Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2025:1163
2025-03-19
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11400367 \ LC EXPL 24-2931
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:RBMNE:2025:1163 → ECLI:NL:RBMNE:2025:1481
Inhoudsindicatie
Ambtshalve toetsing kostenbeding advocatendeclaratie. Er is voldaan aan het transparantievereiste. Vooraf een inschatting gegeven van de benodigde uren. Vordering volledig toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.011 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Lelystad
zaaknummer: 11400367 LC EXPL 24-2931/13702
Vonnis van 19 maart 2025
inzake
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
handelende onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd te [plaats] ,
eisende partij, hierna [eiseres] te noemen,
vertegenwoordigd door mr. [A] , advocaat bij [eiseres] ,
tegen:
[gedaagde]
,
wonende in de gemeente [gemeente] ,
gedaagde partij, hierna [gedaagde] te noemen, niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Op 8 januari 2025 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen en de zaak naar de rol verwezen voor een akte aan de zijde van [eiseres] .
1.2.
[eiseres] heeft vervolgens een akte genomen.
1.3.
Tot slot is vonnis bepaald.
2De overwegingen van de kantonrechter
2.1.
De kantonrechter neemt over en verwijst naar hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 8 januari 2025 (hierna: het tussenvonnis).
2.2.
[eiseres] heeft in haar akte uiteengezet dat zij een uitgebreid telefonisch intake-gesprek met [gedaagde] heeft gevoerd waarin [gedaagde] op de hoogte is gesteld van het geldende uurtarief, hoe [eiseres] werkt en wat voor aanpak zij hanteert. Ook is een inschatting gegeven van het aantal uren dat nodig zal zijn en waar [gedaagde] qua kosten rekening mee moest houden. [eiseres] heeft van dat gesprek aantekeningen gemaakt en deze overgelegd. In de aantekeningen staat dat er een grove inschatting is gemaakt dat voor een zaak/procedure als die van [gedaagde] 40 uren nodig zijn. [eiseres] heeft verder gesteld dat vervolgens tijdens het gesprek met een advocaat op het kantoor nogmaals is herhaald hoe het kantoor werkt, wat het tarief is, wat het plan van aanpak is en is wederom een indicatie gegeven van het aantal benodigde uren. Daarna zijn alle contractvoorwaarden in een opdrachtbevestiging aan [gedaagde] verzonden, waarna [gedaagde] heeft gereageerd en stukken heeft toegestuurd, aldus [eiseres] .
2.3.
Uit wat [eiseres] naar voren heeft gebracht volgt dat [eiseres] [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst voldoende duidelijke en begrijpelijke informatie heeft gegeven om [gedaagde] in staat te stellen met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het aangaan van die opdracht haar beslissing te nemen.
2.4.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat, alle omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen, is voldaan aan het transparantievereiste. Dat betekent dat het beding niet meer op oneerlijkheid getoetst hoeft te worden.
2.5.
De kantonrechter concludeert dat aan het vereiste van artikel 6:230l sub c BW is voldaan.
2.6.
De hoofdsom zal gelet op het voorgaande worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente omdat [gedaagde] met betaling in verzuim is.
2.7.
Ook de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar. In deze zaak is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing. Bij brief van 14 februari 2024 is [gedaagde] aangemaand conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief.
2.8.
Gelet op de uitkomst van de zaak moet [gedaagde] de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiseres] worden, aan de hand van het toegewezen bedrag, begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
113,54
- griffierecht
€
524,00
- salaris gemachtigde
€
508,50
(1,5 punt × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.281,04
2.9.
De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen indien en voor zover [gedaagde] de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving heeft voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn na de aanschrijving aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 7.201,05 met de wettelijke rente over € 6.224,41 vanaf 4 november 2024 tot de voldoening;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.281,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.4.
verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
Civiel recht
kantonrechter
locatie Lelystad
zaaknummer: 11400367 LC EXPL 24-2931/13702
Vonnis van 19 maart 2025
inzake
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
handelende onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd te [plaats] ,
eisende partij, hierna [eiseres] te noemen,
vertegenwoordigd door mr. [A] , advocaat bij [eiseres] ,
tegen:
[gedaagde]
,
wonende in de gemeente [gemeente] ,
gedaagde partij, hierna [gedaagde] te noemen, niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Op 8 januari 2025 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen en de zaak naar de rol verwezen voor een akte aan de zijde van [eiseres] .
1.2.
[eiseres] heeft vervolgens een akte genomen.
1.3.
Tot slot is vonnis bepaald.
2De overwegingen van de kantonrechter
2.1.
De kantonrechter neemt over en verwijst naar hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 8 januari 2025 (hierna: het tussenvonnis).
2.2.
[eiseres] heeft in haar akte uiteengezet dat zij een uitgebreid telefonisch intake-gesprek met [gedaagde] heeft gevoerd waarin [gedaagde] op de hoogte is gesteld van het geldende uurtarief, hoe [eiseres] werkt en wat voor aanpak zij hanteert. Ook is een inschatting gegeven van het aantal uren dat nodig zal zijn en waar [gedaagde] qua kosten rekening mee moest houden. [eiseres] heeft van dat gesprek aantekeningen gemaakt en deze overgelegd. In de aantekeningen staat dat er een grove inschatting is gemaakt dat voor een zaak/procedure als die van [gedaagde] 40 uren nodig zijn. [eiseres] heeft verder gesteld dat vervolgens tijdens het gesprek met een advocaat op het kantoor nogmaals is herhaald hoe het kantoor werkt, wat het tarief is, wat het plan van aanpak is en is wederom een indicatie gegeven van het aantal benodigde uren. Daarna zijn alle contractvoorwaarden in een opdrachtbevestiging aan [gedaagde] verzonden, waarna [gedaagde] heeft gereageerd en stukken heeft toegestuurd, aldus [eiseres] .
2.3.
Uit wat [eiseres] naar voren heeft gebracht volgt dat [eiseres] [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst voldoende duidelijke en begrijpelijke informatie heeft gegeven om [gedaagde] in staat te stellen met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het aangaan van die opdracht haar beslissing te nemen.
2.4.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat, alle omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen, is voldaan aan het transparantievereiste. Dat betekent dat het beding niet meer op oneerlijkheid getoetst hoeft te worden.
2.5.
De kantonrechter concludeert dat aan het vereiste van artikel 6:230l sub c BW is voldaan.
2.6.
De hoofdsom zal gelet op het voorgaande worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente omdat [gedaagde] met betaling in verzuim is.
2.7.
Ook de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar. In deze zaak is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing. Bij brief van 14 februari 2024 is [gedaagde] aangemaand conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief.
2.8.
Gelet op de uitkomst van de zaak moet [gedaagde] de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiseres] worden, aan de hand van het toegewezen bedrag, begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
113,54
- griffierecht
€
524,00
- salaris gemachtigde
€
508,50
(1,5 punt × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.281,04
2.9.
De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen indien en voor zover [gedaagde] de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving heeft voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn na de aanschrijving aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 7.201,05 met de wettelijke rente over € 6.224,41 vanaf 4 november 2024 tot de voldoening;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.281,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.4.
verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.