Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:413

2025-03-18 Bestuursrecht UTR 24/1173
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2025-03-18
Publicatiedatum
2025-02-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 24/1173
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

beroep gegrond, bnt

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.487 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 24/1173


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2025 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser.


en




de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.





Procesverloop


Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar.





Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Eiser heeft zijn bezwaarschrift ingediend op 27 juli 2023. Eiser is in bezwaar gegaan tegen de oplegging inzake de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, dient verweerder een beslissing op bezwaar te nemen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. Dat staat in artikel 236 lid 2 van de Gemeentewet.

4. Verweerder had uiterlijk op 31 december 2023 moeten beslissen op het bezwaar. De rechtbank stelt vast dat verweerder op die datum niet had beslist op het bezwaar. Eiser heeft verweerder op 3 januari 2024 in gebreke gesteld. Eiser heeft op 25 februari 2024 een beroep niet tijdig beslissen ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar. Op 18 januari 2024 heeft verweerder alsnog een beslissing op bezwaar genomen, waarin hij de naheffingsaanslag vernietigd. Dit is in beginsel binnen de termijn van twee weken, maar er is hier toch sprake van een termijnoverschrijding. Dit legt de rechtbank hieronder verder uit.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder met de vernietiging van het primaire besluit op
18 januari 2024 volledig tegemoet is gekomen aan het bezwaar van eiser. Verweerder kan echter niet aantonen dat de beslissing op bezwaar op tijd en op de juiste wijze bekend is gemaakt. Verweerder heeft op 24 juni 2024 laten weten dat hij de bekendmaking niet aannemelijk kan maken en heeft hierbij aangegeven dat eiser recht heeft op de volledige dwangsom. De vaststelling van de verschuldigde bestuurlijke dwangsom is niet in een formeel besluit vastgelegd. Omdat eiser aan de rechtbank heeft gevraagd de bestuurlijke dwangsom te bepalen is de rechtbank van oordeel dat eiser gelijk heeft. Het beroep is kennelijk gegrond.

6. In artikel 4:17 van de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, Awb).

7. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu alsnog (artikel 8:55c Awb). Omdat de dwangsomtermijn volledig is volgelopen, wordt de hoogte vastgesteld op het maximumbedrag van € 1.442,-.

8. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Dit recht vloeit ook voort uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De redelijke termijn is voor een procedure in bezwaar en bij de rechtbank in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De redelijke termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen.

9. Eiser heeft op 24 februari 2025 de rechtbank een ingebrekestelling gestuurd. Eiser stelt dat de rechtbank deze zaak meer dan 6 maanden heeft laten rusten, dit is volgens eiser in strijd met artikel 8:66 Awb en de redelijke termijn uit artikel 6 EVRM.

10. De rechtbank stelt vast dat de termijn van artikel 8:66 Awb geen fatale termijn is en dat aan overschrijding daarvan geen gevolgen zijn verbonden. Voor zover eiser een verzoek wil doen om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM, overweegt de rechtbank dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep samen twee jaar is. De rechtbank stelt verder vast dat het bezwaarschrift is ingediend op 27 juli 2023. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot aan de datum van deze uitspraak heeft de procedure 1 jaar, 7 maanden en 20 dagen geduurd. De redelijke termijn van twee jaar is dus niet overschreden. De rechtbank wijst daarom het verzoek tot schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn af.

11. Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden. Alleen de kosten die gemaakt zijn door een professionele (juridische) hulpverlener kunnen worden vergoed. Omdat eiser geen advocaat of andere professionele juridische hulpverlener heeft, zijn er ook geen kosten die vergoed kunnen worden.

12. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder wel het griffierecht van € 51,- aan eiser betalen (artikel 8:41 Awb)




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,- ;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet betalen;
- Wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025
















de griffier de rechter






Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:






Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.