Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9769
2026-09-02
Civiel recht; Goederenrecht
C/03/344375 / HA ZA 25-352
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gedaagde stelt dat eiser de verkeerde stichting heeft gedagvaard. Vervolgens vraagt eiser om rectificatie, welke rectificatie wordt gehonoreerd. De zaak gaat om de vraag wie eigenaar is van een stuk grond. De kadastrale erfgrens wijkt af van de feitelijke erfgrens. Degene die de grond van eiser in gebruik heeft stelt dat die door verjaring eigenaar is geworden van de grond, maar dat beroep op verjaring slaagt niet.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.602 tekens)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/344375 / HA ZA 25-352
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[de persoon]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de persoon] ,
advocaat: mr. M.M. van den Boomen,
tegen
[Stichting 1]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [Stichting 1] ,
advocaat: mr. T.H. Liebregts.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
─ het tussenvonnis van 11 maart 2026 waarin een descente en aansluitend een mondelinge behandeling is bepaald,
─ de akte houdende rectificatie partijaanduiding van [de persoon] ,
─ de antwoordakte van de [Stichting 1] ,
─ de akte overlegging relaas van bevindingen van het Kadaster, de toelichting daarop en reconstructiecoördinaten van [de persoon] ,
─ het proces-verbaal van descente en mondelinge behandeling van 1 juli 2026,
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[de persoon] is sinds 2 februari 2015 eigenaar van het kadastrale perceel [perceel 1] (hierna [perceel 1] ) gelegen aan de [adres 1] . [Stichting 1] is eigenaar van het naastgelegen kadastrale perceel [perceel 2] (hierna [perceel 2] ) gelegen aan de [adres 2] .
2.2.
[Stichting 1] heeft een gedeelte van het kadastrale perceel van [de persoon] (totaal 375,2 vierkante meter) in gebruik (op de hierna weergegeven kaart groen ingekleurd, hierna: “het groene perceeldeel”). [de persoon] heeft ook een gedeelte van het kadastrale perceel van voormelde stichting in gebruik (rood ingekleurd). Over dit gebruik heeft [Stichting 1] een separate procedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank met zaaknummer C/03/347491 / HA ZA 25-509.
2.3.
Op 27 januari 2025 heeft [de persoon] een brief gestuurd naar de toenmalige gemachtigde van [Stichting 1] waarin deze stichting wordt aangemaand om het onrechtmatige gebruik van het groene perceeldeel te beëindigen. Hieraan heeft [Stichting 1] geen gehoor gegeven.
3Het geschil
3.1.
[de persoon] vordert:
I. Gedaagde te veroordelen om binnen twee weken na het in deze kwestie te wijzen vonnis het deel van het perceel dat kadastraal bekend is als [perceel 1] , dat zij zonder recht of titel in gebruik heeft te ontruimen en ontruimd te houden, zodat eiser volledig en vrij over het perceel kan beschikken;
II. Gedaagde te veroordelen om een direct opeisbare dwangsom van € 2.500,00 aan eiser te voldoen voor iedere dag of gedeelte daarvan dat eiser het nalaat om te voldoen aan het gevorderde onder I., met een maximum van € 50.000,00, althans in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedragen;
III. Eiser te machtigen om, voor het geval gedaagde niet vrijwillig aan het vonnis mocht voldoen, de ontruiming van het perceel met toebehoren zelf te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de deurwaarder en/of de politie en/of justitie;
IV. Gedaagde te veroordelen om, als gedaagde niet vrijwillig voldoet aan het gevorderde onder sub I. en eiser de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder en/of de politie en/of justitie zelf bewerkstelligt, de kosten van de ontruiming aan eiser te voldoen op vertoning van het proces-verbaal van ontruiming en de daarin opgenomen kostenspecificatie;
V. Gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de gevorderde nakosten, met uitdrukkelijke bepaling dat gedaagde de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis zal hebben betaald.
3.2.
Gedaagde voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De ontvankelijkheid van [de persoon]
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van gedaagde is dat [de persoon] niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat hij de verkeerde stichting heeft gedagvaard. [de persoon] heeft de [Stichting 2 ] gedagvaard maar dat is niet de eigenaar van [perceel 2] en evenmin de rechtspersoon die het groene perceeldeel in gebruik heeft, zodat zij niet zou kunnen voldoen aan een eventuele veroordeling. Daarnaast is zij niet de partij die een beroep op verjaring van de ontruimingsvordering heeft gedaan. Dat is namelijk de [Stichting 1] . Volgens gedaagde kan de fout niet worden hersteld, omdat het daarvoor te laat is en [Stichting 1] daardoor in haar belangen wordt geschaad.
4.2.
Bij akte van 20 mei 2026 heeft [de persoon] verzocht om de partijaanduiding te rectificeren, in die zin dat de procedure wordt geacht te zijn ingesteld tegen [Stichting 1] als gedaagde. [de persoon] stelt samengevat dat sprake is van een kennelijke vergissing die zich leent voor herstel.
4.3.
Rectificatie van een aanvankelijk onjuiste partij-aanduiding kan een aanvaardbaar middel vormen tot herstel van een gemaakte vergissing wanneer (i) het onder de gegeven omstandigheden voor de processuele wederpartij kenbaar was dat van een vergissing sprake was, (ii) de wederpartij door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in haar verdediging geschaad, en (iii) de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat verzoek om rectificatie toewijsbaar is, gelet op het hierna volgende:
4.4.1.
In de dagvaarding is “ [Stichting 2 ] ” zetelende te [adres 3] vermeld als gedaagde. De zaak gaat over eigendom en onrechtmatig gebruik van een stuk grond, waarbij in de dagvaarding wordt verwezen naar een kadastraal uittreksel waarin staat dat “[Stichting 2 ] [Stichting 1] ” eigenaar is van het [perceel 2] . Verder is er correspondentie bij de dagvaarding gevoegd welke tevoren heeft plaatsgevonden tussen (de advocaten van) [de persoon] en [Stichting 1] omtrent de eigendomskwestie die partijen verdeeld houdt. Ter zitting hebben beide partijen desgevraagd ook bevestigd: “we wisten van elkaar dat we gingen dagvaarden.”
4.4.2.
Beide stichtingen zijn bovendien gevestigd op hetzelfde adres. De dagvaarding is aan een “huisgenoot” betekend, namelijk aan “mevrouw [naam 1] , die aangaf de stukken aan gedaagde te zullen geven”, zo vermeld de deurwaarder in het exploot. Niet duidelijk is aan wie deze mevrouw de dagvaarding heeft gegeven. Niet uitgesloten is dat de dagvaarding is afgegeven aan een vertegenwoordiger van [Stichting 1] , omdat die stichting op hetzelfde adres is gevestigd en zowel de penningmeester als de secretaris voor beide stichtingen dezelfde personen zijn (alleen de voorzitters zijn twee verschillende personen). Wat daar ook van zij, beide stichtingen worden bijgestaan door dezelfde advocaat die bekend was met het geschil en de dagvaarding tijdig heeft ontvangen, ingezien en daartegen verweer heeft kunnen voeren.
4.4.3.
Onder die omstandigheden was naar het oordeel van de rechtbank zowel voor [Stichting 2 ] als voor de [Stichting 1] duidelijk dat de dagvaarding was gericht aan [Stichting 1] . Het gebruik van de gronden waartegen de in de dagvaarding vervatte vorderingen zich richten vindt immers plaats door [Stichting 1] . Weliswaar zijn [Stichting 2 ] en [Stichting 1] twee verschillende stichtingen met elk een andere voorzitter, maar beide stichtingen zijn gevestigd op hetzelfde adres, hebben dezelfde penningmeester en secretaris en zijn aan elkaar gelieerd in die zin dat [Stichting 2 ] zich volgens de registers van de Kamer van Koophandel bezig houdt met onder meer het bevorderen van educatie en/of culturele vorming in de meest brede zin, ook buiten schoolverband, aan personen uit [plaats 2] en omstreken en [Stichting 1] zich op haar beurt onder meer bezig houdt met “het doen van uitkeringen met ideële of sociale strekking aan [Stichting 2 ] ”.
4.4.4.
Ook [Stichting 1] zelf was op de hoogte van het feit dat [de persoon] pretendeerde een vordering op haar te hebben. Alle correspondentie voorafgaande aan de procedure, inclusief de stuitingsbrief van 27 januari 2025 van [de persoon] is gericht en verzonden aan en ontvangen door [Stichting 1] en [Stichting 1] heeft ook kennis genomen van de dagvaarding en middels de gezamenlijke advocaat inhoudelijk verweer gevoerd.
4.4.5.
Het was dus voor beide stichtingen kenbaar dat sprake was van een vergissing. Dat [de persoon] de vorderingen niet tegen [Stichting 2 ] wilde instellen, aangezien deze stichting noch het feitelijke gebruik dan wel enig eigendomsrecht ten aanzien van de percelen uitoefent maar tegen [Stichting 1] staat dan ook buiten twijfel.
4.4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vergissing tijdig gerectificeerd en wordt [Stichting 1] ook niet in haar verdediging geschaad. Van onredelijke schending van belangen is sprake als [Stichting 1] door de vergissing wordt bemoeilijkt in het voeren van inhoudelijk verweer. Dat is niet het geval. [Stichting 1] heeft schriftelijk verweer gevoerd, werd tijdens de zitting (met schriftelijke volmacht) vertegenwoordigd door de heer Korten, die bij beide stichtingen de penningmeester is en haar advocaat heeft tijdens die zitting ook uitgebreid de gelegenheid gekregen om verweer te voeren. De stelling dat [Stichting 1] wordt benadeeld omdat de stuitingsbrief van 27 januari 2025 niet is gevolgd door een tegen haar gerichte dagvaarding snijdt geen houdt, omdat de rechtbank van oordeel is dat slechts de in de dagvaarding vermelde partijnaam abusievelijk verkeerd is weergegeven maar dagvaarding feitelijk en juridisch was gericht aan [Stichting 1] .
4.5.
De rectificatie zal gelet op het voorgaande worden toegewezen. Dat betekent dat de rechtbank daar waar in de inleidende dagvaarding is vermeld: “de [Stichting 2 ] ” zal lezen “de [Stichting 1] ”, reden waarom ook reeds in de kop van dit vonnis de juiste partijbenaming is aangehouden.
4.6.
Dat betekent dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
De inhoudelijke beoordeling
4.7.
De rechtbank heeft met partijen geconstateerd dat het groene perceeldeel afwijkt van het rood omrande gedeelte zoals weergegeven onder randnummer 4 (en pagina 4) van de dagvaarding. Echter, tijdens de descente is geconstateerd dat partijen het erover eens zijn dat bovenstaande en aan het proces-verbaal gehechte kaart juist is, zodat de rechtbank deze tot uitgangspunt zal nemen. Dat betekent dat tussen partijen vaststaat dat [Stichting 1] 375,2 vierkante meter grond van het aan [de persoon] toebehorende [perceel 1] in gebruik heeft als paardenbak.
4.8.
[de persoon] voert ter onderbouwing van zijn vorderingen aan dat [perceel 1] zijn eigendom is en dat [Stichting 1] onrechtmatig gebruik maakt van het groene perceeldeel, reden waarom dat gebruik moet stoppen en [Stichting 1] het groene perceeldeel moet ontruimen. [Stichting 1] stelt evenwel dat de vorderingen van de [de persoon] moeten worden afgewezen, omdat zij eigenaar is geworden van het groene perceeldeel op grond van verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 BW.
4.9.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de kadastrale erfgrenzen afwijken van de feitelijke erfgrenzen van de percelen van partijen, zoals visueel weergegeven op de kaart die aan het proces-verbaal is aangehecht. Evenmin is in geschil dat [de persoon] rechthebbende is van [perceel 1] waartoe ook het groene perceeldeel behoort. In beginsel betekent dit dat [Stichting 1] onrechtmatig gebruik maakt van het groene perceeldeel en dat de vorderingen van [de persoon] moeten worden toegewezen. Dit is echter anders indien vast komt te staan dat de [Stichting 1] door verjaring eigenaar is geworden van het groene perceeldeel.
4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter niet het geval. Op grond van artikel 3:99 BW wordt een recht op een registergoed verkregen door onafgebroken bezit te goeder trouw gedurende meer dan 10 jaar. Er bestaat veel jurisprudentie over wanneer sprake is van bezit te goeder trouw, maar daar gaat de rechtbank niet op in, omdat ook als zou worden aangenomen dat daarvan sprake is, de eventueel lopende verjaring tijdig is gestuit. Dat [Stichting 1] door verjaring eigenaar is geworden kan dan ook niet worden geoordeeld. De rechtbank legt dat hierna uit.
4.11.
[de persoon] verkreeg het eigendom van [perceel 1] op 2 februari 2015 nadat hij het perceel met woning had gekocht van [naam 2] , die het perceel op haar beurt sinds 1993 in eigendom had. [naam 2] was tevens bestuurder van [B.V.] (hierna: “ [B.V.] ”) die op 22 december 1983 al een erfpachtrecht verkreeg ten aanzien van [perceel 2] . Beide partijen hebben gesteld dat de rechtsvoorganger van [de persoon] ( [naam 2] ) zodoende vanaf 1993 het feitelijke gebruik had van zowel [perceel 1] als [perceel 2] en deze percelen als zodanig ook heeft ingericht. Het groene perceeldeel had zij ingericht als weide en was – en is nog steeds – met hekken afgeschermd. Dat erfpachtrecht is geëindigd op 31 december 2013, hetgeen is vastgelegd in een notariële akte van 5 februari 2014.
4.12.
[Stichting 1] heeft gesteld dat zij het groene perceeldeel van [perceel 1] eerst op 2 februari 2015 in bezit heeft genomen en dat de verjaringstermijn per die dag is aangevangen. Daaruit volgt dat de verjaringstermijn behoudens stuiting eerst op 2 februari 2025 kan zijn voltooid. [Stichting 1] heeft evenwel erkend dat zij op 27 januari 2025 een stuitingsbrief van [de persoon] heeft ontvangen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:317 lid 2 jo. 3:316 BW dient de stuiting binnen zes maanden te worden gevolgd door het instellen van een eis. Daarvan is in dit geval sprake. [de persoon] heeft op 24 juli 2025 de dagvaarding doen betekenen. Hiervoor is reeds overwogen dat die dagvaarding naar het oordeel van de rechtbank aan [Stichting 1] is gericht. Daaruit volgt dat de verjaringstermijn van tien jaar niet is voltooid en [Stichting 1] geen eigenaar is geworden van het groen gearceerde deel van [perceel 1] dat zij in gebruik heeft. Daaruit volgt tevens dat van verjaring van de vordering strekkende tot beëindiging van het bezit als bedoeld in artikelen 3:105 lid 1 jo. 3:314 lid 2 BW geen sprake kan zijn, nu daarvoor een termijn van twintig jaar geldt. De vordering tot ontruiming ligt dan ook voor toewijzing gereed.
4.13.
Partijen hebben ter zitting evenwel uitdrukkelijk gesteld dat – gelet op de feitelijke samenhang tussen de twee afzonderlijke tussen hen aanhangige procedures – het doel van partijen is om duidelijkheid te krijgen over de eigendomssituatie en partijen na ontvangst van vonnis in beide procedures met elkaar in overleg zullen treden over hoe nu verder. De rechtbank is van oordeel dat thans dan ook geen belang bestaat bij de onder II, III en IV gevorderde dwangsom en machtiging en zal deze vorderingen daarom afwijzen.
4.14.
De [Stichting 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de persoon] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.632,50
(2,5 punt × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.300,54
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt de [Stichting 1] om binnen twee weken na dit vonnis het deel van het perceel dat kadastraal bekend is als [perceel 1] , dat zij in gebruik heeft te ontruimen en ontruimd te houden, zodat [de persoon] volledig en vrij over het perceel kan beschikken,
5.2.
veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 1.205,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Stichting niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt de Stichting tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
In de dagvaarding staat [Stichting 2 ] als gedaagde genoemd, maar de rechtbank legt in dit vonnis uit dat dit op een vergissing berust en [Stichting 1] als gedaagde moet worden aangemerkt.
Deze kaart is in A3 formaat aangehecht aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 juli 2026.
vgl. HR 4 december 1998, nr. C97/212, NJ 1999, 269
In de conclusie van antwoord is subsidiair – voor het geval het verzoek tot rectificatie van [de persoon] door de rechtbank zou worden gehonoreerd - het verweer opgenomen van [Stichting 1] , althans het verweer dat [Stichting 1] , zou voeren indien de vorderingen tegen haar zouden zijn ingesteld.
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/344375 / HA ZA 25-352
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[de persoon]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de persoon] ,
advocaat: mr. M.M. van den Boomen,
tegen
[Stichting 1]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [Stichting 1] ,
advocaat: mr. T.H. Liebregts.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
─ het tussenvonnis van 11 maart 2026 waarin een descente en aansluitend een mondelinge behandeling is bepaald,
─ de akte houdende rectificatie partijaanduiding van [de persoon] ,
─ de antwoordakte van de [Stichting 1] ,
─ de akte overlegging relaas van bevindingen van het Kadaster, de toelichting daarop en reconstructiecoördinaten van [de persoon] ,
─ het proces-verbaal van descente en mondelinge behandeling van 1 juli 2026,
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[de persoon] is sinds 2 februari 2015 eigenaar van het kadastrale perceel [perceel 1] (hierna [perceel 1] ) gelegen aan de [adres 1] . [Stichting 1] is eigenaar van het naastgelegen kadastrale perceel [perceel 2] (hierna [perceel 2] ) gelegen aan de [adres 2] .
2.2.
[Stichting 1] heeft een gedeelte van het kadastrale perceel van [de persoon] (totaal 375,2 vierkante meter) in gebruik (op de hierna weergegeven kaart groen ingekleurd, hierna: “het groene perceeldeel”). [de persoon] heeft ook een gedeelte van het kadastrale perceel van voormelde stichting in gebruik (rood ingekleurd). Over dit gebruik heeft [Stichting 1] een separate procedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank met zaaknummer C/03/347491 / HA ZA 25-509.
2.3.
Op 27 januari 2025 heeft [de persoon] een brief gestuurd naar de toenmalige gemachtigde van [Stichting 1] waarin deze stichting wordt aangemaand om het onrechtmatige gebruik van het groene perceeldeel te beëindigen. Hieraan heeft [Stichting 1] geen gehoor gegeven.
3Het geschil
3.1.
[de persoon] vordert:
I. Gedaagde te veroordelen om binnen twee weken na het in deze kwestie te wijzen vonnis het deel van het perceel dat kadastraal bekend is als [perceel 1] , dat zij zonder recht of titel in gebruik heeft te ontruimen en ontruimd te houden, zodat eiser volledig en vrij over het perceel kan beschikken;
II. Gedaagde te veroordelen om een direct opeisbare dwangsom van € 2.500,00 aan eiser te voldoen voor iedere dag of gedeelte daarvan dat eiser het nalaat om te voldoen aan het gevorderde onder I., met een maximum van € 50.000,00, althans in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedragen;
III. Eiser te machtigen om, voor het geval gedaagde niet vrijwillig aan het vonnis mocht voldoen, de ontruiming van het perceel met toebehoren zelf te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de deurwaarder en/of de politie en/of justitie;
IV. Gedaagde te veroordelen om, als gedaagde niet vrijwillig voldoet aan het gevorderde onder sub I. en eiser de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder en/of de politie en/of justitie zelf bewerkstelligt, de kosten van de ontruiming aan eiser te voldoen op vertoning van het proces-verbaal van ontruiming en de daarin opgenomen kostenspecificatie;
V. Gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de gevorderde nakosten, met uitdrukkelijke bepaling dat gedaagde de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis zal hebben betaald.
3.2.
Gedaagde voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De ontvankelijkheid van [de persoon]
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van gedaagde is dat [de persoon] niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat hij de verkeerde stichting heeft gedagvaard. [de persoon] heeft de [Stichting 2 ] gedagvaard maar dat is niet de eigenaar van [perceel 2] en evenmin de rechtspersoon die het groene perceeldeel in gebruik heeft, zodat zij niet zou kunnen voldoen aan een eventuele veroordeling. Daarnaast is zij niet de partij die een beroep op verjaring van de ontruimingsvordering heeft gedaan. Dat is namelijk de [Stichting 1] . Volgens gedaagde kan de fout niet worden hersteld, omdat het daarvoor te laat is en [Stichting 1] daardoor in haar belangen wordt geschaad.
4.2.
Bij akte van 20 mei 2026 heeft [de persoon] verzocht om de partijaanduiding te rectificeren, in die zin dat de procedure wordt geacht te zijn ingesteld tegen [Stichting 1] als gedaagde. [de persoon] stelt samengevat dat sprake is van een kennelijke vergissing die zich leent voor herstel.
4.3.
Rectificatie van een aanvankelijk onjuiste partij-aanduiding kan een aanvaardbaar middel vormen tot herstel van een gemaakte vergissing wanneer (i) het onder de gegeven omstandigheden voor de processuele wederpartij kenbaar was dat van een vergissing sprake was, (ii) de wederpartij door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in haar verdediging geschaad, en (iii) de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat verzoek om rectificatie toewijsbaar is, gelet op het hierna volgende:
4.4.1.
In de dagvaarding is “ [Stichting 2 ] ” zetelende te [adres 3] vermeld als gedaagde. De zaak gaat over eigendom en onrechtmatig gebruik van een stuk grond, waarbij in de dagvaarding wordt verwezen naar een kadastraal uittreksel waarin staat dat “[Stichting 2 ] [Stichting 1] ” eigenaar is van het [perceel 2] . Verder is er correspondentie bij de dagvaarding gevoegd welke tevoren heeft plaatsgevonden tussen (de advocaten van) [de persoon] en [Stichting 1] omtrent de eigendomskwestie die partijen verdeeld houdt. Ter zitting hebben beide partijen desgevraagd ook bevestigd: “we wisten van elkaar dat we gingen dagvaarden.”
4.4.2.
Beide stichtingen zijn bovendien gevestigd op hetzelfde adres. De dagvaarding is aan een “huisgenoot” betekend, namelijk aan “mevrouw [naam 1] , die aangaf de stukken aan gedaagde te zullen geven”, zo vermeld de deurwaarder in het exploot. Niet duidelijk is aan wie deze mevrouw de dagvaarding heeft gegeven. Niet uitgesloten is dat de dagvaarding is afgegeven aan een vertegenwoordiger van [Stichting 1] , omdat die stichting op hetzelfde adres is gevestigd en zowel de penningmeester als de secretaris voor beide stichtingen dezelfde personen zijn (alleen de voorzitters zijn twee verschillende personen). Wat daar ook van zij, beide stichtingen worden bijgestaan door dezelfde advocaat die bekend was met het geschil en de dagvaarding tijdig heeft ontvangen, ingezien en daartegen verweer heeft kunnen voeren.
4.4.3.
Onder die omstandigheden was naar het oordeel van de rechtbank zowel voor [Stichting 2 ] als voor de [Stichting 1] duidelijk dat de dagvaarding was gericht aan [Stichting 1] . Het gebruik van de gronden waartegen de in de dagvaarding vervatte vorderingen zich richten vindt immers plaats door [Stichting 1] . Weliswaar zijn [Stichting 2 ] en [Stichting 1] twee verschillende stichtingen met elk een andere voorzitter, maar beide stichtingen zijn gevestigd op hetzelfde adres, hebben dezelfde penningmeester en secretaris en zijn aan elkaar gelieerd in die zin dat [Stichting 2 ] zich volgens de registers van de Kamer van Koophandel bezig houdt met onder meer het bevorderen van educatie en/of culturele vorming in de meest brede zin, ook buiten schoolverband, aan personen uit [plaats 2] en omstreken en [Stichting 1] zich op haar beurt onder meer bezig houdt met “het doen van uitkeringen met ideële of sociale strekking aan [Stichting 2 ] ”.
4.4.4.
Ook [Stichting 1] zelf was op de hoogte van het feit dat [de persoon] pretendeerde een vordering op haar te hebben. Alle correspondentie voorafgaande aan de procedure, inclusief de stuitingsbrief van 27 januari 2025 van [de persoon] is gericht en verzonden aan en ontvangen door [Stichting 1] en [Stichting 1] heeft ook kennis genomen van de dagvaarding en middels de gezamenlijke advocaat inhoudelijk verweer gevoerd.
4.4.5.
Het was dus voor beide stichtingen kenbaar dat sprake was van een vergissing. Dat [de persoon] de vorderingen niet tegen [Stichting 2 ] wilde instellen, aangezien deze stichting noch het feitelijke gebruik dan wel enig eigendomsrecht ten aanzien van de percelen uitoefent maar tegen [Stichting 1] staat dan ook buiten twijfel.
4.4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vergissing tijdig gerectificeerd en wordt [Stichting 1] ook niet in haar verdediging geschaad. Van onredelijke schending van belangen is sprake als [Stichting 1] door de vergissing wordt bemoeilijkt in het voeren van inhoudelijk verweer. Dat is niet het geval. [Stichting 1] heeft schriftelijk verweer gevoerd, werd tijdens de zitting (met schriftelijke volmacht) vertegenwoordigd door de heer Korten, die bij beide stichtingen de penningmeester is en haar advocaat heeft tijdens die zitting ook uitgebreid de gelegenheid gekregen om verweer te voeren. De stelling dat [Stichting 1] wordt benadeeld omdat de stuitingsbrief van 27 januari 2025 niet is gevolgd door een tegen haar gerichte dagvaarding snijdt geen houdt, omdat de rechtbank van oordeel is dat slechts de in de dagvaarding vermelde partijnaam abusievelijk verkeerd is weergegeven maar dagvaarding feitelijk en juridisch was gericht aan [Stichting 1] .
4.5.
De rectificatie zal gelet op het voorgaande worden toegewezen. Dat betekent dat de rechtbank daar waar in de inleidende dagvaarding is vermeld: “de [Stichting 2 ] ” zal lezen “de [Stichting 1] ”, reden waarom ook reeds in de kop van dit vonnis de juiste partijbenaming is aangehouden.
4.6.
Dat betekent dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
De inhoudelijke beoordeling
4.7.
De rechtbank heeft met partijen geconstateerd dat het groene perceeldeel afwijkt van het rood omrande gedeelte zoals weergegeven onder randnummer 4 (en pagina 4) van de dagvaarding. Echter, tijdens de descente is geconstateerd dat partijen het erover eens zijn dat bovenstaande en aan het proces-verbaal gehechte kaart juist is, zodat de rechtbank deze tot uitgangspunt zal nemen. Dat betekent dat tussen partijen vaststaat dat [Stichting 1] 375,2 vierkante meter grond van het aan [de persoon] toebehorende [perceel 1] in gebruik heeft als paardenbak.
4.8.
[de persoon] voert ter onderbouwing van zijn vorderingen aan dat [perceel 1] zijn eigendom is en dat [Stichting 1] onrechtmatig gebruik maakt van het groene perceeldeel, reden waarom dat gebruik moet stoppen en [Stichting 1] het groene perceeldeel moet ontruimen. [Stichting 1] stelt evenwel dat de vorderingen van de [de persoon] moeten worden afgewezen, omdat zij eigenaar is geworden van het groene perceeldeel op grond van verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 BW.
4.9.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de kadastrale erfgrenzen afwijken van de feitelijke erfgrenzen van de percelen van partijen, zoals visueel weergegeven op de kaart die aan het proces-verbaal is aangehecht. Evenmin is in geschil dat [de persoon] rechthebbende is van [perceel 1] waartoe ook het groene perceeldeel behoort. In beginsel betekent dit dat [Stichting 1] onrechtmatig gebruik maakt van het groene perceeldeel en dat de vorderingen van [de persoon] moeten worden toegewezen. Dit is echter anders indien vast komt te staan dat de [Stichting 1] door verjaring eigenaar is geworden van het groene perceeldeel.
4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter niet het geval. Op grond van artikel 3:99 BW wordt een recht op een registergoed verkregen door onafgebroken bezit te goeder trouw gedurende meer dan 10 jaar. Er bestaat veel jurisprudentie over wanneer sprake is van bezit te goeder trouw, maar daar gaat de rechtbank niet op in, omdat ook als zou worden aangenomen dat daarvan sprake is, de eventueel lopende verjaring tijdig is gestuit. Dat [Stichting 1] door verjaring eigenaar is geworden kan dan ook niet worden geoordeeld. De rechtbank legt dat hierna uit.
4.11.
[de persoon] verkreeg het eigendom van [perceel 1] op 2 februari 2015 nadat hij het perceel met woning had gekocht van [naam 2] , die het perceel op haar beurt sinds 1993 in eigendom had. [naam 2] was tevens bestuurder van [B.V.] (hierna: “ [B.V.] ”) die op 22 december 1983 al een erfpachtrecht verkreeg ten aanzien van [perceel 2] . Beide partijen hebben gesteld dat de rechtsvoorganger van [de persoon] ( [naam 2] ) zodoende vanaf 1993 het feitelijke gebruik had van zowel [perceel 1] als [perceel 2] en deze percelen als zodanig ook heeft ingericht. Het groene perceeldeel had zij ingericht als weide en was – en is nog steeds – met hekken afgeschermd. Dat erfpachtrecht is geëindigd op 31 december 2013, hetgeen is vastgelegd in een notariële akte van 5 februari 2014.
4.12.
[Stichting 1] heeft gesteld dat zij het groene perceeldeel van [perceel 1] eerst op 2 februari 2015 in bezit heeft genomen en dat de verjaringstermijn per die dag is aangevangen. Daaruit volgt dat de verjaringstermijn behoudens stuiting eerst op 2 februari 2025 kan zijn voltooid. [Stichting 1] heeft evenwel erkend dat zij op 27 januari 2025 een stuitingsbrief van [de persoon] heeft ontvangen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:317 lid 2 jo. 3:316 BW dient de stuiting binnen zes maanden te worden gevolgd door het instellen van een eis. Daarvan is in dit geval sprake. [de persoon] heeft op 24 juli 2025 de dagvaarding doen betekenen. Hiervoor is reeds overwogen dat die dagvaarding naar het oordeel van de rechtbank aan [Stichting 1] is gericht. Daaruit volgt dat de verjaringstermijn van tien jaar niet is voltooid en [Stichting 1] geen eigenaar is geworden van het groen gearceerde deel van [perceel 1] dat zij in gebruik heeft. Daaruit volgt tevens dat van verjaring van de vordering strekkende tot beëindiging van het bezit als bedoeld in artikelen 3:105 lid 1 jo. 3:314 lid 2 BW geen sprake kan zijn, nu daarvoor een termijn van twintig jaar geldt. De vordering tot ontruiming ligt dan ook voor toewijzing gereed.
4.13.
Partijen hebben ter zitting evenwel uitdrukkelijk gesteld dat – gelet op de feitelijke samenhang tussen de twee afzonderlijke tussen hen aanhangige procedures – het doel van partijen is om duidelijkheid te krijgen over de eigendomssituatie en partijen na ontvangst van vonnis in beide procedures met elkaar in overleg zullen treden over hoe nu verder. De rechtbank is van oordeel dat thans dan ook geen belang bestaat bij de onder II, III en IV gevorderde dwangsom en machtiging en zal deze vorderingen daarom afwijzen.
4.14.
De [Stichting 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de persoon] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.632,50
(2,5 punt × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.300,54
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt de [Stichting 1] om binnen twee weken na dit vonnis het deel van het perceel dat kadastraal bekend is als [perceel 1] , dat zij in gebruik heeft te ontruimen en ontruimd te houden, zodat [de persoon] volledig en vrij over het perceel kan beschikken,
5.2.
veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 1.205,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Stichting niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt de Stichting tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
In de dagvaarding staat [Stichting 2 ] als gedaagde genoemd, maar de rechtbank legt in dit vonnis uit dat dit op een vergissing berust en [Stichting 1] als gedaagde moet worden aangemerkt.
Deze kaart is in A3 formaat aangehecht aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 juli 2026.
vgl. HR 4 december 1998, nr. C97/212, NJ 1999, 269
In de conclusie van antwoord is subsidiair – voor het geval het verzoek tot rectificatie van [de persoon] door de rechtbank zou worden gehonoreerd - het verweer opgenomen van [Stichting 1] , althans het verweer dat [Stichting 1] , zou voeren indien de vorderingen tegen haar zouden zijn ingesteld.