Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:1182

2026-03-25 Civiel recht; Personen- en familierecht C/16/604207 / BE ZA 25-68
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-03-25
Publicatiedatum
2026-03-25
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/16/604207 / BE ZA 25-68
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | ERF-Updates.nl 2026-0256 | VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0256 | JERF Actueel 2026/129 | JERF 2026/97

Inhoudsindicatie

In het geding roepen van vereffenaar in de procedure.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.735 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Lelystad



Zaaknummer: C/16/604207 / BE ZA 25-68




Vonnis in incident van 25 maart 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verweerder in reconventie en in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.K. Groothoff-de Bruin,



tegen





1 [gedaagde sub1] ,

te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie en in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde sub1] ,
advocaat: mr. P.J. Hentenaar-Polderman,



en tegen





2 [gedaagde sub2] ,
te [plaats 1] ,
3. [gedaagde sub3],
te [plaats 3] ,
4. [gedaagde sub4],
te [plaats 4] ,
5. [gedaagde sub5],
te [plaats 5] ,
6. [gedaagde sub6],
te [plaats 1] ,
7. [gedaagde sub7],
te [plaats 1] ,
8. [gedaagde sub8],
te [plaats 6] ,
9. [gedaagde sub9],

te [plaats 7] ,
gedaagde partijen in conventie,
allen niet verschenen.






1Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding


de akte indiening producties 1 t/m 35 van [eiser]


de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, tevens eis in incident, van [gedaagde sub1] met producties 1 t/m 31


de antwoordakte in het incident.





1.2.
Daarna is bepaald dat er uitspraak wordt gedaan in het incident.






2De beoordeling
Het geschil in het incident

2.1.

[gedaagde sub1] heeft in het incident gevorderd de hierna te noemen vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster op grond van artikel 118 Rv in de procedure te laten verschijnen en daartoe een datum te bepalen waarop de vereffenaar bij exploot kan worden opgeroepen.



2.2.

[eiser] heeft geen bezwaar tegen het betrekken van de vereffenaar in de procedure, voor zover het twee onderdelen van de reconventionele vordering betreft. Voor het overige heeft [eiser] zich daartegen verzet.



De beslissing in het incident




2.3.
De rechtbank zal [eiser] en [gedaagde sub1] in de gelegenheid stellen om mr. [vereffenaar] in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] in de procedure te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv. In afwachting hiervan zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden. Hierna zal de rechtbank kort weergeven wat er in deze zaak speelt en daarna deze beslissing toelichten.



Waar gaat de hoofdzaak over?




2.4.

[eiser] en gedaagde sub 2 zijn broers van [erflaatster] , verder te noemen erflaatster. Erflaatster is op [datum overlijden] 2024 overleden. Gedaagden sub 3 t/m 5 zijn de kinderen van [eiser] . Gedaagden 6 t/m 9 zijn de kinderen van gedaagde sub 2. [gedaagde sub1] heeft samengewoond en een relatie gehad met erflaatster. In februari 2020 is [gedaagde sub1] op een ander adres dan dat van erflaatster gaan wonen.



2.5.
In haar testament van 27 januari 2011 heeft erflaatster beschikt over haar nalatenschap. Voor zover hierbij relevant heeft zij daarin de volgende bepalingen opgenomen:


“II. KEUZELEGAAT

Ik legateer aan mijn partner, de heer [gedaagde sub1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] negentienhonderd achtenzestig, wonende te mijnen huize, alle afzonderlijk tot mijn nalatenschap behorende goederen die hij verkiest. Het legaat van een goed vervalt indien mijn partner niet binnen een jaar na mijn overlijden schriftelijk verklaart dat hij dit legaat aanvaardt.


Met betrekking tot het legaat dat door mijn partner wordt aanvaard gelden de volgende regels:

1. Mijn partner moet de waarde van een aan hem gelegateerd goed aan de erfgenamen naar rato van ieders erfdeel uitkeren.
2. De waarde van het goed wordt vastgesteld in onderling overleg tussen mijn partner en mijn erfgenamen. Indien in onderling overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de waarde wordt deze vastgesteld door een deskundige, te benoemen door de Kantonrechter van de Rechtbank van het Arrondissement waarin ik mijn laatste woonplaats in Nederland had.
3. De uitkering aan de erfgenamen moet plaatsvinden in de hierna genoemde gevallen waarin het vruchtgebruik eindigt. Over het door mijn partner verschuldigde bedrag is geen rente verschuldigd.

III. VRUCHTGEBRUIK


Ik legateer aan mijn partner, genoemde heer [gedaagde sub1] , het vruchtgebruik van de goederen van mijn nalatenschap die door hem niet op grond van het hiervoor genoemde legaat in eigendom worden verkregen, waaronder dus tevens wordt begrepen het hiervoor bedoelde aan mijn erfgenamen verschuldigde bedrag."
(...)




“IV. ERFSTELLING

Onder de last van het vorenstaande benoem ik tot enige en algehele erfgenamen van


mijn nalatenschap mijn neven en nichten, kinderen van mijn beide broers, tezamen


en voor gelijke delen, met bepaling dat de regelen omtrent plaatsvervulling en


aanwas ten tijde van mijn overlijden van kracht, van toepassing zullen zijn, waarbij


plaatsvervulling zal gaan voor aanwas.”

(...)
“VII. VERVAL BESCHIKKINGEN PARTNER

Indien ten tijde van mijn overlijden de samenwoning met mijn partner is verbroken


vervallen alle in deze akte gemelde ten behoeve van hem gemaakte beschikkingen


en benoemingen en vererft mijn nalatenschap volgens de wet. De beschikkingen en


benoemingen blijven echter in stand indien de samenwoning door omstandigheden


buiten onze wil is geëindigd.”





2.6.
Uit een uittreksel van het boedelregister blijkt dat de nalatenschap beneficiair aanvaard is door [eiser] en de gedaagden sub 2 tot en met 9.



2.7.
Bij beschikking van 22 januari 2025 is mr. [vereffenaar] tot executeur van de nalatenschap benoemd. Nadat de executeur de zogenoemde ruimschootsverklaring heeft moeten intrekken vanwege een (vermeende) vordering van [gedaagde sub1] op de nalatenschap heeft de rechtbank bij beschikking van 16 december 2025 mr. [vereffenaar] benoemd tot vereffenaar.



De vorderingen in de hoofzaak in conventie




2.8.


[eiser] vordert in conventie in de hoofdzaak een verklaring voor recht dat alle ten behoeve van [gedaagde sub1] gemaakte beschikkingen en benoemingen in het testament van erflaatster zijn vervallen en dat [gedaagde sub1] geen rechten kan ontlenen aan het testament
Verder vordert hij een verklaring voor recht dat [gedaagde sub1] geen vordering heeft op de nalatenschap van erflaatster van € 203.256,- dan wel van enig ander bedrag.




De vorderingen in de hoofdzaak in reconventie




2.9.


[gedaagde sub1] vordert in de hoofdzaak in reconventie primair een verklaring voor recht dat de beschikkingen aan [gedaagde sub1] in het testament van erflaatster niet zijn vervallen en dat [gedaagde sub1] als legataris rechten aan dit testament kan ontlenen.
Verder vordert hij -samengevat- om de vereffenaar te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling van twee auto’s, die op naam van erflaatster stonden, in die zin dat die op zijn naam worden gesteld. Subsidiair vordert [gedaagde sub1] om vast te stellen dat hij een vordering heeft op de nalatenschap ter grootte van € 200.000,- dan wel van € 104.176,- dan wel van een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht.




Het aan de vorderingen in de hoofdzaak ten grondslag liggende geschil




2.10.
Het geschil tussen [eiser] en [gedaagde sub1] is primair terug te voeren op de vraag of de samenwoning tussen [gedaagde sub1] en erflaatster al was verbroken voorafgaand aan haar overlijden en zo ja of dit is gebeurd door omstandigheden buiten hun wil. [eiser] stelt dat de relatie van [gedaagde sub1] en erflaatster al voor haar overlijden is geëindigd en dat de samenwoning om die reden dus vrijwillig is verbroken. Hiermee zijn volgens hem de ten behoeve van [gedaagde sub1] in het testament gemaakte beschikkingen vervallen. [gedaagde sub1] daarentegen stelt dat erflaatster en hij, ondanks dat zij op verschillende adressen zijn gaan wonen, hun gemeenschappelijke huishouding hebben voortgezet en dat hun relatie heeft voortgeduurd tot het overlijden van erflaatster. Volgens hem is hiermee de ‘samenleving’ niet verbroken. Mocht de rechtbank daar anders over oordelen dan stelt [gedaagde sub1] dat de verbreking van de ‘samenleving’ is gebeurd door omstandigheden buiten zijn wil en die van erflaatster. [gedaagde sub1] bestrijdt op deze gronden dat de ten behoeve van hem gemaakte beschikkingen zijn vervallen. Daarnaast bestaat geschil tussen [eiser] en [gedaagde sub1] of het keuzelegaat is vervallen wegens het (mogelijk) niet tijdig aanvaarden daarvan. Ten slotte is in geschil of [gedaagde sub1] een vordering op de nalatenschap heeft in het geval de ten behoeve van hem gemaakte beschikkingen zijn vervallen.



De toelichting op de beslissing in het incident




2.11.
Op grond van artikel 4:211 lid 2 BW vertegenwoordigt de vereffenaar bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte. De vereffenaar heeft tot taak de nalatenschap te beheren en te vereffenen (artikel 4:211 lid 1 BW). Het instellen van de rechtsvorderingen ter verkrijging van de verklaringen voor recht in deze procedure houden geen verband met de vervulling van de taak van de vereffenaar, voor zover die verklaringen zien op een eventueel verval van beschikkingen in het testament. De rechtbank is het in zoverre met [eiser] eens. De vereffening verhindert dan ook niet dat [eiser] en ook [gedaagde sub1] bevoegd zijn om die verklaringen voor recht eigenstandig te vorderen. Dat ligt anders voor de door [eiser] in conventie gevorderde verklaring voor recht en de door [gedaagde sub1] in reconventie subsidiair gevorderde vaststelling van een vordering van [gedaagde sub1] op de nalatenschap. Hetzelfde geldt voor vorderingen die zien op afgifte van legaten (door [gedaagde sub1] alleen in het lichaam van zijn conclusie van antwoord genoemd) en/of op afgifte van mogelijk tot de nalatenschap behorende activa. Vorderingen op de nalatenschap of afgifte van legaten en van activa die mogelijk tot de nalatenschap behoren liggen wel op het terrein van de vereffenaar. De vereffenaar behoort dan ook voor die vorderingen in de procedure te worden betrokken. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub1] de meest gerede partij is om dit te doen omdat hij eiser is in het incident.



2.12.
Als de vereffenaar in de procedure verschijnt, zal hij een conclusie mogen nemen met daarin zijn reacties op de vorderingen van [eiser] en [gedaagde sub1] voor zover die liggen op het terrein waarover zijn taak zich uitstrekt. Daarna zal de rechtbank beslissen over het vervolg van de zaak. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.





3De beslissing
De rechtbank



in conventie en in reconventie




3.1.
stelt [gedaagde sub1] in de gelegenheid om de vereffenaar op de voet van artikel 118 Rv, dus met inachtneming van de voor de dagvaarding geldende termijnen, op te roepen tegen de rolzitting van 6 mei 2026,



3.2.
bepaalt dat bij deze oproeping afschriften van alle ingediende processtukken en een kopie van dit vonnis moeten worden meebetekend,



3.3.
verwijst de zaak naar de rol van 6 mei 2026 voor het overleggen door [gedaagde sub1] van een kopie van de oproeping,



3.4.
bepaalt dat de vereffenaar, voor zover hij op de rolzitting van 6 mei 2026 bij advocaat verschijnt, op de rolzitting van 17 juni 2026 een conclusie mag nemen met daarin zijn reactie op de vordering van [eiser] om voor recht te verklaren dat [gedaagde sub1] geen vordering heeft op de nalatenschap en op de subsidiaire vordering van [gedaagde sub1] om vast te stellen dat [gedaagde sub1] wel een vordering heeft op de nalatenschap ter grootte van het door [gedaagde sub1] gestelde bedrag, alsmede op de vorderingen van [gedaagde sub1] om de vereffenaar te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling van de door [gedaagde sub1] genoemde twee auto’s.



3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.