Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:4314

2026-07-09 Bestuursrecht UTR 25/4977-V
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-07-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/4977-V
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond; woz; igs te vroeg ingediend;

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.086 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Bestuursrecht



zaaknummer: UTR25/4977-V


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 op het verzet van


[opposant] , te [plaats] , opposant,




Procesverloop


Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift.



Verweerder heeft op 27 augustus 2025 een beslissing op bezwaar genomen.



In de uitspraak van 9 januari 2026 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.



Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.



Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.






Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 januari 2026 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de ingebrekestelling te vroeg is ingediend. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 9 januari 2026 niet juist was.

3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 9 januari 2026 niet juist omdat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn ingebrekestelling prematuur was en daarbij artikel 236, tweede lid van de Gemeentewet onjuist heeft toegepast. Opposant stelt dat hij zijn bezwaarschrift tijdig heeft ingediend en zijn rechtsmiddelen op correcte wijze heeft benut.


4.1
Opposant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat verweerder, vanwege artikel 236, tweede lid van de Gemeentewet tot en met 31 december 2025 de tijd had om op zijn bezwaar te beslissen. Naar de mening van opposant heeft de rechtbank deze bepaling onjuist uitgelegd en toegepast. Door artikel 236, tweede lid van de Gemeentewet toe te passen op een bezwaarschrift dat reeds op 30 april 2025 is ingediend, wordt een uitzonderingsbepaling feitelijk verheven tot de hoofdregel, waardoor de reguliere beslistermijn van artikel 7:10 Awb haar betekenis verliest.



4.2
Volgens opposant leidt deze uitleg tot een ongerijmde en rechtstatelijk onwenselijk uitkomst. Immers, hoe eerder en zorgvuldiger een burger bezwaar maakt, hoe langer deze vervolgens op een beslissing moet wachten. Dat resultaat kan redelijkerwijs niet overeenkomen met de bedoeling van de wetgever.



4.3
Opposante stelt dat de onjuiste toepassing van artikel 236 van de Gemeentewet niet alleen heeft geleid tot een onjuiste niet-ontvankelijkverklaring maar hem ook concreet heeft benadeeld. Door de wettelijke beslistermijn onjuist vast te stellen, wekt de uitspraak ten onrechte de indruk dat verweerder niet in gebreke was en rechtmatig heeft gehandeld, terwijl volgens opposante juist sprake was van het overschrijden van de toepasselijke beslistermijn.

5. Uit de Gemeentewet volgt dat in beginsel wordt afgeweken van de standaard beslistermijn van artikel 7:10 van de Awb. De standaard beslistermijn van artikel 7:10 van de Awb is alleen van toepassing als een bezwaarschrift is ingediend in de laatste zes weken van een kalanderjaar geldt. Daarvan is in dit geval geen sprake. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 30 april 2025. Het bezwaarschrift is dus niet ingediend in de laatste zes weken van het kalenderjaar. Dit betekent dat voor de beslistermijn wordt afgeweken van de standaard beslistermijn van artikel 7:10 van de Awb. Dat houdt in dat de heffingsambtenaar tot het einde van dat kalenderjaar (dus tot en met 31 december 2025) de tijd heeft om een uitspraak te doen op het bezwaarschrift. De ingebrekestelling van
20 juni 2025 was dan ook te vroeg ingediend.

6. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
9 januari 2026 in stand blijft.

7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
























Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.





griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:




Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.