Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9764

2026-09-17 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht C/03/354554 / KG ZA 26-300
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/03/354554 / KG ZA 26-300
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Opheffen beslag, aannemelijk dat boedelactief ontoereikend is, geen onmiskenbare vergissing, geen andere rangorde, maar concurrente boedelvordering. Volgt opheffing beslag.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.283 tekens)
RECHTBANK Limburg


Civiel recht



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: C/03/354554 / KG ZA 26-300




Vonnis in kort geding van 17 september 2026




in de zaak van




MR. [curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van GSV Services B.V.,

te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. G.E.R. Ummelen,



tegen




de besloten vennootschap ADVOCATENGROEP HEERLEN B.V.,
te Heerlen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: AGH,
advocaat: mr. A.L. Stegeman.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding met producties 1 tot en met 4 en het exploit van de overbetekening van de dagvaarding als bedoeld in artikel 476 lid 2 Rv,


de akte zijdens de curator waarbij producties 5 a tot en met f en 6 a tot en met g zijn overgelegd


de akte overlegging producties 1 tot en met 7 van AGH


de overlegging aanvullende (ongenummerde) productie van de curator, hierna aangeduid als productie 7 van de curator, waartegen AGH ter zitting bezwaar heeft gemaakt, welke bezwaar de voorzieningenrechter ter zitting heeft afgewezen


de mondelinge behandeling van 1 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt


de spreekaantekeningen van AGH


de brief van UWV van 7 februari 2024 die de curator ter zitting heeft overgelegd (hierna aangeduid als productie 8 van de curator) waartegen AGH ter zitting bezwaar heeft gemaakt, welke bezwaar de voorzieningenrechter ter zitting heeft afgewezen.










2De feiten


2.1.
GSV Services B.V. (hierna: GSV) is failliet verklaard, waarbij de curator is aangesteld als curator. AGH exploiteert een advocatenkantoor dat voorafgaand aan het faillissement juridische diensten heeft verleend aan GSV en/of (rechts)personen gelieerd aan GSV.



2.2.

Partijen hebben bij de kantonrechter van deze rechtbank een procedure gevoerd (zaaknummer 11050352 CV EXPL 24-1908). De curator heeft zich op het standpunt gesteld dat GSV onverplicht nota’s van AGH had voldaan waardoor sprake zou zijn geweest van benadeling van schuldeisers in het faillissement van GSV. De curator beriep zich op vernietiging van de onderliggende rechtshandeling op grond van de actio pauliana en vorderde de volgens hem onverplicht betaalde bedragen terug. De kantonrechter volgde de curator en wees de vorderingen toe. AGH is bij vonnis van 25 september 2024 (productie 2 de curator) veroordeeld om aan de boedel van GSV c.q. de curator te betalen een bedrag van € 7.382,60, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 april 2024 en proceskosten van
€ 1.196,97. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.




2.3.
AGH heeft - na tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder - aan het vonnis voldaan: op 1 november 2024 is op de boedelrekening een totaalbedrag van € 8.444,57 (zijnde hoofdsom en proceskosten) voldaan.



2.4.

AGH heeft tegen het voornoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van
9 juni 2026 (producties 3 en 6 de curator) heeft het gerechtshof Den Bosch het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de curator veroordeeld om aan AGH (terug) te betalen een bedrage van € 9.002,93, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 oktober 2024 en tot betaling van de proceskosten van € 678,00 (1e aanleg) en € 2.923,37 (hoger beroep). Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.




2.5.
Ondanks daartoe te zijn aangespoord door AGH, heeft de curator geen gevolg gegeven aan het arrest.



2.6.
AGH heeft op 13 juli 2026 ten laste van de failliete boedel van GSV executoriaal beslag gelegd onder de Coöperatieve Rabobank UA, waar de curator de boedelrekening aanhoudt. Overbetekening aan de curator heeft op 17 juli 2026 plaatsgevonden (productie 4 de curator).



2.7.
Het meest recente Tussentijds financieel verslag van de curator in het faillissement van GSV dateert van 4 augustus 2026 (productie 7 AGH).






3Het geschil


3.1.

De curator vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om:

Primair:

op te heffen het ten laste van de curator c.q. de boedel gelegde executoriale (derden)beslag
onder Coöperatieve Rabobank U.A., althans AGH te bevelen om binnen 24 uur na
betekening van het in deze te wijzen vonnis het executoriale derdenbeslag onder
Coöperatieve Rabobank U.A. op te heffen, zulks op straffe/verbeurte van een dwangsom ter
hoogte ad € 15,000,00;

Subsidiair:

AGH te verbieden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 15.000,00 de executie van het arrest d.d. 9 juni 2026 van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voort te
zetten, dan wel opnieuw ter hand te nemen;
Met veroordeling van AGH in de kosten van deze procedure en beslagkosten.




3.2.
AGH voert verweer.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.






4De beoordeling



Spoedeisend belang




4.1.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.



Niet-ontvankelijkheid van de curator?





4.2.
AGH heeft allereerst - kort gezegd - aangevoerd dat de curator niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen omdat (i) een machtiging tot procederen van de rechter-commissaris in de onderhavige zaak ontbreekt en (ii) in de beschikking dagbepaling van de voorzieningenrechter staat dat er digitaal geprocedeerd gaat worden, hetgeen in de dagvaarding moet worden vermeld, maar wat niet is gebeurd.



4.3.

In artikel 72 lid 1 van de Faillissementswet (Fw) staat het volgende:
Het ontbreken van de machtiging van de rechter-commissaris, waar die vereist is, of de niet-inachtneming van de bepalingen vervat in de artikelen 78 en 79, heeft, voor zoveel derden betreft, geen invloed op de geldigheid van de door de curator verrichte handeling. De curator is deswege alleen jegens de gefailleerde en de schuldeisers aansprakelijk.
Gelet hierop leidt het eventueel niet hebben van een machtiging van de rechter-commissaris niet tot niet-ontvankelijkheid van de curator. Dit verweer faalt derhalve. De curator verklaarde overigens ter zitting dat hij wel door de rechter-commissaris is gemachtigd.




4.4.
Voor wat betreft het niet in de dagvaarding vermelden van het digitaal procederen is gesteld noch gebleken dat AGH in haar belangen is geschaad, reden waarom dit verweer naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kan leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van de curator, zodat ook dit verweer faalt.



De toetsingsmaatstaf





4.5.

Anders dan AGH heeft aangevoerd, ligt in de onderhavige procedure niet de door haar voorgestane toetsingsmaatstaf (kort gezegd: juridische of feitelijke misslag, nova en/of misbruik van bevoegdheid) voor. Dit heeft te maken met het feit dat de executie van het arrest van het gerechtshof Den Bosch door AGH zich richt tot een faillissementsboedel. Daarover oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 28 september 1990 (ECLI:NL:HR:1990:AD1243, De Ranitz/Ontvanger) dat “(..) zo het actief van de boedel niet toereikend is om alle boedelschulden te voldoen, die schulden in beginsel naar evenredigheid van de omvang van elke schuld moeten worden voldaan, behoudens de daarvoor geldende wettelijke redenen van voorrang. Dit laatste is niet alleen van belang voor de voorrechten van de ontvanger en de bedrijfsvereniging, doch bepaalt ook de rang die toekomt aan hetgeen in geval van faillissement kan gelden als kosten van uitwinning en boedelredding, bedoeld in art. 1195 onder 1e BW, dan wel - in het tot een gelijk resultaat leidende stelsel van titel 10 van Boek 3 NBW - als kosten van executie en vereffening die zijn gemaakt, en vooraf uit de opbrengst moeten worden voldaan, teneinde de “netto-opbrengst” te verkrijgen, die onder de daarvoor in aanmerking komende schuldeisers moet worden verdeeld. Onder die kosten vallen in elk geval het salaris en de verschotten van curatoren, zoals ook strookt met het bepaalde in art. 250 Fw. (...)”
Dit wil zeggen dat ook binnen de groep van boedelschuldeisers een rangorde wordt gehanteerd, waarbij het salaris van de curator tot een super-preferente vordering leidt en overigens rekening wordt gehouden met voorrangsregels uit de wet. Voor het geval het boedelsaldo (mogelijk) niet voldoende is om alle boedelschuldeisers te voldoen, oordeelde de Hoge Raad in (onder meer) zijn arrest van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1994) als volgt: “ (...) Indien vaststaat dat de boedel op het moment dat de slotuitdeling plaatsvindt onvoldoende actief heeft of zal hebben om, met inachtneming van de tussen de vorderingen mogelijk geldende onderlinge rangorde, een bepaalde boedelvordering (geheel) te voldoen, levert dat een grond op om de aanspraak op betaling van die vordering ten laste van de boedel (deels) te ontzeggen, omdat bij de verdeling van het actief geen vorderingen kunnen worden voldaan waarvoor de boedel geen of onvoldoende middelen heeft. Indien onzeker is of de boedel ten tijde van de slotuitdeling voldoende middelen zal hebben om, met inachtneming van de tussen de vorderingen mogelijk geldende onderlinge rangorde, een boedelvordering geheel te voldoen, is dat grond om de betaling van die vordering geheel of gedeeltelijk uit te stellen. (...)”




4.6.
Het is op bovenstaande regels dat de curator zich beroept en aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of de executie van het arrest van het gerechtshof Den Bosch door AGH doorgang mag vinden. De curator stelt namelijk dat er sprake is van een negatieve boedel, waardoor voortgang van executie en dus inning van de vordering van AGH er toe zou leiden dat AGH direct en volledig wordt betaald, terwijl andere boedelschuldeisers met dezelfde en hogere rang moeten wachten op de afwikkeling van het faillissement. Dat druist in tegen het wettelijk systeem, aldus de curator, en betekent naar zijn mening dat AGH onrechtmatig handelt bij voortzetting van de executie.



Boedelactief ontoereikend?





4.7.
AGH heeft - kort gezegd - als verweer aangevoerd dat de boedel niet negatief is. Hierbij heeft AGH (met name) verwezen naar hetgeen in het tussentijds financieel verslag van 4 augustus 2026 onder D staat over nog te betalen boedelschulden of - beter gezegd - juist niet staat, nu daar niets is ingevuld. Dit verslag vermeldt verder dat er een positief saldo op de boedelrekening van € 21.079,36 is, vermoedelijk nog te vermeerderen met € 8.399,77 aan teruggaaf btw, zijnde totaal € 29.479,13. Dit is ruim voldoende om de vordering van AGH van circa € 13.500,00 te voldoen, aldus AGH. De curator heeft volgens AGH met niets onderbouwd dat de boedelactief daartoe ontoereikend is.



4.8.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de ter zitting door de curator overgelegde brief van het UWV van 7 februari 2024 voldoende blijkt dat het UWV een boedelvordering van circa € 58.000,00 heeft op grond van artikel 66 van de Werkloosheidswet (WW). Gezien die brief moet het bestaan van de vordering worden aangenomen, ook al staat deze niet in het financiële verslag. Voorts staat vast dat het UWV ingevolge artikel 66 WW een preferente boedelschuldeiser is, die op grond van dat artikel voorrang krijgt boven concurrente boedelschuldeisers. Ook als het volgens de curator nog vast te stellen aanvullend salaris van circa € 75.000,00 als super-preferente vordering buiten beschouwing wordt gelaten, is de preferente vordering van het UWV dusdanig hoog, dat er geen ruimte overblijft om na betaling daarvan nog concurrente schuldeisers, waarvan AGH er één is, te voldoen. Het verweer van AGH faalt om die reden.



Andere rangorde?





4.9.
AGH heeft - kort gezegd - voorts ten verwere aangevoerd dat, zelfs al zou de boedel negatief zijn, dat er niet aan in de weg staat dat AGH aanspraak op restitutie heeft, desnoods naar rato van de verschillende boedelvorderingen. Zij voert daartoe aan dat voorrang geven aan een salarisvordering van de curator of enige andere boedelvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, nu het door AGH betaalde bedrag enkel door onrechtmatig gedrag van de curator in de boedel is terechtgekomen en daarin nooit terecht had behoren te komen. De onrechtmatigheid van het gedrag van de curator volgt volgens AGH al uit het feit dat hij betaling heeft afgedwongen waarna diens vordering in hoger beroep is afgewezen (zie HR 1 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:542). Verder wijst AGH erop dat de curator betaling van AGH afdwong terwijl AGH al had aangegeven in hoger beroep te gaan en ook tevergeefs heeft voorgesteld een bedrag ter hoogte van de door de kantonrechter toegewezen vordering op de derdengeldenrekening van haar advocaat te laten staan in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. Aldus heeft de curator bewerkstelligd dat AGH - die helemaal niets met het faillissement te maken heeft - een bedrag aan de boedel heeft betaald, wat de boedel niet toekomt. Bij het volgen van het standpunt van de curator wordt de boedel, en vooral de curator zelf, door deze gang van zaken verrijkt ten koste van AGH, aldus AGH. Daarbij komt dat de curator - zoals hij ter zitting heeft verklaard - al voor circa € 250.000,00 als voorschot op het salaris uit de boedel heeft ontvangen, wat volgens AGH exorbitant hoog is. Dat moet naar de mening van AGH worden meegenomen in een belangenafweging.



4.10.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat met het arrest van het gerechtshof Den Bosch vaststaat dat AGH onverschuldigd heeft betaald aan de boedel van GSV en AGH om die reden een boedelvordering heeft. Verder is alleszins invoelbaar dat AGH - waarschijnlijk nog mild uitgedrukt - ongelukkig is met het feit dat de curator nu stelt die vordering niet te kunnen voldoen omdat de boedel van GSV daartoe niet toereikend is, mede vanwege het reeds uitgekeerd voorschot op het salaris van de curator. Dat betekent echter niet dat een uitzondering kan worden aanvaard op de, hiervoor al genoemde, regel dat voor boedelvorderingen ook een rangorde geldt, terwijl vast staat dat alleen al de preferente boedelvordering van het UWV hoger is dan het huidige boedelsaldo (waarop door AGH executoriaal beslag is gelegd). De voorzieningenrechter verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van7 juni 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE3796, Komdeur/Nationale Nederlanden) waarin wordt geoordeeld dat twee soorten gevallen zijn te onderscheiden met betrekking tot vorderingen uit hoofde van een na de faillietverklaring zonder rechtsgrond aan de gefailleerde of de curator gedane betaling:


de gevallen waarin de aan de schuldenaar na diens faillietverklaring gedane betaling - ten gevolge van het met terugwerkende kracht tot een vóór de faillietverklaring gelegen tijdstip vervallen van de rechtsgrond - achteraf onverschuldigd blijkt te zijn,


de gevallen waarin tussen de gefailleerde en degene die aan hem betaalde geen rechtsgrond bestaat of heeft bestaan die aanleiding tot de betaling gaf, en waarin de betaling slechts het gevolg is van een onmiskenbare vergissing (zie HR 5 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2419,Ontvanger / Hamm q.q.).



Uitsluitend in de laatstbedoelde gevallen geldt (ter vermijding van een verrijking van de gezamenlijke (overige) schuldeisers waarvoor ook in het stelsel van de Faillissementswet geen rechtvaardiging is te vinden) een uitzondering op de regel dat de curator gerechtigd is het betaalde bedrag aan het actief van de boedel toe te voegen, de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag als concurrente boedelvordering te behandelen en op deze voet het betaalde bedrag ten profijte van de overige (boedel)crediteuren aan te wenden.
De door AGH aan de curator gedane betaling betreft echter niet een onmiskenbare vergissing, nu een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de kantonrechter hieraan ten grondslag lag. In lijn met het hiervoor aangehaalde arrest - dat ook ging over een curator die op basis van een rechterlijke beslissing betaling had afgedwongen waarna die beslissing vernietigd werd - dient de vordering tot terugbetaling van AGH dan ook enkel als concurrente boedelvordering te worden gekwalificeerd.




4.11.
De kritiek van AGH over de omvang van het tot nu toe als voorschot aan de curator toegekende salaris, kan de voorzieningenrechter niet meenemen in zijn oordeel. Allereerst is het zo dat enkel de hoogte van de voorschot geen aanleiding geeft te veronderstellen dat het salarisvoorschot exorbitant is, ook gegeven het feit dat dit voorschot met instemming van de rechter-commissaris in het faillissement is geïnd. In het verlengde daarvan geldt dat een discussie over de omvang van het voorschot er niet aan kan afdoen dat het voorschot al daadwerkelijk is uitgekeerd en dus in mindering heeft gestrekt op het boedelsaldo, zodat het er voor nu voor moet worden gehouden dat alleen het op dit moment aanwezige saldo nog beschikbaar is voor het betalen van nog openstaande boedelschulden. En dat saldo is dus, naar het zich laat aanzien, onvoldoende om toe te komen aan een uitkering aan AGH. In het (theoretische) geval dat het definitief vast te stellen salaris van de curator op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het al uitgekeerde voorschot én daardoor na betaling van het UWV en eventueel andere preferente boedelschuldeiser, geld overblijft voor AGH, kan aan haar een uitbetaling worden gedaan. Daar kan echter niet van worden uitgegaan, zodat ook niet kan worden uitgegaan van het recht van AGH om zich te verhalen op het boedelsaldo.



4.12.
Het door AGH aangevoerde beweerdelijke onrechtmatig handelen van de curator geeft, gelet op het arrest van 7 juni 2002, geen aanleiding om van de rangorderegeling af te wijken. Voor zover AGH heeft beoogd te stellen dat de curator pro se onrechtmatig heeft gehandeld en hij uit die hoofde aansprakelijk zou zijn, overweegt de voorzieningenrechter dat op deze grond de boedel nimmer aansprakelijk kan zijn.



Slotsom





4.13.
De vordering van AGH op de boedel van GSV is een concurrente boedelvordering. Op basis van de nu bekende informatie over het boedelsaldo en de aan te nemen preferente boedelvordering van het UWV, moet ervan uit worden gegaan dat de boedel niet toereikend is om aan AGH een uitkering te doen. Dit betekent dat ook niet kan worden aanvaard dat AGH middels executie van het arrest van het gerechtshof Den Bosch toch betaling bewerkstelligt en aldus de rangorde tussen de boedelschuldeisers doorkruist. Het verwijt van onrechtmatig handelen door de curator kan alleen aan een vordering op hem pro se ten grondslag worden gelegd. Gelet op dit alles dient het door AGH gelegde executoriale (derden)beslag ten laste van de boedel van GSV te worden opgeheven. In zoverre zal de vordering van de curator worden toegewezen. Dit betekent dat er geen reden is om een dwangsom op te leggen.



Beslagkosten





4.14.
De voorzieningenrechter begrijpt dat de curator de kosten van overbetekening van de dagvaarding als bedoeld in artikel 476 lid 2 Rv van € 112,76 vordert onder de noemer beslagkosten. Dit zal als onweersproken worden toegewezen.



Proceskosten





4.15.
AGH is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


155,67







- griffierecht


€


341,00







- salaris advocaat


€


1.177,00







- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.862,67














5De beslissing


De voorzieningenrechter



5.1.
heft op het namens AGH ten laste van de curator c.q. de boedel van GSV gelegde executoriale (derden)beslag onder Coöperatieve Rabobank U.A.,



5.2.
veroordeelt AGH in de proceskosten tot op heden aan de zijde van de curator begroot op € 1.862,67, te vermeerderen met € 112,76 (beslagkosten), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als AGH niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.










Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op
17 september 2026.