Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2013:4844

2013-09-06 Strafrecht 16-650261-12
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2013-09-06
Publicatiedatum
2013-10-10
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
16-650261-12
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor handelen in strijd met artikel 3 onder B van de Opiumwet.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.990 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND


Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht



Parketnummer: 16/650261-12 (P)




vonnis van de meervoudige strafkamer van 6 september 2013




in de strafzaak tegen





[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres 1],[postcode] [woonplaats].





1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 augustus 2013.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. J.C. Hesen, naar voren hebben gebracht.





2Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
In de periode van 1 juli 2010 tot en met 30 mei 2011 samen met anderen hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad.





3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.




4Waardering van het bewijs


4.1


Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren.




4.2


Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft opgemerkt dat het medeplegen van bewerken van hennep wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte.




4.3


Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte deze feiten heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door[verbalisant 1] en [verbalisant 2];
- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 3], betreffende het onderzoek naar de plantensoort;
- het proces-verbaal van relaas, opgemaakt door[verbalisant 3], betreffende de alinea “indicatoren professionaliteit”;
- de bekennende verklaring van verdachte.





5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte


in de periode van 01 juli 2010 tot en met 30 mei 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt in een perceel
gelegen aan de [adres 2] een groot aantal hennepplanten en delen
daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal
bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl het feit telkens betrekking heeft op een grote hoeveelheid van voormeld middel.



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.





6De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als
Medeplegen van opzettelijk handelen met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.



Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.





7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.




8Motivering van de straffen en maatregelen


8.1.


De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf voor de duur van 160 uren.




8.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, gelet op de ouderdom van de zaak, de omstandigheden waaronder verdachte tot haar daden is gekomen en haar persoon.




8.3.


Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.



Verdachte heeft zich samen gedurende een ruime periode met anderen schuldig gemaakt aan het bewerken en verwerken van hennep in een professionele hennepkwekerij waarin ruim 1400 hennepplanten stonden. Door deze werkzaamheden heeft verdachte een aandeel geleverd in de handel in softdrugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat met deze handel in softdrugs aanzienlijke financiële belangen zijn gemoeid en grote winsten worden behaald en dat deze niet zelden hand in hand gaan met geweld, bedreigingen en ripdeals. Aan dergelijke handel medewerking verlenen, op welke wijze dan ook, is laakbaar en kan verdachte worden verweten.



Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 14 augustus 2011;
- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris d.d. 1 juni 2011.


Bij een dergelijk feit past in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Omdat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en zich meewerkend heeft opgesteld, zal de rechtbank echter geen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf opleggen.



De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het relatief geringe aandeel van verdachte, namelijk het knippen van de hennepplanten. De rechtbank houdt daarnaast rekening met het overschrijden van de redelijke termijn. De rechtbank zal daarom een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.



De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 100 uren passend en geboden is en zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.






9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen




10Beslissing
De rechtbank:


Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op:
Medeplegen van opzettelijk handelen met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.



Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.



Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. E.A.A. van Kalveen en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 september 2013.




BIJLAGE: De tenlastelegging




Aan[verdachte] wordt ten laste gelegd dat



hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2010 tot en met 30 mei 2011 te
Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt
en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een perceel
gelegen aan de [adres 2])
(telkens) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 20,30 gram hennep(toppen)
en/of ongeveer 1402, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen
daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal
bevattende hennep,
zijnde (telkens) hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die
wet, terwijl het feit (telkens) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van
voormeld middel;



art 11 lid 5 Opiumwet
art 3 ahf/ond B Opiumwet
art 3 ahf/ond C Opiumwet
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 11 lid 2 Opiumwet



Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], in de wettelijke vorm en op ambtseed opgemaakt en opgenomen op pagina 102 tot en met 104 uit proces-verbaal nummer PL091A 2011122407.


Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door[verbalisant 3], in de wettelijke vorm en op ambtseed opgemaakt en opgenomen op pagina 111 en 112 uit proces-verbaal nummer PL091A 2011122407.


Het proces-verbaal van relaas, opgemaakt door[verbalisant 3], in de wettelijke vorm en op ambtseed opgemaakt en opgenomen op pagina 60 uit proces-verbaal nummer PL091A 2011122407.


De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 augustus 2013.