Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5285
2026-07-29
Civiel recht
12215236 \ MC EXPL 26-2387
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzet ongegrond. Uit gegevens van gedaagde in verzet blijkt dat eiser in verzet de vordering in 2016 heeft erkend.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2009:BJ0652 Hoge Raad 09-10-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.989 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12215236 \ MC EXPL 26-2387
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P. de Haan,
tegen
INFOMEDICS FACTORING B.V.,
te Almere,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Infomedics,
gemachtigde: mr. H.R. Yucesan.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het door de kantonrechter gewezen verstekvonnis van 8 juni 2016, - de verzetdagvaarding van 21 april 2026 met producties, - de conclusie van antwoord in oppositie, - de conclusie van repliek in oppositie.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
In deze zaak gaat het om de vraag of het verstekvonnis van 8 juni 2016 (hierna: het verstekvonnis) moet worden vernietigd. Partijen verschillen erover van mening of [eiser] op tijd in verzet is gekomen. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] kan worden ontvangen in zijn verzet. De kantonrechter verklaart het verzet van [eiser] ongegrond en bekrachtigt het verstekvonnis.
3De beoordeling
Wat is er aan de hand?
3.1
Infomedics stelt dat [eiser] in 2014 zonder af te zeggen niet op een afspraak bij orthodontist [A] in [plaats 2] is verschenen. Hiervoor zijn kosten in rekening gebracht. De vordering is gecedeerd aan Infomedics.
3.2
Infomedics heeft [eiser] meermaals aangeschreven op het adres dat hij aan de behandelaar had verstrekt. De gerechtsdeurwaarder heeft geconstateerd dat [eiser] is verhuisd. Vervolgens heeft de deurwaarder de aanmaningsbrief aan het nieuwe adres van [eiser] verstuurd.
3.3
Op 2 mei 2016 is [eiser] gedagvaard voor de zitting van 25 mei 2016. Infomedics stelt dat [eiser] op 10 mei 2016 telefonisch contact heeft opgenomen met de deurwaarder. Daarin zou [eiser] hebben gezegd dat hij de nota heeft voldaan. [eiser] zou een betaalbewijs overleggen, maar heeft dit niet gedaan. Infomedics heeft het betaalbewijs nooit ontvangen. Vervolgens is vonnis gewezen.
[eiser] kan worden ontvangen in zijn verzet
3.4
De eerste vraag die voorligt, is of het verzet van [eiser] tijdig is ingesteld. Volgens Infomedics is de verzettermijn van vier weken ruimschoots verstreken, omdat de termijn op 21 juni 2016 door de betekening van het verstekvonnis is aangevangen. Volgens [eiser] is hij wel tijdig in verzet gekomen. [eiser] zegt dat hij voor het eerst op 3 april 2026 heeft kennisgenomen van het verstekvonnis. [eiser] voert aan dat hij de dagvaarding, de stukken en het vonnis van de kantonrechter van 8 juni 2016 niet heeft ontvangen en hij betwist dat de betekening en het bevel op de juiste wijze aan hem zijn uitgereikt.
3.5
In artikel 143 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is – kort gezegd – bepaald dat de verzettermijn begint te lopen op het moment dat (1) het verstekvonnis is betekend in persoon, of (2) als sprake is van een daad van bekendheid waaruit blijkt dat de veroordeelde van het verstekvonnis op de hoogte is, of (3) zodra de executie van het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd.
3.6
Anders dan Infomedics stelt, maakt het voor de aanvang van de termijn uit of de betekening van het vonnis (of een daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte) in persoon is uitgereikt. Het staat vast dat het verstekvonnis niet aan [eiser] in persoon is betekend. Op het afschrift van de betekening van de deurwaarder op 21 juni 2016 staat immers: “aldaar mijn exploot doende en een afschrift hiervan en van na te melden bescheiden latende aan: voormeld adres in gesloten envelop met daarop de voorgeschreven vermeldingen, omdat ik aldaar niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten”. Betekening van het vonnis door middel van afgifte aan een huisgenoot of achterlating in een envelop, laat de verzettermijn niet aanvangen. Dit brengt mee dat de verzettermijn in ieder geval niet op de eerstgenoemde grond is gaan lopen.
3.7
Ook is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan dat [eiser] een daad van bekendheid heeft verricht in de zin van artikel 143 lid 2 Rv. De Hoge Raad heeft deze maatstaf aldus ingevuld dat de veroordeelde zélf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Voldoende is dat de veroordeelde ermee bekend is op vordering van wie, waartoe en door welk gerecht hij is veroordeeld, kortom, dat hij bekend is met de hoofdinhoud van het vonnis. Van enige handeling die erop kan wijzen dat [eiser] bekend was met het vonnis, is niet gebleken. Dit alles leidt tot het oordeel dat [eiser] kan worden ontvangen in zijn verzet.
Het verstekvonnis wordt bekrachtigd
3.8
[eiser] wil dat hij wordt ontheven van de veroordeling in het verstekvonnis van 8 juni 2016. [eiser] betwist dat hij een afspraak bij de orthodontist heeft gemist. Ook betwist [eiser] dat hij contact met het deurwaarderskantoor heeft gehad.
3.9
Infomedics handhaaft haar vordering. Infomedics stelt dat [eiser] de vordering op 10 mei 2016 bovendien al heeft erkend. Infomedics verwijst naar de verklaring van de medewerker van het deurwaarderskantoor en de uitdraai uit het systeem in productie 4 bij de conclusie van antwoord in oppositie.
3.10
De kantonrechter vindt dat Infomedics met de verklaring van de medewerker van het deurwaarderskantoor in combinatie met de uitdraai uit het systeem voldoende heeft onderbouwd dat [eiser] op 10 mei 2016 contact heeft gehad met het deurwaarderskantoor. Uit de aantekening in het systeem, die de kantonrechter leesbaar acht, blijkt dat [eiser] na de dagvaarding telefonisch heeft gevraagd waar de vordering betrekking op heeft, dat [eiser] heeft gezegd dat de vordering al is voldaan en dat hij een afschrift gaat zoeken en mailen. De medewerker van het deurwaarderskantoor heeft dit in haar verklaring bevestigd. Hiermee heeft Infomedics voldoende aangetoond dat [eiser] in 2016 met de vordering bekend moet zijn geweest. [eiser] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De enkele stellingname van [eiser] dat hij geen contact met de medewerker van het deurwaarderskantoor heeft gehad, is tegenover de feitelijke stellingen van Infomedics onvoldoende. De kantonrechter volgt Infomedics dan ook in haar stelling dat [eiser] zich in 2016 telefonisch tegenover de deurwaarder op het standpunt heeft gesteld dat hij de vordering al betaald had en dat hij een betaalbewijs zou overleggen. Daarmee heeft [eiser] de vordering eerder erkend. De kantonrechter gaat dus voorbij aan het standpunt van [eiser] dat hij altijd onbekend is geweest met de vordering. Omdat de kantonrechter ervan uitgaat dat [eiser] de vordering eerder tegenover het deurwaarderskantoor heeft erkend, gaat zij ook voorbij aan het standpunt van [eiser] dat hij de afspraak bij de orthodontist niet zou hebben gehad of gemist, nog daargelaten dat [eiser] dit verder ook niet nader heeft onderbouwd en heeft voorzien van stukken. Dit leidt tot de slotsom dat het verzet ongegrond zal worden verklaard.
Proceskosten
3.11
[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure, aan de kant van Infomedics begroot op € 43,00 aan salaris gemachtigde (1 salarispunt x € 43,00 per punt).
4De beslissing
4.1
verklaart het verzet ongegrond,
4.2
bekrachtigt het op 8 juni 2016 tussen partijen gewezen verstekvonnis met zaaknummer 5054079 MC EXPL 16-5238,
4.3
veroordeelt [eiser] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van Infomedics tot op heden begroot op € 43,00 aan salaris gemachtigde,
4.4
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
ECLI:NL:HR:2009:BJ0652.
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12215236 \ MC EXPL 26-2387
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P. de Haan,
tegen
INFOMEDICS FACTORING B.V.,
te Almere,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Infomedics,
gemachtigde: mr. H.R. Yucesan.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het door de kantonrechter gewezen verstekvonnis van 8 juni 2016, - de verzetdagvaarding van 21 april 2026 met producties, - de conclusie van antwoord in oppositie, - de conclusie van repliek in oppositie.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
In deze zaak gaat het om de vraag of het verstekvonnis van 8 juni 2016 (hierna: het verstekvonnis) moet worden vernietigd. Partijen verschillen erover van mening of [eiser] op tijd in verzet is gekomen. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] kan worden ontvangen in zijn verzet. De kantonrechter verklaart het verzet van [eiser] ongegrond en bekrachtigt het verstekvonnis.
3De beoordeling
Wat is er aan de hand?
3.1
Infomedics stelt dat [eiser] in 2014 zonder af te zeggen niet op een afspraak bij orthodontist [A] in [plaats 2] is verschenen. Hiervoor zijn kosten in rekening gebracht. De vordering is gecedeerd aan Infomedics.
3.2
Infomedics heeft [eiser] meermaals aangeschreven op het adres dat hij aan de behandelaar had verstrekt. De gerechtsdeurwaarder heeft geconstateerd dat [eiser] is verhuisd. Vervolgens heeft de deurwaarder de aanmaningsbrief aan het nieuwe adres van [eiser] verstuurd.
3.3
Op 2 mei 2016 is [eiser] gedagvaard voor de zitting van 25 mei 2016. Infomedics stelt dat [eiser] op 10 mei 2016 telefonisch contact heeft opgenomen met de deurwaarder. Daarin zou [eiser] hebben gezegd dat hij de nota heeft voldaan. [eiser] zou een betaalbewijs overleggen, maar heeft dit niet gedaan. Infomedics heeft het betaalbewijs nooit ontvangen. Vervolgens is vonnis gewezen.
[eiser] kan worden ontvangen in zijn verzet
3.4
De eerste vraag die voorligt, is of het verzet van [eiser] tijdig is ingesteld. Volgens Infomedics is de verzettermijn van vier weken ruimschoots verstreken, omdat de termijn op 21 juni 2016 door de betekening van het verstekvonnis is aangevangen. Volgens [eiser] is hij wel tijdig in verzet gekomen. [eiser] zegt dat hij voor het eerst op 3 april 2026 heeft kennisgenomen van het verstekvonnis. [eiser] voert aan dat hij de dagvaarding, de stukken en het vonnis van de kantonrechter van 8 juni 2016 niet heeft ontvangen en hij betwist dat de betekening en het bevel op de juiste wijze aan hem zijn uitgereikt.
3.5
In artikel 143 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is – kort gezegd – bepaald dat de verzettermijn begint te lopen op het moment dat (1) het verstekvonnis is betekend in persoon, of (2) als sprake is van een daad van bekendheid waaruit blijkt dat de veroordeelde van het verstekvonnis op de hoogte is, of (3) zodra de executie van het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd.
3.6
Anders dan Infomedics stelt, maakt het voor de aanvang van de termijn uit of de betekening van het vonnis (of een daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte) in persoon is uitgereikt. Het staat vast dat het verstekvonnis niet aan [eiser] in persoon is betekend. Op het afschrift van de betekening van de deurwaarder op 21 juni 2016 staat immers: “aldaar mijn exploot doende en een afschrift hiervan en van na te melden bescheiden latende aan: voormeld adres in gesloten envelop met daarop de voorgeschreven vermeldingen, omdat ik aldaar niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten”. Betekening van het vonnis door middel van afgifte aan een huisgenoot of achterlating in een envelop, laat de verzettermijn niet aanvangen. Dit brengt mee dat de verzettermijn in ieder geval niet op de eerstgenoemde grond is gaan lopen.
3.7
Ook is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan dat [eiser] een daad van bekendheid heeft verricht in de zin van artikel 143 lid 2 Rv. De Hoge Raad heeft deze maatstaf aldus ingevuld dat de veroordeelde zélf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Voldoende is dat de veroordeelde ermee bekend is op vordering van wie, waartoe en door welk gerecht hij is veroordeeld, kortom, dat hij bekend is met de hoofdinhoud van het vonnis. Van enige handeling die erop kan wijzen dat [eiser] bekend was met het vonnis, is niet gebleken. Dit alles leidt tot het oordeel dat [eiser] kan worden ontvangen in zijn verzet.
Het verstekvonnis wordt bekrachtigd
3.8
[eiser] wil dat hij wordt ontheven van de veroordeling in het verstekvonnis van 8 juni 2016. [eiser] betwist dat hij een afspraak bij de orthodontist heeft gemist. Ook betwist [eiser] dat hij contact met het deurwaarderskantoor heeft gehad.
3.9
Infomedics handhaaft haar vordering. Infomedics stelt dat [eiser] de vordering op 10 mei 2016 bovendien al heeft erkend. Infomedics verwijst naar de verklaring van de medewerker van het deurwaarderskantoor en de uitdraai uit het systeem in productie 4 bij de conclusie van antwoord in oppositie.
3.10
De kantonrechter vindt dat Infomedics met de verklaring van de medewerker van het deurwaarderskantoor in combinatie met de uitdraai uit het systeem voldoende heeft onderbouwd dat [eiser] op 10 mei 2016 contact heeft gehad met het deurwaarderskantoor. Uit de aantekening in het systeem, die de kantonrechter leesbaar acht, blijkt dat [eiser] na de dagvaarding telefonisch heeft gevraagd waar de vordering betrekking op heeft, dat [eiser] heeft gezegd dat de vordering al is voldaan en dat hij een afschrift gaat zoeken en mailen. De medewerker van het deurwaarderskantoor heeft dit in haar verklaring bevestigd. Hiermee heeft Infomedics voldoende aangetoond dat [eiser] in 2016 met de vordering bekend moet zijn geweest. [eiser] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De enkele stellingname van [eiser] dat hij geen contact met de medewerker van het deurwaarderskantoor heeft gehad, is tegenover de feitelijke stellingen van Infomedics onvoldoende. De kantonrechter volgt Infomedics dan ook in haar stelling dat [eiser] zich in 2016 telefonisch tegenover de deurwaarder op het standpunt heeft gesteld dat hij de vordering al betaald had en dat hij een betaalbewijs zou overleggen. Daarmee heeft [eiser] de vordering eerder erkend. De kantonrechter gaat dus voorbij aan het standpunt van [eiser] dat hij altijd onbekend is geweest met de vordering. Omdat de kantonrechter ervan uitgaat dat [eiser] de vordering eerder tegenover het deurwaarderskantoor heeft erkend, gaat zij ook voorbij aan het standpunt van [eiser] dat hij de afspraak bij de orthodontist niet zou hebben gehad of gemist, nog daargelaten dat [eiser] dit verder ook niet nader heeft onderbouwd en heeft voorzien van stukken. Dit leidt tot de slotsom dat het verzet ongegrond zal worden verklaard.
Proceskosten
3.11
[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure, aan de kant van Infomedics begroot op € 43,00 aan salaris gemachtigde (1 salarispunt x € 43,00 per punt).
4De beslissing
4.1
verklaart het verzet ongegrond,
4.2
bekrachtigt het op 8 juni 2016 tussen partijen gewezen verstekvonnis met zaaknummer 5054079 MC EXPL 16-5238,
4.3
veroordeelt [eiser] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van Infomedics tot op heden begroot op € 43,00 aan salaris gemachtigde,
4.4
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
ECLI:NL:HR:2009:BJ0652.