Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:1617

2026-01-15 Strafrecht 16/161860-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-01-15
Publicatiedatum
2026-04-16
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
16/161860-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroorzaken verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. De verdachte is - onder invloed van twee keer de toegestane hoeveelheid cannabis - een kruising opgereden, terwijl zijn zicht op de volledige kruising werd beperkt door een vrachtwagen. De verdachte heeft daardoor het slachtoffer, die op zijn motor op de voorrangsweg reed, niet gezien. Medeschuld van het slachtoffer die te hard reed is niet van invloed op (onder andere) de causaliteit., maar wel op de straf. Straf: taakstraf 120 uur. OBM: 18 maanden waarvan 14 maanden voorwaardelijk.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (49.183 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht



Parketnummer: 16/161860-25
Tegenspraak




Vonnis van de meervoudige kamer van 15 januari 2026 in de strafzaak van:






[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).




1Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 11 december 2025. Het onderzoek is gesloten op 15 januari 2026.


Op de zitting waren aanwezig:



de verdachte;


de advocaat van de verdachte: mr. Z. Boufadiss (hierna: de advocaat);


de officier van justitie: mr. G. Alaghahi;


het slachtoffer: [slachtoffer] .





2Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:



feit 1


primair: op 10 december 2024 in Utrecht als bestuurder van een auto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt door een kruising te naderen en op te rijden terwijl hij onder invloed was van cannabis, zijn telefoon gebruikte en/of zijn aandacht op zijn telefoon had, onvoldoende aandacht voor het overige verkeer had, en geen voorrang verleende, waardoor hij in botsing is gekomen met een motorrijder en waardoor deze motorrijder, [slachtoffer] , (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen;




subsidiair: op 10 december 2024 in Utrecht op de hiervoor beschreven manier gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt;




feit 2: op 10 december 2024 in Utrecht een auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van THC (cannabis).



De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.






3Bewijs

3.1.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 primair en feit 2 van de beschuldiging heeft gepleegd.
Voor de mate van schuld van de verdachte aan het verkeersongeval (feit 1) gaat de officier van justitie uit van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Daarnaast vindt zij dat het letsel van het slachtoffer moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.



De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.



3.2.


Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1 primair en voert daartoe verschillende verweren. De verweren worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.



De advocaat voert geen verweer over het bewijs voor feit 1 subsidiair en feit 2 en refereert zich voor wat betreft een bewezenverklaring van deze feiten aan het oordeel van de rechtbank.



3.3.

Oordeel van de rechtbank


3.3.1.


Bewijsmiddelen feit 1 primair, en feit 2

De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair (het veroorzaken van een verkeersongeval door schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet (hierna: WVW)) en feit 2 (het rijden onder invloed van cannabis) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.



Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.



De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt en ingaan op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen.



3.3.2.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1




3.3.2.1. Vastgestelde feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en wat op zitting is besproken het volgende vast.



Op 10 december 2024 heeft er in Utrecht op de kruising van de [straat] met de [straat] een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een door de verdachte bestuurde bedrijfsauto en een motorrijder (het slachtoffer). Door deze botsing heeft het slachtoffer letsel opgelopen.



De kruising [straat] / [straat] betreft een T-kruispunt waar het verkeer op de [straat] voorrang heeft. De verdachte naderde de kruising over de [straat] en het slachtoffer naderde de kruising over de [straat] (de voorrangsweg). Vanuit de rijrichting van de verdachte werd door middel van een verkeersbord (bord B6: verleen voorrang) en haaientanden kenbaar gemaakt dat hij voorrang moest verlenen aan het verkeer op de [straat] en dus aan het slachtoffer. De rijbaan waarover het slachtoffer reed was voor het kruispunt verdeeld in drie rijstroken. De rechterrijstrook was een uitrijstrook voor verkeer naar de [straat] .
Nadat de verdachte was gestopt voor een fietspad met haaientanden, is hij niet opnieuw tot stilstand gekomen bij de tweede reeks haaientanden maar is hij in een versnellende beweging (accelererend) de kruising opgereden. Hierbij heeft hij geen voorrang verleend aan het slachtoffer die op datzelfde moment over de voorrangsweg van links kwam en heeft de aanrijding plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer.
Ten tijde van het ongeval reed op de voorrangsweg een vrachtwagen over de rechterrijstrook om rechtsaf te slaan richting de [straat] . Die vrachtwagen belemmerde het zicht van de verdachte.



Uit onderzoek aan het bloed dat bij de verdachte na het ongeval is afgenomen is gebleken dat sprake was van een THC-gehalte van 6,0 microgram per liter bloed. Dit is twee keer de toegestane hoeveelheid, aangezien de grenswaarde bij enkelvoudig gebruik van THC (cannabis) ligt bij 3,0 microgram per liter bloed.



Daarnaast is uit forensisch voertuigonderzoek aan de motor van het slachtoffer gebleken dat het slachtoffer vlak voor het ongeval met een snelheid van 93 kilometer per uur reed (daar waar maximaal 50 kilometer per uur was toegestaan).




3.3.2.2. Geen gebruik van de telefoon

Aan de verdachte is de gedraging ten laste gelegd dat hij een mobiele telefoon gebruikte en/of zijn aandacht op een mobiele telefoon had, waardoor hij zijn aandacht niet/onvoldoende op het overige verkeer had. De verdachte ontkent dat hij tijdens het rijden een telefoon heeft gebruikt of daar zijn aandacht op had.



Twee telefoons van de verdachte (een iPhone en een Samsung) zijn onderzocht. Uit het onderzoek aan de iPhone volgt dat een paar minuten voor het ongeval de iPhone werd ontgrendeld en ongeveer een minuut voor het ongeval weer was vergrendeld. Vanaf dat moment zijn er geen gebruikersinteracties met de iPhone geregistreerd. Op basis van het enkele gegeven dat de telefoon een paar minuten voor het ongeval ontgrendeld is geweest, kan niet vastgesteld worden dat de verdachte vlak voor of tijdens het ongeval daardoor zijn aandacht niet volledig/onvoldoende op het overige verkeer had.



Uit het onderzoek aan de Samsung-telefoon volgt dat tot ongeveer een minuut voor het ongeval een activiteit van de applicatie Snapchat is geregistreerd. Op basis van de uitgelezen telefoongegevens kan niet vastgesteld worden of deze activiteit het gevolg is geweest van een actieve handeling door de verdachte, dan wel van automatische achtergrondprocessen van de telefoon en ook kan niet worden bewezen dat de verdachte zijn aandacht daarop had.
Voor zover er al sprake zou zijn van dergelijke actieve handelingen, kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte hierdoor zijn aandacht onvoldoende op het overige verkeer had en deze handelingen dus hebben bijgedragen aan het ongeval.



De rechtbank zal de verdachte daarom gedeeltelijk vrijspreken van deze ten laste gelegde gedragingen en zal deze gedragingen niet meewegen in haar verdere beoordeling over de hierna te bespreken (mate van) schuld van de verdachte.





3.3.2.3. Schuld in de zin van artikel 6 WVW





Juridisch kader

De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden is of de verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft gehad aan het verkeersongeval, en zo ja in welke mate. Om van schuld in de zin van dit artikel te kunnen spreken moet tenminste sprake zijn van een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Bij de beoordeling van de (mate van) schuld moet volgens de rechtspraak van de Hoge Raad worden gekeken naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en naar de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare situatie. Dit toetsingskader brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld. Ook kan niet alleen uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.



Van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.



Daarnaast dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval.




Beoordeling

Bij de beoordeling van de (mate van) schuld die de verdachte aan het verkeersongeval heeft gehad, gaat de rechtbank uit van de in paragraaf 3.3.2.1 vastgestelde feiten en omstandigheden.



De verdachte heeft bij het oprijden van de kruising geen voorrang verleend aan het slachtoffer, op welke verplichting hij door dubbele haaientanden en een verkeersbord was gewezen. De verdachte heeft verklaard dat hij, terwijl hij zijn auto liet doorrollen, wel heeft gekeken of de kruising vrij was maar de motorrijder niet heeft gezien. Het zicht van de verdachte op de voorrangsweg werd op dat moment echter deels belemmerd door een vrachtwagen die zich op de [straat] bevond en rechtsaf zou slaan. De verdachte heeft zowel bij de politie als op de zitting verklaard dat deze vrachtwagen ook daadwerkelijk zijn zicht belemmerde en hij daardoor niet de gehele weg kon overzien. Door de verdediging is daarnaast aangevoerd dat het zicht van de verdachte op de voorrangsweg nog verder werd beperkt door een passerende personenauto. Hoewel de verdediging deze zichtbeperkingen lijkt aan te halen als argument voor het verminderen dan wel opheffen van schuld bij de verdachte, merkt de rechtbank op dat een dergelijke belemmering van het zicht juist tot gevolg zou moeten hebben dat de verdachte zijn verkeersgedrag aan die omstandigheden aanpast. Ter plaatse is de voorrangsweg op de kruising verdeeld in drie rijstroken. De verdachte had zich moeten realiseren dat hij, gelet op de zichtbelemmering, onvoldoende overzicht had over het verkeer op de voorrangsweg en zich dus niet/onvoldoende ervan kon vergewissen dat de kruising vrij was en vrij zou blijven. In deze (verkeers)situatie mocht van de verdachte als verkeersdeelnemer verwacht worden dat hij zijn voertuig vóór de haaientanden tot stilstand zou brengen totdat de vrachtwagen het zicht niet meer belemmerde, zodat hij de kruisende weg kon overzien. De verdachte had het slachtoffer in dat geval wel kunnen waarnemen. De verdachte had de kruising pas moeten oversteken op het moment dat hij zeker wist dat de kruising vrij was van verkeer. In plaats daarvan heeft hij de haaientanden genegeerd en is hij in een versnellende beweging zonder te stoppen de kruising opgereden, waarna het ongeval heeft plaatsgevonden.



De verdachte had te allen tijde rekening moeten houden met de mogelijkheid van kruisend verkeer bij het oprijden van de kruising, des te meer omdat het een voorrangsweg betrof en zijn zicht werd belemmerd. Bovendien blijkt uit de camerabeelden dat voorafgaand aan het verkeersongeval veel verkeer op de voorrangsweg reed. De verdachte had dit kunnen en moeten zien. Dit alles heeft er echter niet toe geleid dat de verdachte zijn rijgedrag heeft aangepast.



Daar komt bij dat de verdachte op het moment van het ongeval onder invloed van het dubbele van de toegestane hoeveelheid cannabis verkeerde. De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat het rijden onder invloed los staat van de vraag of sprake is van (aanmerkelijke) schuld, omdat de THC-waarde geen bewijs is voor daadwerkelijke verminderde rijvaardigheid en er dus geen causaal verband is tussen het cannabisgebruik en het ongeval. Bij gewende gebruikers, zoals de verdachte, is tolerantie aanwezig, zo heeft de advocaat betoogd. De rechtbank verwerpt dit verweer. Anders dan de door de advocaat genoemde uitspraken waarbij sprake was van een geringe overschrijding van de toegestane grenswaarde THC, is de mate van overschrijding van de toegestane grenswaarde van THC in het geval van de verdachte twee keer hoger dan de toegestane hoeveelheid. De rechtbank kan op grond van de overige inhoud van het dossier niet exact vaststellen welke invloed de aangetroffen concentratie THC in het bloed van de verdachte precies heeft gehad op zijn rijgedrag, maar gaat er gelet op de forse overschrijding wel vanuit dat deze concentratie THC een negatieve invloed op het rijgedrag heeft gehad.




Kwalificatie van de gedragingen

Deze feiten en omstandigheden samen bezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte met het (hiervoor beschreven) verkeersgedrag tekortgeschoten is ten opzichte van het verkeersgedrag dat van een gemiddelde verkeersdeelnemer in deze situatie mag worden verwacht. De verdachte had anders kunnen en moeten handelen dan hij heeft gedaan. De rechtbank kwalificeert dit verkeersgedrag van de verdachte – evenals de officier van justitie – als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van zeer onvoorzichtig rijgedrag (ernstige schuld). Om vast te kunnen stellen dat daarvan sprake is, is namelijk meer nodig dan wat er in deze zaak bewezen kan worden. Zoals eerder overwogen, kan op basis van de stukken in het dossier niet vastgesteld worden dat de verdachte zijn telefoon heeft gebruikt waardoor hij werd afgeleid en ook is niet van andere verwijtbare verkeersgedragingen gebleken. De rechtbank zal de verdachte daarom gedeeltelijk vrijspreken van de zwaardere ten laste gelegde schuldgradatie van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.




Medeschuld/causaliteit

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW moet ook sprake zijn van een causaal verband tussen de gedragingen van de verdachte en het verkeersongeval. Daarbij gaat het om de vraag of het verkeersongeval redelijkerwijs als gevolg van de gedragingen aan de verdachte is toe te rekenen. Dat is het geval. De verdachte is, met een versnellende beweging, de kruising opgereden terwijl zijn zicht op de voorrangsweg werd belemmerd en hij zich er niet van had vergewist dat de kruising vrij was van verkeer. Doordat de verdachte vervolgens geen voorrang verleende aan het slachtoffer op de voorrangsweg, kwam het slachtoffer met de verdachte in botsing. Daarmee is het causaal verband vast komen te staan.



Dat, zoals de advocaat heeft aangevoerd, het slachtoffer ook een verkeersfout heeft begaan door met (zeer) hoge snelheid te rijden, doet aan het voorgaande niet af. In zijn algemeenheid geldt dat de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer de schuld van de verdachte niet opheft. Verkeersdeelnemers moeten altijd bedacht zijn op de mogelijkheid dat er iets onverwachts kan gebeuren, waaronder ook eventuele verkeersfouten van anderen. Onder zo een verkeersfout valt ook het harder rijden dan de toegestane maximumsnelheid op een voorrangsweg. Dat de verdachte volgens de advocaat de rijstrook al gepasseerd zou zijn als het slachtoffer zich wel aan de maximumsnelheid had gehouden, of dat het slachtoffer bij een iets langzamere snelheid de voorrangsfout van de verdachte had kunnen ondervangen door te remmen of uit te wijken, is daarom in dit geval niet relevant. Overigens blijkt in dit verband uit de door de politie verrichte vermijdbaarheidsberekening (zoals opgenomen in het proces-verbaal van de verkeersongevallenanalyse) dat de verdachte de rijstrook van de motorfiets ook nog niet (volledig) gepasseerd zou hebben als de bestuurder van de motorfiets zich aan de toegestane maximumsnelheid van 50 km/h had gehouden.
Medeschuld van een slachtoffer kan slechts in uitzonderlijke gevallen de verwijtbaarheid van de verdachte aantasten of in de weg staan aan de vereiste causaliteit tussen het verkeersgedrag van de verdachte en de aanrijding. Van zo een uitzonderlijk geval is in onderhavige zaak geen sprake.
Daarbij is in dit geval van belang dat de verdachte het slachtoffer in zijn geheel niet heeft gezien, doordat zijn zicht werd belemmerd door een vrachtwagen. Er was dus geen sprake van een situatie waarin de verdachte vrij zicht had over de voorrangskruising en hij door de hoge snelheid van het slachtoffer een inschattingsfout had gemaakt. Onder deze omstandigheden staat de omstandigheid dat het slachtoffer te hard reed niet aan de redelijke toerekening in de weg en doorbreekt de medeschuld het causaal verband niet. Dat de gevolgen mogelijk anders en minder verstrekkend zouden zijn geweest als het slachtoffer met een lagere snelheid had gereden, weegt de rechtbank wel mee bij de strafmaat.




Zwaar lichamelijk letsel

Bij de beoordeling of juridisch gezien sprake is van zwaar lichamelijk letsel zijn de ernst, de noodzaak en aard van (eventueel) medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel gezichtspunten die van belang zijn. Ook kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat volgens algemeen spraakgebruik zo kan worden genoemd.



Uit de medische informatie blijkt dat het slachtoffer bij het ongeval schaafwonden, een breuk in het rechtersleutelbeen, een hersenkneuzing, een gebroken neus, longletsel, een ribfractuur rechts, miltletsel, een bekkenfractuur en knieletsel heeft opgelopen en dat de genezingsduur op de datum van het ongeval onbekend was. Tijdens zijn verhoor op 30 januari 2025 verklaarde het slachtoffer dat het herstel van het letsel nog driekwart jaar zou duren en het onduidelijk is of het letsel volledig zal herstellen of dat sprake is van blijvend letsel/beperkingen. Dat is ook op de zitting door het slachtoffer bevestigd. Het letsel van het slachtoffer kan vanwege de aard van het letsel, het feit dat er nog geen uitzicht is op (volledig) herstel, maar ook naar algemeen spraakgebruik, worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.




Conclusie bewezenverklaring feit 1

Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen vindt dat de verdachte artikel 6 WVW heeft overtreden, dat hij aanmerkelijke schuld heeft aan het ontstaan van het verkeersongeval en dat het slachtoffer door zijn verkeersovertredingen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.




3.4.

Bewezenverklaring



De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:




Feit 1, primair


op 10 december 2024 te Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Opel Combo met kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de wegen [straat] en [straat] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

- de kruising van de [straat] en de [straat] , te naderen en op te rijden en

- (daarbij) onder invloed te zijn van cannabis en

- (daarbij) onvoldoende rekening te houden met de overige weggebruikers en

-- (daarbij) in strijd met artikel 62 jo. 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en artikel 62 jo. bord B6 (van bijlage 1) van voormeld Reglement haaientanden en een voorrangsbord te negeren en

- (daarbij) geen voorrang te verlenen aan aankomend verkeer en

- (daarbij) zich erniet tijdig en/of voldoende van te vergewissen en/of blijven vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van enig verkeer en

- (vervolgens) niet, uit te wijken voor een bestuurder die doende was de kruising over te rijden

waarna (vervolgens) verdachte en een motorrijder tegen elkaar zijn aangereden en/of aangebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten schaafwonden, en een breuk in het rechtersleutelbeen (clavicula), en een hersenkneuzing, en een gebroken neus, en longletsel, en een ribfractuur rechts, en miltletsel, en een bekkenfractuur, en knieletsel werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;



feit 2

op 10 december 2024 te Utrecht een voertuig, te weten een Opel Combo met het kenteken [kenteken] , heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 6,0 mg cannabis per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.



De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.



De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.





4Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.


Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:




De eendaadse samenloop van





feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid van deze wet;





en





feit 2:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.






4.2.


Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.





5Straf

5.1.


Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een taakstraf van 160 uur, te vervangen door 80 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 18 maanden, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.


5.2.


Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de geëiste straf te matigen en een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen. De advocaat voert daartoe aan dat de verdachte geen relevant strafblad heeft, heeft meegewerkt aan alle onderzoeken en zich vanaf het begin empathisch heeft opgesteld. Zo heeft de verdachte meermalen gevraagd naar de gezondheidstoestand van het slachtoffer, maar kreeg hij geen informatie vanwege privacyregels.
Daarnaast verzoekt de advocaat om rekening te houden met het feit dat de verdachte geen roekeloos of agressief rijgedrag heeft vertoond en het slachtoffer door zijn rijgedrag (met excessieve snelheid rijden) in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het ongeval en de ernst van zijn letsel.



Tot slot verzoekt de advocaat de rechtbank om te volstaan met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, vanwege het tijdsverloop, de samenloop van omstandigheden die tot het ongeluk hebben geleid en het feit dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zijn kinderen op te kunnen halen en weg te brengen.



5.3.


Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.




Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd

De verdachte heeft zich als bestuurder van een bedrijfsauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. De verdachte is – onder invloed van twee keer de toegestane hoeveelheid cannabis – een kruising opgereden terwijl zijn zicht op de volledige kruising werd beperkt door een vrachtwagen. De verdachte heeft daardoor het slachtoffer, die op zijn motor op de voorrangsweg reed, niet gezien en geen voorrang verleend, waardoor er een aanrijding ontstond. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.



Op de zitting heeft het slachtoffer een slachtofferverklaring voorgelezen. Daaruit blijkt dat het ongeluk veel impact op zijn leven heeft gehad en nog steeds heeft. Zo heeft hij onder meer verklaard dat hij niet alleen operaties heeft moeten ondergaan en nog moet ondergaan, maar dat hij als gevolg van het ongeval en zijn letsel ook toekomstplannen, zoals het werken voor defensie, (voorlopig) heeft moeten opgeven.




Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 8 juli 2025. Hieruit volgt dat de verdachte in 2021 is veroordeeld voor een verkeersovertreding, namelijk voor het rijden zonder rijbewijs. Ook volgt uit het strafblad dat de verdachte ongeveer twee maanden na het verkeersongeval op 20 februari 2025 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor het te hard rijden binnen de bebouwde kom op 12 februari 2025.



De rechtbank heeft op de zitting gezien dat het ongeval impact heeft gehad op de verdachte en indruk op hem heeft gemaakt. Zo was de verdachte zichtbaar aangedaan na het zien van de beelden van het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij een herbeleving kreeg en ter plaatse dacht dat het slachtoffer overleden was. Ook is gebleken dat de verdachte na het ongeval meerdere pogingen heeft ondernomen om in contact te komen met het slachtoffer en heeft hij verklaard dat hij zijn baan is kwijt geraakt als gevolg van het ongeval.




Strafkader

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke mate van schuld, waarbij de verdachte onder invloed van verdovende middelen verkeerde en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt een taakstraf van 160 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 18 maanden als uitgangspunt genomen.
Voor het rijden onder invloed van enkelvoudig gebruik van THC geldt als uitgangspunt een geldboete van € 450,-.



De rechtbank neemt deze oriëntatiepunten als uitgangspunt. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om in het voordeel van de verdachte in enige mate af te wijken van de oriëntatiepunten, gelet op de medeschuld van het slachtoffer. Uit het forensisch voertuigonderzoek is gebleken dat het slachtoffer zelf ook een forse verkeersovertreding heeft gemaakt door met een veel te hoge snelheid (93 kilometer per uur waar 50 kilometer per uur was toegestaan) te rijden op de kruising. Hiermee heeft het slachtoffer ook een eigen rol gehad bij het verkeersongeval en - waarschijnlijk - in de ernst van het letsel. Uit het dossier volgt dat de kans op ernstig letsel kleiner was geweest wanneer het slachtoffer een lagere snelheid zou hebben gereden.
Hoewel de aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van een slachtoffer niets afdoet aan de schuld van de verdachte aan het ongeval, zal de rechtbank daar wel in enige mate in strafverminderende zin rekening mee houden



Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf op voor de duur van 120 uur. Als de verdachte de taakstraf niet (goed) uitvoert, wordt de straf vervangen door 60 dagen hechtenis.
Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 18 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. Deze bijkomende straf wordt opgelegd met het doel om de verdachte (blijvend) te motiveren om voorzichtig en oplettend te zijn in het verkeer.



De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat zij – anders dan de officier van justitie – niet bewezen vindt dat de verdachte zijn telefoon heeft gebruikt en daarnaast rekening houdt met de medeschuld van het slachtoffer.





6In beslag genomen voorwerpen
In het dossier zit een beslaglijst, met daarop een telefoon die bij de verdachte in beslag is genomen. De officier van justitie en de verdachte hebben geen standpunt ingenomen ten aanzien van dit beslag.



Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal teruggave gelasten aan de verdachte van het de in beslag genomen telefoon, aangezien de telefoon niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. Uit het dossier blijkt niet dat de telefoon is gebruikt bij de bewezen verklaarde feiten.







6Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:


artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;


artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

































7De beslissing


De rechtbank:




bewezenverklaring


- verklaart bewezen dat de verdachte feit 1, primair, en feit 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;



strafbaarheid feit


- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;



strafbaarheid verdachte


- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;



straf


- veroordeelt verdachte voor feit 1 primair en feit 2 tot een taakstraf van 120 uur;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;



ontzegt verdachte ter zake van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden;


bepaalt dat van de ontzegging een gedeelte, namelijk 14 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;


als algemene voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;


stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast.




Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, voorzitter, mr. L.C. Michon en mr. M.H. Erich, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.



















Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:



1
hij op of omstreeks 10 december 2024 te Utrecht, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Opel Combo met kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg(en) [straat] en/of [straat] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- de kruising van de [straat] en de [straat] , althans een kruising, te naderen en/of op te rijden en/of- (daarbij) onder invloed te zijn van cannabis, althans van een of meer stoffen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen en/of- (daarbij) onvoldoende rekening te houden met de overige weggebruikers en/of- (daarbij) een mobiele telefoon te gebruiken en/of de aandacht te hebben op een mobiele telefoon waardoor zijn aandacht niet volledig, althans onvoldoende op het overige verkeer was en/of- (daarbij) in strijd met artikel 62 jo. 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of artikel 62 jo. bord B6 (van bijlage 1) van voormeld Reglement haaientanden en/of een voorrangsbord te negeren en/of- (daarbij) geen voorrang te verlenen aan aankomend verkeer en/of- (daarbij) zich er niet, althans niet tijdig en/of voldoende van te vergewissen en/of blijven vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van enig verkeer en/of- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor een bestuurder die doende was de kruising over te rijdenwaarna (vervolgens) verdachte en een motorrijder tegen elkaar zijn aangereden en/of aangebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) (zwaar) lichamelijk letsel, te weten schaafwonden, en/of een breuk in het rechtersleutelbeen (clavicula), en/of een hersenkneuzing, eb/of een gebroken neus, en/of longletsel, en/of een ribfractuur rechts, en/of miltletsel, en/of een bekkenfractuur, en/of knieletsel, en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 10 december 2024 te Utrecht als bestuurder van een voertuig (Opel Combo met het kenteken [kenteken] ) daarmee rijdende op de weg(en) [straat] en/of [straat] ,- de kruising van de [straat] en de [straat] , althans een kruising, naderde en/of opreed en/of- (daarbij) onder invloed was van cannabis, althans van een of meer stoffen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen en/of- (daarbij) onvoldoende rekening hield met de overige weggebruikers en/of- (daarbij) een mobiele telefoon gebruikte en/of de aandacht had op een mobiele telefoon waardoor zijn aandacht niet volledig, althans onvoldoende op het overige verkeer was en/of- (daarbij) ) in strijd met artikel 62 jo. 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of artikel 62 jo. bord B6 (van bijlage 1) van voormeld Reglement haaientanden en/of een voorrangsbord negeerde en/of- (daarbij) geen voorrang verleende aan aankomend verkeer en/of- (daarbij) zich er niet, althans niet tijdig en/of voldoende van vergewiste en/of bleef vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van enig verkeer en/of- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitweek voor een bestuurder die doende was de kruising over te rijden waarna (vervolgens) verdachte en een motorrijder (genaamd [slachtoffer] ) tegen elkaar zijn aangereden en/of aangebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;


2hij op of omstreeks 10 decemberr 2024 te Utrecht een voertuig, te weten een Opel Combo met het kenteken [kenteken] , heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn/haar bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 6,0mg cannabis per liter bloed bedroeg, zijndehoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;




























Bijlage II: Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 primair en feit 2






De verklaring van de verdachte op de zitting van 11 december 2025, voor zover inhoudende:

Op 10 december 2024 stopte ik bij de eerste haaientanden bij het fietspad. Toen reed ik het fietspad over en terwijl ik mijn auto door liet rollen keek ik links en rechts. Ik heb niks gezien op dat moment. Op het moment dat ik gas gaf, zag ik de motor komen en toen kon ik niet meer uitwijken. Voordat ik op mijn rem kon trappen, zat hij al tegen mijn auto aan.



Ik heb niet stilgestaan bij de tweede haaientanden.



Die vrachtwagen heeft mijn zicht geblokkeerd, waardoor ik die motor niet heb kunnen zien. Ik kon wel zien dat er naast de vrachtwagen nog twee rijbanen waren, maar ik kon niet ver daarachter kijken.



Ik had de avond voor het ongeval geblowd.




Een proces-verbaal van aanrijding misdrijf, voor zover inhoudende:

Locatie ongeval
Datum: 10 december 2024
Plaats: Utrecht
Adres: [straat] op de kruising met de [straat] .




[straat] is aangeduid als voorrangsweg middels bord B6 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 in combinatie met haaientanden (art. 62 jo art. 80 RVV 1990).



Betrokkene 1: [verdachte] , bestuurder van een bedrijfsauto, merk Opel, kenteken [kenteken] .
Betrokkene 2: [slachtoffer] , bestuurder van motor.



Bij het ongeval heeft [slachtoffer] letsel opgelopen.




Een proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, voor zover inhoudende:



1.4

beschrijving verkeersongeval
Op 10 december 2024 heeft er op het T-kruispunt gevormd door de [straat] en de [straat] te Utrecht een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een motorfiets en een bedrijfsauto betrokken waren. De bestuurder van de bedrijfsauto reed op de [straat] . De bestuurder van de motorfiets reed op de [straat] .
Op het moment dat de bestuurder van de bedrijfsauto de rijbaan van de motorfiets kruiste, reed de motorfiets tegen de bedrijfsauto.




2.1

Wegsituatie
De [straat] bestond uit twee rijbanen welke door een middenberm van elkaar werden gescheiden. De rijbaan waarover de motorfiets had gereden was voor het kruispunt verdeeld in drie rijstroken. De linker en de middelste rijstrook waren voor rechtdoorgaand verkeer. De rechter rijstrook was een uitrijstrook voor verkeer naar de [straat] .




2.2

Verkeersmaatregelen ter plaatse
De [straat] was middels borden conform model B1 van bijlage 1 van het RVV 1990 aangeduid als voorrangsweg.
Voor bestuurders die de [straat] over de [straat] naderden werd middels borden conform model B6 van bijlage 1 van het RVV 1990 en haaientanden op het wegdek als bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990 kenbaar gemaakt dat zij voorrang moesten verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.



3. Camerabeelden
De beelden worden beschreven.




De bedrijfsauto kwam voor een kruisend fietspad tot stilstand.






Ongeveer 3 seconden nadat de bedrijfsauto begon te rijden, naderde op de uitrijstrook van de [straat] een opleggertrekker met een oplegger.





De bedrijfsauto begon zichtbaar harder te accelereren. Op de linkerrijstrook van de [straat] naderde de motorfiets het T-kruispunt. Links van de bedrijfsauto passeerde een tegemoetkomende personenauto. De opleggertrekker met oplegger en de personenauto zouden het zicht van de bestuurder van de bedrijfsauto op de bestuurder van de motorfiets ontnomen kunnen hebben.




De bedrijfsauto reed zonder snelheid te minderen het kruisingsvlak op. Op basis van deze beelden zou de bestuurder van de bedrijfsauto zicht gehad kunnen hebben op de naderende motorfiets.





De aanrijding tussen de motorfiets en de bedrijfsauto vindt plaats.



Op basis van het onderzoek op de plaats van het verkeersongeval en het onderzoek naar de camerabeelden kon door ons het volgende gerelateerd worden:



Op 10 december 2024 heeft er op het T-kruispunt gevormd door de [straat] en de [straat] te Utrecht een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een motorfiets en een bedrijfsauto betrokken waren. De bestuurder van de bedrijfsauto stelde de bestuurder van de motorfiets niet in staat zijn weg ongehinderd te vervolgen (verleende de bestuurder van de motorfiets geen voorrang).




Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van 2 februari 2025, voor zover inhoudende:

Betreffende: [slachtoffer] .
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 10/12/2024.



Uitwendig waargenomen letsel:
- schaafwonden



Overig letsel:
- contusiehaard cerebraal (de rechtbank begrijpt: hersenkneuzing)
- neus # (de rechtbank begrijpt: een gebroken neus)
- longletsel
- rib # (r) (de rechtbank begrijpt: ribfractuur rechts)
- clavicula # (r) (de rechtbank begrijpt: een breuk in het rechter sleutelbeen)
- milt letsel
- bekken # (de rechtbank begrijpt: bekkenfractuur)
- knieletsel




Geschatte duur van de genezing: onbekend.




Een proces-verbaal van de verklaring van slachtoffer [slachtoffer] op 30 januari 2025, voor zover inhoudende:

O: Door het ongeval van 10 december 2024 bent u gewond geraakt.
V: Wat is het uitzicht op- en de duur van uw herstel?
A: Twee dagen geleden hoorde ik dat het herstel vanaf nu nog ongeveer driekwart jaar kan duren. Het is nog niet duidelijk of het 100% herstel wordt.
V: Is er sprake van blijvend letsel en/of blijvende beperkingen?
A: Dat is op dit moment nog niet bekend.




Een proces-verbaal van rijden onder invloed, voor zover inhoudende:

Verdachte: [verdachte] .



Op 10 december 2024 heeft de arts de verdachte bloed afgenomen conform Besluit
alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.



Tevens heb ik het opdrachtformulier Toxicologisch onderzoek voorzien van een
genummerde en op naam gestelde SIN-sticker "Analyse" met het nummer TACZ4198NL.




Een rapport ‘drugs in het verkeer’, voor zover inhoudende:

Te onderzoeken materiaal: SIN TACZ4199NL, bloed van [verdachte] .
Het bloed is afkomstig van het ontvangen bloedblok met SIN TACZ4198NL.



Tabel resultaten:











Aangewezen stof


Meetbare stof


Grenswaarde indien enkelvoudig gebruikt


Eindresultaat in bloed met TACZ4199NL


Rapportage eenheid




Cannabis


THC


3,0


6,0


Microgram per liter

















HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398



Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025014977, doorgenummerd pagina 1 tot en met 143. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Alle opgenomen bewijsmiddelen zijn zakelijk weergegeven.



Pagina 7.


Pagina 8.


Pagina 9.


Pagina 11.


Pagina 16.


Pagina 19.


Pagina 20.


Pagina 21.


Pagina 22.


Pagina 23.


Pagina 24.


Pagina 36.


Pagina 118.


Pagina 109.


Pagina 93.


Een geschrift, zijnde een rapport van Eurofins van 3 januari 2025, opgemaakt door [A] , pagina 2 (losbladig, opgenomen onder de naam “NFI-uitslag”).


Een geschrift, zijnde een rapport van Eurofins van 3 januari 2025, opgemaakt door [A] , pagina 3 (losbladig, opgenomen onder de naam “NFI-uitslag”).