Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2023:5383

2023-10-05 Bestuursrecht UTR 22/5736-V
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2023-10-05
Publicatiedatum
2023-10-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
UTR 22/5736-V
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Verzet; gegrond;

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.146 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht



zaaknummer: UTR 22/5736-V


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2023 op het verzet van


[opposant] , te [woonplaats] , opposant,




Procesverloop


Opposant heeft beroep ingediend tegen het besluit op bezwaar van 7 december 2022 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort.



In de uitspraak van 15 juni 2023 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.



Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De rechtbank heeft het verzet behandeld ter zitting van 20 september 2023. Opposant is (via Teams) verschenen.



Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort is niet verschenen.





Overwegingen

1. De rechtbank heeft de uitspraak van 15 juni 2023 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.

2. In deze verzetprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op een zitting te horen. De rechtbank moet dus beoordelen of door de argumenten van opposant twijfel ontstaat over die eerdere uitkomst. Zo nee, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo ja, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.

3. Opposant heeft in het beroepschrift van 14 december 2022 verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Bij brief van 23 december 2022 heeft hij dit op verzoek van de rechtbank onderbouwd met zijn meest recente inkomensgegevens. Bij brief van 19 januari 2023 heeft de rechtbank het verzoek om vrijstelling griffierecht afgewezen. Abusievelijk stond in de brief vermeld dat eiser zijn verzoek om vrijstelling niet had onderbouwd. Na hier door eiser op te zijn gewezen, heeft de rechtbank op 24 januari 2023 een nieuwe brief gestuurd, waarin staat dat het verzoek is afgewezen omdat eiser niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet.

4. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 15 juni 2023 niet juist omdat
hij wel degelijk voldoet aan de criteria voor vrijstelling van het griffierecht. Vervolgens geeft opposant aan dat andere rechtbanken hem wel vrijstelling verlenen. Opposant is het niet duidelijk hoe deze rechtbank op basis van exact dezelfde gegevens tot een andere berekening komt. Dit wordt volgens opposant ook niet gemotiveerd. Opposant stelt tevens dat hij ten onrechte niet is gehoord door de rechtbank.

5. De verzetrechter is van oordeel dat de rechtbank in de buiten-zittingsuitspraak van
15 juni 2023 ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet betalen van het griffierecht door opposant niet-verontschuldigbaar is. In dit geval komt de verzetrechter tot de volgende beoordeling. Ten tijde van de door de rechtbank verzonden brief van 24 januari 2023 was het netto-inkomen waarover opposant maandelijks kon beschikken – blijkens de door opposant overgelegde uitkeringsspecificatie van 12 december 2022 – lager dan 95% van de destijds geldende maximale bijstandsuitkering van een alleenstaande. Van in aanmerking te nemen vermogen is niet gebleken. Voor zover de rechtbank aan de hand van de door haar nadien opgevraagde gegevens bij de Raad voor Rechtsbijstand uit 2021 heeft opgemaakt dat opposant niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet, geldt dat uit het dossier niet blijkt dat daarna aan opposant is verzocht te verklaren of die inkomensgegevens nog actueel zijn (zie rechtsoverweging 3.7 van de uitspraak van 13 februari 2015 van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2015:282). Op grond van het vorenstaande kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat opposant in verzuim is geweest bij de niet (tijdige) betaling van het griffierecht, zodat het beroep ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard.

6. Dit betekent dat het verzet gegrond is.

7. Er zijn door opposant geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden.






























Beslissing


Dit betekent dat het verzet gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
15 juni 2023 vervalt. Het vervallen van de eerdere uitspraak betekent dat de rechtbank de behandeling van het beroep zal voortzetten. Opposant krijgt over de verdere behandeling nog bericht.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2023.






griffier rechter




Afschrift verzonden aan partijen op:




Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.