Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5099
2026-07-22
Civiel recht
11986031 \ MC EXPL 25-6517
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Financial lease, zakelijke overeenkomst.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.790 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11986031 \ MC EXPL 25-6517
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiser] ,
handelende onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.J.M. Hofman, werkzaam bij Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
handelende onder de naam [handelsnaam] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] met producties;- de conclusie van antwoord van [gedaagde] ;
- de conclusie van aanvullend antwoord van [gedaagde] met producties;- de conclusie van repliek van [eiser] met producties;- de conclusie van dupliek van [gedaagde] met producties.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
Kern van de zaak
2.1
[eiser] heeft in 2023 met [gedaagde] een financial lease (huurkoop) overeenkomst gesloten ter zake van een Toyota Sienna MAEX (hierna: de auto). Deze overeenkomst had een looptijd van 72 maanden. [gedaagde] is haar betalingsverplichtingen niet nagekomen. Op 12 maart 2025 heeft [eiser] het op dat moment nog openstaande bedrag ineens opgeëist. Op verzoek van [eiser] heeft [gedaagde] de auto ingeleverd. Dit heeft op 28 maart 2025 plaatsgevonden. Hierdoor is de overeenkomst van rechtswege ontbonden. [eiser] heeft de auto vervolgens geveild. In deze procedure vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de restant huurkoopsom (minus de netto-opbrengst van de auto), vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] grotendeels toe. De contractuele vertragingsrente over de leasetermijnen na de ontbinding wordt afgewezen. In plaats daarvan wordt de wettelijke rente toegewezen. Verder worden de buitenechtelijke kosten naar beneden bijgesteld. [gedaagde] moet de proceskosten betalen. De beslissingen worden hierna toegelicht.
Zakelijke overeenkomst
2.2
Tussen partijen is in discussie of [gedaagde] de overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van haar beroep of bedrijf of als consument. Gelet op de stellingen van [eiser] , waaronder dat [gedaagde] zelf aangeeft dat de auto als taxi werd gebruikt en/of werd verhuurd,
had het op de weg van [gedaagde] gelegen om te onderbouwen waarom zij (toch) als consument moet worden beschouwd. Nu zij dit heeft nagelaten gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van haar beroep of bedrijf en dat het een zakelijke overeenkomst betreft.
[gedaagde] moet de resterende termijnbetalingen betalen
2.3
In de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden is onder meer opgenomen dat indien er, na een schriftelijke aanmaning, een betalingsachterstand is van twee maanden of meer, [eiser] het recht heeft om het nog openstaande bedrag in één keer op te eisen, de auto in te nemen en de auto te verkopen. De opbrengst wordt met het verschuldigde bedrag verrekend.
2.4
Voor zover [gedaagde] heeft willen aanvoeren dat [eiser] te snel tot opeising is overgegaan, wordt dat verweer verworpen. Uit het door [eiser] overgelegde betaaloverzicht volgt dat er vanaf januari 2024 structureel betalingsachterstanden waren.
2.5
De kantonrechter acht het overleggen van aanvullende stukken door [eiser] , zoals [gedaagde] voorstelt, niet nodig. Anders dan [gedaagde] , is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] de gevorderde hoofdsom van € 32.693,21 voldoende heeft onderbouwd. Op grond van de overeenkomst was [gedaagde] € 81.143,04 aan [eiser] verschuldigd (€ 55.000,00 aan kredietbedrag en € 26.143,04 aan kredietvergoeding volgens productie 1 bij dagvaarding). Hierop heeft [eiser] de betalingen van [gedaagde] van totaal € 12.488,84 (gespecificeerd in punt 5 van de conclusie van repliek) en de (netto) opbrengst van de verkoop van de auto van € 35.960,99 in mindering gebracht. Anders dan [gedaagde] betoogt, is er geen reden om de resterende kredietvergoeding af te wijzen. Op grond van de algemene voorwaarden is [gedaagde] die vergoeding (ook) in het geval van vervroegde opeising verschuldigd. [gedaagde] voert verder aan dat de auto voor een hoger bedrag verkocht had kunnen worden. De kantonrechter is van oordeel dat het gegeven dat een (openbare) veiling van de auto minder heeft opgeleverd dan een particuliere of zakelijke verkoop zou hebben, niet aan [eiser] kan worden tegengeworpen en geen reden is voor matiging van de vordering. [eiser] heeft overigens een taxatierapport overgelegd van 10 april 2025 waaruit een executiewaarde van de auto blijkt van
€ 27.200,00. De auto heeft op de veiling meer opgebracht. Ook de andere nog door [gedaagde] aangevoerde verweren leiden niet tot een ander oordeel.
2.6
De conclusie is dat de hoofdsom zal worden toegewezen.
Geen contractuele rente over leasetermijnen na ontbinding, wel wettelijke rente
2.7
[eiser] maakt aanspraak op de contractuele rente van 12,671% per jaar. Zij vordert
€ 216,82 aan verschenen rente over de periode tot 9 oktober 2025, € 411,29 over de periode tot 14 november 2025 en de verdere contractuele rente vanaf 17 november 2025 over
€ 32.693,21. [eiser] vordert hiermee contractuele rente over alle termijnen. Over de achterstallige termijnen voorafgaand aan de ontbinding op 28 maart 2025 (toen [gedaagde] de auto heeft ingeleverd) is de contractuele rente toewijsbaar. Uit de specificatie in de conclusie van repliek leidt de kantonrechter af dat dit een bedrag betreft van € 2.880,96 (3x € 960,32). De termijnen die op het moment van de ontbinding nog toekomstig waren moeten worden gezien als schadevergoeding, zodat daarover niet de contractuele rente toewijsbaar is, maar wel de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. Omdat [eiser] niet heeft gespecificeerd vanaf welke datum zij aanspraak maakt op rente zal de kantonrechter de rente toewijzen vanaf 9 oktober 2025.
Buitengerechtelijke kosten worden naar beneden bijgesteld
2.8
[eiser] vordert een vergoeding van € 5.973,17 voor buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 4.5. van haar algemene voorwaarden. [eiser] maakt ook aanspraak op BTW over de buitengerechtelijke incassokosten, omdat zij onweersproken heeft gesteld dat zij de BTW niet kan verrekenen. In dit geval acht de kantonrechter redenen aanwezig om de vergoeding op grond van artikel 242 Rv te matigen tot het bedrag, berekend op grond van de bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten behorende staffel, nu [gedaagde] de kosten heeft betwist en [eiser] niet heeft gesteld en onderbouwd dat er zodanige buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die een hoger bedrag dan de staffel rechtvaardigen. De kantonrechter zal [gedaagde] dan ook veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 1.101,93 en € 231,41 aan BTW, totaal € 1.333,34.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.905,14
3De beslissing
De kantonrechter
3.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
een hoofdsom van € 32.693,21;
de contactuele rente van 12,671% per jaar over € 2.880,96 vanaf 9 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
de wettelijke rente over € 29.812,25 vanaf 9 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
1.333,34 aan buitengerechtelijke kosten inclusief BTW;
3.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.905,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
13702
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11986031 \ MC EXPL 25-6517
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiser] ,
handelende onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.J.M. Hofman, werkzaam bij Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
handelende onder de naam [handelsnaam] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] met producties;- de conclusie van antwoord van [gedaagde] ;
- de conclusie van aanvullend antwoord van [gedaagde] met producties;- de conclusie van repliek van [eiser] met producties;- de conclusie van dupliek van [gedaagde] met producties.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
Kern van de zaak
2.1
[eiser] heeft in 2023 met [gedaagde] een financial lease (huurkoop) overeenkomst gesloten ter zake van een Toyota Sienna MAEX (hierna: de auto). Deze overeenkomst had een looptijd van 72 maanden. [gedaagde] is haar betalingsverplichtingen niet nagekomen. Op 12 maart 2025 heeft [eiser] het op dat moment nog openstaande bedrag ineens opgeëist. Op verzoek van [eiser] heeft [gedaagde] de auto ingeleverd. Dit heeft op 28 maart 2025 plaatsgevonden. Hierdoor is de overeenkomst van rechtswege ontbonden. [eiser] heeft de auto vervolgens geveild. In deze procedure vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de restant huurkoopsom (minus de netto-opbrengst van de auto), vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] grotendeels toe. De contractuele vertragingsrente over de leasetermijnen na de ontbinding wordt afgewezen. In plaats daarvan wordt de wettelijke rente toegewezen. Verder worden de buitenechtelijke kosten naar beneden bijgesteld. [gedaagde] moet de proceskosten betalen. De beslissingen worden hierna toegelicht.
Zakelijke overeenkomst
2.2
Tussen partijen is in discussie of [gedaagde] de overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van haar beroep of bedrijf of als consument. Gelet op de stellingen van [eiser] , waaronder dat [gedaagde] zelf aangeeft dat de auto als taxi werd gebruikt en/of werd verhuurd,
had het op de weg van [gedaagde] gelegen om te onderbouwen waarom zij (toch) als consument moet worden beschouwd. Nu zij dit heeft nagelaten gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van haar beroep of bedrijf en dat het een zakelijke overeenkomst betreft.
[gedaagde] moet de resterende termijnbetalingen betalen
2.3
In de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden is onder meer opgenomen dat indien er, na een schriftelijke aanmaning, een betalingsachterstand is van twee maanden of meer, [eiser] het recht heeft om het nog openstaande bedrag in één keer op te eisen, de auto in te nemen en de auto te verkopen. De opbrengst wordt met het verschuldigde bedrag verrekend.
2.4
Voor zover [gedaagde] heeft willen aanvoeren dat [eiser] te snel tot opeising is overgegaan, wordt dat verweer verworpen. Uit het door [eiser] overgelegde betaaloverzicht volgt dat er vanaf januari 2024 structureel betalingsachterstanden waren.
2.5
De kantonrechter acht het overleggen van aanvullende stukken door [eiser] , zoals [gedaagde] voorstelt, niet nodig. Anders dan [gedaagde] , is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] de gevorderde hoofdsom van € 32.693,21 voldoende heeft onderbouwd. Op grond van de overeenkomst was [gedaagde] € 81.143,04 aan [eiser] verschuldigd (€ 55.000,00 aan kredietbedrag en € 26.143,04 aan kredietvergoeding volgens productie 1 bij dagvaarding). Hierop heeft [eiser] de betalingen van [gedaagde] van totaal € 12.488,84 (gespecificeerd in punt 5 van de conclusie van repliek) en de (netto) opbrengst van de verkoop van de auto van € 35.960,99 in mindering gebracht. Anders dan [gedaagde] betoogt, is er geen reden om de resterende kredietvergoeding af te wijzen. Op grond van de algemene voorwaarden is [gedaagde] die vergoeding (ook) in het geval van vervroegde opeising verschuldigd. [gedaagde] voert verder aan dat de auto voor een hoger bedrag verkocht had kunnen worden. De kantonrechter is van oordeel dat het gegeven dat een (openbare) veiling van de auto minder heeft opgeleverd dan een particuliere of zakelijke verkoop zou hebben, niet aan [eiser] kan worden tegengeworpen en geen reden is voor matiging van de vordering. [eiser] heeft overigens een taxatierapport overgelegd van 10 april 2025 waaruit een executiewaarde van de auto blijkt van
€ 27.200,00. De auto heeft op de veiling meer opgebracht. Ook de andere nog door [gedaagde] aangevoerde verweren leiden niet tot een ander oordeel.
2.6
De conclusie is dat de hoofdsom zal worden toegewezen.
Geen contractuele rente over leasetermijnen na ontbinding, wel wettelijke rente
2.7
[eiser] maakt aanspraak op de contractuele rente van 12,671% per jaar. Zij vordert
€ 216,82 aan verschenen rente over de periode tot 9 oktober 2025, € 411,29 over de periode tot 14 november 2025 en de verdere contractuele rente vanaf 17 november 2025 over
€ 32.693,21. [eiser] vordert hiermee contractuele rente over alle termijnen. Over de achterstallige termijnen voorafgaand aan de ontbinding op 28 maart 2025 (toen [gedaagde] de auto heeft ingeleverd) is de contractuele rente toewijsbaar. Uit de specificatie in de conclusie van repliek leidt de kantonrechter af dat dit een bedrag betreft van € 2.880,96 (3x € 960,32). De termijnen die op het moment van de ontbinding nog toekomstig waren moeten worden gezien als schadevergoeding, zodat daarover niet de contractuele rente toewijsbaar is, maar wel de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. Omdat [eiser] niet heeft gespecificeerd vanaf welke datum zij aanspraak maakt op rente zal de kantonrechter de rente toewijzen vanaf 9 oktober 2025.
Buitengerechtelijke kosten worden naar beneden bijgesteld
2.8
[eiser] vordert een vergoeding van € 5.973,17 voor buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 4.5. van haar algemene voorwaarden. [eiser] maakt ook aanspraak op BTW over de buitengerechtelijke incassokosten, omdat zij onweersproken heeft gesteld dat zij de BTW niet kan verrekenen. In dit geval acht de kantonrechter redenen aanwezig om de vergoeding op grond van artikel 242 Rv te matigen tot het bedrag, berekend op grond van de bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten behorende staffel, nu [gedaagde] de kosten heeft betwist en [eiser] niet heeft gesteld en onderbouwd dat er zodanige buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die een hoger bedrag dan de staffel rechtvaardigen. De kantonrechter zal [gedaagde] dan ook veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 1.101,93 en € 231,41 aan BTW, totaal € 1.333,34.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.905,14
3De beslissing
De kantonrechter
3.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
een hoofdsom van € 32.693,21;
de contactuele rente van 12,671% per jaar over € 2.880,96 vanaf 9 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
de wettelijke rente over € 29.812,25 vanaf 9 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
1.333,34 aan buitengerechtelijke kosten inclusief BTW;
3.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.905,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
13702