Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4515

2026-07-08 Civiel recht 12139513 \ MC EXPL 26-1395
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-07-19
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12139513 \ MC EXPL 26-1395
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bevoegdheid kantonrechter. Vordering onbepaalde waarde. Geen duidelijke aanwijzingen dat vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000. Verwijzing handelskamer.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.002 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Almere



Zaaknummer: 12139513 \ MC EXPL 26-1395




Vonnis in incident van 8 juli 2026




in de zaak van





1 [eiser sub 1] ,

te [plaats] ,2. [eiser sub 2],
te [plaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak in conventie, verwerende partijen in de hoofdzaak in reconventie,
eisende partijen in het incident van artikel 196 Rv,
verwerende partij in het bevoegdheidsincident,
hierna samen te noemen: [eisers c.s] ,
gemachtigde: mr. Tj. Rosbach, werkzaam bij Pro-Justitia.ch,



tegen





[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak in conventie,
eisende partij in de hoofdzaak in reconventie,
verwerende partij in het incident van artikel 196 Rv,
eisende partij in het bevoegdheidsincident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F.M. Aarts.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2026, met een incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv (de kantonrechter begrijpt: artikel 195 Rv), met producties; - de incidentele conclusie tot onbevoegdheid, tevens conclusie van antwoord in het incident van artikel 195 Rv, tevens conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties;
- de akte van uitlating inzake exceptie van onbevoegdheid



1.2
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.





2De kern van de zaak


2.1

[eisers c.s] heeft [gedaagde] opdracht gegeven tot het vervaardigen van een ontwerp voor zijn woning, het verzorgen van de omgevingsvergunning en het verrichten van bouwbegeleiding. [eisers c.s] stelt dat [gedaagde] hierbij is tekortgeschoten en hij aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. In de hoofdzaak vordert [eisers c.s] een verklaring voor recht, verwijzing naar de schadestaatprocedure en veroordeling van [gedaagde] tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden. [gedaagde] heeft een incident opgeworpen. Hij vindt dat de kantonrechter niet bevoegd is, omdat de vordering van [eisers c.s] het bedrag van € 25.000,- overstijgt. [eisers c.s] is het hier niet mee eens. Het gelijk ligt bij [gedaagde] . De kantonrechter zal de zaak verwijzen naar de handelskamer.





3De beoordeling in het bevoegdheidsincident


3.1
In het bevoegdheidsincident vordert [gedaagde] dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart van de zaak kennis te nemen.



3.2
Aan zijn vordering legt [gedaagde] ten grondslag dat duidelijk is dat de vordering van [eisers c.s] het bedrag van € 25.000,- overstijgt, zodat de kantonrechter op grond van artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet bevoegd is.



3.3

[eisers c.s] is het hier niet mee eens. Hij meent dat er op dit moment nog geen sprake is van een bepaalbare vordering van meer dan € 25.000,-. De omvang van de schade staat volgens hem nog niet vast en daarom heeft hij een verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd.



3.4

De hiervoor onder randnummer 2.1 genoemde vorderingen van [eisers c.s] zijn van onbepaalde waarde. Anders dan [eisers c.s] meent, gaat het er in zo’n geval niet om of er sprake is van een bepaalbare vordering van meer dan € 25.000,-. Artikel 93 aanhef en sub b Rv bepaalt namelijk dat bij een vordering van onbepaalde waarde de kantonrechter bevoegd is als er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,-. Die aanwijzingen zijn er in deze zaak niet. [eisers c.s] stelt zelf dat de omvang van zijn schade nog niet vaststaat. Daarmee staat dus de mogelijkheid open dat zijn schade (en daarmee de waarde van zijn vorderingen) meer dan € 25.000,- zal belopen. [gedaagde] heeft daarnaast onweersproken aangevoerd dat uit het door [eisers c.s] overgelegde rapport zeer ernstige gebreken volgen (bijvoorbeeld aan het dak, gevels en kozijnen) en dat de herstelkosten het bedrag van
€ 25.000,- zeer waarschijnlijk zullen overschrijden.




3.5

[eisers c.s] benadrukt in zijn akte dat het geschil een consumentrechtelijk karakter heeft, omdat hij als natuurlijk persoon handelde ten behoeve van zijn privéwoning. Voor zover [eisers c.s] daarmee tracht te betogen dat de kantonrechter op grond van artikel 93 sub c Rv bevoegd is, omdat er sprake is van een consumentenkoopovereenkomst, dan slaagt dit niet. Er is tussen partijen namelijk geen sprake van een consumentenkoopovereenkomst, maar van een overeenkomst van opdracht.



3.6
Omdat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat de vorderingen van [eisers c.s] geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,- (en er ook geen sprake is van consumentenkoop) is de kantonrechter niet bevoegd van de zaak kennis te nemen. De kantonrechter verwijst de zaak daarom naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken (de handelskamer) van deze rechtbank (artikel 71 lid 1 Rv).



3.7
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van [eisers c.s] , omdat hij ongelijk heeft gekregen. De kosten van [gedaagde] worden begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde.





4De beslissing


De kantonrechter



4.1
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken (de handelskamer van de afdeling civiel recht) van deze rechtbank, zittingsplaats Lelystad;



4.2
verwijst de zaak daartoe naar de civiele rol van de handelskamer van woensdag 5 augustus 2026 om 10:00 uur;



4.3
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat;



4.4
wijst [eisers c.s] erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht is verschuldigd van € 341,00 en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor [eisers c.s] van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een nota met betaalinstructies ontvangt;



4.5
wijst [gedaagde] erop dat na verwijzing een griffierecht is verschuldigd van € 341,00 en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor [gedaagde] een nota met betaalinstructies ontvangt van het LDCR;



4.6
wijst [gedaagde] erop dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging, dan wel
- een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging);


4.7
veroordeelt [eisers c.s] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde;



4.8
verklaart de proceskostenveroordeling onder 4.7 uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.



45353