Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5315

2026-08-19 Civiel recht 12139045 \ MC EXPL 26-1373
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12139045 \ MC EXPL 26-1373
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eiser bezit een aantal auto’s die hij van een derde (financial) least. Partijen zijn voor een drietal auto’s een ‘bruikleenovereenkomst’ voor twee jaar aangegaan, die vanwege de door partijen afgesproken financiële tegenprestatie kwalificeert als een huurovereenkomst. Het gaat om een Mercedes C-klasse, een Mercedes E-klasse en een Jaguar, die eiser vanaf 30 juni 2024 tegen een bepaald bedrag per maand aan gedaagde verhuurde en die zouden worden gebruikt in het taxibedrijf van de man van gedaagde. Partijen kwamen daarbij overeen dat gedaagde voor alle auto’s de autoverzekering, het onderhoud, eventuele reparaties en verkeersboetes zou betalen. In januari 2025 is er abrupt een einde gekomen aan de verhuur van de auto’s: eiser heeft de auto’s bij gedaagde opgehaald. In conventie vordert eiser betaling van achterstallig(e) huur, premie autoverzekering, onderhoud, reparaties, verkeerboetes, resterende termijnen van zijn financiering, rente en kosten. Gedaagde is het hier niet mee eens. Gedaagde stelt niets meer aan eiser verschuldigd te zijn. Door het handelen van eiser zou zij juist schade hebben geleden. In reconventie vordert gedaagde daarom een tweetal verklaringen van recht, samengevat inhoudende dat gedaagde door het handelen van eiser schade heeft geleden en daarnaast betaling van € 30.000,00 aan schade en eveneens rente en kosten. De kantonrechter zal de vorderingen in conventie deels toewijzen en de vorderingen in reconventie geheel afwijzen. Dit wordt hieronder uitgelegd.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (32.566 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Almere



Zaaknummer: 12139045 \ MC EXPL 26-1373




Vonnis van 19 augustus 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J. van Andel,



tegen





[gedaagde]
,
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.J.R. Roethof.






1De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- het (tussen)vonnis van 12 november 2025;
- de akte van [eiser] van 3 december 2025;
- de akte van [gedaagde] van 3 december 2025;
- het (tussen)vonnis van 11 maart 2026.



1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 20 juli 2026. [eiser] is verschenen, vergezeld door zijn vrouw en een tolk, de heer P.A. Duivekam, en bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [gedaagde] is haar man [A] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde, die tevens heeft gefungeerd als tolk. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.



1.3.

Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.

2. De kern van de zaak





2.1.

[eiser] bezit een aantal auto’s die hij van een derde (financial) least. Partijen zijn voor een drietal auto’s een ‘bruikleenovereenkomst’ voor twee jaar aangegaan, die vanwege de door partijen afgesproken financiële tegenprestatie kwalificeert als een huurovereenkomst. Het gaat om een Mercedes C-klasse, een Mercedes E-klasse en een Jaguar, die [eiser] vanaf 30 juni 2024 tegen een bepaald bedrag per maand aan [gedaagde] verhuurde en die zouden worden gebruikt in het taxibedrijf van de man van [gedaagde] . Partijen kwamen daarbij overeen dat [gedaagde] voor alle auto’s de autoverzekering, het onderhoud, eventuele reparaties en verkeersboetes zou betalen. In januari 2025 is er abrupt een einde gekomen aan de verhuur van de auto’s: [eiser] heeft de auto’s bij [gedaagde] opgehaald. In conventie vordert [eiser] betaling van achterstallig(e) huur, premie autoverzekering, onderhoud, reparaties, verkeerboetes, resterende termijnen van zijn financiering, rente en kosten. [gedaagde] is het hier niet mee eens. [gedaagde] stelt niets meer aan [eiser] verschuldigd te zijn. Door het handelen van [eiser] zou zij juist schade hebben geleden. In reconventie vordert [gedaagde] daarom een tweetal verklaringen van recht, samengevat inhoudende dat [gedaagde] door het handelen van [eiser] schade heeft geleden en daarnaast betaling van € 30.000,00 aan schade en eveneens rente en kosten. De kantonrechter zal de vorderingen in conventie deels toewijzen en de vorderingen in reconventie geheel afwijzen. Dit wordt hieronder uitgelegd.






3De beoordeling



in conventie (de vordering van [eiser] )




3.1.
Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] bevestigd dat de onderbouwing van de vordering volgt uit een door hem overgelegde schadestaat nader toegelicht in randnummers 9 tot en met 11 van de dagvaarding en tijdens de mondelinge behandeling. De verschillende posten waarover de kantonrechter moet oordeelden zijn daarmee de volgende:



Mercedes E-klasse

I. Achterstalige huur en twee maanden aan autoverzekering € 1.202,96
a. autoverzekering € 600,00
b. achterstallige huur € 602,96
II. Schade aan de auto € 3.254,90
III. Resterende termijnen van de financiering € 21.545,64




Mercedes C-klasse

I. Achterstallige huur december 2024/januari 2025 € 2.228,29
II. Schade aan de auto € 453,75
III. Achterstallige Apk-keuring en reparaties € 3.155,75
IV. Resterende termijnen van de financiering € 20.154,06




Jaguar

I. Achterstallige huur januari 2025 € 435,61
II. Hybride Accu-pakket € 12.100,00
III. Resterende termijnen van de financiering € 19.026,60



Totale verkeersboetes € 2.911,56
Kosten voor offertes € 121,00





[gedaagde] moet aan [eiser] € 3.266,86 aan achterstallige huur betalen





3.2.
De door [eiser] gevorderde achterstallige huur ziet op een vordering tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Het gaat voor de Mercedes E-klasse om een totaalbedrag van € 602,96 (kennelijk december en een deel van januari), voor de Mercedes C-klasse om € 2.228,29 (december 2024 en januari 2025) en voor de Jaguar om € 435,61 (deel van januari 2025). [gedaagde] betwist dat zij deze bedragen aan [eiser] verschuldigd is. Hoewel uit de overeenkomsten volgt dat [gedaagde] vanaf 30 juni 2024 de huurprijs verschuldigd is, is [gedaagde] van mening dat zij pas hoeft te betalen vanaf 2 augustus 2024, omdat zij de auto’s pas per die datum is gaan gebruiken. De reden voor de latere aanvangsdatum van het gebruik van de auto’s was erin gelegen dat deze niet eerder konden worden voorzien van een voor taxi’s verplichte boardcomputer. Uitgaande van de ingangsdatum van de betalingsverplichting op 2 augustus 2024 heeft [gedaagde] volgens haar al te veel betaald.



3.3.
De kantonrechter gaat op grond van de huurovereenkomst uit van een betalingsverplichting per 30 juni 2024. Vaststaat dat de auto’s op dat moment niet gebruiksklaar waren om door [gedaagde] als taxi te gebruiken. Op dat moment ontbrak in alle auto’s namelijk de voor taxi’s verplichte boardcomputer. In de tussen partijen gesloten overeenkomst hebben zij in dat verband slechts afgesproken dat de boardcomputers door [eiser] zullen worden aangeschaft en zijn eigendom blijven. Tussen partijen is niet in geschil dat de boardcomputers door [eiser] zijn aangeschaft en tijdig aan [gedaagde] zijn aangeleverd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen toegelicht dat zij ook hebben afgesproken dat de boardcomputers door [gedaagde] , op kosten van [eiser] , in de auto’s zouden worden geplaatst. Uit een drietal door [eiser] overgelegde rekeningafschriften van mei en juni 2024 volgt dat hij per auto een bedrag van € 2.000,- aan [gedaagde] heeft overgemaakt onder vermelding van ‘board computer’. Daarmee heeft [eiser] tijdig de kosten voor de plaatsing van de boardcomputers voor zijn rekening genomen. Volgens [gedaagde] heeft de plaatsing van de boardcomputers uiteindelijk pas op 2 augustus 2025 plaatsgevonden, doordat bij de garage daarvoor een wachttijd bestond. [gedaagde] heeft hierbij niet uitgelegd waarom die vertragende omstandigheid voor rekening en risico van [eiser] zou moeten komen en dus van een latere ingangsdatum van de betalingsverplichting moet worden uitgaan. Dat had wel op haar weg gelegen, aangezien zij een beroep wil doen op de rechtsgevolgen van haar stelling dat uit de afspraken tussen partijen volgt dat zij pas vanaf een later moment de huurprijs verschuldigd is.



3.4.
Omdat de einddata van de huur voor de Mercedes C-klasse (24 januari 2025) en de Mercedes E-klasse en Jaguar (11 januari 2025) niet tussen partijen in geschil is, zal de (achterstallige) huur worden toegewezen zoals door [eiser] gevorderd. In totaal gaat dit om een bedrag van € 3.266,86 (€ 602,96 + € 2.228,29 + € 435,61).





[gedaagde] hoeft aan [eiser] geen premie voor de autoverzekering (terug) te betalen





3.5.
Uit de toelichting van partijen begrijpt de kantonrechter dat [eiser] aan [gedaagde] een bedrag van € 600,00, gelijk aan twee maanden premie voor de autoverzekering, heeft betaald om haar in staat te stellen de autoverzekering vooruit te kunnen betalen. [eiser] stelt zich nu op het standpunt dat dit bedrag terugbetaald moet worden, omdat het kennelijk niet aan de verzekering is doorbetaald, of althans er in elk geval geen verzekerde periode tegenover heeft gestaan. Immers, de autoverzekering is inmiddels door de verzekeraar beëindigd in verband met wanbetaling.



3.6.
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de ‘voorgeschoten’ premie autoverzekering niet door [gedaagde] zou zijn aangewend voor de autoverzekering van de Mercedes E-klasse. [eiser] heeft in dit verband ook zelf aangegeven dat [gedaagde] pas later, nadat de overeenkomst al enige tijd bestond, is gestopt met het betalen van de autoverzekering. De kantonrechter begrijpt dat het ‘voorschot’ aan autoverzekering daarmee voor de eerste periode dus wel is gebruikt. Voor zover [eiser] bedoeld heeft dat [gedaagde] tekort is geschoten in haar verplichting om de auto’s verzekerd te laten tot het einde van de overeenkomsten, is onvoldoende door [eiser] gesteld per wanneer dat dan zou zijn en welke schade hij daardoor zou hebben geleden. [eiser] heeft ook niet nader toegelicht hoe de betaalde bedragen zich verhouden tot de overeengekomen borg die volgens hem hoger was, zodat de kantonrechter zonder nadere toelichting ook geen grondslag ziet voor terugbetaling van de gevorderde bedragen op grond van nakoming van de verbintenis tot terugbetaling van de borgsom. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.




[gedaagde] moet € 3.155,75 aan [eiser] voldoen vanwege achterstallig onderhoud en daarmee verband houdende schade





3.7.

[eiser] heeft vergoeding gevorderd van schade als gevolg van achterstallig onderhoud aan de Mercedes C-klasse en de Jaguar. Deze vorderingen zijn gebaseerd op een door [gedaagde] begane wanprestatie van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] op grond van de overeenkomst verantwoordelijk was voor het laten verrichten van onderhoud aan de auto’s en dat zij de daaraan verbonden kosten zou dragen. [eiser] stelt dat [gedaagde] deze verplichting niet is nagekomen en hij als gevolg daarvan schade heeft geleden; € 3.155,75 voor de Mercedes C-Klasse en € 12.100,00 voor de Jaguar. De kantonrechter zal alleen de vordering ten aanzien van de Mercedes C-Klasse toewijzen. De vordering ten aanzien van de Jaguar zal worden afgewezen.



Mercedes C-klasse





3.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter is komen vast te staan dat [gedaagde] tekort is geschoten in het verrichten van onderhoud. Verwezen wordt naar een door [eiser] overgelegde offerte van 5 februari 2025, waaruit volgt dat er kort na het inleveren van de Mercedes C-klasse veel onderhoudswerkzaamheden aan de auto moesten worden verricht en de door [eiser] overgelegde foto waaruit volgt dat de servicebeurt is overschreden met 17400 kilometer. [gedaagde] heeft tegen de offerte geen verweer gevoerd en heeft met betrekking tot de foto slechts aangevoerd dat niet duidelijk is om welke auto het gaat en wanneer de foto precies is gemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] hiermee onvoldoende (onderbouwd) betwist dat zij wel zorg heeft gedragen voor het onderhoud van de Mercedes C-klasse, waaronder het tijdig uitvoeren van de servicebeurt en dat daardoor de gestelde schade is geleden. De gevorderde kosten zullen daarom worden toegewezen.



Jaguar




3.9.

[eiser] heeft ook gesteld dat [gedaagde] geen onderhoud heeft laten verrichten aan de Jaguar en daardoor het accupakket kapot is gegaan. [gedaagde] heeft weliswaar niet betwist dat zij tekort is geschoten in de verplichting tot het verrichten van onderhoud, maar wel dat (daardoor) schade is ontstaan aan het accupakket. [gedaagde] heeft er daarbij op gewezen dat de auto gewoon reed toen deze werd opgehaald. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat het niet verrichten van onderhoud ertoe heeft geleid dat de auto niet meer de normale actieradius kon behalen. Deze gestelde schade is echter op geen enkele manier onderbouwd; uit de foto met de melding “Hybride accu storing” kan dit niet zonder meer worden afgeleid. Gelet op de betwisting van [gedaagde] had [eiser] dit wel moeten doen. Aan bewijslevering wordt dan niet toegekomen. De kantonrechter zal deze kosten afwijzen, omdat de schade niet is komen vast te staan.




[gedaagde] moet de schade aan de buitenzijde van de auto’s (€ 3.708, 65) aan [eiser] vergoeden





3.10.

[eiser] heeft ook vergoeding gevorderd van schade als gevolg van onrechtmatig handelen; zowel met de Mercedes C-Klasse als de Mercedes E-Klasse is schade gereden. De kantonrechter wijst de gevorderde schade toe.



Mercedes C-klasse




3.11.

[eiser] heeft een bedrag van € 453,75 gevorderd aan schade aan de Mercedes C-klasse. Het gaat om schade aan de voorbumper, welke schade volgt uit een door [eiser] overgelegde offerte van 7 februari 2025. [eiser] stelt deze schade bij het ophalen van de auto al te hebben geconstateerd, maar daar toen niet gelijk werk van te hebben gemaakt. [gedaagde] heeft het bestaan van de schade betwist.



3.12.
Naar het oordeel van de kantonrechter staat vast dat sprake is van schade aan de voorbumper en dat [gedaagde] voor die schade verantwoordelijk is. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat kort na het inleveren van de Mercedes C-klasse sprake was van schade aan de voorbumper. [gedaagde] heeft dit betwist, maar dit niet verder onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om dit – bijvoorbeeld door een verklaring te overleggen van de chauffeur die de taxi tijdens de periode van de overeenkomst heeft gebruikt – nader te onderbouwen. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, zal het gevorderde bedrag van € 453,75 worden toegewezen.



Mercedes E-klasse




3.13.

[eiser] heeft een bedrag van € 3.254,90 gevorderd aan schade aan de Mercedes E-klasse. Het gaat om schade rondom de gehele auto, welke schade volgt uit een door [eiser] overgelegde offerte van 7 februari 2025. [gedaagde] heeft deze schade erkend, maar heeft de hoogte van de schade wel betwist. Volgens [gedaagde] bestonden er mogelijk goedkopere alternatieven om de schade te laten repareren. Zo zou zij voor het herstel van de schade slechts € 2.000,- van de autoverzekeraar uitgekeerd hebben gekregen, waarbij [gedaagde] overigens wel heeft erkend dat dit bedrag aan [eiser] toebehoort. Verwijzing naar het bedrag dat de verzekeraar zou hebben uitgekeerd is onvoldoende ter onderbouwing van de stelling dat de gevorderde schade te hoog zou zijn. De hoogte van uit te keren bedragen is immers afhankelijk van de polis waarbij diverse omstandigheden, zoals eigen risico, ouderdom van de auto en oorzaak van de schade een rol kunnen spelen. Omdat [gedaagde] zijn standpunt verder op geen enkele wijze heeft onderbouwd, wordt zij daarin niet gevolgd. Aangezien [eiser] de hoogte van de door hem geleden schade wel heeft onderbouwd, zal het gehele bedrag van € 3.254,90 worden toegewezen.




[gedaagde] moet € 2.911,56 aan onbetaalde verkeersboetes aan [eiser] voldoen





3.14.

[eiser] heeft een bedrag van € 2.911,56 gevorderd aan onbetaalde verkeerboetes. Dit ziet op een vordering tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat het om verkeersboetes gaat die met de auto’s zijn gereden gedurende het bestaan van de overeenkomst. Partijen zijn het er verder over eens dat deze verkeerboetes in beginsel voor rekening van [gedaagde] komen. [gedaagde] wil deze boetes echter niet betalen, omdat de taxichauffeurs die ze hebben gereden niet bereid zijn de boetes te betalen. Naar het oordeel van de kantonrechter doet dit echter niet af aan de verplichting van [gedaagde] om de verkeersboetes aan [eiser] te vergoeden. De stelling van [gedaagde] dat de beëindiging van de overeenkomst ertoe heeft geleid dat haar verplichting om de verkeersboetes aan [eiser] te betalen teniet is gegaan, wordt niet gevolgd. [gedaagde] bleef ook na het beëindigen van de overeenkomst namelijk onverminderd verplicht de verkeersboetes die gedurende het bestaan van de overeenkomst zijn gereden aan [eiser] te vergoeden.




[gedaagde] hoeft de kosten van de offertes niet aan [eiser] te vergoeden





3.15.

[eiser] heeft een bedrag van € 121,00 gevorderd aan kosten voor het laten opstellen van offertes. Ter onderbouwing van deze vordering heeft hij verwezen naar een factuur van 7 februari 2025 waarop genoemd bedrag staat vermeld, onder vermelding van ‘aanbetaling schadeherstel’. [gedaagde] heeft deze kosten betwist.



3.16.
De kantonrechter zal deze kosten afwijzen. [eiser] heeft in de dagvaarding en op de mondelinge behandeling namelijk nagelaten toe te lichten waar de overgelegde factuur precies op ziet. Dat hieruit moet worden afgeleid dat het om kosten gaat voor het opstellen van offertes is onvoldoende duidelijk.




[gedaagde] hoeft de resterende termijnen van de financiering niet aan [eiser] te vergoeden





3.17.

[eiser] heeft verder gevorderd dat [gedaagde] de resterende termijnen van zijn financial-lease-financiering op de auto’s aan hem vergoedt. Volgens [eiser] is de overeenkomst tussen partijen namelijk door toedoen van [gedaagde] vroegtijdig beëindigd. Doordat [gedaagde] zich niet aan zijn verplichtingen uit de overeenkomst hield, was [eiser] genoodzaakt de overeenkomst tussentijds te ontbinden. In geval van ontbinding is [eiser] gerechtigd aanspraak te maken op vergoeding van schade die hij leidt. Doordat [eiser] de auto’s nadien niet elders kon verhuren en zijn financial-lease-financiering wel doorliep, heeft hij schade geleden. Voor de Mercedes C-klasse komt dit neer op een bedrag van € 20.154,06, voor de Mercedes E-klasse op € 21.545,64 en voor de Jaguar op € 19.026,60. De kantonrechter zal deze kosten afwijzen.



3.18.
De kantonrechter begrijpt de vordering zo dat [eiser] op grond van artikel 6:277 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’) aanspraak maakt op vergoeding van de resterende termijnen van zijn financial-lease-financiering op de auto’s. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat de overeenkomst door hem tussentijds is ontbonden en dat de feitelijke terugname van de auto’s in dat verband als schriftelijke ontbindingsverklaring moet worden aangemerkt. [eiser] kan hierin niet worden gevolgd, omdat de feitelijke handeling van het terugnemen van de auto’s niet gelijk kan worden gesteld met een schriftelijke verklaring die de wet vereist voor ontbinding. Dat betekent dat de overeenkomst tussen partijen niet rechtsgeldig door [eiser] is ontbonden, wat op grond van artikel 6:277 BW vereist is om de hier genoemde schade te kunnen vergoeden. De vordering voor de resterende leasetermijnen kan daardoor niet worden toegewezen.



3.19.
Daarnaast biedt de overeenkomst zelf ook geen grondslag om deze kosten door [gedaagde] te laten vergoeden en hebben partijen hier bij de tussentijdse beëindiging van de overeenkomst ook geen nadere afspraken over gemaakt.



Er is geen reden de schade niet toe te wijzen, de schade op een lager bedrag te begroten,


dan wel de toe te wijzen bedragen te matigen





3.20.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de aan [eiser] te betalen schade geheel of gedeeltelijk, al dan niet als eigen schuld, aan [eiser] moeten worden toegerekend, omdat zijn handelen of nalaten mede tot de schade heeft geleid. Kennelijk doelt [gedaagde] daarbij op de omstandigheid dat het een keuze van [eiser] zelf is geweest om de overeenkomsten te beëindigen. [gedaagde] heeft haar stellingen in dit verband echter onvoldoende toegelicht om daar rechtgevolgen aan de kunnen verbinden. Onduidelijk is in elk geval wat de invloed is van de tussentijdse beëindiging van de overeenkomst op de toe te wijzen vorderingen.



3.21.
Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] hier nog aan toegevoegd dat [eiser] na het beëindigen van de overeenkomst ook voordeel heeft genoten, doordat [eiser] de auto’s weer tot zijn beschikking had en weer kon gebruiken. Bij de vaststelling van de te vergoeden schade zou daarmee rekening moeten worden gehouden. Echter, voor zover [eiser] voordeel heeft gehad van het kunnen gebruiken van de auto’s, vloeit dit voordeel voort uit de beëindiging van de overeenkomsten. De schadevergoeding die [eiser] heeft gevorderd in verband met de beëindiging van de overeenkomsten (verschuldigde leasetermijnen) wordt niet toegewezen, zodat met daaruit voortkomend voordeel ook geen rekening gehouden hoeft te worden. De schadevergoeding die wel wordt toegewezen ziet op schade die voortvloeit uit een andere oorzaak dan de beëindiging van de overeenkomsten.



3.22.
Tot slot heeft [gedaagde] verzocht om de schadevergoeding te matigen, met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [gedaagde] heeft niet toegelicht waarom toewijzing van de vorderingen, die voortvloeien uit de afspraken die partijen hebben gemaakt dan wel uit schade die [gedaagde] heeft veroorzaakt, tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Dat had zij wel moeten doen.







[gedaagde] moet de wettelijke (handels)rente betalen





3.23.

[gedaagde] moet de gevorderde wettelijke handelsrente over het bedrag van € 6.178,42 betalen. Dit bedrag bestaat uit € 3.266,86 aan achterstallige huur en € 2.911,56 aan onbetaalde verkeersboetes, welke bedragen allebei voortvloeien uit de overeenkomst. De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen vanaf 10 april 2025 (30 dagen na de sommatiebrief van 10 maart 2025, waarin is verzocht om betaling), tot aan de dag van volledige betaling.



3.24.
Toewijzing van de door [eiser] gevorderde wettelijke handelsrente over de gevorderde schadevergoeding(en) is niet mogelijk. Dit ziet op de toegewezen € 3.155,75 aan schade ontstaan door achterstallig onderhoud en de schade aan de buitenzijde van de Mercedes C- en E-klasse, respectievelijk € 453,75 en € 3.254,90. Over het totaalbedrag van € 6.864,40 zal de kantonrechter de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen vanaf 25 maart 2025 (14 dagen na de sommatiebrief van 10 maart 2025), tot aan de dag van volledige betaling. Tegen toewijzing vanaf die datum heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd.




[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen





3.25.

[eiser] maakt ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet relevant welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht, zodat in beginsel een enkele brief voldoende is. Daarvan is zonder meer sprake. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal slechts worden toegewezen over het toegewezen bedrag van € 12.439,86, wat volgens het in het Besluit bepaalde tarief neerkomt op € 899,40.




[gedaagde] moet de proceskosten in conventie betalen





3.26.

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] in conventie betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


146,15







- griffierecht


€


753,00







- salaris gemachtigde


€


864,00


(2 punten × € 432,00)




- nakosten


€


144,00







Totaal


€


1.907,15













in reconventie (de vordering van [gedaagde] )





3.27.
In reconventie vordert [gedaagde] een tweetal verklaringen van recht, samengevat inhoudende dat [gedaagde] door het handelen van [eiser] schade heeft geleden. Daarnaast vordert [gedaagde] de betaling van € 30.000,00 aan schadevergoeding en vergoeding van rente en kosten. De kantonrechter zal deze vorderingen afwijzen. Dit wordt hierna uitgelegd.



3.28.
Volgens [gedaagde] heeft zij schade geleden doordat [eiser] na het ophalen van de auto’s niet wilde meewerken aan een verzekeringswijziging. [gedaagde] wilde de verzekering van de Mercedes C- en E-klasse en de Jaguar van haar naam af hebben, maar dat stond de verzekering volgens [gedaagde] niet zonder meer toe. Doordat de auto’s niet waren geschorst en zij geen bewijs kon aanleveren dat de auto’s elders verzekerd waren, iets waar [eiser] volgens haar niet aan meewerkte, is haar verzekering opgezegd. Hierdoor waren volgens [gedaagde] alle taxi’s die in het bedrijf van haar man werden gebruikt gedurende een langere periode onverzekerd en kon haar man die niet (laten) gebruiken. Daardoor heeft zij € 30.000,00 aan schade geleden.



3.29.

[eiser] heeft het voorgaande gemotiveerd betwist. Volgens [eiser] was de verzekering al beëindigd voordat hij de auto’s had teruggehaald. Hij heeft vervolgens zonder hulp van [gedaagde] nieuwe verzekeringen voor deze auto’s afgesloten. Om bewijs daarvan heeft [gedaagde] volgens [eiser] nooit verzocht. Omdat [gedaagde] geen onderbouwing van haar stelling heeft overgelegd, is niet komen vast te staan dat [gedaagde] door toedoen van [eiser] schade heeft geleden. [gedaagde] heeft ook geen onderbouwing overgelegd van de hoogte van de schade, waardoor dit evenmin is komen vast te staan. Hierdoor komt de kantonrechter niet toe aan bewijslevering en zullen de verklaringen van recht en de gevorderde schade worden afgewezen.



3.30.

[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] in reconventie betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 1.154,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × € 577,00).



in conventie en reconventie





Kosten van betekening





3.31.
Als [gedaagde] niet tijdig aan (een van) de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] de kosten van betekening betalen.



Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard





3.32.
De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.









4De beslissing


De kantonrechter:




in conventie




4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.439,86, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 6.178,42, met ingang van 10 april 2025, tot aan de dag van volledige betaling, en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 6.864,40, met ingang van 25 maart 2025, tot aan de dag van volledige betaling;



4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 899,40 aan buitengerechtelijke incassokosten;



4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.907,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;



4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.



in reconventie





4.6.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af;



4.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.154,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.



in conventie en reconventie





4.8.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan (een van) de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



4.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.



LHJ/63796




Verwezen wordt naar productie 7 bij de dagvaarding.


In § 10 van de dagvaarding staan vermeld de bedragen € 104,80 en € 498,96, wat optelt tot € 603,76, maar volgens de schadestaat die optelt tot het bedrag dat in het petitum is genoemd is € 602,96 gevorderd. Aangezien niet meer kan worden toegewezen dan gevorderd, is dit lagere bedrag opgenomen.


Gedacht zou kunnen worden aan afwijzing van de vorderingen in verband met een bevrijdend verweer bij de vorderingen uit wanprestatie (artikel 6:74 lid 1 BW), dan wel in verband met een betwisting bij de vorderingen uit onrechtmatige daad (artikel 6:162 lid 1 BW), of een vermindering van de schadevergoedingsplicht op grond van eigen schuld (artikel 6:101 BW).


Artikel 6:100 BW.


Artikel 6:2 lid 2 BW en artikel 6:248 lid 2 BW.


Vgl. artikel 6:119 lid 2 BW.


Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014 ECLI:NL:HR:2014:1405.