Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9298

2026-09-08 Civiel recht C/13/793327 / KG ZA 26-788
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/13/793327 / KG ZA 26-788
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

ING heeft kort voordat de rechtbank in het kader van een WHOA procedure een afkoelingsperiode heeft afgekondigd een aflossingstermijn op een lening bij eiseressen afgeschreven. Eiseressen vorderen in kort geding dat ING dit terugdraait en dat zij wederom over hun kredietruimte kunnen beschikken. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.648 tekens)
RECHTBANK Amsterdam


Civiel recht, voorzieningenrechter



Zaaknummer: C/13/793327 / KG ZA 26-788 NB/MV




Vonnis in kort geding van 8 september 2026




in de zaak van





1 [eiser 1] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,2. [eiser 2] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,3. [eiser 3] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,4. [eiser 4] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,5. [eiser 5] B.V.,
te [vestigingsplaats] , 6. [eiser 6] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partijen bij dagvaarding van 4 september 2026,
advocaten: mr. F.D. Crul en mr. S. Zonneveld,



tegen




ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
advocaten: mr. K.B.G. Durlinger en mr. O. Salah.






1De procedure


1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 8 september 2026 hebben eiseressen de dagvaarding toegelicht. Gedaagde, hierna ING, heeft verweer gevoerd.Beide partijen hebben een pleitnota in het geding gebracht. Eiseressen hebben producties in het geding gebracht.



1.2.

Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van eiseressen: [naam 1] (bestuurder) met mrs. Crul en Zonneveld;
aan de zijde van ING: [naam 2] en [naam 3] met mrs. Durlinger en Salah.




1.3.
In verband met de spoedeisendheid is op 8 september 2026 een zogenoemd ‘kopstaartvonnis’ gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de uitwerking die op 17 september 2026 aan partijen is afgegeven.







2De feiten


2.1.
Eiseressen zijn actief in de mode-industrie en hebben in totaal ongeveer 180 werknemers in dienst.



2.2.
Op 22 december 2023 hebben eiseressen met ING een kredietovereenkomst gesloten die bestaat uit 3 onderdelen: (1) een lening van € 12.500.000 (de Term Loan), (2) een rekening-courant krediet van € 2.000.000 (de RC-faciliteit), en (3) een bankgarantiefaciliteit van € 1.250.000. Tot zekerheid van terugbetaling hebben eiseressen aan ING pandrechten verschaft op onder meer aandelen in het kapitaal van de groepsvennootschappen, voorraden, vorderingen op debiteuren en intellectuele eigendomsrechten.



2.3.
Op 31 augustus 2026 hebben eiseressen startverklaringen als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw gedeponeerd bij deze rechtbank. Eveneens op 31 augustus 2026 hebben eiseressen bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot onmiddellijke afkondiging van een afkoelingsperiode op grond van artikel 376 lid 1 Fw.



2.4.

In het hiervoor genoemde verzoekschrift staat onder meer het volgende: - (in 1.1) eiseressen verzoeken de rechtbank jegens ING een afkoelingsperiode te gelasten van tenminste twee maanden; - (in 1.2) ING is niet bereid mee te werken aan een vrijwillige opschorting van de aflossingsverplichtingen van eiseressen op 1 september 2026 (€ 1.250.000) en 1 oktober 2026 (€ 625.000 plus circa € 140.000 aan rente); - (in 1.5) er is sprake van een liquiditeitstekort waardoor eiseressen op de korte en middellange termijn niet in staat zijn om aan hun verplichtingen te voldoen; daarmee is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw; - (in 3.11) als gevolg van de door ING te incasseren aflossingen zou de vordering van ING onder de RC-faciliteit toenemen met eerst € 1.250.000 en vervolgens met € 625.000 (tot ver voorbij de limiet van € 2.000.000); betalingen door derden op de bankrekeningen van eiseressen die daarop volgen, zullen worden verrekend door ING tot het moment dat de RC-faciliteit weer onder de kredietlimiet van € 2.000.000 zakt; hiermee neemt ING verhaal op het vermogen van eiseressen, hetgeen ertoe leidt dat zij met onmiddellijke ingang niet meer in staat is om betalingen te verrichten; - (in 3.15) de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van eiseressen zijn gediend bij de verzochte afkoelingsperiode; eiseressen zullen in de eerste maand van de afkoelingsperiode in staat zijn om hun lopende verplichtingen te voldoen; eiseressen zijn momenteel in overleg met hun aandeelhouders over het verstrekken van een overbruggingsfinanciering voor de periode vanaf 1 oktober 2026; - (in 3.16) de onderneming is levensvatbaar; - (in 3.18) door de afkoelingsperiode wordt ING niet (wezenlijk) in haar belangen geschaad;- (in 3.19) de verhaalspositie van ING zal niet verslechteren; onder meer omdat (in 3.20) de vorderingen van ING zijn gesecureerd; - (in 3.22) de aflossing van de Term Loan komt ten laste van de RC-faciliteit; per saldo blijft de schuld aan ING dus gelijk; - (in 3.25) de verzochte afkoeling beperkt zich wat betreft ING tot het nemen van verhaal
door ING voor haar vorderingen uit hoofde van de Term Loan; concreet betekent dit dat ING gedurende de afkoelingsperiode niet gerechtigd is tot het incasseren van haar vorderingen uit hoofde van de Term Loan, door middel van (automatische) afschrijving van de bij haar aangehouden bankrekeningen of door middel van het nemen van verhaal op goederen die tot het vermogen van eiseressen behoren of door middel van opeising van goederen die zich in de macht van eiseressen bevinden.




2.5.
In het petitum van het verzoekschrift wordt onder meer verzocht ten aanzien van ING een afkoelingsperiode af te kondigen, die inhoudt dat: “ING gedurende de afkoelingsperiode niet gerechtigd is tot het incasseren van haar vorderingen (bestaande uit aflossingen en rente) uit hoofde van de Term Loan, door middel van (automatische) afschrijving van de bij haar aangehouden bankrekeningen of door middel van het nemen van verhaal op goederen die tot het vermogen van [eiseressen] behoren of door middel van opeising van goederen die zich in de macht van [eiseressen] bevinden of op welke andere wijze dan ook (waaronder uitdrukkelijk begrepen door het indienen van een faillissementsverzoek op grond van art. 1 Fw), waarbij voor het overige het rekeningenstelsel c.q. de RC-Faciliteit gedurende de afkoelingsperiode ongewijzigd in stand blijft, wat met zich brengt dat ING gerechtigd blijft om de op die rekeningen binnenkomende en uitgaande bedragen te verrekenen zoals zij daar nu al toe gerechtigd is(…).”



2.6.
Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift hadden eiseressen ongeveer € 1.600.000 opgenomen onder de RC-faciliteit, zodat nog ongeveer € 400.000 aan kredietruimte beschikbaar was.



2.7.
De advocaat van eiseressen heeft het verzoekschrift op 31 augustus 2026 om 9.42 uur per e-mail naar ING verzonden.



2.8.
Op 1 september 2026 om 17.56 uur is ING overgegaan tot incasso van haar vordering door afschrijving van € 1.344.425,14 ten laste van de rekening-courantfaciliteit van eiseressen. Het betreft een aflossing van € 1.250.000 te vermeerderen met € 94.425,14 aan rente. Hierdoor is de kredietruimte van eiseressen met ongeveer € 900.000 overschreden.



2.9.

Op 1 september 2026 heeft deze rechtbank een beschikking gewezen op het onder 2.3 vermelde verzoekschrift. Eiseressen ontvingen die beschikking per e-mail van de rechtbank van 1 september 2026 om 18.06 uur. Het dictum van die beschikking luidt als volgt: “- kondigt bij wijze van tijdelijke voorziening per heden een afkoelingsperiode af zoals bedoeld in artikel 376 Fw voor de periode totdat bij eindbeslissing op het verzoek is beslist, ingaande op 31 augustus 2026, die inhoudt dat

o elke bevoegdheid van ING en de Ontvanger tot verhaal op goederen die tot het vermogen van verzoeksters behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van verzoeksters bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits ING en de Ontvanger geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden;



- bepaalt dat de behandeling van het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode zal plaatsvinden ter zitting van de rechtbank Amsterdam op donderdag 10 september om 13:30 uur;


- houdt iedere verdere beslissing aan.”



2.10.

Onder 2.2 van de beschikking staat onder meer het volgende: Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat sprake is van (spoedeisend) belang

bij een afkoelingsperiode omdat ING voornemens is haar vorderingen uit hoofde


van een Term Loan te incasseren. Op 1 september 2026 zal ING zich verhalen door


middel van (automatische) afschrijvingen van de bij haar aangehouden


bankrekeningen voor een bedrag van € 1,25 miljoen en per 1 oktober 2026 voor


een bedrag van € 625.000 ofwel door opeising van goederen in het vermogen van


verzoeksters.





2.11.

Onder 3.6 van de beschikking staat het volgende: Gelet op de gestelde spoedeisendheid zal, bij wijze van tussenbeslissing, een

afkoelingsperiode, zoals in het dictum omschreven, voorlopig worden verleend.
2.12. De beschikking is bij e-mail van 1 september 2026 om 18.24 uur naar ING verzonden. Hierbij heeft de advocaat van eiseressen verzocht het geïncasseerde bedrag (zie 2.8) terug te storten.




2.13.

Bij e-mail van 2 september 2026 hebben eiseressen de rechtbank verzocht om te verklaren dat de afkoelingsperiode jegens ING werkt vanaf 31 augustus 2026, aangezien ING toen al bekend was met het feit dat een akkoord werd aangeboden en dat ING zo spoedig mogelijk het geïncasseerde bedrag aan eiseressen ter beschikking moet stellen. Als reactie hierop heeft ING aan de rechtbank en aan de advocaat van eiseressen als volgt bericht: Zoals reeds bevestigd in onze email aan de advocaten van [eiseressen] is het voor ING operationeel gezien niet mogelijk om de aflossing terug te boeken binnen een paar dagen. [eiseressen] en haar adviseurs zijn hiervan terdege op de hoogte uit hoofde van eerdere terugboekingen (op verzoek van [eiseressen]), omstreeks 3 oktober 2025 dus reeds geruime tijd voor het indienen van het verzoekschrift tot afkondiging van een afkoelingsperiode. Doordat [eiseressen] nu op het laatste moment een afkoelingsperiode verzoekt en die

afkoelingsperiode ná de aflossing werd afgekondigd (de aflossing vond plaats op 1 september 2026 om 17:56 uur, de beschikking werd (zo ziet ING nu voor het eerst) om 18:06 uur gewezen en [eiseressen] informeerde ING over de afkoelingsperiode om 18:25 uur), heeft zij zelf het risico aanvaard dat die afkoelingsperiode niet tijdig zou zijn afgekondigd en dit dient dan ook wat ING betreft voor haar rekening en risico te komen.


Wij hebben ons in onze email aan de advocaten van [eiseressen] – anders dan zij ten onrechte stellen, zoals u kunt lezen – niet op het standpunt gesteld “dat het voor [ING] onduidelijk is of zij gehouden is om vanwege de afkoelingsperiode over te gaan tot terugboeking van de aflossing en, zo ja, in welke mate”. Wij hebben aangegeven dat wij ING daarover met de gepaste spoed adviseren.

ING heeft de aflossing geïncasseerd door het boeken van de aflossing ten laste van de rekening-courant (vóórdat de afkoelingsperiode was afgekondigd en ING daarover was geïnformeerd).


De voorlopige afkoelingsperiode houdt, blijkens de beschikking d.d. 1 september 2026, in dat “elke bevoegdheid van ING en de Ontvanger tot verhaal op goederen die tot het vermogen van verzoeksters behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van verzoeksters bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits ING en de Ontvanger geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden”.


In ieder geval geldt de boeking van de aflossing ten laste van het rekening-courantkrediet niet als de uitoefening van een ‘bevoegdheid tot verhaal’. Immers, het betreffende rekening-courantkrediet vertoonde – dat heeft [eiseressen] in haar verzoekschrift nagelaten te vermelden – ten tijde van de aflossing een (zeer significante) debetstand. Met andere woorden, de rekening stond diep in het rood (zij het nog juist binnen de kredietlimiet) en staat nu roder (buiten de kredietlimiet). ING heeft zich dus niet verhaald op vermogen van [eiseressen], zij heeft slechts haar vordering onder de rekening-courant faciliteit verhoogd, dat kwalificeert niet als verhaal, maar slechts als het anders boekhoudkundig boeken van de vordering, en valt daarmee niet binnen het bereik van de voorlopige afkoelingsperiode. Zo bezien stond de afgekondigde voorlopige afkoelingsperiode dus hoe dan ook niet aan de aflossing in de weg.

Het bericht van [eiseressen] aan uw griffie dat ING reeds bekend was met het verzoekschrift dat op 31 augustus 2026 zou zijn gedeeld is geheel irrelevant. De bekendheid met een verzoekschrift betekent niet dat een schuldeiser zich reeds dient te gedragen als ware een afkoelingsperiode afgekondigd, nog daargelaten dat het sterk de vraag is of het bereik van een afkoelingsperiode de bevoegdheden van ING hier thans raakt.


Daar staat tegenover dat [eiseressen] sinds jaar en dag bekend is met de aflossingstermijnen in haar leningsdocumentatie en desalniettemin tot het laatste moment heeft gewacht met het indienen van het verzoekschrift tot afkondiging van een afkoelingsperiode (en thans de indruk wekt dat dat door gedrag van ING is gedreven, hetgeen wij ter zitting onderbouwd zullen betwisten).


Mocht de rechtbank, ondanks het voorgaande, bepalen dat ING gehouden is de aflossing terug te boeken, dan zal ING daaraan zo spoedig als mogelijk gehoor geven. Dat doet zij in dat geval – zonder daarmee af te doen aan haar eerbied voor de rechtbank – onder protest en onder voorbehoud van al haar rechten en weren. Ook merkt ING daarbij op dat een tijdlijn van vier uur praktisch niet uitvoerbaar is, hetgeen reeds bekend is bij [eiseressen] zoals hiervoor vermeld. Dat zou echter niet inhouden dat het beperkte ongebruikte


gedeelte van het rekening-courantkrediet weer beschikbaar wordt.





2.14.
Bij e-mail van 3 september 2026 heeft de rechtbank gereageerd op het onder 2.13 genoemde verzoek van eiseressen. Die reactie houdt – kort gezegd – in dat hier sprake is van een geschil over de uitleg dan wel executie van de beschikking van 1 september 2026 en dat hier voor de rechtbank geen rol is weggelegd. Indien eiseressen op dit punt een rechterlijke uitspraak willen, dan dienen zij zich tot de civiele (voorzieningen)rechter te wenden, aldus de reactie van de rechtbank van 3 september 2026.





3Het geschil


3.1.

Eiseressen vorderen het volgende:
i. ING te gebieden het op 1 september 2026 door ING van de rekening geïncasseerde
bedrag binnen 4 uur na het wijzen van dit vonnis terug te storten c.q. beschikbaar te
maken, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag of dagdeel dat zij niet
of niet volledig aan dit vonnis heeft voldaan;
ii. ING te gebieden haar verplichting uit hoofde van de RC-Faciliteit na te komen, althans ING te gebieden te staken met de blokkering van de kredietruimte onder de RC-faciliteit, op straffe van een dwangsom van €100.000 per dag of dagdeel dat zij niet of niet
volledig aan dit vonnis heeft voldaan; en
iii. ING te veroordelen in de proceskosten.



3.2.
Eiseressen stellen hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende. Doel en strekking van de beschikking van 1 september 2026 was het tegenhouden van de aflossing van € 1.250.000 op de Term Loan. Desalniettemin heeft ING – en dus in strijd met die beschikking – dit bedrag geïncasseerd en weigert zij dit terug te draaien. ING was vóór het wijzen van de beschikking bekend met het indienen van het verzoekschrift. ING is er bij e-mail van de advocaat van eiseressen van 28 augustus 2026 om 12.52 uur op gewezen dat het verzoek zou worden ingediend èn ING heeft bij e-mail van 31 augustus 2026 om 9.42 uur een kopie van het verzoekschrift ontvangen (zie 2.7). Bij e-mail van 1 september 2026 om 17.50 uur heeft de advocaat van eiseressen de rechtbank (met ING in de CC) er nogmaals op gewezen dat het afkoelingsverzoek is ingediend en dat het ING dus niet is toegestaan het bedrag dat op 1 september 2026 op de Term Loan moest worden afgelost te incasseren. Omdat ING dit bedrag toch heeft geïncasseerd is de kredietlimiet overschreden. Dit houdt in dat alle uitgaande betalingen worden geblokkeerd en dat alle binnenkomende betalingen worden verrekend totdat de limiet van de RC-faciliteit niet langer is overschreden. ING neemt aldus – in weerwil van de beschikking – verhaal op die binnenkomende betalingen. Als gevolg van dit alles kan aan bezoekers van de winkels van eiseressen geen geld worden uitbetaald bij het retourneren van kleding. Dit leidt tot agressie jegens het winkelpersoneel en tot reputatieschade. Kleding die online is besteld en wordt geretourneerd kan evenmin met de klant worden afgerekend, waardoor die klanten worden gedupeerd. Eiseressen kunnen geen reclame op social media meer inkopen, waardoor de online omzet fors terugloopt. Bedrijven die de leveringen uitvoeren van de online bestelde kleding zullen hun activiteiten staken. Al met al komt het erop neer dat het handelen van ING de continuïteit van de onderneming van eiseressen in acuut gevaar brengt. Dit zal leiden tot een faillissement (en verlies van werkgelegenheid), terwijl de rechtbank met het afkondigen van de afkoelingsperiode juist heeft beoogd om dit te voorkomen. De belangen waarop ING zich beroept zijn zeer beperkt.



3.3.
Eiseressen baseren hun vorderingen op de volgende grondslag. Een afkoelingsperiode kan met terugwerkende kracht worden afgekondigd. Verwezen wordt naar een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 11 maart 2026. Uit die beschikking volgt tevens dat – in een geval zoals het onderhavige – aan de rechtbank kan worden verzocht om een voorziening te treffen die de acties van de schuldeiser ongedaan maakt. Hier geldt dat ING op de hoogte was van het indienen van het verzoek en zij diende dus rekening te houden met de rechtsgevolgen van een eventuele toewijzing met terugwerkende kracht. Van ING kon worden verwacht dat zij de gevraagde afkoelingsperiode reeds zou respecteren in afwachting van het oordeel van de rechtbank. Door dit niet te doen handelt zij in strijd met hetgeen van haar als redelijk handelend schuldeiser mocht worden verwacht. In de gegeven omstandigheden maakt zij misbruik van bevoegdheid door de kredietruimte onder de RC-faciliteit te blokkeren.



3.4.
ING heeft verweer gevoerd, waarop hierna, voor zover van belang, nader wordt ingegaan.








4De beoordeling


4.1.
De vorderingen van eiseressen zijn in dit kort geding alleen toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vorderingen eveneens zal toewijzen en indien hierbij een spoedeisend belang bestaat.



4.2.

Artikel 376 lid 2 onder a Fw luidt als volgt: Tijdens de afkoelingsperiode, die geldt voor een termijn van ten hoogste vier maanden:

a. kan elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van de schuldenaar behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van de schuldenaar bevinden niet worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat er een akkoord wordt voorbereid;





4.3.
Gezien het door ING gevoerde verweer is onvoldoende aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat aan de in deze bepaling gestelde voorwaarden is voldaan.



4.4.
Allereerst geldt dat een afkoelingsperiode pas werking heeft jegens derden “mits die derden zijn geïnformeerd over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat er een akkoord wordt voorbereid.” Op het moment van het incasseren van de aflossing (met rente) op de Term Loan, te weten op 1 september 2026 om 17.56 uur, was ING niet geïnformeerd over de afkoelingsperiode, die immers pas op die dag om 18.06 uur (voorlopig) is afgekondigd en waarvan ING pas later (diezelfde dag om 18.24 uur) in kennis werd gesteld. Dat ING op de hoogte was van het feit dat er een akkoord werd voorbereid is maar zeer de vraag. ING was er weliswaar sinds 28 augustus 2026 van op de hoogte dat een verzoek zou worden ingediend, maar zij is in dat stadium enkel verzocht de aflossing per 1 september 2026 vrijwillig op te schorten, bij gebreke waarvan haar is medegedeeld dat een verzoek om een afkoelingsperiode zou worden ingediend. Het hiermee ‘dreigen’ kan voorshands niet worden aangemerkt als het treffen van (concrete) voorbereidingen voor een WHOA-akkoord, laat staan dat ING hiervan op de hoogte was. Dat de afkoelingsperiode in de beschikking is afgekondigd “ingaande op 31 augustus 2026” maakt het voorgaande niet anders. Van ING kan niet worden verwacht dat zij zich vooruitlopend op een eventuele beschikking over een afkoelingsperiode dient te gedragen alsof die afkoelingsperiode reeds (met terugwerkende kracht) is afgekondigd. Dat het de rechtbank vrijstond een afkoelingsperiode met terugwerkende kracht af te kondigen kan niet zonder meer worden afgeleid uit de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarop eiseressen zich hebben beroepen. Daar ging het immers om de verlenging van een reeds eerder afgekondigde afkoelingsperiode. In dit geval gaat het om het voor de eerste keer verlenen van een afkoelingsperiode.



4.5.
Als tweede is het gezien het verweer van ING nog maar de vraag of in dit geval sprake is van “verhaal op goederen die tot het vermogen van de schuldenaar behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van de schuldenaar bevinden” als bedoeld in artikel 376 lid 2 onder a Fw. Het incasseren van de aflossing op de Term Loan is geschied ten laste van de RC-faciliteit, waardoor eiseressen per saldo nog evenveel verschuldigd zijn aan ING als vóór het incasseren van de aflossing. Voorshands kwalificeert dit niet als ‘verhaal’. Bovendien is het de vraag of ING überhaupt verhaal kan nemen op kredietruimte onder een RC-faciliteit. Weliswaar is de stelling verdedigbaar dat de rechtbank met het afkondigen van de afkoelingsperiode heeft beoogd de aflossing op de Term Loan tegen te houden (dit kan worden afgeleid uit r.o 2.2 en 3.6 van de beschikking), maar de rechtbank heeft dit niet (expliciet) op die wijze in het dictum van de beschikking opgenomen. Bij het formuleren van het dictum heeft de rechtbank juist aansluiting gezocht bij de tekst van artikel 376 lid 2 onder a Fw.


4.6.
Verder heeft ING voorshands terecht aangevoerd dat de afkoelingsperiode er niet toe kan leiden dat ING verplicht kan worden gesteld eiseressen verder te financieren dan wel aan hen een nieuw krediet te verschaffen. ING heeft in dat verband terecht verwezen naar het arrest van de Hoge Raad in de IHC-zaak van 25 oktober 2024. ING heeft aan het verder financieren – voorshands terecht – de voorwaarde verbonden dat eiseressen in dat geval zekerheid zouden moeten verschaffen (in de vorm van een bankgarantie). Op de mondelinge behandeling van dit kort geding is namens eiseressen verklaard dat daartoe op dit moment geen mogelijkheid bestaat en dat het stellen van een bankgarantie tijd kost. Bovendien is namens eiseressen verklaard dat ING reeds beschikt over zekerheid van ongeveer € 3.500.000 in de vorm van pandrechten. ING heeft hier onweersproken tegenin gebracht dat de totale schuld van eiseressen bij ING een veelvoud bedraagt van dit bedrag (ongeveer € 11.000.000). Dit alles maakt dat ook een belangenafweging in het voordeel van ING uitvalt.



4.7.
Al met al is de conclusie dat ING door het niet terugstorten van het op 1 september 2026 geïncasseerde bedrag en door het blokkeren van de RC-faciliteit niet in strijd handelt met hetgeen van haar als redelijk handelend schuldeiser mocht worden verwacht. Evenmin wordt voorshands aangenomen dat zij hierdoor misbruik van bevoegdheid maakt. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.



4.8.
Eiseressen zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:









- griffierecht


€


735,00







- salaris advocaat


€


1.177,00







- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.101,00











4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.







5De beslissing


De voorzieningenrechter



5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,



5.2.
veroordeelt eiseressen hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als eiseressen niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,


5.3.
veroordeelt eiseressen hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.










Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.

















Coll: BB
















































ECLI:NL:RBMNE:2026:4031


ECLI:NL:HR:2024:1533