Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9768
2026-09-02
Civiel recht; Goederenrecht
C/03/347491/HA ZA 25-509
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De feitelijke erfgrens tussen twee percelen wijkt af van de kadastrale erfgrens. Degene die de grond van eiser in gebruik heeft stelt dat hij door verjaring eigenaar is geworden, maar dat beroep op verjaring slaagt niet.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2020:1413 Hoge Raad 11-09-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.080 tekens)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/347491 / HA ZA 25-509
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[de Stichting]
,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: de Stichting,
advocaat: mr. T.H. Liebregts,
tegen
[de persoon]
,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de persoon] ,
advocaat: mr. M.M. van den Boomen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
─ het tussenvonnis van 11 maart 2026 waarin is bepaald dat een descente en aansluitend een mondelinge behandeling zal plaatsvinden,
─ de akte overlegging relaas van bevindingen van het Kadaster, de toelichting daarop en reconstructiecoördinaten van [de persoon] ,
─ het proces-verbaal van descente en mondelinge behandeling van 1 juli 2026,
─ bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de Stichting geantwoord op de voorwaardelijk door [de persoon] ingestelde eis in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De Stichting is eigenaar van het kadastrale perceel gemeente [perceel 1]
(hierna [perceel 1] ) gelegen aan de [adres 1] . [de persoon] is sinds 2 februari 2015 eigenaar van het naastgelegen kadastrale perceel [perceel 2] (hierna [perceel 2] ) gelegen aan de [adres 2] .
2.2.
[de persoon] heeft een gedeelte van het kadastrale perceel van de Stichting in gebruik (op de hierna weergegeven kaart rood ingekleurd, hierna: “het rode perceeldeel”). De Stichting heeft ook een gedeelte van het kadastrale perceel van [de persoon] in gebruik (groen ingekleurd). Over dit gebruik heeft [de persoon] een separate procedure aanhangig gemaakt met zaaknummer C/03/344375 / HA ZA 25-352.
2.3.
Bij brief van 30 december 2024 (aangetekend en per gewone post verstuurd) heeft de Stichting [de persoon] aangemaand om het (onrechtmatig)gebruik van het rode perceeldeel te beëindigen. Bij brief van 27 januari 2025 (welke door de deurwaarder aan [de persoon] is betekend) heeft de Stichting [de persoon] opnieuw aangemaand.
2.4.
[de persoon] verkreeg het eigendom van [perceel 2] op 2 februari 2015 nadat hij het perceel met woning had gekocht van [naam] , die het perceel op haar beurt sinds 1993 in eigendom had. [naam] was tevens bestuurder van [B.V.] (hierna: “ [B.V.] ”) die op 22 december 1983 al een erfpachtrecht verkreeg ten aanzien van [perceel 1] . Dat erfpachtrecht is geëindigd op 31 december 2013, hetgeen is vastgelegd in een notariële akte van 5 februari 2014 waarin onder meer de verklaring van [naam] is opgenomen dat de Stichting enig en volledig eigenaar is van [perceel 1] .
3Het geschil
In conventie
3.1.
De Stichting vordert dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Voor recht verklaart dat de Stichting eigenaar is van het volledige kadastrale perceel [perceel 1] , inclusief het gedeelte dat op dit moment door [de persoon] wordt gebruikt (rood omrand onder randnummer 8 van deze dagvaarding);
[de persoon] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, het gebruik van de onder punt 1 genoemde grondstrook te staken en gestaakt te houden en om al zijn zaken hiervan te verwijderen en verwijderd te houden, en [de persoon] veroordeelt om aan de Stichting te voldoen een direct opeisbare dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [de persoon] nalaat om hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,00, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[de persoon] veroordeelt in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis en. Voor het geval voldoening niet binnen veertiend dagen na betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [de persoon] veroordeelt in de nakosten met een bedrag van € 178,00 dan wel, indien betekening plaatsvindt, met een bedrag van € 270,00 en de eventuele verdere executiekosten.
3.2.
[de persoon] voert verweer en stelt dat hij op grond van (verkrijgende)verjaring eigenaar is geworden van het rode perceeldeel.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In (voorwaardelijke) reconventie
3.4.
[de persoon] vordert dat de rechtbank, voor zover zij van oordeel mocht zijn dat [de persoon] geen eigendom door verjaring heeft verkregen, voor recht verklaart dat [de persoon] gerechtigd is de litigieuze grondstrook te blijven gebruiken totdat de Stichting haar gebruik van [perceel 2] van [de persoon] eveneens heeft gestaakt.
3.5.
De Stichting voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling in conventie
4.1.
De rechtbank heeft met partijen geconstateerd dat het rode perceeldeel afwijkt van het rood omrande gedeelte zoals weergegeven onder randnummer 8 van de dagvaarding. Echter, tijdens de descente is geconstateerd dat partijen het erover eens zijn dat bovenstaande en aan het proces-verbaal gehechte kaart juist is, zodat de rechtbank deze als uitgangspunt zal nemen. Dat betekent ook dat de rechtbank de vorderingen van de Stichting aldus begrijpt dat die betrekking hebben op het rode perceeldeel zoals weergegeven op de onder 2.2. weergegeven en de aan het proces-verbaal gehechte kaart.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de kadastrale grenzen afwijken van de feitelijke erfgrenzen van beide percelen, zoals visueel weergegeven op de kaart die bij het proces-verbaal is gevoegd. Evenmin is in geschil dat de Stichting eigenaar is van [perceel 1] , waartoe ook het rode perceeldeel behoort. In beginsel betekent dit dat [de persoon] onrechtmatig gebruik maakt van (het rode perceeldeel dat onderdeel is van) [perceel 1] en dat de vorderingen van de Stichting moeten worden toegewezen. Dit is echter anders indien vast komt te staan dat [de persoon] door verjaring eigenaar is geworden van het rode perceeldeel.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter niet het geval. Op grond van artikel 3:99 BW wordt een recht op een registergoed verkregen door onafgebroken bezit te goeder trouw gedurende meer dan 10 jaar. Er bestaat veel jurisprudentie over wanneer sprake is van bezit te goeder trouw, maar daar gaat de rechtbank niet op in, omdat ook als zou worden aangenomen dat daarvan sprake is, eventueel lopende verjaring tijdig is gestuit, waardoor niet geoordeeld kan worden dat [de persoon] door verjaring eigenaar is geworden. De rechtbank zal dat hierna uitleggen hoe zij tot dat oordeel komt.
4.3.1.
[de persoon] verkreeg het eigendom van [perceel 2] op 2 februari 2015 nadat hij het perceel met woning had gekocht van [naam] , die het perceel op haar beurt sinds 1993 in eigendom had. [naam] was tevens bestuurder van [B.V.] (hierna: “ [B.V.] ”) die op 22 december 1983 al een erfpachtrecht verkreeg ten aanzien van [perceel 1] . Beide partijen hebben gesteld dat de rechtsvoorganger van [de persoon] ( [naam] ) zodoende vanaf 1993 het feitelijke gebruik had van zowel [perceel 2] als [perceel 1] en deze percelen als zodanig ook heeft ingericht. Dat erfpachtrecht is geëindigd op 31 december 2013, hetgeen is vastgelegd in een notariële akte van 5 februari 2014. In die notariële akte is opgenomen de verklaring van zowel de Stichting als [naam] dat het erfpachtrecht is geëindigd op 31 december 2013 en dat de Stichting “enig en volledig eigenaar is van de onroerende zaak”.
4.4.
[de persoon] stelt dat de verjaringstermijn is aangevangen vanaf het moment dat recht van erfpacht eindigde: 1 januari 2014. Vanaf die datum oefende [naam] de feitelijke macht uit over het rode perceeldeel, zonder dat daar een rechtsverhouding aan ten grondslag lag. [de persoon] heeft met ingang van 2 februari 2015 het sinds 1 januari 2014 uitgeoefende bezit door [naam] voortgezet, waarmee ook de lopende verjaringstermijn is voortgezet. De verjaringstermijn van 10 jaar is zodoende op 1 januari 2024 voltooid zodat [de persoon] door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van het rode perceeldeel. De stuitingsbrieven van 30 december 2024 en 27 januari 2025 zijn te laat, aldus [de persoon] .
4.4.1.
De Stichting voert daartegen aan dat [naam] als erfpachter slechts houder was en geen bezitter. Zij heeft – ook na einde erfpachtrecht – de zaak nimmer voor zichzelf gehouden zodat van bezit geen sprake is geweest. Voor zover al sprake is van bezit te goeder trouw kan de termijn bedoeld in artikel 3:99 lid 1 BW dan ook hoogstens op 2 februari 2015 zijn aangevangen. In dat geval heeft evenwel te gelden dat de Stichting de lopende termijn bij brief van 27 januari 2025 tijdig heeft gestuit, aldus de Stichting.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetenschap van [naam] als bestuurder van [B.V.] ook te gelden als wetenschap aan haar in persoon. Bovendien wist [naam] niet alleen dat de Stichting enig en volledig eigenaar was van [perceel 1] , zij heeft dat ook verklaard en die verklaring op 5 februari 2014 laten vastleggen in een notariële akte. Noch daargelaten dat onder die omstandigheden geen sprake is van goede trouw, maakt haar verklaring zonneklaar dat [naam] geen eigendomspretentie had. Zij hield – ook na het eindigen van het recht van erfpacht – het perceel niet voor zichzelf. Van bezit door [naam] was dan ook geen sprake. Van een zich zodanig gedragen dat de Stichting tegen wie de verjaring liep daaruit naar objectieve maatstaven niet anders kon afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn, is onder die omstandigheden immers geen sprake. De stelling van [de persoon] dat sprake is van voortgezet bezit te goeder trouw faalt dan ook.
4.6.
Voor zover aan de zijde van [de persoon] sprake zou zijn van bezit te goeder trouw kan de termijn voor verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:99 lid 1 BW dan ook eerst op 2 februari 2015 zijn aangevangen. De verjaringstermijn zou dan – behoudens stuiting – eerst op 2 februari 2025 zijn voltooid. De Stichting heeft op 30 december 2024 en op 27 januari 2025 [de persoon] aangemaand om het onrechtmatig gebruik van het rode perceeldeel te staken. Vervolgens is de dagvaarding op 24 juli 2025 aan [de persoon] betekend, waarmee de lopende verjaringstermijn tijdig (binnen de 10 jaarstermijn) is gestuit.
4.7.
Voor zover [de persoon] betoogt dat de stuiting geen doel heeft getroffen, omdat de Stichting niet binnen een termijn van zes maanden na de brief van 30 december 2024 is overgegaan tot dagvaarden gaat de rechtbank daar aan voorbij. Immers staat als onbestreden vast dat de Stichting op 27 januari 2025 een stuitingsbrief heeft gestuurd en onderhavige dagvaarding binnen een zes maanden daarna is betekend. Daarmee is voldaan aan de in artikelen 3:316 lid 1 jo. l 3:317 lid 2 BW gestelde voorwaarden dat een schriftelijke aanmaning binnen zes maanden wordt gevolgd door het instellen van een eis.
4.8.
Het voorgaande betekent dat [de persoon] geen eigenaar is geworden door verjaring en dat de vorderingen van de Stichting moeten worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing bepaald.
4.9.
Partijen hebben ter zitting evenwel uitdrukkelijk gesteld dat – gelet op de feitelijke samenhang tussen de twee afzonderlijke tussen hen aanhangige procedures – het doel van partijen is om duidelijkheid te krijgen over de eigendomssituatie en partijen na ontvangst van vonnis in beide procedures met elkaar in overleg zullen treden over hoe nu verder. De rechtbank is van oordeel dat thans dan ook geen belang bestaat bij de gevorderde dwangsom en zal deze vordering daarom afwijzen.
4.10.
[de persoon] is de grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Stichting worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,21
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.318,21
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.12.
De ‘eventuele verdere executiekosten’ als door de Stichting gevorderd worden afgewezen, omdat deze vordering onvoldoende is bepaald.
5De beoordeling in voorwaardelijke reconventie
5.1.
Nu de voorwaarde voor de eis in reconventie in vervulling is gegaan, komt de rechtbank toe aan een beoordeling en beslissing in reconventie.
5.2.
[de persoon] vordert in reconventie een verklaring voor recht dat hij het rde perceeldeel mag blijven gebruiken tot dat de Stichting haar gebruik van het in zijn eigendom behorende [perceel 2] heeft gestaakt. Enige grondslag of feitelijke onderbouwing voor deze reconventionele vordering is door [de persoon] in deze procedure niet aangedragen, zodat de rechtbank de vordering zal afwijzen.
5.3.
Gelet op het voorgaande worden de vordering in reconventie van [de persoon] afgewezen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Stichting begroot op nihil.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
verklaart voor recht dat de Stichting eigenaar is van het volledige kadastrale perceel [perceel 1] ,
6.2.
veroordeelt [de persoon] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gebruik van het (rode perceel)deel van het kadastrale perceel [perceel 1] te staken en gestaakt te houden en om al zijn zaken hiervan te verwijderen en verwijderd te houden,
6.3.
veroordeelt [de persoon] in de proceskosten van € 2.318,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [de persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt [de persoon] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in (voorwaardelijke) reconventie
6.7.
wijst de vorderingen van [de persoon] af,
6.8.
veroordeelt [de persoon] in de kosten van de procedure in reconventie, aan de zijde van de Stichting begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
Deze kaart is in A3 formaat aangehecht aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 juli 2026.
Andersom geldt ook dat de aard van de functie van bestuurder van een rechtspersoon meebrengt dat zijn wetenschap in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als wetenschap van de rechtspersoon, behoudens bijzondere omstandigheden: ECLI:NL:HR:2020:1413.
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/347491 / HA ZA 25-509
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[de Stichting]
,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: de Stichting,
advocaat: mr. T.H. Liebregts,
tegen
[de persoon]
,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de persoon] ,
advocaat: mr. M.M. van den Boomen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
─ het tussenvonnis van 11 maart 2026 waarin is bepaald dat een descente en aansluitend een mondelinge behandeling zal plaatsvinden,
─ de akte overlegging relaas van bevindingen van het Kadaster, de toelichting daarop en reconstructiecoördinaten van [de persoon] ,
─ het proces-verbaal van descente en mondelinge behandeling van 1 juli 2026,
─ bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de Stichting geantwoord op de voorwaardelijk door [de persoon] ingestelde eis in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De Stichting is eigenaar van het kadastrale perceel gemeente [perceel 1]
(hierna [perceel 1] ) gelegen aan de [adres 1] . [de persoon] is sinds 2 februari 2015 eigenaar van het naastgelegen kadastrale perceel [perceel 2] (hierna [perceel 2] ) gelegen aan de [adres 2] .
2.2.
[de persoon] heeft een gedeelte van het kadastrale perceel van de Stichting in gebruik (op de hierna weergegeven kaart rood ingekleurd, hierna: “het rode perceeldeel”). De Stichting heeft ook een gedeelte van het kadastrale perceel van [de persoon] in gebruik (groen ingekleurd). Over dit gebruik heeft [de persoon] een separate procedure aanhangig gemaakt met zaaknummer C/03/344375 / HA ZA 25-352.
2.3.
Bij brief van 30 december 2024 (aangetekend en per gewone post verstuurd) heeft de Stichting [de persoon] aangemaand om het (onrechtmatig)gebruik van het rode perceeldeel te beëindigen. Bij brief van 27 januari 2025 (welke door de deurwaarder aan [de persoon] is betekend) heeft de Stichting [de persoon] opnieuw aangemaand.
2.4.
[de persoon] verkreeg het eigendom van [perceel 2] op 2 februari 2015 nadat hij het perceel met woning had gekocht van [naam] , die het perceel op haar beurt sinds 1993 in eigendom had. [naam] was tevens bestuurder van [B.V.] (hierna: “ [B.V.] ”) die op 22 december 1983 al een erfpachtrecht verkreeg ten aanzien van [perceel 1] . Dat erfpachtrecht is geëindigd op 31 december 2013, hetgeen is vastgelegd in een notariële akte van 5 februari 2014 waarin onder meer de verklaring van [naam] is opgenomen dat de Stichting enig en volledig eigenaar is van [perceel 1] .
3Het geschil
In conventie
3.1.
De Stichting vordert dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Voor recht verklaart dat de Stichting eigenaar is van het volledige kadastrale perceel [perceel 1] , inclusief het gedeelte dat op dit moment door [de persoon] wordt gebruikt (rood omrand onder randnummer 8 van deze dagvaarding);
[de persoon] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, het gebruik van de onder punt 1 genoemde grondstrook te staken en gestaakt te houden en om al zijn zaken hiervan te verwijderen en verwijderd te houden, en [de persoon] veroordeelt om aan de Stichting te voldoen een direct opeisbare dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [de persoon] nalaat om hieraan te voldoen, met een maximum van € 50.000,00, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[de persoon] veroordeelt in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis en. Voor het geval voldoening niet binnen veertiend dagen na betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [de persoon] veroordeelt in de nakosten met een bedrag van € 178,00 dan wel, indien betekening plaatsvindt, met een bedrag van € 270,00 en de eventuele verdere executiekosten.
3.2.
[de persoon] voert verweer en stelt dat hij op grond van (verkrijgende)verjaring eigenaar is geworden van het rode perceeldeel.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In (voorwaardelijke) reconventie
3.4.
[de persoon] vordert dat de rechtbank, voor zover zij van oordeel mocht zijn dat [de persoon] geen eigendom door verjaring heeft verkregen, voor recht verklaart dat [de persoon] gerechtigd is de litigieuze grondstrook te blijven gebruiken totdat de Stichting haar gebruik van [perceel 2] van [de persoon] eveneens heeft gestaakt.
3.5.
De Stichting voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling in conventie
4.1.
De rechtbank heeft met partijen geconstateerd dat het rode perceeldeel afwijkt van het rood omrande gedeelte zoals weergegeven onder randnummer 8 van de dagvaarding. Echter, tijdens de descente is geconstateerd dat partijen het erover eens zijn dat bovenstaande en aan het proces-verbaal gehechte kaart juist is, zodat de rechtbank deze als uitgangspunt zal nemen. Dat betekent ook dat de rechtbank de vorderingen van de Stichting aldus begrijpt dat die betrekking hebben op het rode perceeldeel zoals weergegeven op de onder 2.2. weergegeven en de aan het proces-verbaal gehechte kaart.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de kadastrale grenzen afwijken van de feitelijke erfgrenzen van beide percelen, zoals visueel weergegeven op de kaart die bij het proces-verbaal is gevoegd. Evenmin is in geschil dat de Stichting eigenaar is van [perceel 1] , waartoe ook het rode perceeldeel behoort. In beginsel betekent dit dat [de persoon] onrechtmatig gebruik maakt van (het rode perceeldeel dat onderdeel is van) [perceel 1] en dat de vorderingen van de Stichting moeten worden toegewezen. Dit is echter anders indien vast komt te staan dat [de persoon] door verjaring eigenaar is geworden van het rode perceeldeel.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter niet het geval. Op grond van artikel 3:99 BW wordt een recht op een registergoed verkregen door onafgebroken bezit te goeder trouw gedurende meer dan 10 jaar. Er bestaat veel jurisprudentie over wanneer sprake is van bezit te goeder trouw, maar daar gaat de rechtbank niet op in, omdat ook als zou worden aangenomen dat daarvan sprake is, eventueel lopende verjaring tijdig is gestuit, waardoor niet geoordeeld kan worden dat [de persoon] door verjaring eigenaar is geworden. De rechtbank zal dat hierna uitleggen hoe zij tot dat oordeel komt.
4.3.1.
[de persoon] verkreeg het eigendom van [perceel 2] op 2 februari 2015 nadat hij het perceel met woning had gekocht van [naam] , die het perceel op haar beurt sinds 1993 in eigendom had. [naam] was tevens bestuurder van [B.V.] (hierna: “ [B.V.] ”) die op 22 december 1983 al een erfpachtrecht verkreeg ten aanzien van [perceel 1] . Beide partijen hebben gesteld dat de rechtsvoorganger van [de persoon] ( [naam] ) zodoende vanaf 1993 het feitelijke gebruik had van zowel [perceel 2] als [perceel 1] en deze percelen als zodanig ook heeft ingericht. Dat erfpachtrecht is geëindigd op 31 december 2013, hetgeen is vastgelegd in een notariële akte van 5 februari 2014. In die notariële akte is opgenomen de verklaring van zowel de Stichting als [naam] dat het erfpachtrecht is geëindigd op 31 december 2013 en dat de Stichting “enig en volledig eigenaar is van de onroerende zaak”.
4.4.
[de persoon] stelt dat de verjaringstermijn is aangevangen vanaf het moment dat recht van erfpacht eindigde: 1 januari 2014. Vanaf die datum oefende [naam] de feitelijke macht uit over het rode perceeldeel, zonder dat daar een rechtsverhouding aan ten grondslag lag. [de persoon] heeft met ingang van 2 februari 2015 het sinds 1 januari 2014 uitgeoefende bezit door [naam] voortgezet, waarmee ook de lopende verjaringstermijn is voortgezet. De verjaringstermijn van 10 jaar is zodoende op 1 januari 2024 voltooid zodat [de persoon] door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van het rode perceeldeel. De stuitingsbrieven van 30 december 2024 en 27 januari 2025 zijn te laat, aldus [de persoon] .
4.4.1.
De Stichting voert daartegen aan dat [naam] als erfpachter slechts houder was en geen bezitter. Zij heeft – ook na einde erfpachtrecht – de zaak nimmer voor zichzelf gehouden zodat van bezit geen sprake is geweest. Voor zover al sprake is van bezit te goeder trouw kan de termijn bedoeld in artikel 3:99 lid 1 BW dan ook hoogstens op 2 februari 2015 zijn aangevangen. In dat geval heeft evenwel te gelden dat de Stichting de lopende termijn bij brief van 27 januari 2025 tijdig heeft gestuit, aldus de Stichting.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetenschap van [naam] als bestuurder van [B.V.] ook te gelden als wetenschap aan haar in persoon. Bovendien wist [naam] niet alleen dat de Stichting enig en volledig eigenaar was van [perceel 1] , zij heeft dat ook verklaard en die verklaring op 5 februari 2014 laten vastleggen in een notariële akte. Noch daargelaten dat onder die omstandigheden geen sprake is van goede trouw, maakt haar verklaring zonneklaar dat [naam] geen eigendomspretentie had. Zij hield – ook na het eindigen van het recht van erfpacht – het perceel niet voor zichzelf. Van bezit door [naam] was dan ook geen sprake. Van een zich zodanig gedragen dat de Stichting tegen wie de verjaring liep daaruit naar objectieve maatstaven niet anders kon afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn, is onder die omstandigheden immers geen sprake. De stelling van [de persoon] dat sprake is van voortgezet bezit te goeder trouw faalt dan ook.
4.6.
Voor zover aan de zijde van [de persoon] sprake zou zijn van bezit te goeder trouw kan de termijn voor verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:99 lid 1 BW dan ook eerst op 2 februari 2015 zijn aangevangen. De verjaringstermijn zou dan – behoudens stuiting – eerst op 2 februari 2025 zijn voltooid. De Stichting heeft op 30 december 2024 en op 27 januari 2025 [de persoon] aangemaand om het onrechtmatig gebruik van het rode perceeldeel te staken. Vervolgens is de dagvaarding op 24 juli 2025 aan [de persoon] betekend, waarmee de lopende verjaringstermijn tijdig (binnen de 10 jaarstermijn) is gestuit.
4.7.
Voor zover [de persoon] betoogt dat de stuiting geen doel heeft getroffen, omdat de Stichting niet binnen een termijn van zes maanden na de brief van 30 december 2024 is overgegaan tot dagvaarden gaat de rechtbank daar aan voorbij. Immers staat als onbestreden vast dat de Stichting op 27 januari 2025 een stuitingsbrief heeft gestuurd en onderhavige dagvaarding binnen een zes maanden daarna is betekend. Daarmee is voldaan aan de in artikelen 3:316 lid 1 jo. l 3:317 lid 2 BW gestelde voorwaarden dat een schriftelijke aanmaning binnen zes maanden wordt gevolgd door het instellen van een eis.
4.8.
Het voorgaande betekent dat [de persoon] geen eigenaar is geworden door verjaring en dat de vorderingen van de Stichting moeten worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing bepaald.
4.9.
Partijen hebben ter zitting evenwel uitdrukkelijk gesteld dat – gelet op de feitelijke samenhang tussen de twee afzonderlijke tussen hen aanhangige procedures – het doel van partijen is om duidelijkheid te krijgen over de eigendomssituatie en partijen na ontvangst van vonnis in beide procedures met elkaar in overleg zullen treden over hoe nu verder. De rechtbank is van oordeel dat thans dan ook geen belang bestaat bij de gevorderde dwangsom en zal deze vordering daarom afwijzen.
4.10.
[de persoon] is de grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Stichting worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,21
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.318,21
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.12.
De ‘eventuele verdere executiekosten’ als door de Stichting gevorderd worden afgewezen, omdat deze vordering onvoldoende is bepaald.
5De beoordeling in voorwaardelijke reconventie
5.1.
Nu de voorwaarde voor de eis in reconventie in vervulling is gegaan, komt de rechtbank toe aan een beoordeling en beslissing in reconventie.
5.2.
[de persoon] vordert in reconventie een verklaring voor recht dat hij het rde perceeldeel mag blijven gebruiken tot dat de Stichting haar gebruik van het in zijn eigendom behorende [perceel 2] heeft gestaakt. Enige grondslag of feitelijke onderbouwing voor deze reconventionele vordering is door [de persoon] in deze procedure niet aangedragen, zodat de rechtbank de vordering zal afwijzen.
5.3.
Gelet op het voorgaande worden de vordering in reconventie van [de persoon] afgewezen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Stichting begroot op nihil.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
verklaart voor recht dat de Stichting eigenaar is van het volledige kadastrale perceel [perceel 1] ,
6.2.
veroordeelt [de persoon] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gebruik van het (rode perceel)deel van het kadastrale perceel [perceel 1] te staken en gestaakt te houden en om al zijn zaken hiervan te verwijderen en verwijderd te houden,
6.3.
veroordeelt [de persoon] in de proceskosten van € 2.318,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [de persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt [de persoon] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in (voorwaardelijke) reconventie
6.7.
wijst de vorderingen van [de persoon] af,
6.8.
veroordeelt [de persoon] in de kosten van de procedure in reconventie, aan de zijde van de Stichting begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
Deze kaart is in A3 formaat aangehecht aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 juli 2026.
Andersom geldt ook dat de aard van de functie van bestuurder van een rechtspersoon meebrengt dat zijn wetenschap in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als wetenschap van de rechtspersoon, behoudens bijzondere omstandigheden: ECLI:NL:HR:2020:1413.