Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9767

2026-09-14 Strafrecht 03.220127.25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-14
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
03.220127.25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren wegens poging doodslag

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (35.665 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Maastricht



Strafrecht



Parketnummer: 03.220127.25



Tegenspraak




Vonnis van de meervoudige kamer van 14 september 2026




in de strafzaak tegen





[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1984,
gedetineerd in P.I. [naam P.I.] .



De verdachte wordt bijgestaan door mr. S. de Leon, advocaat te Almere.





1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 31 augustus 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.


De aangever, [slachtoffer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens deze is ter terechtzitting gehoord mr. P.G.J.M. Boonen, advocaat te Sittard. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.





2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven (primair), dan wel dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (subsidiair), dan wel dat hij geprobeerd heeft die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meer subsidiair).





3De beoordeling van het bewijs

3.1


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] om het leven te brengen (primair). Door meermalen van korte afstand met een vuurwapen op het bovenlichaam van de aangever te schieten, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever als gevolg daarvan zou komen te overlijden.



3.2


Het standpunt van de verdediging

De verdachte bekent dat hij meermalen met een vuurwapen op [slachtoffer] heeft geschoten. De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd.



3.3

Het oordeel van de rechtbank





Bewijsmiddelen





De verklaring van de verdachte, afgelegd op 29 juli 2025, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:




Op dat moment liep ik naar de deur en op dat moment had ik mijn gun in mijn broekzak.[…] Wegens de agressie heb ik gereageerd voordat hij op mij kon schieten. Zo is het gebeurd. […] Ik weet niet of ik vijf keer geschoten heb.[…] Het slachtoffer van het schietincident dat op 23 juli 2025 aan de [adres] in Heerlen plaatsvond heet [slachtoffer] .





De letselrapportage betreffende het letsel van [slachtoffer], opgesteld op 4 september 2025, inhoudende voor zover voor het bewijs gebezigd:




Datum incident: Woensdag 23 juli 2025





1.B. Rechtsvoor in de hals, min of meer aan het uiteinde van het bovenste, eerdergenoemde streepvormige huidletsel is een, met 2 hechtingen gesloten, huiddoorbreking zichtbaar.





2.C. Rechts op de kin, ongeveer 2,5 cm onder de rechtermondhoek, is een ovale huidbeschadiging met een afmeting van ongeveer 2 bij 1 cm zichtbaar.





2. Rechts op de kin, ongeveer 2,5 cm onder de rechtermondhoek, is een ovale huidbeschadiging met een afmeting van ongeveer 2 bij 1 cm zichtbaar.





De letsels beschreven onder punt 1 b en 1 c en zeer waarschijnlijk ook het letsel beschreven onder punt 2 betreffen rond-ovale, diepere huiddoorbrekingen, die medisch behandeld (gehecht) en genezend zijn. Gezien het metalen object dat op radiologische beelden in het lichaam gezien wordt en het geconstateerde inwendige letsel betreffen deze huiddoorbrekingen meest waarschijnlijk schotverwondingen.





Er is inwendig letsel: er is sprake van rib-en wervelbreuken en van beschadiging van de rechterlong. […] Er wordt een metalen object gezien rechts ter hoogte van een uitsteeksel van de vijfde borstwervel. Dit uitsteeksel van de wervel is verbrijzeld. […] Ook is er sprake van verbrijzeling van de achterste boog van rib 1 en van rib 5 rechts ter plaatse van de aanhechting van de rib aan de wervel. […] Er wordt een grote hoeveelheid bloed in de borstholte gezien met beschadiging van en bloedingen in het longweefsel van de rechter longtop. De long is gedeeltelijk ineen geklapt. […] In elk geval was er sprake van een metalen voorwerp in de borstholte, dat op dat moment niet operatief verwijderd kon worden.





Verbalisant [naam 1] heeft op 25 juli 2025 onder meer gerelateerd:




Op 23 juli 2025, omstreeks 21:17 uur, klopt een donkergetinte man op de deur van huisnummer [nummer] . De man wordt verder slachtoffer genoemd.. […] Om 21:20:09 uur komt het slachtoffer uit de richting van huisnummer [nummer] gerend. […] Een man in blauw gekleed (verder verdachte genoemd) rent achter hem aan en schreeuwt naar hem. […] De verdachte strekt zijn rechterarm richting het hoofd van de aangever. […] Er is een soort van blikkerig geluid te horen. […] De verdachte en het slachtoffer worstelen met elkaar. […] Tijdens de worsteling is tot twee keer toe hetzelfde blikkerige geluid te horen en valt het slachtoffer


richting de grond.



Verbalisant [naam 2] heeft op 29 juli 2025 onder meer gerelateerd:




Naar aanleiding van het schietincident op 23 juli 2025, omstreeks 21.20 uur, ter hoogte van de [adres] te Heerlen, werden de camerabeelden veiliggesteld van het aldaar gelegen huisnummer [nummer] . […] Om 21:20:04 zag ik dat de verdachte naar zijn broeksband of -zak aan de rechterzijde greep met zijn rechterhand. […] Om 21:20:05 zag ik dat de verdachte een zwart voorwerp uit zijn broeksband of -zak haalde en in zijn rechterhand vast had. […] Om 21:20:06 hoorde ik de aangever zeggen "no, no, no, ai-no, stop, ai-no, stop" waarna om 21:20:11 een hard, blikkerig geluid klonk. In dit tijdsbestek komt de verdachte op de aangever af met het zwarte voorwerp in zijn rechterhand. Ik zag dat de aangever wegrende in de richting van de grijze auto. De verdachte achtervolgde de aangever met het zwarte voorwerp in zijn rechterhand. Het voorwerp is gelijkend op een handvuurwapen. […] Om 21:20:10 zag ik dat de verdachte richtte/wees met het zwarte voorwerp in zijn hand in de richting van de aangever. […] Net voor het harde blikkerige geluid van 21:20:11 dook de aangever in elkaar en houdt zijn handen in een afwerende beweging richting de verdachte. Vervolgens volgde de drie harde blikkerige geluiden. Om 21:20:11, om 21:20:12 en ook om 21:20:13. Na het tweede geluid zag ik dat de aangever opeens op een onnatuurlijke manier achteruit ging met zijn bovenlichaam. Vervolgens viel de aangever naar de grond. Toen de aangever op de grond lag volgde voor de derde en laatste keer het blikkerige harde geluid.





Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen het volgende vast. [slachtoffer] kwam op 23 juli 2025 in Heerlen bij de verdachte aan de deur. Op het moment dat de verdachte het vuurwapen uit zijn broekband haalde, reageerde [slachtoffer] hierop door van de verdachte weg te rennen en met zijn handen afwerende bewegingen te maken in de richting van de verdachte De verdachte rende achter [slachtoffer] aan, richtte het vuurwapen op zijn hoofd en loste zijn eerste schot. Vervolgens schoot de verdachte opnieuw, waarna [slachtoffer] met zijn bovenlichaam op een onnatuurlijke manier achteruit bewoog. [slachtoffer] kwam ten val, waarna de verdachte voor de derde en laatste keer op de aangever schoot. Om tot een bewezenverklaring van een poging doodslag te kunnen komen, is -kort gezegd- vereist dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .



De verdachte heeft gedurende het incident doelgericht gehandeld. Hij is achter [slachtoffer] aangerend, terwijl deze van hem wegrende en afwerende bewegingen maakte. De verdachte heeft meermalen op [slachtoffer] geschoten en daarbij op diens hoofd gericht. [slachtoffer] heeft als gevolg hiervan een schotwond in zijn hals en een schotwond in zijn kin opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarbij met vol opzet heeft gehandeld. De uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte rechtvaardigt immers geen andere conclusie: hij was duidelijk uit op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, het primair ten laste gelegde, te weten de poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen.



3.4


De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 23 juli 2025 te Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven meermaals met een vuurwapen op/naar, het hoofd en/of de nek en/of hals, van die [slachtoffer] heeft geschoten terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.






4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1


Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van noodweer.



4.2


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van de verdediging op noodweer faalt. Er was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de aangever waartegen de verdachte zich moest verdedigen.



4.3


Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan slagen indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes lijf, tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Voor aanvaarding van het beroep op noodweer is op de eerste plaats vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt, geldt niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Het gaat er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Wanneer de feitelijke toedracht van het beroep niet aannemelijk wordt acht, wordt een beroep op noodweer verworpen.



Door de verdediging is het scenario aangevoerd dat de verdachte al weken in angst verkeerde omdat [slachtoffer] hem bedreigde. Uit angst heeft de verdachte een wapen aangeschaft. Toen [slachtoffer] bij hem aan de deur kwam en vervolgens zijn tasje uit de auto haalde, besloot de verdachte zijn eigen wapen in zijn broekband te steken. De raadsman heeft aangevoerd dat tijdens de woordelijke confrontatie een metaalkleurig voorwerp een klein stukje uit het tasje stak. Dit zou bij de verdachte de indruk hebben gewekt dat [slachtoffer] daadwerkelijk een wapen bij zich had. De rechtbank legt dit scenario van de verdediging terzijde. De verdachte heeft immers niet zelf verklaard dat hij een metaalkleurig voorwerp uit het tasje heeft zien steken. Dit bracht de raadsman zelf te berde en niet de verdachte. Op de vraag of hij een wapen had gezien of meende te zien, antwoordde de verdachte ter terechtzitting dat dit niet het geval was. Hij heeft verklaard dat bij hem de indruk was ontstaan dat [slachtoffer] een wapen bij zich had vanwege de bedreigingen die hij had geuit en het feit dat hij zijn tasje uit de auto had gehaald voordat hij opnieuw bij de verdachte aanbelde. De verdachte heeft wel eerder bij de politie verklaard dat hij zag dat de hand van [slachtoffer] in zijn tasje ging, waardoor de verdachte dacht dat hij met een vuurwapen zou worden aangevallen. Dit is echter niet op de camerabeelden te zien. Welke conclusie rest er dan? Een scenario dat voor een belangrijk deel wordt gedragen door de uitlating van de raadsman en niet de verdachte zelf, waarbij dit scenario ook nog eens verschilt van de eerdere -ongefundeerde- lezing van de verdachte, dient als niet aannemelijk te worden bestempeld. Reeds hierom strandt het noodweerverweer van de verdediging.



4.4


De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:



poging tot doodslag



Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.






5De strafbaarheid van de verdachte

5.1


Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft de verdediging in de eerste plaats aangevoerd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt, omdat hij heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging. De verdachte verkeerde in een staat van angst en paniek. Volgens de verdediging dient de verdachte daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) toekomt. De verdachte verkeerde verschoonbaar in de veronderstelling dat de aangever een wapen in zijn tasje had en voelde zich genoodzaakt zich daartegen te verdedigen. Een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) brengt volgens de verdediging mee dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.



5.2


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweerexces toekomt, omdat geen sprake is van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.



5.3

Het oordeel van de rechtbank




Noodweer(exces)

In artikel 41, tweede lid, Sr is bepaald dat een persoon die de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschrijdt, niet strafbaar is, als die overschrijding een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Noodweerexces kan in beeld komen wanneer aan alle eisen voor een geslaagd beroep op noodweer is voldaan, behalve aan de proportionaliteitseis.



De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het noodverweer ten grondslag heeft gelegd, zoals hiervoor geoordeeld, onvoldoende aannemelijk. Dit maakt dat de verdachte ook geen geslaagd beroep op noodweerexces kan doen. De rechtbank verwerpt het verweer.




Putatief noodweer(exces)

De rechtbank stelt voorop dat van putatief noodweer sprake is indien een verdachte verschoonbaar heeft gedwaald over het bestaan van een noodweersituatie. Aannemelijk dient te zijn dat er objectieve omstandigheden waren die de verdachte redelijkerwijze aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. De subjectieve ervaring van de verdachte is daarbij niet leidend.



Er zijn geen objectieve omstandigheden aannemelijk geworden waaruit blijkt dat de verdachte redelijkerwijs aanleiding kon hebben om te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte zich kennelijk heeft vergist in het zien van een wapen bij [slachtoffer] . De verdachte heeft echter verklaard dat hij geen wapen zag of meende te zien. Nu dergelijke objectieve omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden, verwerpt de rechtbank het beroep op putatief noodweer(exces).



De verdachte is dus strafbaar, omdat ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.






6De straf

6.1


De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte een gevangenisstraf van acht jaren op te leggen. Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, de ernst van het letsel, het strafblad van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte in een woonwijk een vuurwapen heeft gebruikt.



6.2


Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf te hoog is. Daarbij heeft de verdediging gewezen op vergelijkbare jurisprudentie en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.



6.3


Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.




De feiten

De verdachte heeft met een vuurwapen op [slachtoffer] geschoten en hem zo proberen te doden. Het incident heeft op klaarlichte dag plaatsgevonden in een woonwijk. Op het moment van het schieten bevonden zich verschillende personen op straat, die het incident hebben zien plaatsvinden. Daarnaast werd in een garagedeur van een omliggende woning een schotbeschadiging aangetroffen. In de achter de garagedeur geparkeerde auto, werd een kogel aangetroffen. De kinderen van de verdachte en zijn partner bevonden zich ten tijde van het schietincident in de woning. Het handelen van de verdachte heeft voor hen een beangstigende situatie veroorzaakt. De verdachte heeft verklaard dat zijn kinderen alles hebben gehoord.



Het handelen van de verdachte kan als meedogenloos worden omschreven. De verdachte rende achter [slachtoffer] aan, terwijl deze afwerende bewegingen in de richting van de verdachte maakte. De verdachte schoot meermalen op [slachtoffer] en richtte daarbij op diens hoofd. Zelfs op het moment dat hij ten val kwam, schoot de verdachte nogmaals. [slachtoffer] heeft als gevolg van het handelen van de verdachte ernstig letsel opgelopen. Dat het schieten door de verdachte geen fatale afloop heeft gehad, is een gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachte te danken is.




De ernst en impact

Door op deze manier te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Tot op de dag van vandaag heeft hij een kogel in zijn lichaam die niet kan worden verwijderd. Daarnaast wordt hij dagelijks geconfronteerd met de littekens van zijn schotwonden. Het incident heeft niet alleen een grote impact gehad op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] , maar ook op het gevoel van veiligheid van de buurtbewoners, de partner en kinderen van de verdachte




De persoon van de verdachte

De verdachte heeft een strafblad met eerdere veroordelingen wegens overtredingen van de Wet wapens en munitie. De verdachte heeft verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Op de vraag wat hij vindt van het door hem veroorzaakte letsel bij [slachtoffer] , heeft de verdachte geantwoord dat hij beter had moeten nadenken voordat hij hem bedreigde en bij hem aan de deur verscheen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte geen blijk heeft gegeven van oprechte spijt van zijn handelen. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 25 augustus 2026. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de persoonlijke omstandigheden in strafverminderende zin mee te wegen.




De straf

Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Op basis van vergelijkbare uitspraken, waarbij met name wordt gelet op de uitgangspunten zoals gebezigd door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, stelt de rechtbank vast dat het uitgangspunt voor een poging tot doodslag door met een vuurwapen te schieten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren betreft. De rechtbank acht deze straf echter onvoldoende, gelet op de omstandigheid dat de verdachte meedogenloos en met vol opzet heeft gehandeld, het feit dat hij op klaarlichte dag in een woonwijk een vuurwapen heeft gebruikt, terwijl zijn partner en kinderen in de woning aanwezig waren, en het ontbreken van oprechte spijt van zijn handelen. De rechtbank vindt de eis van de officier van justitie passend en zal daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren opleggen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.



De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.






7De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1


De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 33.147,69 euro primair en 32.003,69 euro subsidiair. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:



Kleding: 200 euro


Ziekenhuisdaggeldvergoeding: 152 euro


Huishoudelijke hulp: primair 2.288 euro primair en 1.144 euro subsidiair


Medische kosten/Eigen risico: 385 euro


Kosten opvragen medische informatie: 122,69 euro


Toekomstige schade: 5.000 euro


Immateriële schade: 25.000 euro




De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



7.2


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde moet ten aanzien van de gevorderde toekomstige schade niet-ontvankelijk worden verklaard.



7.3


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat:



de schadepost ziekenhuisdaggeldvergoeding (b) vast te stellen op een dag;


de schadepost huishoudelijke hulp (c) gematigd dient te worden, omdat er sprake is van de categorie ‘licht tot matig beperkt’ uit de Letselschade Richtlijn Zelfwerkzaamheid van 1 januari 2024;


de schadepost toekomstige schade (f) afgewezen dient te worden, aangezien het onzeker is of er toekomstige schade geleden zal worden;


de immateriële schade tot maximaal 5.000 euro toewijsbaar is gelet op toepassing van de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.




Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering na toewijzing gematigd dient te worden met 50% gelet op de eigen schuld van de benadeelde partij.



7.4


Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3.4 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.




Materiële schade

De schadeposten kleding (a), medische kosten/eigen risico (d) en kosten opvragen medische informatie (e) zijn door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering ten aanzien van deze schadeposten de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, acht de rechtbank deze schadeposten toewijsbaar.



Ten aanzien van de schadepost ziekenhuisdaggeldvergoeding (b) overweegt de rechtbank dat uit de onderbouwing blijkt dat de verdachte gedurende de vier gevorderde dagen in het ziekenhuis verbleef. De schadepost is daarmee eveneens toewijsbaar.



Ten aanzien van de schadepost huishoudelijke hulp (c) acht de rechtbank het aannemelijk dat de benadeelde partij vanwege de aard en ernst van zijn letsel gedurende de betreffende periode niet dan wel nauwelijks in staat was huishoudelijke taken te verrichten. Er is echter onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde partij behoort tot de categorie ‘alleenstaande, zwaar beperkt’ van de Letselschade Richtlijn Zelfwerkzaamheid van 1 januari 2024. Dit brengt mee dat het primair gevorderde bedrag niet voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank acht het subsidiair gevorderde bedrag wel toewijsbaar en zal de benadeelde partij voor het resterende deel van de schadepost niet-ontvankelijk verklaren.



Nu de vordering met betrekking tot de schadepost toekomstige schade (f) onvoldoende is onderbouwd, is deze niet voor toewijzing vatbaar en zal de rechtbank de schadepost met betrekking tot dat deel niet-ontvankelijk verklaren.




Immateriële schade

De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 lid 1 BW komt in de volgende gevallen (samengevat) vergoeding van ander nadeel in aanmerking:



wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart);


ij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze;


bij aantasting van de nagedachtenis van de overledene.




Op grond van de onderbouwing van de schade en hetgeen de benadeelde partij ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van lichamelijk letsel. Voor het bepalen van de hoogte van de schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse Schaal en vergelijkbare jurisprudentie. De rechtbank zal de schade daarom vaststellen op een bedrag van 15.000 euro. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor wat betreft de meer gevorderde vergoeding voor immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan de vordering ten aanzien van dat deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.



De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het toe te wijzen bedrag van 17.003,69 euro, bestaande uit 2.003,69 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade, dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2025.



De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.






8Het beslag
De rechtbank is van oordeel dat de volgende in beslag genomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer:



1 STK Munitie (G1824731);


2 STK Vuurwerk (G1824778);


1 STK Wapen (G1824792);


1 STK Wapen (G1824797) ;


Nu deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, dienen deze te worden onttrokken aan het verkeer.




9De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 287 Wetboek van Strafrecht van het Wetboek van Strafrecht.




10De beslissing
De rechtbank:



Bewezenverklaring




verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;


spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;





Strafbaarheid




verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;


verklaart de verdachte strafbaar;





Straf




veroordeelt de verdachte voor het feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;





Beslag




onttrekt aan het verkeer het/de volgende in beslag genomen voorwerpen:


2 STK Vuurwerk (G1824778);


1 STK Munitie (G1824731);


1 STK Wapen (G1824792);


1 STK Wapen (G1824797);





Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel




wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer], van een bedrag van 17.003,69 euro, bestaande uit 2.003,69 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade;


de vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;


veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;


bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;


legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 17.003,69 euro, bestaande uit 2.003,69 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;


bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 110 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;


de verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.




Dit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. K. Bruns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Wolff, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 september 2026.

















Buiten staat

Mr. K. Bruns is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging



Aan de verdachte is ten laste gelegd dat



hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Heerlen, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven meermaals, althans eenmaal met een (vuur)wapen op/naar, althans in de richting van het hoofd en/of de nek en/of hals, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Heerlen, althans in Nederland aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten- bloedingen in het longweefsel en/of in de borstholte,- een of meerdere ribbreuken,- een of meerdere breuken van de borstwervel, en/of- een klaplongheeft toegebracht, door meermaals, althans eenmaal met een (vuur)wapen op/naar, althans in de richting van het hoofd en/of de nek en/of hals, althans het lichaam van die [slachtoffer] te schieten;



meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Heerlen, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermaals, althans eenmaal met een (vuur)wapen op/naar, althans in de richting van het hoofd en/of de nek en/of hals, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;








Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2026043138, gesloten op 19 december 2025, digitaal doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 397.


Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 juli 2025, pagina 332 tot en met 353.


Letselonderzoek en -verslag zonder benoeming Forensische Geneeskunde van GGD Noord Limburg van 4 september 2025, opgemaakt door M.W.G. Govaerts, forensisch arts, pagina 436 tot en met 452.


Het proces-verbaal van bevindingen omschrijving beelden van verbalisant [naam 1] van 25 juli 2025, pagina 243 tot en met pagina 251.


Het proces-verbaal van bevindingen omschrijving beelden van verbalisant [naam 2] van 29 juli 2025, pagina 252 tot en met pagina 258.