Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5474
2026-08-06
Strafrecht
16-113965-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrijspraak artikel 6 en artikel 5 WVW. Uit het dossier blijkt geen verdere bruikbare informatie op basis waarvan gezegd kan worden dat de verklaring van de aangevers of die van de verdachte (niet) klopt. De rechtbank is daarom op basis van het dossier niet overtuigd geraakt dat de verdachte daadwerkelijk op de verkeerde weghelft heeft gereden en hierdoor een ongeval heeft veroorzaakt. Ook kan de rechtbank niet vaststellen of de verdachte de verkeersregels heeft geschonden en evident gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.150 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/113965-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 augustus 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).
1Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
de verdachte;
de officier van justitie: mr. F.E. Leeman;
de advocaat van de verdachte: mr. O.E. Maan (hierna: de advocaat).
2Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1 primair
op 23 juni 2024 in Breukelen zeer, dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig in een bedrijfsauto heeft gereden doordat hij niet goed heeft opgelet en met zijn auto op de verkeerde weghelft is terechtgekomen, en dat het zijn schuld is dat daardoor een verkeersongeval is gebeurd waarbij [aangever 1] zwaar gewond is geraakt;
subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3Bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit. Subsidiair verzoekt de advocaat om de verdachte ten aanzien van het primaire ten laste gelegde partieel vrij te spreken van het onderdeel ‘zwaar lichamelijk letsel’. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Inleiding
De rechtbank staat voor de vraag of uit de bewijsmiddelen volgt dat het rijgedrag van de verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) of van gevaarzettend rijgedrag als bedoeld in artikel 5 WVW.
Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 23 juni 2024 heeft er een botsing plaatsgevonden op de Amerlandseweg in Breukelen tussen de bedrijfsauto van de verdachte en een personenauto. In de personenauto zaten aangevers [aangever 2] (als bestuurder) en [aangever 1] (als bijrijder). De verdachte kwam uit de richting van de A2 en reed in de richting van Breukelen. De aangevers reden in de tegengestelde richting. De verdachte heeft na de botsing kort gesproken met de aangevers en is vervolgens met zijn bedrijfsauto weggereden.
Aangevers verklaren over de oorzaak van het ongeval dat de bedrijfsauto van de verdachte op hun weghelft reed (dus in de verkeerde richting), dat de auto op hen afkwam en vervolgens tegen hen aanreed. Aangeefster [aangever 2] verklaart verder dat de verdachte slingerend reed. Uit de medische verklaring van de aangevers blijkt dat zij letsel hebben opgelopen.
De verdachte verklaart dat het ongeval erg snel ging en dat hij als gevolg van de botsing niet meer weet wat er precies is gebeurd. Hij denkt dat hij niet op de verkeerde weghelft heeft gereden. Wel noemt hij de mogelijkheid dat de botsing is ontstaan doordat de auto van aangevers het aan de Amerlandseweg grenzende parkeerterrein verkeerd heeft verlaten, namelijk door naar links af te slaan in plaats van rechts. De rechtbank begrijpt de verdachte zo dat de auto van aangevers dan kort op de rijbaan van de verdachte moet hebben gereden op een manier die de verdachte niet had hoeven verwachten. Dat kan volgens de verdachte ook verklaren dat zij, buiten zijn schuld om, tegen elkaar zijn gebotst.
3.3.2.
Vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat de tenlastelegging niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Primair, artikel 6 WVW
Om schuld in de zin van artikel 6 WVW te bewijzen, is het in dit geval nodig dat kan worden vastgesteld dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht.
Er is na het ongeval geen verkeersongevallenanalyse verricht waarin forensisch onderzoek is gedaan naar de toedracht van het ongeval. Wel bevat het dossier twee processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waarin zij hebben vastgelegd wat zij op de plaats van het ongeval hebben gezien en wat die bevindingen volgens hen zeggen.
In het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 25 oktober 2024 staat dat de verklaring van de verdachte níet en de verklaring van aangeefster wél overeenkomt met de aangetroffen brokstukken en de plaats op de weg van de auto van aangevers. Als bijlage aan dat proces-verbaal zijn toegevoegd een situatieschets van het door aangever geschetste scenario en een aantal foto’s van de plaats van het ongeval. Bij de foto’s staan geen bijschriften. Op foto 8 ziet de rechtbank een remspoor op een haaientand en op foto 1 een remspoor op een weghelft van de Amerlandseweg. In het aanvullende proces-verbaal van [verbalisant 1] van 20 november 2025 wordt de conclusie getrokken dat het niet anders kan zijn dan dat de bedrijfsauto van de verdachte kort voor de aanrijding op de verkeerde weghelft is beland. Dat leidt verbalisant af uit het aantreffen van een vloeistoffenspoor nabij de auto van de aangevers. Dat spoor liep in de richting van “de rechterweghelft” en de verbalisant maakt daaruit op dat het gaat om een vloeistoffenspoor van de bedrijfsauto van de verdachte. Verder heeft hij een vers remspoor gezien “op de weg op een haaientand” nabij de auto van aangevers. Het remspoor was gelegen op de rijstrook komend vanuit Breukelen in de richting van de A2. [verbalisant 1] leidt daaruit af dat het gaat om een remspoor van de bedrijfsauto van de verdachte.
De verbalisanten komen in hun processen-verbaal tot stellige conclusies over de toedracht van het ongeval. Toch vindt de rechtbank deze processen-verbaal niet overtuigend. Zo wordt in het proces-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geen inzicht gegeven in de gedachtegang die heeft geleid tot hun conclusie. Zij noemen niet om welke brokstukken het gaat, waar die brokstukken hebben gelegen en waarom (de samenhang tussen) die brokstukken en de positie van de auto van aangevers iets zeggen over de (on)aannemelijkheid van de verklaringen van de verdachte en de aangevers. De rechtbank kan dat ook niet afleiden uit de bijgevoegde foto’s, omdat bij de foto’s niet is uitgelegd wat daarop is te zien en waarom dat belangrijk is.
Het aanvullende proces-verbaal van [verbalisant 1] biedt ook onvoldoende inzicht. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waar op het wegdek en in welke rijrichting het vloeistoffenspoor precies is gevonden, omdat uitsluitend wordt verwezen naar “de rechterweghelft”. De rechtbank begrijpt daarom niet waarop de conclusie wordt gebaseerd dat het vloeistoffenspoor dus van de auto van de verdachte moet zijn geweest. Het is de rechtbank ook niet duidelijk geworden waar precies het verse remspoor “op de weg op een haaientand” is aangetroffen: gaat het om een spoor op de weg (foto 1), op een haaientand (foto 8) of om beide? Voor zover het gaat om een remspoor op de haaientand, begrijpt de rechtbank niet waarom daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte op de verkeerde weghelft heeft gereden. Er is geen toelichting over de kenmerken en locatie van het remspoor waaraan die conclusie kan worden ontleend. Voor zover het gaat om een remspoor op de rijstrook vanuit Breukelen in de richting van de A2, merkt de rechtbank op dat aangevers ook op deze rijstrook reden en het proces-verbaal niet ingaat op de mogelijkheid dat het remspoor afkomstig is van hun auto.
De rechtbank merkt ten slotte op dat de verklaring van de verdachte over de oorzaak van het ongeval de mogelijkheid openlaat dat hij met zijn auto kort voor het ongeval op de weghelft van de aangevers heeft gereden, bijvoorbeeld omdat hij voor hen wilde uitwijken. Zelfs als de rechtbank dus de conclusies van de verbalisanten overneemt dat de verdachte op de verkeerde weghelft heeft gereden, dan kan de rechtbank uit de processen-verbaal nog steeds niet afleiden dat het moet zijn gegaan op de manier zoals de aangevers hebben verklaard. Daarvoor heeft de rechtbank meer informatie nodig, zoals over de exacte vindplaats en lengte van de aangetroffen rem- en vloeistoffensporen. Het dossier bevat dat soort informatie niet.
Het zwaartepunt van de tenlastelegging ziet op het rijden op de verkeerde weghelft door de verdachte. De conclusies van de politie zijn op dit punt niet toegelicht en het dossier bevat verdere geen bruikbare informatie op basis waarvan gezegd kan worden dat de verklaring van de aangevers of die van de verdachte (niet) klopt. De rechtbank is daarom op basis van het dossier niet overtuigd geraakt dat de verdachte daadwerkelijk op de verkeerde weghelft heeft gereden en hierdoor een ongeval heeft veroorzaakt.
De verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.
Subsidiair, artikel 5 WVW
Vervolgens is de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de WVW. Vooropgesteld wordt dat niet iedere overtreding van een verkeersregel een schending van genoemd artikel oplevert. Er moet sprake zijn van evident gevaarlijk rijgedrag. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is uit het dossier niet duidelijk gebleken wat de aanleiding van het ongeval is geweest. De rechtbank kan op basis van dit dossier dan ook niet vaststellen of de verdachte de verkeersregels heeft geschonden en evident gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond. Om die reden komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde en zal zij ook daarvan vrijspreken.
4De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. de Meulder, voorzitter, mr. L.C. Michon en mr. S.D. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Breukelen, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto (Volkswagen Crafter), daarmede rijdende over de weg, de Amerlandseweg, en/of kruising van de Amerlandseweg en de Merwedeweg,zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeftplaatsgevonden door, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/ofonoplettend,- niet voortdurend en/of niet voldoende zijn aandacht bij de weg en/of het verkeerte houden en/of niet voortdurend de controle over zijn motorrijtuig te houdenen/of- te slingeren en/of naar links te sturen en/of naar links te gaan, althans nietvoldoende rechts te houden met het door hem bestuurde motorrijtuig en/of- (daarbij) (in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregelsen verkeerstekens 1990) een doorgetrokken streep te overschrijden en/of- (vervolgens) op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijbaan te rijdenen aldaar tegen een tegemoetkomende/naderende personenauto (BMW 1-serie)aan te rijden en/of te botsen;waardoor een ander, te weten [aangever 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weteneen gebroken borstbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd(en) toegebracht, datdaaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Breukelen, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto (Volkswagen Crafter ), daarmede rijdende over de weg, de Amerlandseweg, en/of kruising van de Amerlandseweg en de Merwedeweg,zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans konworden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans konworden gehinderd door- niet voortdurend en/of niet voldoende zijn aandacht bij de weg en/of het verkeerte houden en/of niet voortdurend de controle over zijn motorrijtuig te houdenen/of- te slingeren en/of naar links te sturen en/of naar links te gaan, althans nietvoldoende rechts te houden met het door hem bestuurde motorrijtuig en/of- (daarbij) (in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregelsen verkeerstekens 1990) een doorgetrokken streep te overschrijden en/of- (vervolgens) op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijbaan te rijdenen aldaar tegen een tegemoetkomende/naderende personenauto (BMW 1-serie)aan te rijden en/of te botsen;waardoor de inzittenden van die personenauto [aangever 1] en/of [aangever 2] gewond is/zijn geraakt.
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/113965-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 augustus 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).
1Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
de verdachte;
de officier van justitie: mr. F.E. Leeman;
de advocaat van de verdachte: mr. O.E. Maan (hierna: de advocaat).
2Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1 primair
op 23 juni 2024 in Breukelen zeer, dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig in een bedrijfsauto heeft gereden doordat hij niet goed heeft opgelet en met zijn auto op de verkeerde weghelft is terechtgekomen, en dat het zijn schuld is dat daardoor een verkeersongeval is gebeurd waarbij [aangever 1] zwaar gewond is geraakt;
subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3Bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit. Subsidiair verzoekt de advocaat om de verdachte ten aanzien van het primaire ten laste gelegde partieel vrij te spreken van het onderdeel ‘zwaar lichamelijk letsel’. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Inleiding
De rechtbank staat voor de vraag of uit de bewijsmiddelen volgt dat het rijgedrag van de verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) of van gevaarzettend rijgedrag als bedoeld in artikel 5 WVW.
Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 23 juni 2024 heeft er een botsing plaatsgevonden op de Amerlandseweg in Breukelen tussen de bedrijfsauto van de verdachte en een personenauto. In de personenauto zaten aangevers [aangever 2] (als bestuurder) en [aangever 1] (als bijrijder). De verdachte kwam uit de richting van de A2 en reed in de richting van Breukelen. De aangevers reden in de tegengestelde richting. De verdachte heeft na de botsing kort gesproken met de aangevers en is vervolgens met zijn bedrijfsauto weggereden.
Aangevers verklaren over de oorzaak van het ongeval dat de bedrijfsauto van de verdachte op hun weghelft reed (dus in de verkeerde richting), dat de auto op hen afkwam en vervolgens tegen hen aanreed. Aangeefster [aangever 2] verklaart verder dat de verdachte slingerend reed. Uit de medische verklaring van de aangevers blijkt dat zij letsel hebben opgelopen.
De verdachte verklaart dat het ongeval erg snel ging en dat hij als gevolg van de botsing niet meer weet wat er precies is gebeurd. Hij denkt dat hij niet op de verkeerde weghelft heeft gereden. Wel noemt hij de mogelijkheid dat de botsing is ontstaan doordat de auto van aangevers het aan de Amerlandseweg grenzende parkeerterrein verkeerd heeft verlaten, namelijk door naar links af te slaan in plaats van rechts. De rechtbank begrijpt de verdachte zo dat de auto van aangevers dan kort op de rijbaan van de verdachte moet hebben gereden op een manier die de verdachte niet had hoeven verwachten. Dat kan volgens de verdachte ook verklaren dat zij, buiten zijn schuld om, tegen elkaar zijn gebotst.
3.3.2.
Vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat de tenlastelegging niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Primair, artikel 6 WVW
Om schuld in de zin van artikel 6 WVW te bewijzen, is het in dit geval nodig dat kan worden vastgesteld dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht.
Er is na het ongeval geen verkeersongevallenanalyse verricht waarin forensisch onderzoek is gedaan naar de toedracht van het ongeval. Wel bevat het dossier twee processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waarin zij hebben vastgelegd wat zij op de plaats van het ongeval hebben gezien en wat die bevindingen volgens hen zeggen.
In het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 25 oktober 2024 staat dat de verklaring van de verdachte níet en de verklaring van aangeefster wél overeenkomt met de aangetroffen brokstukken en de plaats op de weg van de auto van aangevers. Als bijlage aan dat proces-verbaal zijn toegevoegd een situatieschets van het door aangever geschetste scenario en een aantal foto’s van de plaats van het ongeval. Bij de foto’s staan geen bijschriften. Op foto 8 ziet de rechtbank een remspoor op een haaientand en op foto 1 een remspoor op een weghelft van de Amerlandseweg. In het aanvullende proces-verbaal van [verbalisant 1] van 20 november 2025 wordt de conclusie getrokken dat het niet anders kan zijn dan dat de bedrijfsauto van de verdachte kort voor de aanrijding op de verkeerde weghelft is beland. Dat leidt verbalisant af uit het aantreffen van een vloeistoffenspoor nabij de auto van de aangevers. Dat spoor liep in de richting van “de rechterweghelft” en de verbalisant maakt daaruit op dat het gaat om een vloeistoffenspoor van de bedrijfsauto van de verdachte. Verder heeft hij een vers remspoor gezien “op de weg op een haaientand” nabij de auto van aangevers. Het remspoor was gelegen op de rijstrook komend vanuit Breukelen in de richting van de A2. [verbalisant 1] leidt daaruit af dat het gaat om een remspoor van de bedrijfsauto van de verdachte.
De verbalisanten komen in hun processen-verbaal tot stellige conclusies over de toedracht van het ongeval. Toch vindt de rechtbank deze processen-verbaal niet overtuigend. Zo wordt in het proces-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geen inzicht gegeven in de gedachtegang die heeft geleid tot hun conclusie. Zij noemen niet om welke brokstukken het gaat, waar die brokstukken hebben gelegen en waarom (de samenhang tussen) die brokstukken en de positie van de auto van aangevers iets zeggen over de (on)aannemelijkheid van de verklaringen van de verdachte en de aangevers. De rechtbank kan dat ook niet afleiden uit de bijgevoegde foto’s, omdat bij de foto’s niet is uitgelegd wat daarop is te zien en waarom dat belangrijk is.
Het aanvullende proces-verbaal van [verbalisant 1] biedt ook onvoldoende inzicht. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waar op het wegdek en in welke rijrichting het vloeistoffenspoor precies is gevonden, omdat uitsluitend wordt verwezen naar “de rechterweghelft”. De rechtbank begrijpt daarom niet waarop de conclusie wordt gebaseerd dat het vloeistoffenspoor dus van de auto van de verdachte moet zijn geweest. Het is de rechtbank ook niet duidelijk geworden waar precies het verse remspoor “op de weg op een haaientand” is aangetroffen: gaat het om een spoor op de weg (foto 1), op een haaientand (foto 8) of om beide? Voor zover het gaat om een remspoor op de haaientand, begrijpt de rechtbank niet waarom daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte op de verkeerde weghelft heeft gereden. Er is geen toelichting over de kenmerken en locatie van het remspoor waaraan die conclusie kan worden ontleend. Voor zover het gaat om een remspoor op de rijstrook vanuit Breukelen in de richting van de A2, merkt de rechtbank op dat aangevers ook op deze rijstrook reden en het proces-verbaal niet ingaat op de mogelijkheid dat het remspoor afkomstig is van hun auto.
De rechtbank merkt ten slotte op dat de verklaring van de verdachte over de oorzaak van het ongeval de mogelijkheid openlaat dat hij met zijn auto kort voor het ongeval op de weghelft van de aangevers heeft gereden, bijvoorbeeld omdat hij voor hen wilde uitwijken. Zelfs als de rechtbank dus de conclusies van de verbalisanten overneemt dat de verdachte op de verkeerde weghelft heeft gereden, dan kan de rechtbank uit de processen-verbaal nog steeds niet afleiden dat het moet zijn gegaan op de manier zoals de aangevers hebben verklaard. Daarvoor heeft de rechtbank meer informatie nodig, zoals over de exacte vindplaats en lengte van de aangetroffen rem- en vloeistoffensporen. Het dossier bevat dat soort informatie niet.
Het zwaartepunt van de tenlastelegging ziet op het rijden op de verkeerde weghelft door de verdachte. De conclusies van de politie zijn op dit punt niet toegelicht en het dossier bevat verdere geen bruikbare informatie op basis waarvan gezegd kan worden dat de verklaring van de aangevers of die van de verdachte (niet) klopt. De rechtbank is daarom op basis van het dossier niet overtuigd geraakt dat de verdachte daadwerkelijk op de verkeerde weghelft heeft gereden en hierdoor een ongeval heeft veroorzaakt.
De verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.
Subsidiair, artikel 5 WVW
Vervolgens is de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de WVW. Vooropgesteld wordt dat niet iedere overtreding van een verkeersregel een schending van genoemd artikel oplevert. Er moet sprake zijn van evident gevaarlijk rijgedrag. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is uit het dossier niet duidelijk gebleken wat de aanleiding van het ongeval is geweest. De rechtbank kan op basis van dit dossier dan ook niet vaststellen of de verdachte de verkeersregels heeft geschonden en evident gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond. Om die reden komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde en zal zij ook daarvan vrijspreken.
4De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. de Meulder, voorzitter, mr. L.C. Michon en mr. S.D. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Breukelen, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto (Volkswagen Crafter), daarmede rijdende over de weg, de Amerlandseweg, en/of kruising van de Amerlandseweg en de Merwedeweg,zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeftplaatsgevonden door, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/ofonoplettend,- niet voortdurend en/of niet voldoende zijn aandacht bij de weg en/of het verkeerte houden en/of niet voortdurend de controle over zijn motorrijtuig te houdenen/of- te slingeren en/of naar links te sturen en/of naar links te gaan, althans nietvoldoende rechts te houden met het door hem bestuurde motorrijtuig en/of- (daarbij) (in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregelsen verkeerstekens 1990) een doorgetrokken streep te overschrijden en/of- (vervolgens) op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijbaan te rijdenen aldaar tegen een tegemoetkomende/naderende personenauto (BMW 1-serie)aan te rijden en/of te botsen;waardoor een ander, te weten [aangever 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weteneen gebroken borstbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd(en) toegebracht, datdaaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Breukelen, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto (Volkswagen Crafter ), daarmede rijdende over de weg, de Amerlandseweg, en/of kruising van de Amerlandseweg en de Merwedeweg,zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans konworden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans konworden gehinderd door- niet voortdurend en/of niet voldoende zijn aandacht bij de weg en/of het verkeerte houden en/of niet voortdurend de controle over zijn motorrijtuig te houdenen/of- te slingeren en/of naar links te sturen en/of naar links te gaan, althans nietvoldoende rechts te houden met het door hem bestuurde motorrijtuig en/of- (daarbij) (in strijd met het gestelde in artikel 76 van het Reglement verkeersregelsen verkeerstekens 1990) een doorgetrokken streep te overschrijden en/of- (vervolgens) op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijbaan te rijdenen aldaar tegen een tegemoetkomende/naderende personenauto (BMW 1-serie)aan te rijden en/of te botsen;waardoor de inzittenden van die personenauto [aangever 1] en/of [aangever 2] gewond is/zijn geraakt.