Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5704
2026-07-22
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/16/586116 / FO RK 24-1532
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verhuiszaak en hoofdverblijf
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.566 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/586116 / FO RK 24-1532
Gezag en omgang
Beschikking van 22 juli 2026
in de zaak van:
[de vader]
,
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. L.C. Griffioen-Wennekers,
tegen
[de moeder]
,
wonende in [plaats 2] , gemeente [gemeente 1] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. H.L.D. van Holland.
1De procedure
1.1
De rechtbank heeft op 13 februari 2025 en 27 februari 2026 beschikkingen gegeven in deze zaak. In de beschikking van 27 februari 2026 is de beslissing op de verzoeken over de hoofdverblijfplaats, de inschrijving op een basisschool en de inschrijving bij een huisarts aangehouden tot een nader te bepalen zitting van de meervoudige kamer, en is over de andere verzoeken een eindbeslissing gegeven.
1.2
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
de aanvullende onderbouwing van de verzoeken van de vrouw (met bijlagen) van 29 juni 2026;
het verweerschrift van de man (met bijlagen) met aanvullende verzoeken van 30 juni 2026;
het bericht van de vrouw (met bijlagen) van 3 juli 2026;
het bericht van de vrouw (met bijlage) van 6 juli 2026;
het bericht van de man (met bijlage) van 6 juli 2026;
het bericht van de man (met bijlage) van 7 juli 2026.
1.3
Naar aanleiding van een aanvullend verzoek van de vader tijdens de zitting (zie ook rechtsoverweging 2.8) is besproken dat de moeder nog de gelegenheid zou krijgen om op dit aanvullende verzoek te reageren, waarna de vader vervolgens nog een termijn zou krijgen voor een reactie. De rechtbank heeft na de zitting nog de volgende stukken ontvangen:
een verweerschrift van de moeder (met bijlage) van 13 juli 2026;
de brief van de vader (met bijlagen) van 14 juli 2026
een bericht van de moeder van 16 juli 2026;
een tweede bericht van de moeder van 16 juli, met bijlagen.
1.4
De rechtbank constateert dat de moeder zich in het verweerschrift van 13 juli 2026 niet beperkt heeft tot de tijdens de zitting door de man ingediende aanvulling op zijn verzoeken, namelijk dat vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige] in te schrijven voor de [school 1] in [plaats 1] . De vrouw heeft echter van de rechtbank alleen de gelegenheid gekregen om in te gaan op een eventuele inschrijving bij deze specifieke school en had zich dus daartoe moeten beperken. Vervolgens heeft de vader -zekerheidshalve- uitgebreid gereageerd op het stuk van de moeder. Voorzover beide partijen in hun stukken ingaan op andere punten dan de inschrijving voor de [school 1] laat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing.
1.5
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van de meervoudige kamer van 9 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader met zijn advocaat;
de moeder met haar advocaat;
de heer [A.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
1.6
De rechtbank heeft [minderjarige] , de driejarige dochter van de ouders, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.
2Waar de procedure over gaat
De feiten
2.1
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2
Zij zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] .
2.3
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over haar nemen.
2.4
De rechtbank heeft in de beschikking van 27 februari 2026 de volgende zorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
in de even weken van donderdag uit school tot maandag naar school;
in de oneven weken van woensdag uit school tot vrijdagochtend naar school;
zolang [minderjarige] nog niet naar school gaat betekent “uit school” vanaf 17.00 uur en “naar school” 08.30 uur.
Verder is er in deze beschikking een definitieve beslissing genomen over de vakantie- en feestdagenregeling en de kinderalimentatie. De verzoeken over de hoofdverblijfplaats, de inschrijving op een basisschool en de inschrijving bij een huisarts zijn aangehouden.
De verzoeken
2.5
Na de beschikking van 27 februari 2026 luidden de verzoeken van de moeder waarop de rechtbank nog een beslissing moest nemen als volgt:
te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;
aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te laten schrijven op [school 2] in [plaats 2] ;
aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te laten schrijven bij de huisarts van de moeder of een huisarts in [plaats 2] , althans die nabije regio.
2.6
Tijdens de zitting heeft de moeder haar verzoek ten aanzien van de vervangende toestemming voor inschrijving bij een huisarts ingetrokken. [minderjarige] is inmiddels ingeschreven bij huisartsenpraktijk [naam 1] in [plaats 3] en de vader stemt daarmee in. Dat betekent dat de rechtbank daar geen beslissing meer over hoeft te nemen.
2.7
De vader is het niet eens met de verzoeken van de moeder. Hij wil dat deze verzoeken worden afgewezen. Verder heeft de vader zelf nog de volgende aanvullende verzoeken gedaan:
1. primair: te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben;
subsidiair: geen hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vast te stellen;
meer subsidiair: te bepalen dat de moeder met [minderjarige] terug moet verhuizen naar [plaats 1] ;
2. aan de vader vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te laten schrijven op de [school 3] in [plaats 1] of [school 4] in [plaats 1] .
2.8
Tijdens de zitting heeft de vader zijn verzoek onder 2. schriftelijk aangevuld in die zin dat hij ook verzoekt om vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te laten schrijven op basisschool [school 1] in [plaats 1] . De moeder heeft tijdens de zitting bezwaar gemaakt tegen deze aanvulling. De rechtbank heeft beslist dat het aanvullende verzoek van de vader wel in behandeling wordt genomen. Een partij is immers bevoegd haar verzoek te vermeerderen zolang de rechtbank nog geen eindbeschikking heeft gegeven. Het aanvullende verzoek van de vader past binnen het geschil tussen partijen en komt daarmee niet in strijd met de eisen van een goede procesorde.
3De beoordeling
De beslissing
3.1
De rechtbank zal aan de moeder vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] in te schrijven op [school 2] in [plaats 2] . De verzoeken van de ouders over de hoofdverblijfplaats zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Vervangende toestemming voor inschrijving basisschool
3.2
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] . Dit betekent dat zij samen gezagsbeslissingen moeten nemen. Daaronder valt ook de beslissing naar welke basisschool [minderjarige] zal gaan. Bij een geschil hierover tussen de ouders kan de rechtbank een beslissing nemen. Dat betekent dat de rechtbank aan één van de ouders vervangende toestemming kan geven om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool. De rechtbank moet een zodanige beslissing nemen als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.3
In dit geval hebben de ouders na de zitting van 27 januari 2026 nog de gelegenheid gekregen om samen tot afspraken te komen over de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool. Dit is hen niet gelukt. De rechtbank constateert dat de standpunten van de ouders daarvoor te ver uit elkaar liggen. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing zal moeten nemen over de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool die zij het meest in het belang van [minderjarige] vindt. De rechtbank onderstreept dat dat een ingewikkelde beslissing is. Dat heeft te maken met diverse factoren. Zo is sprake van een forse afstand tussen de woonplekken van de ouders. De vader woont aan de oostelijke rand van het centrum van [plaats 1] en de moeder in [plaats 2] ; een reisafstand (met de auto) van ongeveer een half uur, buiten de spits. Ook de nagenoeg gelijke zorgverdeling tussen de ouders maakt de beslissing over wat in het belang van [minderjarige] is complex. In de procedure zijn drie opties voor scholen besproken. Een school bij één van beide ouders om de hoek of een school halverwege, ergens in [plaats 1] .
3.4
Gelet op deze complexe uitgangspunten vindt de rechtbank het op de eerste plaats in het belang van [minderjarige] dat zij zo weinig mogelijk reisbewegingen van en naar school maakt. De Raad heeft zowel tijdens de zitting van 27 januari 2026 als tijdens de zitting van 9 juli 2026 verklaard dat het voor een kind belastend is om voortdurend met de auto van en naar school te moeten reizen. De rechtbank is dit met de Raad eens. In de beschikking van 27 januari 2026 heeft de rechtbank weliswaar met zoveel woorden geoordeeld dat een reisafstand (met de auto) van een kwartier acceptabel is, maar dit was in het kader van een mogelijke verhuizing van de vader naar [gemeente 2] . De rechtbank schrijft hierover in haar beschikking van 27 januari 2026 immers: “ Deze zorgregeling kan ook blijven voortduren als beide ouders uiteindelijk in de buurt van de school van [minderjarige] wonen. Dat wil zeggen dat de ouders binnen een kwartier rijden (met de auto) van de school wonen. Daar is op dit moment echter nog geen duidelijkheid over.” Van een mogelijke verhuizing van de vader is geen sprake meer. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat hij voorlopig in [plaats 1] blijft wonen, omdat een verhuizing voor hem financieel niet haalbaar is in verband met een nieuwe baan. Gelet hierop acht de rechtbank een school ergens tussen de woonplekken van de ouders in, zoals door de vader is verzocht, dan ook niet in het belang van [minderjarige] . De vader heeft hierover nog gesteld dat het aantal reisminuten (in de auto) voor [minderjarige] hetzelfde is, ongeacht of zij naar een school ergens tussen de ouders in of naar de school in [plaats 2] zou gaan. Volgens de vader maakt het in die zin voor [minderjarige] dus niet zoveel uit. De rechtbank ziet dit anders. Als [minderjarige] naar een school zou gaan die is gelegen ergens tussen de woonplekken van de ouders in, dan betekent dit dat [minderjarige] elke dag met de auto van en naar school moet reizen. Daarvan heeft de Raad tijdens de zitting gezegd dat dit belastend is voor een kind. Als [minderjarige] naar een school bij één van de ouders om de hoek gaat, zijn er ook dagen waarop zij lopend naar school en terug kan. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk een groot verschil voor een kind, en zeker voor een jong kind van vier jaar dat net start op school. Een school om de hoek bij één van de ouders is dus meer in het belang van [minderjarige] . Verder heeft de rechtbank begrip voor het argument van de vader dat hij niet alleen de zorg voor [minderjarige] gelijkwaardig met de moeder wil verdelen, maar ook de reistijd, maar zij vindt dit belang van de vader ondergeschikt aan het belang van [minderjarige] .
3.5
Daar komt bij dat de rechtbank het met de Raad eens is dat het voor de sociale ontwikkeling van [minderjarige] belangrijk is dat zij naar een school gaat die in haar sociale omgeving ligt. De Raad heeft hierover tijdens de zitting verklaard dat [minderjarige] in een ‘sociaal niemandsland’ terecht zou kunnen komen als zij naar een school gaat die ergens tussen de woonplekken van de ouders in ligt. De rechtbank kan zich dit goed voorstellen. De sociale omgeving van [minderjarige] bevindt zich in de woonwijk van de vader in [plaats 1] en bij haar moeder in [plaats 2] . Een school ergens tussen de woonplekken van de ouders in betekent dat [minderjarige] altijd op grote(re) afstand van de omgeving van haar school woont en dus op grote(re) afstand van haar schoolvriendjes en de schoolse en buitenschoolse activiteiten. Dit betekent dat zij voor haar sociale schoolcontacten altijd afhankelijk zal zijn van haar ouders, terwijl het voor een kind juist belangrijk is dat zijn sociale contacten zich zoveel mogelijk in de eigen geografische omgeving afspelen. Bovendien hebben zowel zij als haar ouders geen sociale binding met (de omgeving van) een school ergens tussen de woonplekken van de ouders in. Zo’n school is daarom niet goed voor het sociale welbevinden van [minderjarige] .
3.6
Vervolgens is de vraag bij wie van de ouders [minderjarige] om de hoek naar school moet gaan. Ook hierbij is het belang van [minderjarige] leidend. De rechtbank komt tot het oordeel dat in het belang van [minderjarige] is dat zij naar de school in [plaats 2] gaat. Daarbij is van belang dat er voor [minderjarige] een verschil in reisbewegingen is tussen de [school 1] in [plaats 1] en de [school 2] in [plaats 2] . Dit verschil is weliswaar klein, maar ook een klein verschil acht de rechtbank voor haar van betekenis. Als [minderjarige] bij de moeder om de hoek in [plaats 2] naar school gaat, heeft zij – gedurende de cyclus van twee weken van de vastgestelde zorgregeling – minder reisbewegingen met de auto dan als zij bij de vader om de hoek in [plaats 1] naar school zou gaan; namelijk acht keer tegenover twaalf keer. Hoe klein dit verschil ook is, het is wel van belang voor [minderjarige] en dus neemt de rechtbank dit mee in haar oordeel.
3.7
Wat de rechtbank ook in haar oordeel meeneemt, is dat de ouders [minderjarige] op diverse scholen in [plaats 4] hadden ingeschreven toen de moeder nog in [plaats 4] woonde. Hierover was toen overeenstemming tussen de ouders. De reisafstand tussen [plaats 1] en [plaats 4] is groter dan de reisafstand tussen [plaats 1] en [plaats 2] . Op dat moment waren ouders het er dus over eens dat [minderjarige] in de woonomgeving van de moeder naar school zou gaan en dat zij vanaf het adres van de vader in [plaats 1] naar school zou reizen met de auto. De vader heeft destijds weliswaar gezegd dat hij plannen had om mogelijk te verhuizen naar [gemeente 2] , zodat hij dichter bij [plaats 4] en dus dichter bij [minderjarige] zou wonen, maar uit de stukken blijkt niet dat de vader hier ooit daadwerkelijk actie op heeft ondernomen. Bovendien heeft de vader, zoals hiervoor onder 3.4 al is aangehaald, tijdens de zitting verklaard dat hij voorlopig in [plaats 1] blijft wonen. Door een nieuwe baan is het voor hem op dit moment financieel onmogelijk om te verhuizen. De rechtbank heeft verder ook geen aanwijzingen dat de vader binnen afzienbare tijd wel naar [gemeente 2] zou gaan verhuizen. Gelet op het feit dat de reisafstand vanaf het adres van de vader naar [plaats 2] korter is dan de reisafstand naar [plaats 4] , terwijl het plan van de vader om te verhuizen naar [gemeente 2] nimmer heeft geleid tot een enigszins serieuze zoektocht, ziet de rechtbank niet in waarom de school in [plaats 2] niet geschikt zou zijn terwijl de vader het eens was met een school in [plaats 4] . De rechtbank zal de stellingen van de vader op dit punt dan ook naast zich neerleggen.
3.8
Daar komt bij dat uit de overgelegde stukken nog blijkt dat de ouders, toen zij nog bij elkaar waren, niet met [minderjarige] in [plaats 1] wilden blijven wonen. De rechtbank concludeert daaruit dat ze haar niet in een grootstedelijke omgeving wilden laten opgroeien. Ze hadden daarom de intentie om te verhuizen naar een regio buiten [plaats 1] en hebben in die periode veel huizen bezichtigd buiten [plaats 1] . Uiteindelijk is de relatie geëindigd voordat de ouders daadwerkelijk een woning buiten [plaats 1] hadden gekozen. Feit is wel dat de ouders voor [minderjarige] een toekomst buiten [plaats 1] voor ogen hadden. In dat licht ligt de keuze voor een school in [plaats 2] meer voor de hand dan voor een school in [plaats 1] .
3.9
Tot slot neemt de rechtbank in haar oordeel mee dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij straks samen met haar halfzusje [naam 2] op dezelfde school zit. Over het algemeen geeft dit kinderen een gevoel van geborgenheid en vertrouwdheid en daarmee een gevoel van veiligheid.
3.10
Alles bij elkaar genomen komt de rechtbank tot het oordeel dat het (meer) in het belang van [minderjarige] is dat zij in [plaats 2] naar de basisschool gaat. De rechtbank zal dan ook aan de moeder vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] in te schrijven op [school 2] in [plaats 2] .
Hoe verder?
3.11
Deze beslissing brengt hoe dan ook met zich mee dat [minderjarige] veel in de auto zit van en naar school. Dit is belastend voor haar en zal dus veel van [minderjarige] vergen. Daarmee vraagt het reizen ook veel van de ouders. De rechtbank gaat er vanuit dat de ouders dit voor ogen houden en zoveel mogelijk handelen in het belang van [minderjarige] . Dat betekent ook dat de rechtbank van de ouders verwacht dat zij de vastgestelde zorgregeling zoveel mogelijk in stand houden, ook al zal dat voor [minderjarige] – zeker als zij net start met school – soms best pittig zijn. Het is daarom belangrijk dat beide ouders goed contact houden met school om te volgen hoe het daar met haar gaat. Verder brengt dat met zich mee dat er tussen de ouders in ieder geval sprake moet zijn van een minimale vorm van (praktische) afstemming, aldus de Raad tijdens de zitting. Een totaal gebrek aan afstemming en overleg is volgens de Raad in deze situatie namelijk funest. Het zou daarom het beste zijn als de ouders zich weer wenden tot de hulpverlening, want de afstemming tussen de ouders verloopt tot op heden zeer moeizaam. De rechtbank hoopt dat dit de ouders in het belang van [minderjarige] lukt.
Hoofdverblijfplaats
3.12
De rechtbank stelt allereerst vast dat het begrip ‘hoofdverblijfplaats’ een juridische term is die terug te vinden is in enkele wetsartikelen, maar dat de inhoud van het begrip onduidelijk is. Het begrip staat in de wet niet als zodanig uitgelegd en ook in de parlementaire toelichting zijn er geen aanknopingspunten te vinden voor de inhoud ervan. In de praktijk is het begrip ‘hoofdverblijfplaats’ nauw verweven met de zorgregeling. Een kind heeft zijn hoofdverblijfplaats daar waar het kind het meest verblijft; daar waar het zwaartepunt van de zorg ligt.
3.13
Tijdens de zitting is besproken wat in de ogen van de ouders het gevolg is van het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij één van hen. De vader stelt dat hij daarmee het gevoel heeft dat hij ook inspraak heeft, omdat in zijn ogen het nu vooral de moeder is die de zaken rondom [minderjarige] bepaalt. De moeder stelt op haar beurt dat het voor [minderjarige] belangrijk is om te weten dat zij haar basis in [plaats 2] heeft, omdat zij daar – ook al is het verschil klein – meer dan de helft van de tijd verblijft.
3.14
De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij één ouder voor hen vooral een emotionele waarde heeft. Een juridische onderbouwing ontbreekt. Dit gegeven in combinatie met de nagenoeg gelijkwaardige zorgverdeling die tussen de ouders is vastgesteld, maakt dat de rechtbank in dit geval geen aanleiding ziet om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij één van de ouders vast te stellen. [minderjarige] verblijft ongeveer evenveel tijd bij de vader als bij de moeder en heeft in die zin dus bij beide ouders haar hoofdverblijf. De rechtbank vindt het daarom niet in het belang van [minderjarige] om haar hoofdverblijf bij één van de ouders vast te stellen. Dat doet immers geen recht aan de gelijkwaardige rol die de ouders in het kader van de vastgestelde co-ouderschapsregeling vervullen. Bovendien wil de rechtbank voorkomen dat de vaststelling van het hoofdverblijf – gelet op de vooral emotionele lading die de term voor de ouders draagt – tot (nog meer) conflicten tussen de ouders leidt. De rechtbank zal het verzoek van de ouders daarom afwijzen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.15
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De kosten van deze procedure
3.16
De rechtbank zal beslissen dat iedere ouder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van de ouders in de proceskosten te veroordelen.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
verleent vervangende toestemming aan de moeder voor inschrijving van [minderjarige] op [school 2] in [plaats 2] ;
4.2
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. G.L.M. Urbanus, mr. E.A.A. van Kalveen en mr. N.J.W.G. Simons, (kinder)rechters, in samenwerking met mr. M. Hoogeveen-van de Vrede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
Artikel 130 lid 1 Rv.
Artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/586116 / FO RK 24-1532
Gezag en omgang
Beschikking van 22 juli 2026
in de zaak van:
[de vader]
,
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. L.C. Griffioen-Wennekers,
tegen
[de moeder]
,
wonende in [plaats 2] , gemeente [gemeente 1] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. H.L.D. van Holland.
1De procedure
1.1
De rechtbank heeft op 13 februari 2025 en 27 februari 2026 beschikkingen gegeven in deze zaak. In de beschikking van 27 februari 2026 is de beslissing op de verzoeken over de hoofdverblijfplaats, de inschrijving op een basisschool en de inschrijving bij een huisarts aangehouden tot een nader te bepalen zitting van de meervoudige kamer, en is over de andere verzoeken een eindbeslissing gegeven.
1.2
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
de aanvullende onderbouwing van de verzoeken van de vrouw (met bijlagen) van 29 juni 2026;
het verweerschrift van de man (met bijlagen) met aanvullende verzoeken van 30 juni 2026;
het bericht van de vrouw (met bijlagen) van 3 juli 2026;
het bericht van de vrouw (met bijlage) van 6 juli 2026;
het bericht van de man (met bijlage) van 6 juli 2026;
het bericht van de man (met bijlage) van 7 juli 2026.
1.3
Naar aanleiding van een aanvullend verzoek van de vader tijdens de zitting (zie ook rechtsoverweging 2.8) is besproken dat de moeder nog de gelegenheid zou krijgen om op dit aanvullende verzoek te reageren, waarna de vader vervolgens nog een termijn zou krijgen voor een reactie. De rechtbank heeft na de zitting nog de volgende stukken ontvangen:
een verweerschrift van de moeder (met bijlage) van 13 juli 2026;
de brief van de vader (met bijlagen) van 14 juli 2026
een bericht van de moeder van 16 juli 2026;
een tweede bericht van de moeder van 16 juli, met bijlagen.
1.4
De rechtbank constateert dat de moeder zich in het verweerschrift van 13 juli 2026 niet beperkt heeft tot de tijdens de zitting door de man ingediende aanvulling op zijn verzoeken, namelijk dat vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige] in te schrijven voor de [school 1] in [plaats 1] . De vrouw heeft echter van de rechtbank alleen de gelegenheid gekregen om in te gaan op een eventuele inschrijving bij deze specifieke school en had zich dus daartoe moeten beperken. Vervolgens heeft de vader -zekerheidshalve- uitgebreid gereageerd op het stuk van de moeder. Voorzover beide partijen in hun stukken ingaan op andere punten dan de inschrijving voor de [school 1] laat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing.
1.5
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van de meervoudige kamer van 9 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader met zijn advocaat;
de moeder met haar advocaat;
de heer [A.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
1.6
De rechtbank heeft [minderjarige] , de driejarige dochter van de ouders, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.
2Waar de procedure over gaat
De feiten
2.1
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2
Zij zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] .
2.3
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over haar nemen.
2.4
De rechtbank heeft in de beschikking van 27 februari 2026 de volgende zorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
in de even weken van donderdag uit school tot maandag naar school;
in de oneven weken van woensdag uit school tot vrijdagochtend naar school;
zolang [minderjarige] nog niet naar school gaat betekent “uit school” vanaf 17.00 uur en “naar school” 08.30 uur.
Verder is er in deze beschikking een definitieve beslissing genomen over de vakantie- en feestdagenregeling en de kinderalimentatie. De verzoeken over de hoofdverblijfplaats, de inschrijving op een basisschool en de inschrijving bij een huisarts zijn aangehouden.
De verzoeken
2.5
Na de beschikking van 27 februari 2026 luidden de verzoeken van de moeder waarop de rechtbank nog een beslissing moest nemen als volgt:
te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;
aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te laten schrijven op [school 2] in [plaats 2] ;
aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te laten schrijven bij de huisarts van de moeder of een huisarts in [plaats 2] , althans die nabije regio.
2.6
Tijdens de zitting heeft de moeder haar verzoek ten aanzien van de vervangende toestemming voor inschrijving bij een huisarts ingetrokken. [minderjarige] is inmiddels ingeschreven bij huisartsenpraktijk [naam 1] in [plaats 3] en de vader stemt daarmee in. Dat betekent dat de rechtbank daar geen beslissing meer over hoeft te nemen.
2.7
De vader is het niet eens met de verzoeken van de moeder. Hij wil dat deze verzoeken worden afgewezen. Verder heeft de vader zelf nog de volgende aanvullende verzoeken gedaan:
1. primair: te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben;
subsidiair: geen hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vast te stellen;
meer subsidiair: te bepalen dat de moeder met [minderjarige] terug moet verhuizen naar [plaats 1] ;
2. aan de vader vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te laten schrijven op de [school 3] in [plaats 1] of [school 4] in [plaats 1] .
2.8
Tijdens de zitting heeft de vader zijn verzoek onder 2. schriftelijk aangevuld in die zin dat hij ook verzoekt om vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te laten schrijven op basisschool [school 1] in [plaats 1] . De moeder heeft tijdens de zitting bezwaar gemaakt tegen deze aanvulling. De rechtbank heeft beslist dat het aanvullende verzoek van de vader wel in behandeling wordt genomen. Een partij is immers bevoegd haar verzoek te vermeerderen zolang de rechtbank nog geen eindbeschikking heeft gegeven. Het aanvullende verzoek van de vader past binnen het geschil tussen partijen en komt daarmee niet in strijd met de eisen van een goede procesorde.
3De beoordeling
De beslissing
3.1
De rechtbank zal aan de moeder vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] in te schrijven op [school 2] in [plaats 2] . De verzoeken van de ouders over de hoofdverblijfplaats zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Vervangende toestemming voor inschrijving basisschool
3.2
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] . Dit betekent dat zij samen gezagsbeslissingen moeten nemen. Daaronder valt ook de beslissing naar welke basisschool [minderjarige] zal gaan. Bij een geschil hierover tussen de ouders kan de rechtbank een beslissing nemen. Dat betekent dat de rechtbank aan één van de ouders vervangende toestemming kan geven om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool. De rechtbank moet een zodanige beslissing nemen als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.3
In dit geval hebben de ouders na de zitting van 27 januari 2026 nog de gelegenheid gekregen om samen tot afspraken te komen over de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool. Dit is hen niet gelukt. De rechtbank constateert dat de standpunten van de ouders daarvoor te ver uit elkaar liggen. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing zal moeten nemen over de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool die zij het meest in het belang van [minderjarige] vindt. De rechtbank onderstreept dat dat een ingewikkelde beslissing is. Dat heeft te maken met diverse factoren. Zo is sprake van een forse afstand tussen de woonplekken van de ouders. De vader woont aan de oostelijke rand van het centrum van [plaats 1] en de moeder in [plaats 2] ; een reisafstand (met de auto) van ongeveer een half uur, buiten de spits. Ook de nagenoeg gelijke zorgverdeling tussen de ouders maakt de beslissing over wat in het belang van [minderjarige] is complex. In de procedure zijn drie opties voor scholen besproken. Een school bij één van beide ouders om de hoek of een school halverwege, ergens in [plaats 1] .
3.4
Gelet op deze complexe uitgangspunten vindt de rechtbank het op de eerste plaats in het belang van [minderjarige] dat zij zo weinig mogelijk reisbewegingen van en naar school maakt. De Raad heeft zowel tijdens de zitting van 27 januari 2026 als tijdens de zitting van 9 juli 2026 verklaard dat het voor een kind belastend is om voortdurend met de auto van en naar school te moeten reizen. De rechtbank is dit met de Raad eens. In de beschikking van 27 januari 2026 heeft de rechtbank weliswaar met zoveel woorden geoordeeld dat een reisafstand (met de auto) van een kwartier acceptabel is, maar dit was in het kader van een mogelijke verhuizing van de vader naar [gemeente 2] . De rechtbank schrijft hierover in haar beschikking van 27 januari 2026 immers: “ Deze zorgregeling kan ook blijven voortduren als beide ouders uiteindelijk in de buurt van de school van [minderjarige] wonen. Dat wil zeggen dat de ouders binnen een kwartier rijden (met de auto) van de school wonen. Daar is op dit moment echter nog geen duidelijkheid over.” Van een mogelijke verhuizing van de vader is geen sprake meer. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat hij voorlopig in [plaats 1] blijft wonen, omdat een verhuizing voor hem financieel niet haalbaar is in verband met een nieuwe baan. Gelet hierop acht de rechtbank een school ergens tussen de woonplekken van de ouders in, zoals door de vader is verzocht, dan ook niet in het belang van [minderjarige] . De vader heeft hierover nog gesteld dat het aantal reisminuten (in de auto) voor [minderjarige] hetzelfde is, ongeacht of zij naar een school ergens tussen de ouders in of naar de school in [plaats 2] zou gaan. Volgens de vader maakt het in die zin voor [minderjarige] dus niet zoveel uit. De rechtbank ziet dit anders. Als [minderjarige] naar een school zou gaan die is gelegen ergens tussen de woonplekken van de ouders in, dan betekent dit dat [minderjarige] elke dag met de auto van en naar school moet reizen. Daarvan heeft de Raad tijdens de zitting gezegd dat dit belastend is voor een kind. Als [minderjarige] naar een school bij één van de ouders om de hoek gaat, zijn er ook dagen waarop zij lopend naar school en terug kan. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk een groot verschil voor een kind, en zeker voor een jong kind van vier jaar dat net start op school. Een school om de hoek bij één van de ouders is dus meer in het belang van [minderjarige] . Verder heeft de rechtbank begrip voor het argument van de vader dat hij niet alleen de zorg voor [minderjarige] gelijkwaardig met de moeder wil verdelen, maar ook de reistijd, maar zij vindt dit belang van de vader ondergeschikt aan het belang van [minderjarige] .
3.5
Daar komt bij dat de rechtbank het met de Raad eens is dat het voor de sociale ontwikkeling van [minderjarige] belangrijk is dat zij naar een school gaat die in haar sociale omgeving ligt. De Raad heeft hierover tijdens de zitting verklaard dat [minderjarige] in een ‘sociaal niemandsland’ terecht zou kunnen komen als zij naar een school gaat die ergens tussen de woonplekken van de ouders in ligt. De rechtbank kan zich dit goed voorstellen. De sociale omgeving van [minderjarige] bevindt zich in de woonwijk van de vader in [plaats 1] en bij haar moeder in [plaats 2] . Een school ergens tussen de woonplekken van de ouders in betekent dat [minderjarige] altijd op grote(re) afstand van de omgeving van haar school woont en dus op grote(re) afstand van haar schoolvriendjes en de schoolse en buitenschoolse activiteiten. Dit betekent dat zij voor haar sociale schoolcontacten altijd afhankelijk zal zijn van haar ouders, terwijl het voor een kind juist belangrijk is dat zijn sociale contacten zich zoveel mogelijk in de eigen geografische omgeving afspelen. Bovendien hebben zowel zij als haar ouders geen sociale binding met (de omgeving van) een school ergens tussen de woonplekken van de ouders in. Zo’n school is daarom niet goed voor het sociale welbevinden van [minderjarige] .
3.6
Vervolgens is de vraag bij wie van de ouders [minderjarige] om de hoek naar school moet gaan. Ook hierbij is het belang van [minderjarige] leidend. De rechtbank komt tot het oordeel dat in het belang van [minderjarige] is dat zij naar de school in [plaats 2] gaat. Daarbij is van belang dat er voor [minderjarige] een verschil in reisbewegingen is tussen de [school 1] in [plaats 1] en de [school 2] in [plaats 2] . Dit verschil is weliswaar klein, maar ook een klein verschil acht de rechtbank voor haar van betekenis. Als [minderjarige] bij de moeder om de hoek in [plaats 2] naar school gaat, heeft zij – gedurende de cyclus van twee weken van de vastgestelde zorgregeling – minder reisbewegingen met de auto dan als zij bij de vader om de hoek in [plaats 1] naar school zou gaan; namelijk acht keer tegenover twaalf keer. Hoe klein dit verschil ook is, het is wel van belang voor [minderjarige] en dus neemt de rechtbank dit mee in haar oordeel.
3.7
Wat de rechtbank ook in haar oordeel meeneemt, is dat de ouders [minderjarige] op diverse scholen in [plaats 4] hadden ingeschreven toen de moeder nog in [plaats 4] woonde. Hierover was toen overeenstemming tussen de ouders. De reisafstand tussen [plaats 1] en [plaats 4] is groter dan de reisafstand tussen [plaats 1] en [plaats 2] . Op dat moment waren ouders het er dus over eens dat [minderjarige] in de woonomgeving van de moeder naar school zou gaan en dat zij vanaf het adres van de vader in [plaats 1] naar school zou reizen met de auto. De vader heeft destijds weliswaar gezegd dat hij plannen had om mogelijk te verhuizen naar [gemeente 2] , zodat hij dichter bij [plaats 4] en dus dichter bij [minderjarige] zou wonen, maar uit de stukken blijkt niet dat de vader hier ooit daadwerkelijk actie op heeft ondernomen. Bovendien heeft de vader, zoals hiervoor onder 3.4 al is aangehaald, tijdens de zitting verklaard dat hij voorlopig in [plaats 1] blijft wonen. Door een nieuwe baan is het voor hem op dit moment financieel onmogelijk om te verhuizen. De rechtbank heeft verder ook geen aanwijzingen dat de vader binnen afzienbare tijd wel naar [gemeente 2] zou gaan verhuizen. Gelet op het feit dat de reisafstand vanaf het adres van de vader naar [plaats 2] korter is dan de reisafstand naar [plaats 4] , terwijl het plan van de vader om te verhuizen naar [gemeente 2] nimmer heeft geleid tot een enigszins serieuze zoektocht, ziet de rechtbank niet in waarom de school in [plaats 2] niet geschikt zou zijn terwijl de vader het eens was met een school in [plaats 4] . De rechtbank zal de stellingen van de vader op dit punt dan ook naast zich neerleggen.
3.8
Daar komt bij dat uit de overgelegde stukken nog blijkt dat de ouders, toen zij nog bij elkaar waren, niet met [minderjarige] in [plaats 1] wilden blijven wonen. De rechtbank concludeert daaruit dat ze haar niet in een grootstedelijke omgeving wilden laten opgroeien. Ze hadden daarom de intentie om te verhuizen naar een regio buiten [plaats 1] en hebben in die periode veel huizen bezichtigd buiten [plaats 1] . Uiteindelijk is de relatie geëindigd voordat de ouders daadwerkelijk een woning buiten [plaats 1] hadden gekozen. Feit is wel dat de ouders voor [minderjarige] een toekomst buiten [plaats 1] voor ogen hadden. In dat licht ligt de keuze voor een school in [plaats 2] meer voor de hand dan voor een school in [plaats 1] .
3.9
Tot slot neemt de rechtbank in haar oordeel mee dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij straks samen met haar halfzusje [naam 2] op dezelfde school zit. Over het algemeen geeft dit kinderen een gevoel van geborgenheid en vertrouwdheid en daarmee een gevoel van veiligheid.
3.10
Alles bij elkaar genomen komt de rechtbank tot het oordeel dat het (meer) in het belang van [minderjarige] is dat zij in [plaats 2] naar de basisschool gaat. De rechtbank zal dan ook aan de moeder vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] in te schrijven op [school 2] in [plaats 2] .
Hoe verder?
3.11
Deze beslissing brengt hoe dan ook met zich mee dat [minderjarige] veel in de auto zit van en naar school. Dit is belastend voor haar en zal dus veel van [minderjarige] vergen. Daarmee vraagt het reizen ook veel van de ouders. De rechtbank gaat er vanuit dat de ouders dit voor ogen houden en zoveel mogelijk handelen in het belang van [minderjarige] . Dat betekent ook dat de rechtbank van de ouders verwacht dat zij de vastgestelde zorgregeling zoveel mogelijk in stand houden, ook al zal dat voor [minderjarige] – zeker als zij net start met school – soms best pittig zijn. Het is daarom belangrijk dat beide ouders goed contact houden met school om te volgen hoe het daar met haar gaat. Verder brengt dat met zich mee dat er tussen de ouders in ieder geval sprake moet zijn van een minimale vorm van (praktische) afstemming, aldus de Raad tijdens de zitting. Een totaal gebrek aan afstemming en overleg is volgens de Raad in deze situatie namelijk funest. Het zou daarom het beste zijn als de ouders zich weer wenden tot de hulpverlening, want de afstemming tussen de ouders verloopt tot op heden zeer moeizaam. De rechtbank hoopt dat dit de ouders in het belang van [minderjarige] lukt.
Hoofdverblijfplaats
3.12
De rechtbank stelt allereerst vast dat het begrip ‘hoofdverblijfplaats’ een juridische term is die terug te vinden is in enkele wetsartikelen, maar dat de inhoud van het begrip onduidelijk is. Het begrip staat in de wet niet als zodanig uitgelegd en ook in de parlementaire toelichting zijn er geen aanknopingspunten te vinden voor de inhoud ervan. In de praktijk is het begrip ‘hoofdverblijfplaats’ nauw verweven met de zorgregeling. Een kind heeft zijn hoofdverblijfplaats daar waar het kind het meest verblijft; daar waar het zwaartepunt van de zorg ligt.
3.13
Tijdens de zitting is besproken wat in de ogen van de ouders het gevolg is van het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij één van hen. De vader stelt dat hij daarmee het gevoel heeft dat hij ook inspraak heeft, omdat in zijn ogen het nu vooral de moeder is die de zaken rondom [minderjarige] bepaalt. De moeder stelt op haar beurt dat het voor [minderjarige] belangrijk is om te weten dat zij haar basis in [plaats 2] heeft, omdat zij daar – ook al is het verschil klein – meer dan de helft van de tijd verblijft.
3.14
De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij één ouder voor hen vooral een emotionele waarde heeft. Een juridische onderbouwing ontbreekt. Dit gegeven in combinatie met de nagenoeg gelijkwaardige zorgverdeling die tussen de ouders is vastgesteld, maakt dat de rechtbank in dit geval geen aanleiding ziet om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij één van de ouders vast te stellen. [minderjarige] verblijft ongeveer evenveel tijd bij de vader als bij de moeder en heeft in die zin dus bij beide ouders haar hoofdverblijf. De rechtbank vindt het daarom niet in het belang van [minderjarige] om haar hoofdverblijf bij één van de ouders vast te stellen. Dat doet immers geen recht aan de gelijkwaardige rol die de ouders in het kader van de vastgestelde co-ouderschapsregeling vervullen. Bovendien wil de rechtbank voorkomen dat de vaststelling van het hoofdverblijf – gelet op de vooral emotionele lading die de term voor de ouders draagt – tot (nog meer) conflicten tussen de ouders leidt. De rechtbank zal het verzoek van de ouders daarom afwijzen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.15
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De kosten van deze procedure
3.16
De rechtbank zal beslissen dat iedere ouder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van de ouders in de proceskosten te veroordelen.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
verleent vervangende toestemming aan de moeder voor inschrijving van [minderjarige] op [school 2] in [plaats 2] ;
4.2
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. G.L.M. Urbanus, mr. E.A.A. van Kalveen en mr. N.J.W.G. Simons, (kinder)rechters, in samenwerking met mr. M. Hoogeveen-van de Vrede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
Artikel 130 lid 1 Rv.
Artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).