwijzen. [verzoeker] heeft volstaan met de verwijzing naar productie 29, waaruit zou volgen dat € 505,92 netto aan salaris voor de periode november 2025 en februari 2026 en € 64,80 bruto aan vakantiegeld voor het jaar 2023 te weinig zou zijn betaald. Dit is echter op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl van de zijde van [verweerster] sprake is van een onderbouwde betwisting. Dit had wel op de weg van [verzoeker] gelegen en daarom worden deze vorderingen afgewezen.




[verweerster] moet alsnog € 4.621,00 aan pensioenpremie afdragen





4.29
Volgens [verzoeker] is sprake van een gat in zijn pensioenopbouw, doordat een overstap van Zwitserleven naar A.S.R. niet juist zou zijn verlopen. Het zou gaan om een bedrag van € 4.621,00. Op de mondelinge behandeling is gewijzigd verzocht om te bepalen dat [verweerster] dit bedrag alsnog aan A.S.R. afdraagt, vermeerderd met de wettelijke rente. [verweerster] spreekt tegen dat het volledige pensioenbedrag niet aan A.S.R. zou zijn gestort. Verwezen is naar een overgelegd bankafschrift van 25 januari 2025, waarin een bedrag van € 5.477,06 staat vermeld.


4.30
De kantonrechter zal het verzoek toewijzen, wat betekent dat [verweerster] € 4.621,00 alsnog aan A.S.R. moet afdragen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Niet is namelijk komen vast te staan dat A.S.R. de betaling van [verweerster] ook heeft ontvangen, nu [verzoeker] dat heeft betwist. Het af te dragen bedrag wordt echter slechts toegewezen, met dien verstande dat, voor zover komt vast te staan dat het bedrag van € 4.621,00 bruto al (deels) door A.S.R. is ontvangen, dat deel in mindering zal strekken op het totale bedrag.



De resterende openstaande vakantiedagen en/of vakantie-uren zullen worden afgewezen





4.31

[verzoeker] maakt verder nog aanspraak op openstaande vakantiedagen en/of vakantie-uren, opgebouwd tot de datum van het ontslag. Het exacte aantal is daarbij niet door hem toegelicht en/of onderbouwd. Volgens [verweerster] waren er nog 46,30 vakantie-uren openstaand. Die opgebouwde uren bestonden uit 25,5 resterende uren uit 2025, een opbouw van 36,8 uren tot aan de datum uit dienst en een opname van 16 uren in 2026 (te weten op 2 januari en 6 februari 2026). De resterende vakantieuren zijn volgens [verweerster] correct verwerkt in de eindafrekening onder de kolom ‘bijzondere vergoedingen’ en al aan [verzoeker] uitbetaald/verrekend. Dat ging om een bedrag van € 1.075,09.



4.32

[verzoeker] heeft in reactie hierop niet toegelicht hoeveel vakantiedagen en/of vakantie-uren hij heeft opgebouwd gedurende zijn dienstverband en welke niet door [verweerster] zijn uitbetaald. [verweerster] heeft dat wel gedaan en de kantonrechter ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.



De wettelijke verhoging zal worden toegewezen





4.33
De gevorderde wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige salaris zal ook worden toegewezen, omdat [verweerster] het salaris niet op tijd heeft betaald. De kantonrechter ziet geen aanleiding om het percentage aan wettelijke verhoging te matigen.



Buitengerechtelijke incassokosten





4.34

[verzoeker] verzoekt vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit verzoek moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief. Dit betreft € 1.079,87. Ook de gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.



De proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad





4.35

[verweerster] moet de proceskosten betalen, omdat [verweerster] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.



4.36

Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dat wil zeggen dat [verweerster] moet uitvoeren wat daar in staat, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

5 De beslissing




De kantonrechter:




5.1
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 4039,70 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 maart 2026 totdat het hele bedrag is betaald;



5.2
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 2.294,11 aan onrechtmatig ingehouden schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag dat volledig is betaald;



5.3
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 790,83 bruto aan achterstallig salaris als gevolg van de niet (tijdig) doorgevoerde cao-loonsverhogingen over de periode oktober 2023 tot en met februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag dat volledig is betaald;



5.4
veroordeelt [verweerster] om aan A.S.R. een bedrag van € 4.621,00 bruto aan niet afgedragen pensioenpremies te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag dat volledig is betaald, met dien verstande dat, voor zover komt vast te staan dat het bedrag van € 4.621,00 bruto al (deels) door A.S.R. is ontvangen, dat deel in mindering zal strekken op het totale bedrag;



5.5
veroordeelt [verweerster] tot betaling van de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW van 50% over het te laat betaalde loon zoals vermeld onder 5.2 en 5.3;



5.6
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.079,87, te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag dat volledig is betaald;



5.7
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;



5.8
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



5.9
wijst af het meer of anders verzochte.



in het tegenverzoek:





5.10
wijst de tegenverzoeken af;



5.11
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van [verzoeker] begroot op nihil.


Deze beschikking is gegeven door mr. E.F.A. van Buitenen en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026.



LHJ/63796




Artikel 7:678 lid 1 BW en artikel 7:677 BW


Artikel 7:672 lid 11 BW


Artikel 7:677 BW


Artikel 7:673 BW


Artikel 7:681 lid 1 sub a BW


Verwezen is naar productie 11 en 12 bij het verweerschrift.



[verzoeker] heeft een bedrag van € 923,00 aan pensioen opgebouwd, terwijl hij naar schatting € 462,- per maand aan pensioen zou moeten hebben opgebouwd. Een bedrag van € 4.621,00 is volgens hem dus onterecht niet door [verweerster] afgedragen.