Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5042

2026-07-27 Bestuursrecht UTR 26/1069
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-27
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 26/1069
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk, geen toereikende machtiging overgelegd. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.504 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 26/1069

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen

mr. D.A.N. Bartels, veronderstellenderwijs handelend namens [eiser] ,


en




de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: T. Jansen).






Procesverloop


1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat Bartels op 2 februari 2026 heeft ingediend
tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar met betrekking tot aanslagnummer [nummer] .



1.1
De zaak is behandeld op de zitting van 20 juli 2026. Bartels en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.




Overwegingen

2. Het beroep is door mr. D.A.N. Bartels MRE (Bartels) veronderstellenderwijs ingesteld namens [eiser] . Bij het beroepschrift is geen toereikende machtiging meegestuurd. In artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Zo’n vereiste is het overleggen van een machtiging als de rechtbank daarom verzocht heeft. Voordat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen.

3. De rechtbank heeft Bartels op 3 februari 2026 een brief gestuurd, waarin staat dat Bartels uiterlijk 3 maart 2026 een schriftelijke machtiging in moet dienen waaruit blijkt op welke za(a)k(en) deze betrekking heeft en waaruit blijkt dat deze machtiging zich uitstrekt tot het verrichten van proceshandelingen en het aanwenden van rechtsmiddelen. In deze brief staat vermeld dat indien Bartels niet aan dit verzoek voldoet, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.

4. Bartels heeft op 24 maart 2026 verzocht om uitstel voor het indienen van de machtiging. Dit uitstel is verleend tot 9 april 2026. Bartels heeft geen machtiging ingediend.

5. Dat betekent dat er in deze beroepsprocedure geen toereikende machtiging is overgelegd. Tijdens de behandeling van de zaak op de zitting heeft Bartels aangevoerd dat er meerdere beroepsprocedures lopen van [eiser] en dat in die zaken machtigingen zijn ingediend. Hieruit blijkt dat hij al jarenlang voor [eiser] procedeert en hieruit kan volgens hem worden afgeleid dat hij ook voor deze beroepsprocedure is gemachtigd. De rechtbank is van oordeel dat het de verantwoordelijkheid van Bartels is om in elke beroepsprocedure een toereikende machtiging over te leggen. Anders dan Bartels stelt, kan uit het feit dat er machtigingen van [eiser] in andere beroepsprocedures zijn ingediend, niet worden afgeleid dat hij dan ook voor het voeren van deze procedure is gemachtigd. Het niet aanleveren van een toereikende machtiging is een reden om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de inhoudelijke geschilpunten.

7. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.



Het verzoek om immateriële schadevergoeding



8. Bartels heeft verzocht om immateriële schadevergoeding, omdat de procedure over de belastingaanslag onredelijk lang zou hebben geduurd. De rechtbank heeft echter niet vast kunnen stellen dat [eiser] beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten. Om deze reden kan ook niet worden vastgesteld dat [eiser] immateriële schade heeft geleden. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




ECLI:NL:RBMNE:2020:2390.


ECLI:NL:RBMNE:2023:1260.