Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:3339

2026-06-10 Bestuursrecht; Belastingrecht UTR 25/1251
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-06-10
Publicatiedatum
2026-06-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 25/1251
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. Geen recente machtiging. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.339 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 25 / 1251

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen


[gemachtigde] , veronderstellenderwijs handelend namens,


[eiser] , uit [plaats] , eiser


en


de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
(gemachtigde: P.K. Dinkla)




Procesverloop


1.1

In de beschikking van 6 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning), voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op
€ 199.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2021.




1.2
Tegen deze beschikking is bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 14 februari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de verlaagd tot een waarde van € 166.000,-.



1.3
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ) beroep ingesteld.


1.4
Het beroep is behandeld op de zitting van 10 juni 2026. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting. [gemachtigde] heeft zich voor de zitting afgemeld.



1.5
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.





Overwegingen

2. Het beroep is ingesteld door [gemachtigde] .

3. De rechtbank heeft per brief van 3 juni 2026 [gemachtigde] verzocht uiterlijk op
8 juni 2026 een recente schriftelijke machtiging en een kopie legitimatie van de volmachtgever aan de rechtbank toe te sturen. De reden voor dit verzoek is dat de machtiging die eerder is overlegd door [gemachtigde] dateert van 8 november 2022 én is afgegeven voorafgaand aan de hiervoor genoemde WOZ-beschikking.

4. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026 waarin algemene overwegingen over vertegenwoordigingsbevoegdheid in het bestuursprocesrecht zijn opgenomen. De bestuursrechter kan van een gemachtigde een recente schriftelijke machtiging verlangen. Om te kunnen beoordelen of een schriftelijke machtiging is ondertekend door de rechtzoekende op wiens naam zij is gesteld, en dus kan dienen als bewijs van volmacht, mag de bestuursrechter binnen een door hem te stellen redelijke termijn om legitimatie van deze persoon vragen. De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging en/of legitimatie van de volmachtgever vraagt.

5. [gemachtigde] heeft niet op het verzoek van de rechtbank gereageerd. In de brief van de rechtbank is nadrukkelijk vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, indien niet aan het verzoek wordt voldaan.

6. De heffingsambtenaar heeft vervolgens schriftelijk laten weten dat [eiser] (hierna: [eiser] ) inmiddels was overleden. De rechtbank heeft daarna aan de hand van de Basisregistratie Personen (BRP), vastgesteld dat [eiser] al op 21 juni 2023 is overleden. Door dit overlijden van de volmachtgever heeft zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 BW voorgedaan, waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gestelde gemachtigde namens [eiser] is geëindigd. De gestelde gemachtigde heeft vervolgens tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld namens [eiser] , wetende dat deze inmiddels was overleden. Dat is niet meer mogelijk, omdat [eiser] sinds de datum van overlijden geen rechtshandelingen meer kon verrichten en evenmin konden dergelijke handelingen namens hem worden verricht.

7. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit de uitspraak op bezwaar van
14 februari 2023 blijkt dat de proceskostenvergoeding in bezwaar is overgemaakt naar een rekeningnummer t.n.v. de erven van [eiser] . De gestelde gemachtigde had dus al voor het instellen van beroep op de hoogte kunnen zijn van het overlijden van [eiser] . Uit het beroepschrift blijkt verder niet dat [gemachtigde] gemachtigd is om namens eventuele erfgenamen van [eiser] beroep in te stellen.

8. Het voorgaande betekent dat bij gebreke aan een geldige machtiging voor het instellen van beroep, het beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

10. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.








Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026 door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556, r.o. 4.2 e.v.