Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4031
2026-03-11
Civiel recht; Insolventierecht
FT RK 25-1236
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WHOA. Geen tijdelijke voorziening nodig in het gegval van verlenging van een eenmaal verleende afkoelingsperiode.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBAMS:2021:6517 Rechtbank Amsterdam 01-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8857 Rechtbank Den Haag 07-06-2024
- ECLI:NL:RBROT:2022:12151 Rechtbank Rotterdam 24-01-2022
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:9298 Rechtbank Amsterdam 08-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (11.566 tekens)
beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Toezicht
locatie Utrecht
Rekestnummer: FT RK 25-1236
Beschikking van 11 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaten: mr. J.W. Volkers en mr. L. van Agthoven te Amsterdam,
en
mevrouw
MR. M.N. DE GROOT, in haar hoedanigheid van observator,
kantoor houdende te Amsterdam,
hierna te noemen: de Observator.
1De kern van de beslissing
1.1.
[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om verlenging van een afkoelingsperiode. In deze beslissing wordt een datum bepaald waarop dit verzoek wordt behandeld. Het is niet nodig om nu een voorziening te treffen. Het verzoek daartoe van [verzoekster] wordt daarom afgewezen. Een redelijke en op de praktijk toegespitste uitleg van artikel 376 Fw brengt mee dat het tijdig indienen van het verlengingsverzoek in beginsel volstaat om de continuïteit van de afkoelingsperiode te waarborgen.
1.2.
In deze beslissing worden de kosten van de Observator vastgesteld.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure volgt uit:
- de beschikking van 30 december 2025,
- de brief van de Observator van 27 januari 2026,
- het bericht van de rechtbank van 28 januari 2026,
- de brief van de Observator van 13 februari 2026,
- het verzoekschrift van [verzoekster] van 6 maart 2026,
- de brief van [verzoekster] van 9 maart 2026.
3De beoordeling
3.1.
De rechtbank volhardt bij hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 30 december 2025, voor zover daarvan in het navolgende niet wordt afgeweken
Een tijdelijke voorziening is niet nodig
3.2.
De rechtbank heeft op 30 december 2025 een afkoelingsperiode afgekondigd voor een periode van drie maanden, ingaande op 11 december 2025. [verzoekster] heeft in het verzoekschrift van 6 maart 2026 gevraagd om verlenging van de afkoelingsperiode. [verzoekster] vraagt daarbij om – bij wijze van voorziening – te bepalen dat de afkoelingsperiode wordt verlengd totdat op het verzoek daartoe definitief is beslist.
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat voor de verlenging van een afkoelingsperiode niet is vereist dat de rechtbank de beslissing tot verlenging neemt vóór het verstrijken van de lopende termijn. Uit de jurisprudentie volgt dat het tijdig indienen van het verzoek - dat wil zeggen: vóór het einde van de lopende afkoelingsperiode - noodzakelijk én voldoende is om een verlenging te kunnen bewerkstelligen. Indien het verzoek tijdig is ingediend, kan de rechtbank de verlenging zonder onderbreking laten aansluiten op de eerdere termijn.
3.4.
De vraag die voorligt, is of de rechtbank een voorlopige voorziening moet treffen om de periode tussen het aflopen van de oorspronkelijke termijn en de definitieve beslissing op het verlengingsverzoek te overbruggen. De rechtbank beantwoordt deze vraag in dit geval ontkennend. Een redelijke en op de praktijk toegespitste uitleg van artikel 376 Fw brengt mee dat het tijdig indienen van het verlengingsverzoek in beginsel volstaat om de continuïteit van de afkoelingsperiode te waarborgen.
3.5.
Er is een procedureel verschil tussen het eerste verzoek om een afkoelingsperiode en het verlengingsverzoek. Een afkoelingsbeslissing moet snel kunnen worden gegeven. Daarom kan een afkoelingsperiode worden afgekondigd zonder de schuldenaar, de herstructureringsdeskundige of de observator – zo die is aangewezen – of de schuldeisers te horen. Dit is anders wanneer het een beslissing betreft over een verlenging van de afkoelingsperiode. In dat geval schrijft de wet voor dat de rechter wel eerst de genoemde personen hoort, voordat hij een beslissing neemt (artikel 376 lid 5 en 12 Fw).
3.6.
Zou het noodzakelijk zijn om telkens een overbruggingsvoorziening te treffen, dan ontstaat een onwenselijke situatie. Als de rechtbank op basis van de stukken niet direct overtuigd is van de noodzaak tot verlenging en de gevraagde voorziening zou afwijzen, zouden schuldeisers daarin een reden kunnen zien om alsnog of opnieuw verhaal te nemen. Aan de schuldenaar wordt dan de facto de mogelijkheid ontnomen om het verzoek tijdens een zitting mondeling toe te lichten. Dit is in strijdt met de ratio van artikel 376 lid 12 Fw. Een situatie waarin de rechtbank telkens – zonder inhoudelijke toets – zou overgaan tot het afgeven van de overbruggingsvoorziening, is weinig praktisch en zou vooral een onnodige belasting van de rechtspraak betekenen.
3.7.
In de praktijk is een overbruggingsvoorziening in de regel niet nodig. Zodra een verlengingsverzoek tijdig is ingediend en de betrokkenen hiervan op de hoogte zijn, dienen zij rekening te houden met de rechtsgevolgen van een eventuele toewijzing met ‘terugwerkende kracht’. Daarom mag van betrokkenen worden verwacht dat zij de afkoelingsperiode blijven respecteren totdat de rechtbank heeft geoordeeld over de gevraagde verlenging. Betrokkenen die menen dat hun belangen door een afkoelingsperiode onevenredig worden geschaad, kunnen op grond van artikel 376 lid 9 en 10 Fw de rechtbank altijd verzoeken de afkoelingsperiode op te heffen of de gevolgen daarvan te beperken.
3.8.
Uitgangspunt is dus dat een overbruggingsvoorziening niet wordt gegeven, tenzij uit het verzoek blijkt waarom het verlengingsverzoek niet eerder kon worden ingediend en van bijzondere omstandigheden op basis waarvan de verzoeker moet vrezen dat schuldeisers de afkoelingsperiode niet langer zullen respecteren. Mocht een schuldeiser later toch verhaal willen nemen, in weerwil van het voorgaande, dan kan aan de rechtbank worden verzocht om een onmiddellijke voorziening om deze concrete acties ongedaan te maken.
3.9.
Samenvattend geldt dat het tijdig indienen van het verlengingsverzoek in beginsel voldoende is om de continuïteit van de afkoelingsperiode te waarborgen. Er bestaat in dit geval geen voldoende concrete aanleiding of belang om thans een tijdelijke voorziening te treffen. De rechtbank zal de beslissing op het verzoek tot verlenging aanhouden totdat alle betrokkenen op de geplande zitting zijn gehoord.
De kosten van de observator worden vastgesteld
3.10.
De Observator heeft op 27 januari 2026 uitstel gevraagd voor het indienen van een kostenbegroting. Dit uitstel heeft de rechtbank verleend op 28 januari 2026. Op 13 februari 2026 heeft de Observator, tezamen met een plan van aanpak, een begroting gegeven van de kosten. De Observator heeft gevraagd haar budget vast te stellen op € 47.500,- exclusief btw.
3.11.
[verzoekster] heeft op 9 maart 2026 op de kostenbegroting gereageerd. [verzoekster] heeft daartegen geen bezwaren. Zij onderschrijft de opmerking van de Observator dat de uiteindelijk invulling van de werkzaamheden en de daarmee gemoeide kosten sterk afhankelijk zijn van met name de uitkomst van het verkooptraject. Mocht de verkoopprijs zodanig zijn dat een akkoord niet nodig is, dan zullen de kosten aanmerkelijk lager zijn dan begroot. Aldus [verzoekster] .
3.12.
De rechtbank ziet, op basis van haar reactie, geen aanleiding [verzoekster] nader op het verzoek te horen. De rechtbank stelt daarom in deze beslissing op grond van artikel 380 lid 4 Fw jo. artikel 371 lid 10 Fw het bedrag vast dat de werkzaamheden van de Observator ten hoogste mogen kosten. De door de Observator voorgestelde werkzaamheden zijn redelijkerwijs noodzakelijk in het kader van de beoogde herstructurering, met dien verstande dat bij begroting van de kosten wordt uitgegaan van de voorbereiding van een akkoord. De kosten die de Observator heeft begroot zijn ook in omvang redelijk. De rechtbank zal het budget dienovereenkomstig vaststellen.
Er wordt een datum bepaald voor inhoudelijke behandeling van het verzoek om verlenging van de afkoelingsperiode
3.13.
Het verzoekschrift van [verzoekster] wordt op woensdag 25 maart 2026 om 10.00 uur behandeld via een online videoverbinding. Betrokkenen kunnen zich wenden tot de griffier van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling Toezicht, ( [e-mailadres] ) om een deelname-link te ontvangen. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden afgeweken van de hoofdregel van fysieke aanwezigheid. Mochten [verzoekster] of andere betrokkenen bezwaren hebben tegen digitale behandeling, dan moeten zij dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank kenbaar maken.
3.14.
Uit oogpunt van een goede procesorde verwacht de rechtbank dat eventuele aanvullende stukken en schriftelijke zienswijzen uiterlijk de dag voor de behandeling vóór 10.00 uur worden ingediend.
3.15.
[verzoekster] dient de in haar verzoekschrift (productie 3) genoemde betrokkenen onverwijld te informeren over de inhoud van deze beschikking.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1.
wijst af het verzoek tot het treffen van een voorziening ex artikel 379 lid 1 Fw;
4.2.
stelt het bedrag dat de werkzaamheden van de Observator ten hoogste mogen kosten vast op € 47.500,- exclusief btw;
4.3.
bepaalt dat voornoemde kosten ten laste van [verzoekster] komen, en dat [verzoekster] voor de betaling daarvan ten genoegen van de Observator zekerheid moet stellen;
4.4.
bepaalt dat de behandeling van het verzoekschrift zal plaatsvinden op woensdag 25 maart 2026 om 10.00 uur via een videoverbinding ter zitting van de rechtbank Midden-Nederland, voor de rechters mr. P.J. Neijt, mr. G. Konings en mr. L. Mundt;
4.5.
bepaalt dat [verzoekster] de betrokkenen onverwijld schriftelijk kennis geeft van deze beschikking en hen wijst op de mogelijkheid om bij de griffier van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling Toezicht, ( [e-mailadres] ) een link voor deelname aan de zitting op te vragen, met vermelding dat de stemgerechtigden:
- zo spoedig mogelijk (gemotiveerd) bezwaar kunnen maken tegen het (louter) digitale karakter van de zitting,
- eventuele nadere schriftelijke stukken uiterlijk op de dag voor de behandeling om 10.00 uur moeten indienen;
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Neijt, mr. G. Konings en mr. L. Mundt en uitgesproken door mr. P.J. Neijt op 11 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.
zie Rechtbank Amsterdam, 1 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6517 en Rechtbank Den Haag, 7 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8857 en Rechtbank Rotterdam, 24 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:12151 en Rechtbank Rotterdam 12 februari 2026 (deze uitspraak werd (nog) niet gepubliceerd).
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Toezicht
locatie Utrecht
Rekestnummer: FT RK 25-1236
Beschikking van 11 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaten: mr. J.W. Volkers en mr. L. van Agthoven te Amsterdam,
en
mevrouw
MR. M.N. DE GROOT, in haar hoedanigheid van observator,
kantoor houdende te Amsterdam,
hierna te noemen: de Observator.
1De kern van de beslissing
1.1.
[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om verlenging van een afkoelingsperiode. In deze beslissing wordt een datum bepaald waarop dit verzoek wordt behandeld. Het is niet nodig om nu een voorziening te treffen. Het verzoek daartoe van [verzoekster] wordt daarom afgewezen. Een redelijke en op de praktijk toegespitste uitleg van artikel 376 Fw brengt mee dat het tijdig indienen van het verlengingsverzoek in beginsel volstaat om de continuïteit van de afkoelingsperiode te waarborgen.
1.2.
In deze beslissing worden de kosten van de Observator vastgesteld.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure volgt uit:
- de beschikking van 30 december 2025,
- de brief van de Observator van 27 januari 2026,
- het bericht van de rechtbank van 28 januari 2026,
- de brief van de Observator van 13 februari 2026,
- het verzoekschrift van [verzoekster] van 6 maart 2026,
- de brief van [verzoekster] van 9 maart 2026.
3De beoordeling
3.1.
De rechtbank volhardt bij hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 30 december 2025, voor zover daarvan in het navolgende niet wordt afgeweken
Een tijdelijke voorziening is niet nodig
3.2.
De rechtbank heeft op 30 december 2025 een afkoelingsperiode afgekondigd voor een periode van drie maanden, ingaande op 11 december 2025. [verzoekster] heeft in het verzoekschrift van 6 maart 2026 gevraagd om verlenging van de afkoelingsperiode. [verzoekster] vraagt daarbij om – bij wijze van voorziening – te bepalen dat de afkoelingsperiode wordt verlengd totdat op het verzoek daartoe definitief is beslist.
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat voor de verlenging van een afkoelingsperiode niet is vereist dat de rechtbank de beslissing tot verlenging neemt vóór het verstrijken van de lopende termijn. Uit de jurisprudentie volgt dat het tijdig indienen van het verzoek - dat wil zeggen: vóór het einde van de lopende afkoelingsperiode - noodzakelijk én voldoende is om een verlenging te kunnen bewerkstelligen. Indien het verzoek tijdig is ingediend, kan de rechtbank de verlenging zonder onderbreking laten aansluiten op de eerdere termijn.
3.4.
De vraag die voorligt, is of de rechtbank een voorlopige voorziening moet treffen om de periode tussen het aflopen van de oorspronkelijke termijn en de definitieve beslissing op het verlengingsverzoek te overbruggen. De rechtbank beantwoordt deze vraag in dit geval ontkennend. Een redelijke en op de praktijk toegespitste uitleg van artikel 376 Fw brengt mee dat het tijdig indienen van het verlengingsverzoek in beginsel volstaat om de continuïteit van de afkoelingsperiode te waarborgen.
3.5.
Er is een procedureel verschil tussen het eerste verzoek om een afkoelingsperiode en het verlengingsverzoek. Een afkoelingsbeslissing moet snel kunnen worden gegeven. Daarom kan een afkoelingsperiode worden afgekondigd zonder de schuldenaar, de herstructureringsdeskundige of de observator – zo die is aangewezen – of de schuldeisers te horen. Dit is anders wanneer het een beslissing betreft over een verlenging van de afkoelingsperiode. In dat geval schrijft de wet voor dat de rechter wel eerst de genoemde personen hoort, voordat hij een beslissing neemt (artikel 376 lid 5 en 12 Fw).
3.6.
Zou het noodzakelijk zijn om telkens een overbruggingsvoorziening te treffen, dan ontstaat een onwenselijke situatie. Als de rechtbank op basis van de stukken niet direct overtuigd is van de noodzaak tot verlenging en de gevraagde voorziening zou afwijzen, zouden schuldeisers daarin een reden kunnen zien om alsnog of opnieuw verhaal te nemen. Aan de schuldenaar wordt dan de facto de mogelijkheid ontnomen om het verzoek tijdens een zitting mondeling toe te lichten. Dit is in strijdt met de ratio van artikel 376 lid 12 Fw. Een situatie waarin de rechtbank telkens – zonder inhoudelijke toets – zou overgaan tot het afgeven van de overbruggingsvoorziening, is weinig praktisch en zou vooral een onnodige belasting van de rechtspraak betekenen.
3.7.
In de praktijk is een overbruggingsvoorziening in de regel niet nodig. Zodra een verlengingsverzoek tijdig is ingediend en de betrokkenen hiervan op de hoogte zijn, dienen zij rekening te houden met de rechtsgevolgen van een eventuele toewijzing met ‘terugwerkende kracht’. Daarom mag van betrokkenen worden verwacht dat zij de afkoelingsperiode blijven respecteren totdat de rechtbank heeft geoordeeld over de gevraagde verlenging. Betrokkenen die menen dat hun belangen door een afkoelingsperiode onevenredig worden geschaad, kunnen op grond van artikel 376 lid 9 en 10 Fw de rechtbank altijd verzoeken de afkoelingsperiode op te heffen of de gevolgen daarvan te beperken.
3.8.
Uitgangspunt is dus dat een overbruggingsvoorziening niet wordt gegeven, tenzij uit het verzoek blijkt waarom het verlengingsverzoek niet eerder kon worden ingediend en van bijzondere omstandigheden op basis waarvan de verzoeker moet vrezen dat schuldeisers de afkoelingsperiode niet langer zullen respecteren. Mocht een schuldeiser later toch verhaal willen nemen, in weerwil van het voorgaande, dan kan aan de rechtbank worden verzocht om een onmiddellijke voorziening om deze concrete acties ongedaan te maken.
3.9.
Samenvattend geldt dat het tijdig indienen van het verlengingsverzoek in beginsel voldoende is om de continuïteit van de afkoelingsperiode te waarborgen. Er bestaat in dit geval geen voldoende concrete aanleiding of belang om thans een tijdelijke voorziening te treffen. De rechtbank zal de beslissing op het verzoek tot verlenging aanhouden totdat alle betrokkenen op de geplande zitting zijn gehoord.
De kosten van de observator worden vastgesteld
3.10.
De Observator heeft op 27 januari 2026 uitstel gevraagd voor het indienen van een kostenbegroting. Dit uitstel heeft de rechtbank verleend op 28 januari 2026. Op 13 februari 2026 heeft de Observator, tezamen met een plan van aanpak, een begroting gegeven van de kosten. De Observator heeft gevraagd haar budget vast te stellen op € 47.500,- exclusief btw.
3.11.
[verzoekster] heeft op 9 maart 2026 op de kostenbegroting gereageerd. [verzoekster] heeft daartegen geen bezwaren. Zij onderschrijft de opmerking van de Observator dat de uiteindelijk invulling van de werkzaamheden en de daarmee gemoeide kosten sterk afhankelijk zijn van met name de uitkomst van het verkooptraject. Mocht de verkoopprijs zodanig zijn dat een akkoord niet nodig is, dan zullen de kosten aanmerkelijk lager zijn dan begroot. Aldus [verzoekster] .
3.12.
De rechtbank ziet, op basis van haar reactie, geen aanleiding [verzoekster] nader op het verzoek te horen. De rechtbank stelt daarom in deze beslissing op grond van artikel 380 lid 4 Fw jo. artikel 371 lid 10 Fw het bedrag vast dat de werkzaamheden van de Observator ten hoogste mogen kosten. De door de Observator voorgestelde werkzaamheden zijn redelijkerwijs noodzakelijk in het kader van de beoogde herstructurering, met dien verstande dat bij begroting van de kosten wordt uitgegaan van de voorbereiding van een akkoord. De kosten die de Observator heeft begroot zijn ook in omvang redelijk. De rechtbank zal het budget dienovereenkomstig vaststellen.
Er wordt een datum bepaald voor inhoudelijke behandeling van het verzoek om verlenging van de afkoelingsperiode
3.13.
Het verzoekschrift van [verzoekster] wordt op woensdag 25 maart 2026 om 10.00 uur behandeld via een online videoverbinding. Betrokkenen kunnen zich wenden tot de griffier van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling Toezicht, ( [e-mailadres] ) om een deelname-link te ontvangen. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden afgeweken van de hoofdregel van fysieke aanwezigheid. Mochten [verzoekster] of andere betrokkenen bezwaren hebben tegen digitale behandeling, dan moeten zij dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank kenbaar maken.
3.14.
Uit oogpunt van een goede procesorde verwacht de rechtbank dat eventuele aanvullende stukken en schriftelijke zienswijzen uiterlijk de dag voor de behandeling vóór 10.00 uur worden ingediend.
3.15.
[verzoekster] dient de in haar verzoekschrift (productie 3) genoemde betrokkenen onverwijld te informeren over de inhoud van deze beschikking.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1.
wijst af het verzoek tot het treffen van een voorziening ex artikel 379 lid 1 Fw;
4.2.
stelt het bedrag dat de werkzaamheden van de Observator ten hoogste mogen kosten vast op € 47.500,- exclusief btw;
4.3.
bepaalt dat voornoemde kosten ten laste van [verzoekster] komen, en dat [verzoekster] voor de betaling daarvan ten genoegen van de Observator zekerheid moet stellen;
4.4.
bepaalt dat de behandeling van het verzoekschrift zal plaatsvinden op woensdag 25 maart 2026 om 10.00 uur via een videoverbinding ter zitting van de rechtbank Midden-Nederland, voor de rechters mr. P.J. Neijt, mr. G. Konings en mr. L. Mundt;
4.5.
bepaalt dat [verzoekster] de betrokkenen onverwijld schriftelijk kennis geeft van deze beschikking en hen wijst op de mogelijkheid om bij de griffier van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling Toezicht, ( [e-mailadres] ) een link voor deelname aan de zitting op te vragen, met vermelding dat de stemgerechtigden:
- zo spoedig mogelijk (gemotiveerd) bezwaar kunnen maken tegen het (louter) digitale karakter van de zitting,
- eventuele nadere schriftelijke stukken uiterlijk op de dag voor de behandeling om 10.00 uur moeten indienen;
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Neijt, mr. G. Konings en mr. L. Mundt en uitgesproken door mr. P.J. Neijt op 11 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.
zie Rechtbank Amsterdam, 1 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6517 en Rechtbank Den Haag, 7 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8857 en Rechtbank Rotterdam, 24 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:12151 en Rechtbank Rotterdam 12 februari 2026 (deze uitspraak werd (nog) niet gepubliceerd).