Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:1647
2026-04-07
Civiel recht
C/16/607917 / KG ZA 26-108
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
artikel 3:29 BW; waardeloosverklaring inschrijving hypotheekrecht; gesecureerde vordering afgelost; hypotheekhouder inmiddels ontbonden vennootschap;
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2460 Rechtbank Den Haag 09-02-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5861 Rechtbank Midden-Nederland 10-10-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2024:575 Rechtbank Limburg 06-02-2024
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBNHO:2026:5032 Rechtbank Noord-Holland 06-05-2026
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.969 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/607917 / KG ZA 26-108
Vonnis in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
te [plaats 1] ,2. [eiseres sub 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers of [eisers] . en afzonderlijk: [eiser sub 1] en
[eiseres sub 2] ,
advocaat: mr. H.R. Hart te Amersfoort,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1De procedure
1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 10 maart 2026 met producties 1 tot en met 7.
1.2
Op de mondelinge behandeling van 26 maart 2026 zijn via beeldverbinding verschenen: [eiser sub 1] , [eiseres sub 2] en mr. Hart. [gedaagde] is een ontbonden vennootschap en niet verschenen. De dagvaarding is betekend aan de laatst ingeschreven bestuurders [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , tevens bewaarders van de administratie van [gedaagde] . Eisers en hun advocaat hebben de zaak verder toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat heden vonnis wordt gewezen.
2De kern van de zaak
2.1
[eisers] . vorderen dat de voorzieningenrechter de inschrijving van een hypotheekrecht van [gedaagde] op hun woning (hierna: de woning en het hypotheekrecht) waardeloos verklaart als bedoeld in artikel 3:29 BW. Dat had [gedaagde] eigenlijk moeten doen, maar die bestaat inmiddels niet meer. De voorzieningenrechter wijst de vordering toe, omdat voldoende aannemelijk is dat het hypotheekrecht niet meer bestaat omdat de schuld waarvoor het was gevestigd in 2018 door voldoening teniet is gegaan. Dit oordeel wordt hierna verder toegelicht.
3Verdere achtergrond van het geschil
3.1
[gedaagde] is in 1982 opgericht en per 31 juli 2023 geliquideerd en ontbonden. Het was in alle opzichten de persoonlijke vennootschap van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Zij waren de oprichters, zijn steeds de enige aandeelhouders geweest, de enige bestuurders en de vereffenaars en zij zijn op dit moment de bewaarders van boeken en bescheiden.
3.2
[eisers] . hebben [gedaagde] in 1982 om fiscale redenen opgericht. Kort gezegd wilde [eiser sub 1] , die werkzaam was voor de overheid, een deel van zijn loon opzij zetten voor later. Op advies van zijn broer deed hij dat vanaf 1982 door jaarlijks voor aanzienlijke bedragen (vanaf NLG 15.000,- per jaar) lijfrentepolissen af te sluiten bij [gedaagde] , die hij speciaal daarvoor had opgericht.
3.3
In 1988 heeft [eisers] . de woning aangekocht. De koopprijs van de woning is toen onder meer gefinancierd met een door [gedaagde] verstrekte geldlening van NLG 204.000,-, tegen een rente van 6,9% per jaar, annuïtair af te lossen in 360 maanden (hierna: de lening). Tot zekerheid van de lening (en al hetgeen [eisers] . op grond van de lening aan [gedaagde] schuldig is of zal worden) heeft [eisers] . aan [gedaagde] het hypotheekrecht verstrekt.
3.4
Volgens [eisers] . heeft hij in de daaropvolgende 30 jaar de annuïtaire maandtermijnen voldaan en was de lening in 2018 volledig afgelost. Als bestuurder van [gedaagde] hadden [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat toen eenvoudig in de openbare registers kunnen laten registreren. Helaas is dat toen per abuis nagelaten en ook bij de ontbinding per 31 juli 2023 is er niet aan gedacht.
4De beoordeling
Formele punten
[gedaagde] bestaat niet meer maar [eisers] . is wel ontvankelijk
4.1
[eisers] . heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] per 31 juli 2023 is geliquideerd en ontbonden en dat er dat moment geen baten waren. Dat blijkt onder meer uit de liquidatiebalans in de overgelegde jaarstukken over 2023. Op grond van het bepaalde in artikel 2:19 lid 4 BW houdt de vennootschap daarmee ook meteen op te bestaan.
4.2
Dit betekent dat [eisers] . een vennootschap heeft gedagvaard die niet meer bestaat. Dat kan niet. Een rechtspersoon die niet meer bestaat, kan ook geen partij meer zijn in een procedure. [eisers] . is echter wel aan te merken als onmiddellijk belanghebbende in de zin van artikel 3:29 lid 1 BW. Als een ingeschreven hypotheekrecht niet meer bestaat, moet de hypotheekhouder schriftelijk verklaren dat die inschrijving waardeloos is. Artikel 3:29 BW lid 1 bepaalt dat als hij dat niet doet, de rechter in een vonnis de waardeloosheid van de inschrijving uitspreekt. Als er voldoende haast bij is, kan dat kan ook in kort geding. Dat geldt ook in de onderhavige situatie, waarin [gedaagde] de waardeloosverklaring niet zelf kan afgeven, omdat zij niet meer bestaat.
4.3
Er is ook een andere route, namelijk heropening van de vereffening vragen op grond van artikel 2:23c BW omdat is gebleken van een bate. In de parlementaire geschiedenis van artikel 3:274 BW is echter overwogen dat die route na de invoering van artikel 3:29 BW meer hoeft te worden gevolgd. Daaruit is af te leiden dat het de bedoeling van de wetgever is dat een onmiddellijk belanghebbende die op grond van 3:29 BW waardeloosverklaring vordert, ontvankelijk is, ook als de gedaagde partij een ontbonden en niet meer bestaande rechtspersoon is. Artikel 2:23c BW kan bovendien alleen analoog worden toegepast, omdat een waardeloze inschrijving strikt genomen geen bate is. Er is recente rechtspraak waarin die analoge toepassing is geweigerd en verzoeker is doorverwezen naar de route van artikel 3:29 BW.
Geen verstek
4.4
Een niet-bestaande rechtspersoon als [gedaagde] kan niet worden gedagvaard. Daarom wordt aan [gedaagde] geen verstek verleend.
Het gaat om een spoedeisende zaak
4.5
[eisers] . heeft de woning op 2 februari 2026 verkocht en heeft zich verplicht om deze uiterlijk 1 juni 2026 vrij van hypotheken te leveren. Hij heeft dus een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen.
Voldoende kans dat de bodemrechter [eisers] . in het gelijk stelt
4.6
De voorzieningenrechter moet beoordelen of de kans dat de bodemrechter [eisers] . in het gelijk stelt zodanig is, dat het gerechtvaardigd is om nu al, vooruitlopend op die beslissing, de gevraagde voorzieningen toe te wijzen.
Voldoende aannemelijk dat de hypothecaire lening is afgelost
4.7
[eisers] . heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de lening is afbetaald. Dat blijkt ten eerste uit de aangiftes inkomstenbelasting van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] over de jaren 2021 tot en met 2024. Daarin staat geen hypothecaire schuld aan [gedaagde] vermeld. Er is in die jaren ook geen gebruik gemaakt van hypotheekrenteaftrek. Ten tweede blijkt de afbetaling van de lening uit de jaarrekening van [gedaagde] over 2023, die is opgesteld in het kader van de liquidatie en ontbinding. In de slotbalans per 31 juli 2023 staan geen vorderingen meer op [eisers] ., hypothecair of anderszins.
4.8
Uit die jaarstukken blijkt ook dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] per 31 december 2022 de enige schuldeisers van [gedaagde] waren, met twee vorderingen: een (geringe) rekening-courantvordering en een substantiële vordering op grond van de lijfrenteverplichtingen (circa € 75.000). Die laatste vordering is bij de ontbinding uitbetaald. Daarmee is ook voldoende aannemelijk dat er met betrekking tot [gedaagde] en de lening geen andere belanghebbenden zijn dan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] .
4.9
Omdat de lening in 2018 door voldoening teniet is gegaan, geldt dat ook voor het daaraan verbonden hypotheekrecht. Daarmee is het voldoende aannemelijk dat de inschrijving van het hypotheekrecht inderdaad waardeloos is. De waardeloosverklaring zal dan ook worden toegewezen.
Kracht van gewijsde
4.10
Artikel 3:29 lid 4 BW bepaalt dat de verklaring van waardeloosheid in dit vonnis, niet eerder worden ingeschreven dan nadat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Dit vonnis gaat pas in kracht van gewijsde als er geen gewoon rechtsmiddel meer open staat. De hoger beroepstermijn voor dit vonnis bedraagt vier weken. Een manier om dit vonnis onmiddellijk in kracht van gewijsde te laten gaan, is dat degenen die een gewoon rechtsmiddel zouden kunnen aanwenden, afzien van hun recht om dat te doen en berusten in dit vonnis. Zoals overwogen onder 4.8 zijn er geen andere belanghebbenden bij [gedaagde] en de lening dan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Zij hebben zowel in de dagvaarding als bij de mondelinge behandeling aangegeven (bij toewijzing van het verzoek tot waardeloosverklaring) af te zien van hoger beroep. Dat betekent dat er geen rechtsmiddel tegen dit vonnis open staat, zodat het vonnis heden ook in kracht van gewijsde gaat.
Partijen dragen ieder de eigen proceskosten
4.11
[eisers] . wordt weliswaar in het gelijk gesteld, maar een niet bestaande entiteit als [gedaagde] kan niet in de proceskosten worden veroordeeld. De voorzieningenrechter compenseert daarom de proceskosten, wat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
verklaart de inschrijving van het hypotheekrecht op de woning waardeloos als bedoeld in artikel 3:29 BW,
5.2
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3
stelt vast dat er geen andere belanghebbenden zijn bij [gedaagde] of de lening van [gedaagde] aan [eisers] . zijn dan [eisers] . en dat [eisers] . heeft aangegeven dat hij in het vonnis berust, zodat het vonnis per vandaag in kracht van gewijsde gaat,
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
JO/4972
Dit hypotheekrecht is door [eisers] . op 2 december 1988 verstrekt aan [gedaagde] en is op 5 december 1988 in de openbare registers ingeschreven onder het nummer [nummer] .
Met de woning wordt bedoeld: de onroerende zaak gelegen aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] , met kadastraal kenmerk Gemeente [gemeente] sectie [letter] nummer [nummer] .
Die verplichting volgt uit het eerste artikel 3:274 BW.
Dat in het vierde lid van artikel 3:274 BW op deze situatie van toepassing is.
Zie bijvoorbeeld: Rechtbank Den Haag 9 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2460, r.o. 4.3 en Rechtbank Midden-Nederland 10 oktober 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5861, r.o. 4.2.
Waarin de verplichting is opgenomen voor de hypotheekhouder om te verklaren dat de hypotheek is vervallen als de schuld is teniet gegaan, zie hiervoor noot 3.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Aanpassing BW 1991, p. 215.
Zie bijvoorbeeld: Rechtbank Limburg 6 februari 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:575.
Zie: artikel 334 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/607917 / KG ZA 26-108
Vonnis in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
te [plaats 1] ,2. [eiseres sub 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers of [eisers] . en afzonderlijk: [eiser sub 1] en
[eiseres sub 2] ,
advocaat: mr. H.R. Hart te Amersfoort,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1De procedure
1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 10 maart 2026 met producties 1 tot en met 7.
1.2
Op de mondelinge behandeling van 26 maart 2026 zijn via beeldverbinding verschenen: [eiser sub 1] , [eiseres sub 2] en mr. Hart. [gedaagde] is een ontbonden vennootschap en niet verschenen. De dagvaarding is betekend aan de laatst ingeschreven bestuurders [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , tevens bewaarders van de administratie van [gedaagde] . Eisers en hun advocaat hebben de zaak verder toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat heden vonnis wordt gewezen.
2De kern van de zaak
2.1
[eisers] . vorderen dat de voorzieningenrechter de inschrijving van een hypotheekrecht van [gedaagde] op hun woning (hierna: de woning en het hypotheekrecht) waardeloos verklaart als bedoeld in artikel 3:29 BW. Dat had [gedaagde] eigenlijk moeten doen, maar die bestaat inmiddels niet meer. De voorzieningenrechter wijst de vordering toe, omdat voldoende aannemelijk is dat het hypotheekrecht niet meer bestaat omdat de schuld waarvoor het was gevestigd in 2018 door voldoening teniet is gegaan. Dit oordeel wordt hierna verder toegelicht.
3Verdere achtergrond van het geschil
3.1
[gedaagde] is in 1982 opgericht en per 31 juli 2023 geliquideerd en ontbonden. Het was in alle opzichten de persoonlijke vennootschap van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Zij waren de oprichters, zijn steeds de enige aandeelhouders geweest, de enige bestuurders en de vereffenaars en zij zijn op dit moment de bewaarders van boeken en bescheiden.
3.2
[eisers] . hebben [gedaagde] in 1982 om fiscale redenen opgericht. Kort gezegd wilde [eiser sub 1] , die werkzaam was voor de overheid, een deel van zijn loon opzij zetten voor later. Op advies van zijn broer deed hij dat vanaf 1982 door jaarlijks voor aanzienlijke bedragen (vanaf NLG 15.000,- per jaar) lijfrentepolissen af te sluiten bij [gedaagde] , die hij speciaal daarvoor had opgericht.
3.3
In 1988 heeft [eisers] . de woning aangekocht. De koopprijs van de woning is toen onder meer gefinancierd met een door [gedaagde] verstrekte geldlening van NLG 204.000,-, tegen een rente van 6,9% per jaar, annuïtair af te lossen in 360 maanden (hierna: de lening). Tot zekerheid van de lening (en al hetgeen [eisers] . op grond van de lening aan [gedaagde] schuldig is of zal worden) heeft [eisers] . aan [gedaagde] het hypotheekrecht verstrekt.
3.4
Volgens [eisers] . heeft hij in de daaropvolgende 30 jaar de annuïtaire maandtermijnen voldaan en was de lening in 2018 volledig afgelost. Als bestuurder van [gedaagde] hadden [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat toen eenvoudig in de openbare registers kunnen laten registreren. Helaas is dat toen per abuis nagelaten en ook bij de ontbinding per 31 juli 2023 is er niet aan gedacht.
4De beoordeling
Formele punten
[gedaagde] bestaat niet meer maar [eisers] . is wel ontvankelijk
4.1
[eisers] . heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] per 31 juli 2023 is geliquideerd en ontbonden en dat er dat moment geen baten waren. Dat blijkt onder meer uit de liquidatiebalans in de overgelegde jaarstukken over 2023. Op grond van het bepaalde in artikel 2:19 lid 4 BW houdt de vennootschap daarmee ook meteen op te bestaan.
4.2
Dit betekent dat [eisers] . een vennootschap heeft gedagvaard die niet meer bestaat. Dat kan niet. Een rechtspersoon die niet meer bestaat, kan ook geen partij meer zijn in een procedure. [eisers] . is echter wel aan te merken als onmiddellijk belanghebbende in de zin van artikel 3:29 lid 1 BW. Als een ingeschreven hypotheekrecht niet meer bestaat, moet de hypotheekhouder schriftelijk verklaren dat die inschrijving waardeloos is. Artikel 3:29 BW lid 1 bepaalt dat als hij dat niet doet, de rechter in een vonnis de waardeloosheid van de inschrijving uitspreekt. Als er voldoende haast bij is, kan dat kan ook in kort geding. Dat geldt ook in de onderhavige situatie, waarin [gedaagde] de waardeloosverklaring niet zelf kan afgeven, omdat zij niet meer bestaat.
4.3
Er is ook een andere route, namelijk heropening van de vereffening vragen op grond van artikel 2:23c BW omdat is gebleken van een bate. In de parlementaire geschiedenis van artikel 3:274 BW is echter overwogen dat die route na de invoering van artikel 3:29 BW meer hoeft te worden gevolgd. Daaruit is af te leiden dat het de bedoeling van de wetgever is dat een onmiddellijk belanghebbende die op grond van 3:29 BW waardeloosverklaring vordert, ontvankelijk is, ook als de gedaagde partij een ontbonden en niet meer bestaande rechtspersoon is. Artikel 2:23c BW kan bovendien alleen analoog worden toegepast, omdat een waardeloze inschrijving strikt genomen geen bate is. Er is recente rechtspraak waarin die analoge toepassing is geweigerd en verzoeker is doorverwezen naar de route van artikel 3:29 BW.
Geen verstek
4.4
Een niet-bestaande rechtspersoon als [gedaagde] kan niet worden gedagvaard. Daarom wordt aan [gedaagde] geen verstek verleend.
Het gaat om een spoedeisende zaak
4.5
[eisers] . heeft de woning op 2 februari 2026 verkocht en heeft zich verplicht om deze uiterlijk 1 juni 2026 vrij van hypotheken te leveren. Hij heeft dus een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen.
Voldoende kans dat de bodemrechter [eisers] . in het gelijk stelt
4.6
De voorzieningenrechter moet beoordelen of de kans dat de bodemrechter [eisers] . in het gelijk stelt zodanig is, dat het gerechtvaardigd is om nu al, vooruitlopend op die beslissing, de gevraagde voorzieningen toe te wijzen.
Voldoende aannemelijk dat de hypothecaire lening is afgelost
4.7
[eisers] . heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de lening is afbetaald. Dat blijkt ten eerste uit de aangiftes inkomstenbelasting van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] over de jaren 2021 tot en met 2024. Daarin staat geen hypothecaire schuld aan [gedaagde] vermeld. Er is in die jaren ook geen gebruik gemaakt van hypotheekrenteaftrek. Ten tweede blijkt de afbetaling van de lening uit de jaarrekening van [gedaagde] over 2023, die is opgesteld in het kader van de liquidatie en ontbinding. In de slotbalans per 31 juli 2023 staan geen vorderingen meer op [eisers] ., hypothecair of anderszins.
4.8
Uit die jaarstukken blijkt ook dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] per 31 december 2022 de enige schuldeisers van [gedaagde] waren, met twee vorderingen: een (geringe) rekening-courantvordering en een substantiële vordering op grond van de lijfrenteverplichtingen (circa € 75.000). Die laatste vordering is bij de ontbinding uitbetaald. Daarmee is ook voldoende aannemelijk dat er met betrekking tot [gedaagde] en de lening geen andere belanghebbenden zijn dan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] .
4.9
Omdat de lening in 2018 door voldoening teniet is gegaan, geldt dat ook voor het daaraan verbonden hypotheekrecht. Daarmee is het voldoende aannemelijk dat de inschrijving van het hypotheekrecht inderdaad waardeloos is. De waardeloosverklaring zal dan ook worden toegewezen.
Kracht van gewijsde
4.10
Artikel 3:29 lid 4 BW bepaalt dat de verklaring van waardeloosheid in dit vonnis, niet eerder worden ingeschreven dan nadat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Dit vonnis gaat pas in kracht van gewijsde als er geen gewoon rechtsmiddel meer open staat. De hoger beroepstermijn voor dit vonnis bedraagt vier weken. Een manier om dit vonnis onmiddellijk in kracht van gewijsde te laten gaan, is dat degenen die een gewoon rechtsmiddel zouden kunnen aanwenden, afzien van hun recht om dat te doen en berusten in dit vonnis. Zoals overwogen onder 4.8 zijn er geen andere belanghebbenden bij [gedaagde] en de lening dan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Zij hebben zowel in de dagvaarding als bij de mondelinge behandeling aangegeven (bij toewijzing van het verzoek tot waardeloosverklaring) af te zien van hoger beroep. Dat betekent dat er geen rechtsmiddel tegen dit vonnis open staat, zodat het vonnis heden ook in kracht van gewijsde gaat.
Partijen dragen ieder de eigen proceskosten
4.11
[eisers] . wordt weliswaar in het gelijk gesteld, maar een niet bestaande entiteit als [gedaagde] kan niet in de proceskosten worden veroordeeld. De voorzieningenrechter compenseert daarom de proceskosten, wat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
verklaart de inschrijving van het hypotheekrecht op de woning waardeloos als bedoeld in artikel 3:29 BW,
5.2
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3
stelt vast dat er geen andere belanghebbenden zijn bij [gedaagde] of de lening van [gedaagde] aan [eisers] . zijn dan [eisers] . en dat [eisers] . heeft aangegeven dat hij in het vonnis berust, zodat het vonnis per vandaag in kracht van gewijsde gaat,
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
JO/4972
Dit hypotheekrecht is door [eisers] . op 2 december 1988 verstrekt aan [gedaagde] en is op 5 december 1988 in de openbare registers ingeschreven onder het nummer [nummer] .
Met de woning wordt bedoeld: de onroerende zaak gelegen aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] , met kadastraal kenmerk Gemeente [gemeente] sectie [letter] nummer [nummer] .
Die verplichting volgt uit het eerste artikel 3:274 BW.
Dat in het vierde lid van artikel 3:274 BW op deze situatie van toepassing is.
Zie bijvoorbeeld: Rechtbank Den Haag 9 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2460, r.o. 4.3 en Rechtbank Midden-Nederland 10 oktober 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5861, r.o. 4.2.
Waarin de verplichting is opgenomen voor de hypotheekhouder om te verklaren dat de hypotheek is vervallen als de schuld is teniet gegaan, zie hiervoor noot 3.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Aanpassing BW 1991, p. 215.
Zie bijvoorbeeld: Rechtbank Limburg 6 februari 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:575.
Zie: artikel 334 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.