Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5576

2026-08-05 Civiel recht 11987820 \ LC EXPL 25-2561
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-16
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11987820 \ LC EXPL 25-2561
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gedaagde moet facturen voor vervoerswerkzaamheden betalen. Beroep op verrekening faalt (6:136 BW). Matiging van de contractuele boete.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.216 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
kantonrechter



locatie Lelystad



Zaaknummer: 11987820 \ LC EXPL 25-2561 JD/51246




Vonnis van 5 augustus 2026




in de zaak van





[eiser]
,
handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen Gerechtsdeurwaarders en Incasso,



tegen



de besloten vennootschap


[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoorhoudend in [kantoorplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D.T. Zandgrond en L. van Kooten-Hendriks.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 oktober 2025 met 11 producties;- de conclusie van antwoord met producties;
- de mondelinge behandeling van 30 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.



1.2
Tijdens de zitting van 30 juni 2026 was [eiser] aanwezig. Hij werd namens zijn gemachtigde bijgestaan door de heer M.N.J. ter Horst. Namens [gedaagde] was de heer [A] , eigenaar, aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Zandgrond.



1.3
De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet.





2De kern van de zaak


2.1

[eiser] heeft voor [gedaagde] pakketten met diepvriesmaaltijden vervoerd. Hiervoor heeft [eiser] [gedaagde] twee facturen van in totaal € 3.350,49 inclusief btw gestuurd. [gedaagde] heeft die facturen niet betaald. Volgens [eiser] is [gedaagde] daardoor ook contractuele boetes verschuldigd. Hij vordert dat [gedaagde] hem € 12.500,- inclusief rente en kosten of anders € 3.350,49 met rente en kosten moet betalen. [gedaagde] vindt dat zij niets hoeft te betalen. Zij voert aan dat [eiser] de vervoerswerkzaamheden niet (goed) heeft uitgevoerd en dat zij hierdoor € 6.000,- heeft geleden. De kantonrechter geeft [eiser] grotendeels gelijk. [gedaagde] moet de facturen met contractuele boetes en kosten betalen. De contractuele boete wordt wel gematigd.





3De beoordeling




[gedaagde] moet de facturen van in totaal € 3.350,49 inclusief btw aan [eiser] betalen




3.1
Partijen hebben op 2 mei 2024 een vervoersovereenkomst gesloten. Vervolgens heeft [eiser] in de periode vanaf 7 mei 2024 tot en met 16 mei 2024 diepvriesmaaltijden van [gedaagde] vervoerd naar klanten in Nederland en België. [eiser] heeft [gedaagde] hiervoor de volgende facturen gestuurd:


een factuur van 13 mei 2024 van € 1.622,61 inclusief btw voor het vervoer in week 19;


een factuur van 20 mei 2024 van € 1.727,88 inclusief btw voor het vervoer in week 20.




De facturen zijn gebaseerd op een tarief per bezorgd pakket. Partijen zijn dit ook zo overeengekomen.




3.2
Volgens [gedaagde] kloppen de facturen niet. Zij voert aan dat er van de overeengekomen bezorgingen 47 pakketten niet bij klanten zijn aangekomen. [eiser] stelt daartegenover dat deze pakketten geen onderdeel uitmaken van de facturen. Om dit te onderbouwen heeft [eiser] specificaties van de facturen ingediend. Hierop zijn ordernummers en bestemmingen te zien. [gedaagde] heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij niet heeft gecontroleerd of de 47 pakketten op deze specificaties staan. Zij heeft ook niet duidelijk gemaakt om welke pakketten het zou gaan. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat alle pakketten uit de specificaties (en dus de facturen) zijn bezorgd. Dat betekent dat [gedaagde] de facturen verschuldigd is.



3.3

[gedaagde] doet een beroep op verrekening. Zij voert aan dat [eiser] een groot deel van de maaltijden te laat, (deels) ontdooid of op een andere manier foutief heeft bezorgd. Volgens [gedaagde] heeft zij hierdoor minimaal € 6.000,- schade geleden en is [eiser] hiervoor aansprakelijk. Dit verweer faalt. Uit artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat het beroep op verrekening [gedaagde] niet kan helpen als de tegenvordering niet gemakkelijk is vast te stellen. Van die situatie is in dit geval sprake. [eiser] betwist dat hij de overeenkomst niet goed is nagekomen, dat hij schadeplichtig is en dat [gedaagde] € 6.000,- schade heeft geleden. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] uitgelegd dat het schadebedrag een schatting is. Om vast te stellen of [eiser] inderdaad een schadevergoeding van € 6.000,- aan [gedaagde] moet betalen, zou bewijslevering nodig zijn. De kantonrechter kan nu dus niet eenvoudig vaststellen of [gedaagde] een tegenvordering heeft die zij met de facturen mag verrekenen.



3.4

[gedaagde] noemt aan het begin van haar conclusie van antwoord nog dat zij haar verplichtingen op grond van de overeenkomst mag (blijven) opschorten. De kantonrechter gaat hieraan voorbij, omdat (de gemachtigde van) [gedaagde] in de rest van de conclusie van antwoord geen enkele keer op dit standpunt is teruggekomen en hier dus ook geen toelichting op heeft gegeven. Dat heeft zij ook niet gedaan tijdens de zitting, zelfs niet nadat de kantonrechter de gemachtigde van [gedaagde] een vraag heeft gesteld over de consequentie van de tekortkomingen die [gedaagde] in het kader van het beroep op verrekening noemt. Welk rechtsgevolg [gedaagde] aan de vermeende tekortkomingen van [eiser] heeft willen verbinden is daarom onduidelijk gebleven.



3.5
De kantonrechter komt tot de conclusie dat [gedaagde] de facturen van in totaal € 3.350,49 inclusief btw aan [eiser] moet betalen.




[gedaagde] moet [eiser] € 500,- aan contractuele boetes betalen





3.6

[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] € 10.000,- (twee keer € 5.000,-) aan contractuele boetes moet betalen en baseert dit op artikel 6.1 van de overeenkomst. In dit artikel staat dat [gedaagde] bij niet-tijdige betaling een boete verschuldigd is van € 100,- per dag, tot een maximum van € 5.000,-. [gedaagde] voert aan dat het boetebeding onredelijk bezwarend en in strijd met de redelijkheid en billijkheid is en dat het beding daarom vernietigd of buiten toepassing gelaten moet worden. Als het boetebeding in stand blijft, vindt [gedaagde] dat de kantonrechter de boete moet matigen tot nihil.



3.7
De kantonrechter stelt voorop dat het commerciële partijen in principe vrijstaat een contractuele boete overeen te komen. Onder omstandigheden kan een boetebeding volledig buiten toepassing blijven omdat het beding onredelijk bezwarend is op grond van artikel 6:233 lid 1 BW of omdat toepassing van het beding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Zulke omstandigheden zijn de kantonrechter niet gebleken. [gedaagde] heeft alleen naar voren gebracht dat het juist [eiser] is die tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en dat de overeenkomst daarom al na één week is beëindigd. Dit is niet voldoende. Een eventuele tekortkoming door [eiser] neemt namelijk niet weg dat [gedaagde] de facturen op tijd had moeten betalen. [gedaagde] heeft geen andere omstandigheden gesteld die het boetebeding onredelijk bezwarend of in strijd met de redelijkheid en billijkheid maken. Daarom blijft het boetebeding in stand.



3.8
De kantonrechter ziet in dit geval wel redenen om de contractuele boete te matigen op grond van artikel 6:94 lid 1 BW. [gedaagde] voert aan dat de bezorgingen door [eiser] voor een stortvloed aan klachten zorgden. Om dit te onderbouwen heeft [gedaagde] schermafbeeldingen van enkele berichten van klanten ingediend. Tijdens de zitting heeft [eiser] uitgelegd dat hij de overeengekomen bezorgingen in België heeft onderschat. [eiser] erkent dat er pakketten te laat zijn bezorgd, maar vindt dat van een tekortkoming geen sprake is. Hoe dan ook is voor de kantonrechter duidelijk geworden dat er bij de werkzaamheden door [eiser] dingen mis zijn gegaan. Partijen hebben de overeenkomst ook al op 15 mei 2024 – acht dagen na de eerste bezorgingen door [eiser] – met wederzijds goedvinden beëindigd. Nadat [eiser] [gedaagde] op 4 juni 2024 had aangemaand om de twee facturen van in totaal € 3.350,49 inclusief btw te betalen, hebben partijen enkele berichten over en weer gestuurd en gediscussieerd over de verschuldigdheid van de facturen. Vervolgens heeft het tot 30 oktober 2025 geduurd voordat [eiser] een dagvaarding heeft uitgebracht. [eiser] had sneller rechtsmaatregelen kunnen nemen. Ook dit weegt de kantonrechter mee. Daar komt bij dat de overeengekomen boete de totaalsom van de facturen ver overstijgt: de boete is meer dan drie keer zo hoog. Onder deze omstandigheden leidt toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. De kantonrechter vindt een boete van € 250,- per factuur in dit geval redelijk. Dat betekent dat [gedaagde] in totaal € 500,- aan contractuele boetes aan [eiser] moet betalen.




[gedaagde] hoeft geen wettelijke (handels)rente te betalen





3.9

[eiser] vordert naast de contractuele boetes ook de wettelijke (handels)rente over de facturen. De kantonrechter wijst deze vordering af, omdat een contractuele boete in de plaats treedt van de wettelijke (handels)rente. Dat volgt uit artikel 6:92 lid 2 BW.




[gedaagde] moet € 460,05 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen





3.10

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Uit het petitum van de dagvaarding maakt de kantonrechter op dat [eiser] een bedrag van € 460,05 vordert. De kantonrechter moet de vordering beoordelen op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. Daarom wijst de kantonrechter het bedrag van € 460,05 toe.



3.11

[eiser] vordert de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [eiser] niet duidelijk heeft gemaakt wanneer hij de buitengerechtelijke incassokosten heeft betaald, wijst de kantonrechter de wettelijke rente toe vanaf de dag van de dagvaarding (30 oktober 2025) tot de dag van volledige betaling.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





3.12

[gedaagde] heeft grotendeels ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


122,35







- griffierecht


€


529,00







- salaris gemachtigde


€


576,00


(2 punten × € 288,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.371,35











3.13
De kantonrechter wijst de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe zoals vermeld in de beslissing.





4De beslissing


De kantonrechter:



4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
I. de facturen van in totaal € 3.350,49 inclusief btw;
II. € 500,- aan contractuele boetes;
III. € 460,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 30 oktober 2025 tot de dag waarop het bedrag van € 460,05 volledig is betaald;




4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.371,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;



4.3
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;



4.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.