Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Middelburg

ECLI:NL:RBMID:2009:BL5580

2009-08-24 Civiel recht 181918
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Middelburg
Uitspraakdatum
2009-08-24
Publicatiedatum
2013-04-05
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
181918
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De goederen van gedaagde staan onder bewind. De eisende partij moet zich erover uitlaten wat de gevolgen daarvan zijn voor haar vordering.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.374 tekens)
Uitspraak


zaak/rolnr.: 09-1371 blad 2
RECHTBANK MIDDELBURG
Sector kanton


Locatie Middelburg

zaak/rolnr.: 181918/09-1371

vonnis van de kantonrechter d.d. 24 augustus 2009

inzake


de besloten vennootschap
Intrum Justitia Nederland B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
eisende partij,
verder te noemen: Intrum Justitia,
gemachtigde: PVU Gerechtsdeurwaarders,


t e g e n :


[X],
wonende te [adres],
gedaagde partij,
verder te noemen: [partij X],
in persoon.


het verloop van de procedure


De procedure is als volgt verlopen:
- dagvaarding van 25 februari 2009,
- mondeling antwoord,
- conclusies van repliek,
- mondelinge toelichting.


de beoordeling van de zaak

1. Tussen partijen staat vast dat [partij X] met T-Mobile Netherlands B.V. (althans met haar rechtsvoorgangster) een overeenkomst heeft gesloten om van de diensten van T-Mobile gebruik te mogen maken. Volgens Intrum Justitia heeft [partij X] facturen tot een bedrag van € 1.984,20 onbetaald gelaten. Intrum Justitia vordert nu de veroordeling van [partij X] tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met € 122,19 wegens rente en € 300,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten. Het totaal ad € 2.406,39 dient nog te worden vermeerderd met verdere rente en de proceskosten. Intrum Justitia geeft aan de vordering van T-Mobile te hebben gekocht.


2. [Partij X] heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Het verweer komt er op neer dat zij onder bewind is gesteld en dat zij bij gebreke van wetenschap de hoogte van de vordering betwist. Alle papieren liggen bij haar bewindvoerster.
3. Intrum Justitia heeft daarop verklaard dat [partij X] ook richting haar heeft aangegeven te zijn toegelaten tot de WSNP dan wel onder bewind te staan, maar dat [partij X] heeft nagelaten van een en ander bewijsstukken te produceren.


4. De kantonrechter overweegt dat uit het Centraal Insolventieregister blijkt dat [partij X] bij beslissing van de rechtbank Rotterdam van [medio] 2006 in staat van faillissement is verklaard door tussentijdse beëindiging van de schuldsanering. Dit faillissement is bij beslissing van de rechtbank Rotterdam van [medio] 2007 opgeheven wegens gebrek aan baten.

5. Het is de kantonrechter verder ambtshalve bekend is dat bij beslissing van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Zierikzee, van [eind] 2007 een bewind is ingesteld over de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [partij X]. De kantonrechter zal, nu [partij X] zich op de onderbewindstelling heeft beroepen, Intrum Justitia in de gelegenheid stellen wat de uitgesproken onderbewindstelling voor gevolgen heeft op haar vordering jegens [partij X], zulks gelet op art. 1:441 BW. De kantonrechter wijst daarbij tevens op het arrest van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 14 september 2006, NJF 2007, 237 en het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 april 2008, NJF 2008, 263.

6. Indien Intrum Justitia haar vordering tegen [partij X] handhaaft dient zij in ieder geval ook in het geding te brengen de onderhavige overeenkomst en de facturen, waarvan betaling wordt gevorderd. Intrum Justitia dient verder aan te geven op grond waarvan [partij X] gehouden is tot betaling van de vaste periodieke kosten over de resterende contractsduur, zoals bij dagvaarding onder 9. genoemd. Indien Intrum Justitia zich beroep op haar algemene voorwaarden, dient zij tevens aan te geven waarom het betrokken beding niet oneerlijk is in de zin van Richtlijn nummer 93/13/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

DE BESLISSING

De kantonrechter:


verwijst deze zaak naar de rolzitting van 21 september 2009 te 10.00 uur,
opdat Intrum Justitia bij akte inlichtingen zal geven als in dit vonnis onder 5. en 6. overwogen;


heeft het voornemen om dan geen verder uitstel toe te staan;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kool, kantonrechter, en uitge¬spro¬ken ter open¬bare terechtzitting van 24 augustus 2009, in tegenwoordigheid van de grif¬fier.