Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:3426

2026-06-18 Strafrecht 16/214435-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-06-18
Publicatiedatum
2026-06-17
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
16/214435-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrijspraak artikel 6 WVW94 wegens afwezigheid van schuld in de zin van genoemd artikel, veroordeling artikel 5 WVW94. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overtreden van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte heeft op de snelweg met een hogere snelheid gereden dan toegestaan en was afgeleid door een brandende auto welke deels op een rijstrook en deels op de vluchtstrook stond. Hierdoor heeft de verdachte onvoldoende aandacht gehad voor het voor hem rijdende verkeer. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg en het hinderen van het verkeer op die weg. De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf van 60 uren op en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.845 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht



Parketnummer: 16/214435-25
Tegenspraak





Vonnis van de meervoudige kamer van 18 juni 2026 in de strafzaak van:






[verdachte] ,

geboren op [2003] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:

[adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).




1Zitting


De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 28 mei 2026. Het onderzoek is gesloten op 18 juni 2026.



Op de zitting waren aanwezig:



de verdachte;


de officier van justitie: mr. L.E. van Zijl;


de advocaat van de verdachte: mr. P. Lootsma (hierna: de advocaat);


mevrouw [nabestaande] , nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer] ;


de advocaat van de nabestaande: mr. J. Faber.





2Tenlastelegging


De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:




primair

op 9 november 2024 te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden, als bestuurder van een motorrijtuig zich op de Rijksweg A27 zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door met een hogere snelheid dan de toegestane snelheid te rijden, te kijken naar een autobrand en daardoor onvoldoende aandacht te hebben voor het voor hem rijdende verkeer waardoor hij tegen een personenauto is gebotst, waardoor [slachtoffer] werd gedood;




subsidiair

op 9 november 2024 te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden op de hiervoor beschreven manier gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.



De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.




3Bewijs


3.1.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd.



De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.




3.2.


Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde feit.



De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.



Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.




3.3.

Oordeel van de rechtbank



3.3.1.


Inleiding

De rechtbank staat voor de vraag of uit de bewijsmiddelen volgt dat het rijgedrag van de verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) of van gevaarzettend rijgedrag als bedoeld in artikel 5 WVW.



Allereerst dient de toedracht van het ongeval te worden vastgesteld. Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.



Op de avond van 9 november 2024 hebben twee ongelukken plaatsgevonden op de Rijksweg A27 bij het knooppunt Everdingen (Vianen). De verdachte was bij het tweede ongeluk betrokken. Door het eerste ongeval stond een auto deels op de vluchtstrook en deels op de rijstrook in brand. Een ander voertuig stond in tegengestelde richting tegen de midden vangrail. De verdachte en het slachtoffer reden enkele minuten na het eerste ongeval langs deze plek. Er golden op de plek van het eerste ongeval op dat moment nog geen tijdelijke maatregelen om deze plek te beveiligen: er lagen veel brokstukken op de weg en de matrixborden waren nog niet aan. De maximaal toegestane snelheid was 100 km/uur. De auto van het slachtoffer reed met een snelheid van 42 km/uur. Uit de verkeersanalyse is gebleken dat de auto van de verdachte eerst met een snelheid van 132 km/uur reed en dat die snelheid in de vijf seconden voor de botsing terugliep naar 121 km/uur. De auto van de verdachte is vervolgens met deze snelheid met de voorzijde op de achterzijde van de auto van het slachtoffer gebotst. De auto van het slachtoffer is gaan spinnen en tegen de vangrail tot stilstand gekomen. Uit het schouwverslag is gebleken dat het slachtoffer [slachtoffer] door deze aanrijding ernstig hersenletsel heeft opgelopen en aan de gevolgen hiervan is overleden. Uit het onderzoek van de politie is gebleken dat de verdachte niet onder invloed van alcohol of verdovende middelen was. De verdachte heeft zowel bij de politie als op de zitting verklaard dat hij afgeleid was door de brandende auto.




3.3.2.


Vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit

De rechtbank oordeelt dat het primair tenlastegelegde feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.



De verdachte wordt er primair van beschuldigd dat hij artikel 6 WVW heeft overtreden, doordat hij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor het slachtoffer is overleden. Om deze schuld te bewijzen, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht.



De schuld heeft geen betrekking op de relatie tussen het gedrag en de gevolgen bij één of meer slachtoffers. Dat betekent dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het handelen kan worden vastgesteld dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Hoe tragisch de gevolgen in dit geval ook zijn geweest.



De rechtbank constateert dat de verdachte op de Rijksweg A27 te hard heeft gereden, te weten harder dan de toegestane maximumsnelheid van 100 km/uur. De rechtbank heeft echter geen informatie over wat er zou zijn gebeurd wanneer de verdachte zich wèl had gehouden aan deze maximumsnelheid. Er was sprake van een chaotische verkeerssituatie. Er lagen brokstukken op de weg, er stond een auto deels op de vluchtstrook en deels op de weg in brand en een andere auto in tegengestelde richting op de snelweg en er waren nog geen verkeersmaatregelen genomen. Daar komt bij dat de auto van het slachtoffer met een zeer lage snelheid van 42 km/uur op de snelweg reed. Onder deze bijzondere omstandigheden valt niet uit te sluiten dat, ook als verdachte zich wel aan de ter plaatste geldende maximumsnelheid had gehouden, er nog steeds een ongeval met ernstige gevolgen had plaatsgevonden.



De rechtbank is daarom van oordeel dat het gedrag van verdachte de drempel van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijden niet haalt. Het gedurende korte tijd onder de hiervoor omschreven omstandigheden afgeleid zijn door de brandende auto en daardoor een verkeerssituatie missen is een verkeersfout, maar levert geen schuld op in de zin van artikel 6 WVW. De verdachte heeft verder een verkeersfout gemaakt door te hard te rijden, maar deze verkeersfout levert in de omstandigheden van dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen schuld op in de zin van artikel 6 WVW, zodat de verdachte van het primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.




3.3.3.


Bewijsmiddelen ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit

De rechtbank oordeelt dat het subsidiair tenlastegelegde feit is bewezen. Door of namens de verdachte is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:


- de verklaring van de verdachte op de zitting van 28 mei 2026;
- een proces-verbaal van Forensisch Onderzoek Verkeer, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op 6 juli 2025;
- een proces-verbaal van Forensisch voertuigenonderzoek, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] op 31 december 2024.



3.3.4.


Bewijsoverwegingen artikel 5 WVW

Zoals hiervoor toegelicht, heeft de verdachte op de Rijksweg A27 gereden met een hogere snelheid dan toegestaan en was hij afgeleid door de brandende auto, waardoor hij onvoldoende aandacht heeft gehad voor het voor hem rijdende verkeer. Dat was gevaarlijk, ook vanwege de onoverzichtelijke verkeerssituatie die ontstaan was door het eerdere ongeluk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg en het hinderen van het verkeer op die weg.





3.4.


Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:




op 9 november 2024 te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden, als

bestuurder van een voertuig een personenauto van het merk Volkswagen type

T-Roc, daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A27,

- aldaar heeft gereden met een hogere snelheid dan de toegestane snelheid van 100

kilometer per uur en

- vervolgens tijdens het rijden heeft gekeken naar een autobrand en

- daardoor onvoldoende aandacht heeft gehad voor het voor hem rijdende

verkeer en

- daarbij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn

motorrijtuig tijdig af te remmen tot een op dat moment voor het verkeer

noodzakelijke snelheid en zijn motorrijtuig tot stilstand te kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

en het verkeer op die weg werd gehinderd.




De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.



De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.





4Kwalificatie en strafbaarheid


4.1.


Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:




overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994





4.2.


Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.





5Straf


5.1.


Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:



een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;


een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 1 jaar, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.





5.2.


Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het primaire dan wel het subsidiaire feit, verzoekt de advocaat de straf te matigen omdat er sprake is van een menselijke fout met ernstige gevolgen. Indien de rechtbank overweegt een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, verzoekt de advocaat om deze geheel voorwaardelijk op te leggen. De verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden en zijn studie.




5.3.


Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf van 60 uren op en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.



Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.




Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft gevaar op de weg veroorzaakt en het verkeer op die weg gehinderd door te snel te rijden en onvoldoende aandacht te hebben voor de verkeerssituatie ter plaatse. De verdachte was afgeleid doordat er deels op de vluchtstrook en deels op de weg een auto in brand stond en is vervolgens met een andere auto in een botsing gekomen. Door dit verkeersongeval is het slachtoffer komen te overlijden. De pleegmoeder van het slachtoffer heeft tijdens het spreekrecht op indrukwekkende wijze uitgelegd wat de impact van zijn overlijden is voor vrienden en familie.



Uit het gesprek op de zitting blijkt dat de verdachte erg ontdaan is van de gebeurtenis. Hij heeft zijn spijt betuigd aan de nabestaanden van het slachtoffer. De rechtbank houdt hier bij het opleggen van de straf rekening mee.




Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie (strafblad) van de verdachte van 14 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder een snelheidsovertreding heeft begaan.




Strafkader

Voor het veroorzaken van gevaar op de weg en het hinderen van het verkeer zoals bedoeld in artikel 5 WVW ontbreekt een oriëntatiepunt voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank heeft daarom gekeken naar straffen die in andere, vergelijkbare zaken worden opgelegd. Hieruit volgt dat voor dit feit uiteenlopende straffen worden opgelegd, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.



De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat in dit geval een geheel onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden is. De rechtbank ziet echter aanleiding voor een lagere taakstraf dan door de officier van justitie is geëist. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie.



De rechtbank zal daarnaast aan de verdachte een geheel voorwaardelijke rijontzegging opleggen. De rechtbank weegt hierbij mee dat het voor de verdachte noodzakelijk is om voor zijn werk en studie de beschikking te hebben over een geldig rijbewijs. Met deze voorwaardelijke straf heeft de verdachte een forse stok achter de deur om niet opnieuw in de fout te gaan. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen rijontzegging voldoende recht doet aan de ernst van het gepleegde feit.





6Toegepaste wetsartikelen


De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:



artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;


artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.





7De beslissing


De rechtbank:




vrijspraak


- verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;



bewezenverklaring




verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;


verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;





strafbaarheid feit


- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;



strafbaarheid verdachte


- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;



straf




veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uren;


beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis;



ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden;



bepaalt dat de ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;


als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;


stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.


Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Michon, voorzitter, mr. L.L. Veendrick en mr. S.E. Garvelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.




Bijlage I: De tenlastelegging




Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:



hij op of omstreeks 9 november 2024 te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmederijdende over de weg, de Rijksweg A27, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijnschuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk gevalzeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- aldaar heeft gereden met een hogere snelheid dan de toegestane snelheid van 100kilometer per uur en/of- (vervolgens) tijdens het rijden heeft gekeken naar een autobrand en/of- (daardoor) onvoldoende aandacht heeft gehad voor de/het voor hem rijdendeauto en/of verkeer en/of de verkeerssituatie en/of- (daarbij) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijnmotorrijtuig tijdig af te remmen tot een op dat moment voor het verkeernoodzakelijke snelheid en/of tot stilstand te kunnen brengen binnen de afstandwaarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,ten gevolge waarvan hij tegen een motorrijtuig (een personenauto van het merkVolkswagen type Golf) is gebotst waardoor voornoemde personenauto is gaanslingeren en/of spinnen en/of waardoor de bestuurder van de personenautoVolkswagen type Golf de macht over het stuur is verloren en/of die personenauto(vervolgens) tot stilstand is gekomen tegen de vangrailwaardoor een ander genaamd [slachtoffer] werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:



hij op of omstreeks 9 november 2024 te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden alsbestuurder van een voertuig een personenauto van het merk Volkswagen typeT-Roc, daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A27,- aldaar heeft gereden met een hogere snelheid dan de toegestane snelheid van 100kilometer per uur en/of- (vervolgens) tijdens het rijden heeft gekeken naar een autobrand en/of- (daardoor) onvoldoende aandacht heeft gehad voor de/het voor hem rijdendeauto en/of verkeer en/of de verkeerssituatie en/of- (daarbij) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijnmotorrijtuig tijdig af te remmen tot een op dat moment voor het verkeernoodzakelijke snelheid en/of tot stilstand te kunnen brengen binnen de afstandwaarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd.




Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024357284, doorgenummerd pagina 1 tot en met 134. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.



Pagina 13 e.v.


Pagina 59 e.v.