Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9848

2026-09-17 Bestuursrecht ROE 26/48
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 26/48
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Weigering verlenging van de jachtakte van eiser vanwege verdenking van een strafbaar feit. Eiser is het niet eens met de weigering en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelt dat de minister redelijkerwijs kon concluderen dat er een vrees voor misbruik bestaat, gelet op de bevindingen uit het strafrechtelijke DNA-onderzoek. Van een alternatieve plausibele verklaring voor het aantreffen van de bloedsporen in de auto van eiser, is de rechtbank niet gebleken. Een geringe twijfel voor misbruik van de jachtakte is daarmee komen vast te staan. De jachtakte is dus terecht niet verlengd en eiser krijgt deze ook niet terug. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.370 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 26/48


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser


en


de minister van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigden: mr. D. Van der Wijst en mr. V.N. Chaudron).





Procesverloop


1. Bij besluit van 8 juli 2025 heeft de korpschef van de Nationale Politie geweigerd om de jachtakte van eiser te verlengen. Bij het bestreden besluit van 28 november 2025 op het administratief beroep van eiser is de minister bij die weigering gebleven.



1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen.





Beoordeling door de rechtbank



Feiten



2. Eiser beschikte over een jachtakte, waarop vijf vuurwapens waren geregistreerd. Deze jachtakte is verlopen op 31 maart 2024.

3. Op 8 oktober 2024 wordt eiser buiten heterdaad aangehouden, omdat hij wordt verdacht van het onthoofden van minimaal één en mogelijk drie pony’s. Eiser ontkent dit.

4. Bij besluit van 8 juli 2025, gehandhaafd bij het bestreden besluit, weigert de korpschef om de jachtakte te verlengen, vanwege de ter zake lopende strafzaak tegen eiser. De korpschef betoogt dat alleen al het feit dat eiser in een strafzaak als verdachte wordt aangemerkt, voldoende is voor de weigering. Toch is ook gekeken naar de omstandigheden waaronder en de reden waarom eiser wordt verdacht. Zo geeft eiser aan dat hij de pony’s levend aan een derde heeft verkocht, maar kan hij die koper niet identificeren. Daarnaast zijn in het voertuig van eiser op meerdere plekken DNA-sporen aangetroffen, die te herleiden zijn naar bloedsporen van ten minste één van de dode pony’s. Hoewel nog niet is bewezen dat eiser daadwerkelijk schuldig is, bevindt hij zich in een situatie die alles behalve betrouwbaar te noemen is. Dit strookt niet met hetgeen mag worden verwacht van een vergunninghouder, zodat de jachtakte eiser niet langer kan worden toevertrouwd, aldus het standpunt van de korpschef en daarmee de minister.

5. Op 9 december 2025 seponeert de officier van justitie het strafrechtelijk onderzoek, wegens onvoldoende bewijs.



Verdenking strafbaar feit



6. Het beroep spitst zich toe op de vraag of de minister de verlenging van de jachtakte van eiser mocht weigeren, omdat eiser (ten tijde van het bestreden besluit) werd verdacht van het plegen van een strafbaar feit. Het is hierbij aan de minister om aannemelijk te maken dat eiser de pony’s heeft onthoofd. Eiser ontkent dat immers pertinent.

7. Eiser betoogt dat het bestreden besluit berust op verkeerde aannames en niet is voorzien van een deugdelijke motivering. Zo meent hij dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat hij handelt in dieren en in die hoedanigheid de betreffende pony’s heeft doorverkocht aan een derde. Dat de korpschef en de minister die verkoophandeling als malafide schetsen, vindt eiser stuitend. Zij baseren deze kwalificatie uitsluitend op het feit dat eiser de pony’s zonder verkoopbewijs heeft verkocht aan een persoon die hij niet kan identificeren, terwijl die handelswijze in de kleinhandel van dieren niet ongebruikelijk is. Hij heeft bovendien wel degelijk actie ondernomen om de identiteit van deze koper te achterhalen, onder meer door het melden bij de politie van het kenteken van de scooter van die koper. Deze koper is ook verhoord en heeft drie dagen vastgezeten, dat blijkt allemaal uit het strafrechtelijk dossier, aldus eiser. Het DNA-onderzoek waar het bestreden besluit mede op berust, klopt niet volgens eiser. Hij heeft hierover ter zitting verklaard dat het bloed in zijn auto van hazen en reeën is, waarop hij jaagde. De achterbak van zijn auto is naar eigen zeggen te klein voor het vervoeren van een pony. Die vervoerde hij in een veewagen. Dat het DNA van de pony’s in zijn voertuig is aangetroffen, is volgens eiser niet vreemd. Hij was voorheen langere tijd de eigenaar van deze dieren, zodat hun DNA door contaminatie op plekken binnen zijn bedrijf en voertuig kon belanden. Eiser verzet zich ertegen dat hieraan de conclusie wordt verbonden, dat hij er terecht van werd verdacht de pony’s te hebben mishandeld of gedood. Daarbij verwijst hij mede naar het sepot van
9 december 2025.

8. De minister brengt hiertegen in dat de korpschef de verlenging van de jachtakte terecht heeft geweigerd, wegens een ‘vrees voor misbruik’ in de zin van de Circulaire wapens en munitie (Cwm) 2019. Voldoende hiervoor is ‘geringe twijfel’, ten aanzien van het verantwoord zijn van de uitzondering die een jachtakte maakt op het verbod om wapens en munitie voorhanden te hebben. In dit geval blijkt uit een viertal processen-verbaal – die de basis vormen voor voornoemde vrees – dat het gedrag van eiser niet in lijn is met hetgeen van een jachtaktehouder mag worden verwacht. Een houder moet betrouwbaar zijn en zich gedragen overeenkomstig zijn bijzondere (uitzonderings-)positie en de daarbij behorende verantwoordelijkheden. In het geval van eiser trekt de minister zowel de betrouwbaarheid, als het gedrag van eiser in twijfel. De minister verwijst daartoe naar de tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser, respectievelijk het ten tijde van het bestreden besluit lopende strafrechtelijke onderzoek. De minister voert daarbij aan dat louter de DNA-sporen (bloed), aangetroffen op drie plaatsen in de auto van eiser, voldoende zijn om te spreken van een ‘geringe twijfel’ aan het voorhanden hebben van wapens en munitie.

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de jachtakte terecht niet meer aan eiser heeft toevertrouwd. Dat motiveert zij als volgt.


9.1.
Uit de wet volgt dat de korpschef de jachtakte weigert, indien er – samengevat – aanwijzingen zijn dat aan eiser het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Wanneer hiervan sprake is, is verder uitgewerkt in de Cwm 2019. Er moet dan een ‘vrees voor misbruik’ zijn.



9.2.
Degene die wapens en munitie voorhanden mag hebben, verkeert in een bijzondere positie ten opzichte van zijn medeburgers. Algemeen geldt daarop immers een wettelijk verbod. Deze bijzondere positie brengt met zich mee dat van eiser stipte naleving van de wettelijke voorschriften wordt verlangd, ook als deze niet gerelateerd zijn aan de wapenwetgeving. Eiser moet zich daarnaast onthouden van overtredingen die tot een (ernstige) aantasting van de rechtsorde kunnen leiden. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van een uitzondering op het verbod om wapens en munitie voorhanden te hebben, is al voldoende voor de weigering van de verlenging. Deze twijfel moet wel onderbouwd en objectief toetsbaar zijn.



9.3.
Uit Bijzonder deel (B), onder paragraaf 1.2, van de Cwm 2019, volgt dat de ‘vrees voor misbruik’ kan worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces-verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid. Niet de veroordeling is immers reden om de vergunning te weigeren, maar de vrees voor misbruik. Daarvan kan ook al sprake zijn zonder een veroordeling.



9.4.
Vaststaat dat eiser ten tijde van het bestreden besluit werd verdacht van het onthoofden van één of meerdere pony’s. Ook staat vast dat destijds ter zake een strafrechtelijk onderzoek liep. Uit de processen-verbaal van 8 mei 2024 en 8 oktober 2024 volgt verder dat op drie plekken in de auto van eiser DNA-sporen zijn aangetroffen, die te herleiden zijn naar bloedsporen van één van de dode pony’s. De rechtbank is van oordeel dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat hij reeds in deze feiten en omstandigheden grond heeft kunnen zien om de jachtakte van eiser niet te verlengen. Benadrukt zij daarbij dat het DNA-onderzoek uitdrukkelijk bloedsporen heeft vastgesteld, afkomstig van in de auto van eiser aangetroffen sporen met een omvang van ongeveer tien bij dertig centimeter. Dat is zonder meer wat anders dan de ‘DNA-sporen door contaminatie’ waar eiser naar heeft verwezen ter verklaring van de aangetroffen DNA-sporen. Het mishandelen en doden van een dier zijn misdrijven, die worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of een geldboete van de vijfde categorie. Deze kwalificatie en strafmaat geven blijk van de ernst van die strafbare feiten en het verwijt dat een pleger daarvan maatschappelijk treft. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van 11 oktober 2023 dat een wandelaar een hoofd van een pony heeft aangetroffen. Evenzo blijkt uit het proces-verbaal van 5 maart 2024 dat eiser na zijn aanhouding is verhoord door de districtsrecherche, die destijds het strafrechtelijk onderzoek had overgenomen vanwege de maatschappelijk schokkende aard van de zaak. Uit het voorgaande volgt dat de verdenking van eiser evident valt binnen de reikwijdte van het doel dat een weigering van een jachtakte als maatregel nastreeft, namelijk het beschermen van de veiligheid in de samenleving.



9.5.
Dat eiser verwijst naar het sepot van 9 december 2025, maakt het voorgaande niet anders. In deze beroepsprocedure gaat het namelijk om de vraag of er geringe twijfel bestaat aan het verantwoord zijn van een jachtakte. Dat is een andere en aanzienlijk minder hoge maatstaf dan de strafrechtelijke bewijslat. Bovendien is de bevoegdheid van de korpschef om vergunningen te weigeren een eigen bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid, die los staat van het strafrechtelijke traject.



9.6.
Dat eiser ter zitting nog naar voren heeft gebracht dat het strafrechtelijk dossier méér omvat dan de stukken hier in geding – de rechtbank begrijpt, ook voor eiser ontlastende bewijsstukken –, leidt evenmin tot een andersluidend oordeel. De resultaten uit het DNA-onderzoek zijn vastgelegd in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, die niet zonder meer terzijde kunnen worden geschoven door de uitlating van eiser dat deze (inhoudelijk) niet kloppen. Het DNA-onderzoek was hier dus op zichzelf al voldoende om te spreken van een ‘geringe vrees voor misbruik’ in de zin van de Cwm 2019. Het dossier biedt daarnaast onvoldoende aanknopingspunten op grond waarvan de rechtbank aan de grondigheid en juistheid van dit onderzoek zou moeten twijfelen.



9.7.
In het kader van de (belangen)afweging die de Cwm 2019 mogelijk maakt bij de bepaling of sprake is van ‘vrees voor misbruik’, overweegt de rechtbank tot slot dat de minister genoegzaam heeft betrokken de omstandigheden waaronder en de reden waarom eiser als verdachte werd aangemerkt. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ingebracht om deze belangenafweging in zijn voordeel uit te doen vallen. Dat eiser een blanco strafblad heeft, is weliswaar relevant, maar niet doorslaggevend. Uit de rechtspraak blijkt dat in de gevallen waarin werd afgeweken van de Cwm in het belang van de vergunninghouder, telkens sprake was van een combinatie van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan er geen vrees was voor de veiligheid in de samenleving. In het geval van eiser is de rechtbank niet gebleken van een dergelijke combinatie, althans dit is door eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt.

10. Uit het voorgaande volgt dat de minister zich redelijkerwijs op het standpunt mocht stellen dat door de (destijds) lopende strafzaak tegen eiser ‘geringe twijfel’ is ontstaan in de zin van de Cwm 2019 en vaste rechtspraak. De jachtakte kon daarom worden geweigerd. De beroepsgrond slaagt niet.



Belangenafweging



11. Eiser heeft tevens aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft meegewogen dat hij al tientallen jaren in dieren handelt en jaagt. Hij heeft hierin naar eigen zeggen een goede naam opgebouwd. Hij heeft sinds ongeveer 1977 een jachtakte en hij is van onberispelijk gedrag, aldus eiser.

12. Deze beroepsgrond slaag niet. Als vrees voor misbruik wordt aangenomen, laat de dwingendrechtelijke formulering van de relevante wetsbepalingen geen ruimte voor een belangenafweging van (persoonlijke) omstandigheden die niet al bij de totstandkoming van de vrees voor misbruik zijn betrokken. Omdat vast is komen te staan dat hier is voldaan aan het ‘vrees voor misbruik-criterium’, is er dus geen ruimte meer voor een (aanvullende) belangenafweging.



Eerlijk proces



13. Eiser betoogt dat het bestreden besluit getuigt van vooringenomenheid, vanwege tunnelvisie. Feiten en omstandigheden die op meerdere manieren uitgelegd kunnen worden, zijn door de minister telkens tegen hem gebruikt. Ook is hier sprake van willekeur. Dat blijkt volgens eiser bijvoorbeeld uit het verschil in argumentatie bij het voorgnomen besluit van de korpschef om de jachtakte te weigeren en het definitieve besluit daartoe, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit.

14. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser betoogt, overweegt de rechtbank dat de minister zijn standpunt ten aanzien van de geweigerde jachtakte consistent heeft gehandhaafd. Dat hij dit standpunt gedurende de bestuursrechtelijke procedure nader heeft toegelicht, naar aanleiding van de door eiser geuite bezwaren, geeft geen blijk van enige strijd met het recht op een eerlijk proces. In tegendeel—door te reageren op de stellingen van eiser heeft de minister gehandeld op een wijze die in (administratief) beroep van hem wordt verwacht. Ook anderszins is niet komen vast te staan dat het handelen van de minister blijk geeft van enige vooringenomenheid. De weigering van de jachtakte berust op een deugdelijke en objectieve grondslag, namelijk de ten tijde van het bestreden besluit strafrechtelijke verdenking en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal.





Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. De minister heeft terecht geoordeeld dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd. Dat betekent dat eiser zijn jachtakte niet terugkrijgt.

16. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook krijgt eiser zijn griffierecht niet vergoed.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Trifunović, rechter, in aanwezigheid van
B.L.J.M. Frijns, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op: 17 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 17 september 2026.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Omgevingswet





Artikel 5.39

Het bevoegd gezag wijzigt de voorschriften van een omgevingsvergunning of trekt een omgevingsvergunning in:



in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,


voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.





Artikel 5.42


3. Als geval als bedoeld in artikel 5.39, onder a, waarin het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit intrekt, wordt in ieder geval aangewezen het geval waarin de vergunninghouder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid die voorhanden te hebben, of waarin er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.



Besluit kwaliteit leefomgeving





Artikel 8.74t


2. Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt, ondanks voldoening aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, geweigerd, als:
a. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen of van de hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van populaties van in het wild levende dieren of het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen;



Circulaire wapens en munitie 2019




B. Bijzonder deel (B)

1. Geen vrees voor misbruik
…

1.2

Invulling van het ‘vrees voor misbruik criterium’
Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.



Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.
Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering - ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).



Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.



Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.
Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:
…
b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
…
Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten) Algemeen
Vrees voor misbruik kan ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten.
…

Sepots en processen-verbaal

Te denken valt aan door het openbaar ministerie geseponeerde zaken. Indien er sprake is van sepot wegens procedurele fouten in de opsporingsfase, of omdat de zaak te lang is blijven liggen, wegens gering feit of wegens geringe strafwaardigheid van het feit, kan er een duidelijker grond voor weigering of intrekking van een verlof zijn dan bij een sepot wegens gebrek aan bewijs. Een sepot omdat betrokkene ten onrechte als verdachte is aangemerkt zal uiteraard geen rol bij de beoordeling kunnen spelen.



De vrees voor misbruik kan eveneens worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces-verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid of in het geval dat de persoon in kwestie in hechtenis heeft gezeten, zonder dat daar een onherroepelijke rechterlijke uitspraak aan ten grondslag ligt. Een geval waarin een proces-verbaal (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid, doet zich voor wanneer de zaak zo recent is dat van een beslissing door de rechter of de officier van justitie nog geen sprake is (kan zijn) geweest.



Niet de veroordeling van de aanvrager of de vergunninghouder is immers de reden de vergunning te weigeren of in te trekken, maar de vrees voor misbruik. Die vrees kan er uiteraard ook al zonder veroordeling zijn. Uit het feit dat - in afwachting van een eventuele veroordeling - door de korpschef positief op de aanvraag wordt beslist, zou de betrokkene kunnen (en wellicht ook mogen) afleiden dat de korpschef de zaak niet zo ernstig neemt. Deze omstandigheid zal in bestuursrechtelijk opzicht op een later moment een hindernis kunnen vormen bij een beslissing tot intrekking, namelijk op het moment dat de veroordeling (alsnog) een feit is geworden. De bevoegdheid van de korpschef om vergunningen te weigeren en in te trekken is dan ook een eigen bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid, die los staat van het strafrechtelijke traject.




Artikel 8.74t, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).


Vgl. de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:219.


Vgl. de Afdeling 4 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3709.


Artikelen 2.1 en 2.10 van de Wet Dieren.


Artikel 8.12, eerste lid, van de Wet Dieren.


Vgl. de Afdeling 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:44, rov. 4.5.


Vgl. de Afdeling 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2219, en 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1950.


Artikel 5.39, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 5.42, derde lid, van de Omgevingswet, en artikel 8.74t, tweede lid, onder a van het Bkl.