Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2015:8303

2015-10-09 Strafrecht; Materieel strafrecht 16/705560-14
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2015-10-09
Publicatiedatum
2015-11-24
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
16/705560-14
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aanwezig hebben hennep(olie)

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.004 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht



Parketnummer: 16/705560-14





Vonnis van de meervoudige strafkamer van 9 oktober 2015




in de strafzaak tegen





[verdachte] ,

geboren op [1974] te [geboorteplaats] ,
wonende [adres] , [postcode] [woonplaats] .






1Het onderzoek ter terechtzitting


Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2015. Verdachte is niet verschenen. Mr. S. Arts, advocaat te Breda en raadsman van verdachte, is bepaaldelijk gemachtigd en treedt op namens verdachte.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de raadsman naar voren hebben gebracht.



De zaak van [verdachte] is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaak van medeverdachte [medeverdachte] .






2Tenlastelegging


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.



De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1. op 1 december 2014 in Vianen samen met een ander 67,5 gram hennep en 10,1 liter hennepolie opzettelijk aanwezig heeft gehad.






3Voorvragen


De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.






4Waardering van het bewijs


4.1


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het haar ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.




4.2


Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat vrijspraak dient te volgen, nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte wist van de aanwezigheid van de goederen.




4.3


Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.



Op 1 december 2014 werd de woning en de daarbij behorende garage van verdachte in Vianen doorzocht. In de woning werden potten met hennepolie en losse hennep aangetroffen.



De losse hennep betrof een hoeveelheid van 7 gram en van 4 gram. Beiden hoeveelheden testten bij de indicatieve test positief op de aanwezigheid van hennep.



De aangetroffen potten bevatten 10,1 liter hennepolie en 56,5 gram losse hennep.



Een monster van de olie uit de potten is door het NFI onderzocht. Het NFI komt tot de conclusie dat het ethanol en hennep is.



Het verweer van de verdediging dat verdachte geen weet heeft gehad van de goederen acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank overweegt dat de hennep en de potten met hennepolie in de woning en de daarbij behorende garage van verdachte en haar partner zijn aangetroffen. Bovendien gebruikte de partner van verdachte al sinds langere tijd hennepolie als medicatie. Zodoende moet verdachte geweten hebben van de aanwezigheid van voornoemde goederen en heeft zij de goederen voorhanden gehad samen met haar partner.







5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte



op of omstreeks 01 december 2014 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 67,5 gram hennep en/of ongeveer 10,1 liter hennepolie, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.






6De strafbaarheid van de feiten


Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als




medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.




Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.






7De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.






8Motivering van de straffen en maatregelen


8.1


De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 50 uur wordt opgelegd.




8.2


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en zich niet uitgelaten over de strafmaat.




8.3


Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.



Verdachte heeft zich samen met haar partner schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep en hennepolie. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Het gebruik van dergelijke middelen veroorzaakt, mede voor vaak daarmee gepaard gaand crimineel gedrag, onrust en schade in de samenleving.



Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 26 augustus 2015, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.



De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 50 uur passend en geboden.







9Toepasselijke wettelijke voorschriften


De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde, en op de reeds aangehaalde artikelen.



De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.






10De beslissing


De rechtbank:




Bewezenverklaring


- verklaart het ten laste gelegde feit bewezen, zodanig als hiervoor onder 5. is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;



Strafbaarheid


- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;



Strafoplegging


- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 50 uur, te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Akkermans, voorzitter,
mr. H.A. Gerritse en mr. R.L.M. van Opstal, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2015.



De griffier is verhinderd het vonnis mee te ondertekenen.




BIJLAGE: de tenlastelegging




Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat



zij op of omstreeks 01 december 2014 te Vianen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 67,5 gram hennep en/of ongeveer 10,1 liter hennepolie, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
art 3 ahf/ond B Opiumwet
art 11 lid 2 Opiumwet



Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met code PL0900-2014144684 (sluitingsdatum 20 januari 2015) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering van 1 tot en met 421. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.


Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2014, opgenomen op p. 349 – 375.


Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2014, opgenomen op p. 386 – 387.


Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 2 december 2014, opgenomen op p. 388 – 390.


NFI-rapport d.d. 8 januari 2015, opgenomen op p. 394 – 395.