Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9756

2026-09-15 Bestuursrecht ROE 24/3590
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROE 24/3590
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het college heeft aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een gemeentelijk monument. Eiseres is het daar niet mee eens. Volgens haar is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen, ondeugdelijke gemotiveerd en is tevens sprake van een gebrek ten aanzien van de vergunde activiteit ‘het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Ook betoogt eiseres dat het college haar een immateriële schadevergoeding van € 500,- verschuldigd is, omdat de procedure in bezwaar bijzonder lang heeft geduurd (bijna één jaar). De rechtbank verwerpt deze beroepsgronden. Daartoe overweegt zij dat het bestreden besluit voldoende blijk geeft van de belangenafweging die heeft geresulteerd in de vergunde herbestemming van de monumentale boerderij. Het college mocht daarbij aan dit besluit ten grondslag leggen de adviezen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de adviescommissie fysieke leefomgeving. Van een overschrijding van de redelijke termijn van vier jaar is hier bovendien geen sprake. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond en het verzoek tot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding en eiseres krijgt ook haar griffierecht niet vergoed.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (34.406 tekens)
RECHTBANK LIMBURG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: ROE 24/3590


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak tussen
Erfgoedvereniging Bond Heemschut, uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: G.J.H. Theeven),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal, het college
(gemachtigde: A.L.M. Janssen en J.M.G. Heideman).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam bv] uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster).





Procesverloop


1. Bij besluit van 25 april 2023 (verzonden op 3 mei 2023) heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een gemeentelijk monument.



1.1.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en om een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van 13 juli 2023 heeft de voorzieningenrechter het besluit van
25 april 2023 bij wijze van ordemaatregel geschorst. Bij uitspraak van 10 augustus 2023 heeft de voorzieningenrechter die ordemaatregel opgeheven en het verzoek tot een voorlopige voorziening afgewezen.




1.2.

Met het bestreden besluit van 4 juni 2024 (verzonden op 5 juni 2024) op het bezwaar van eiseres heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van
25 april 2023, onder aanvullende motivering, in stand gelaten.




1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Vergunninghoudster heeft een reactie op het beroep ingediend.



1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiseres en het college deelgenomen. Namens vergunninghoudster zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen.




Beoordeling door de rechtbank



Feiten



2. Eiseres exploiteert een erfgoedvereniging, die zich inzet voor de bescherming en in stand houding van cultureel erfgoed (‘monumentenzorg’).

3. De boerderij “ [naam boerderij 1] ” of “ [naam boerderij 2] ”, gelegen aan de [adres] in [plaats] , betreft een bedrijfswoning met agrarische bestemming. Sinds 2012 is de boerderij een gemeentelijk monument (monumentnummer [monumentnummer] ). Zowel het interieur als het exterieur van de boerderij genieten bescherming.

4. De boerderij is sinds 2014 onbewoond. Vergunninghoudster heeft deze van de gemeente gekocht en op 5 november 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd om de boerderij te restaureren en verbouwen. De bestuurder van vergunninghoudster beoogt hier met zijn gezin te gaan wonen.

5. Het college heeft de vergunning bij besluit van 25 april 2023 verleend. De vergunning ziet specifiek op de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’, ‘het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en ‘het in enig opzicht wijzigen van een provinciaal/gemeentelijk monument’.

6. Ten behoeve van de vergunning heeft de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Leudal (CRK) acht adviezen uitgebracht, op:


14 april 2022;


12 mei 2022;


23 juni 2022;


7 juli 2022;


10 november 2022;


2 februari 2023;


13 april 2023; en


20 juli 2023, waarbij de CRK de beoogde verbouwing bij dit laatste advies “akkoord” heeft bevonden.



7. Aan de vergunning zijn een aantal voorschriften verbonden. Voor zover relevant, luiden deze als volgt:



“
Het in enig opzicht wijzigen van een gemeentelijk monument
(artikel 2.2.1.b Wabo):





indien tijdens de aangevraagde werkzaamheden tot dan toe onbekende onderdelen of fragmenten worden gevonden waarvan in enigermate kan worden verwacht dat deze onderdelen uit bouwhistorisch, cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt van belang kunnen zijn, moet onmiddellijk contact worden opgenomen met het team Milieu, bouwen en wonen. In overleg zal dan worden bezien of nadere plan-goedkeuring of aanpassing van de omgevingsvergunning nodig is;




schade aan de monumentale waarden moet voorkomen worden dan wel zorgvuldig worden hersteld;”





7.1.
De volgende gewaarmerkte documenten, allen opgesteld door [naam 3] , maken eveneens onderdeel uit van de vergunning:



Bouwhistorische verkenning met waardestelling, van 8 december 2014;



Bouwhistorisch onderzoek spantconstructie Vlaamse schuur Boerderij [naam boerderij 1] in [plaats], van 8 maart 2015; en



Dendrochronologisch onderzoek Boerderij [naam boerderij 1] in [plaats], van


2 juni 2015.

8. In bezwaar heeft eiseres een contra-expertise overgelegd van bouwhistoricus
C. [naam 4] (gedateerd op 31 mei 2023). Per advies van 23 januari 2024 heeft de commissie bezwaarschriften het college geadviseerd om het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren en het besluit van 25 april 2023 te handhaven, met verbetering van de onderbouwing.

9. De adviescommissie fysieke leefomgeving (voorheen de CRK) heeft het college op 11 april 2024 voorzien van een aanvullende motivering. Deze heeft het college integraal overgenomen en ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit, waarbij het de verleende vergunning in stand heeft gelaten.



Overgangsrecht Omgevingswet



10. De vergunning is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Wabo is na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 komen te vervallen. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, bepaalt artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet dat het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing blijft, tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.

11. De aanvraag voor de vergunning is door verweerder ontvangen op
5 november 2022. De Wabo blijft hier dus van toepassing.



Omvang van het beroep



12. Niet staat ter discussie dat de boerderij een uniek, monumentaal pand is met een cultuurhistorische waarde. De visies van partijen lopen uiteen wat betreft de vraag hoe met de boerderij moet worden omgegaan om die waarde te behouden.

13. Ter zitting is vastgesteld dat eiseres zich niet verzet tegen het (nieuwe) gebruik van de boerderij – de Vlaamse schuur daaronder begrepen – als woning. Wel verzet zij zich tegen de manier waarop er met het bestreden besluit wijzigingen worden aangebracht aan dit monument. Uiterst kwalijk vindt eiseres de vergunde werkzaamheden aan de ‘blinde’ achtergevel van de Vlaamse schuur. De beoogde ‘eigentijdse opening’ tast de hoge bouwhistorische waarde van deze schuur onaanvaardbaar aan en is bovendien – anders dan het college betoogt – niet noodzakelijk om in het pand te kunnen wonen, aldus eiseres.

14. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep voornamelijk ziet op de vergunde activiteit ‘wijzigen gemeentelijk monument’. Tegen de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ is één beroepsgrond aangevoerd. Het beroep ziet niet op de activiteit ‘bouwen’, zodat die activiteit in de beoordeling hierna buiten beschouwing blijft.

15. Ter zitting is daarnaast vastgesteld dat eiseres ten aanzien van de activiteit ‘wijziging gemeentelijk monument’ – samengevat – twee gronden aanvoert. Ten eerste, dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, waarbij eiseres (met name) doelt op de adviezen van de CRK die daaraan ten grondslag liggen. Ten tweede, dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en onderbouwd, gelet op de gebrekkige adviezen van de CRK en twaalf andere onderdelen, bij beroep opgesomd.

16. Eiseres beroept zich verder op een overschrijding van de ‘redelijke termijn’ in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij meent dat het college haar hierdoor € 500,- aan immateriële schadevergoeding verschuldigd is.

17. De rechtbank gaat hierna in op de aangevoerde beroepsgronden. Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.



Zorgvuldigheid



18. Het betoog van eiseres ten aanzien van de zorgvuldigheid van het bestreden besluit valt uiteen in twee punten. Het eerste (en voornaamste) punt ziet op de adviezen van de CRK, die volgens eiseres op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en daarom niet het bestreden besluit kunnen dragen. Het tweede punt ziet op de dertien vragen van eiseres die – ondanks haar meerdere pogingen daartoe – onbeantwoord zijn gebleven door het college. Hierdoor konden de in die vragen aangekaarte onderwerpen ook niet worden meegenomen in de beoordeling, zodat ook reeds daarom het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, aldus eiseres.

19. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond. Dat legt zij hierna uit.



19.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college mag afgaan op het advies van een deskundige—hier, de CRK. Dat is evident anders wanneer het advies dusdanig gebrekkig is wat betreft de totstandkoming ervan.



19.2.
Uit dit juridisch kader volgt dat voor de vraag of het college mocht afgaan op de CRK-adviezen – anders dan eiseres betoogt – niet bepalend is of in die adviezen op alle door eiseres gestelde vragen dan wel aangekaarte punten (expliciet) is ingegaan. In de beoordeling van het beroep op een zorgvuldigheidsgebrek kan aan die vragen dan wel punten dan ook niet de door eiseres gewenste waarde worden toegekend.



19.3.

De rechtbank is van oordeel dat van een gebrekkige totstandkoming van de
CRK-adviezen niet is gebleken. Vaststaat dat de CRK voor vergunningverlening intensief contact heeft gehad met vergunninghoudster. Daarbij heeft zij vergunninghoudster kritisch bevraagd over de gevolgen van de verbouwing voor de monumentale waarden van de boerderij, waar nodig aan de hand van objectieve stukken die werden opgevraagd en ook zijn overgelegd. Dit alles blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende uit de acht adviezen die de CRK heeft uitgebracht. Dat niet van alle overleggen die hebben plaatsgevonden tussen de CRK en vergunninghoudster een gedetailleerd verslag beschikbaar is, maakt in dit geval niet dat sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming. Bij een omvangrijke beoordeling, zoals die van de CRK, is het doorgaans immers gebruikelijk dat (tussentijds) kernachtig wordt gerapporteerd. Dat de vergunning daarnaast niet gepaard gaat van alle stukken die aan het bestreden besluit, althans de adviezen van de CRK, ten grondslag liggen, duidt hier evenmin op een onzorgvuldigheid. Gelet op de omvang van dit verbouwingsproject, is niet vreemd dat het college de gewaarmerkte kopieën bij de vergunning heeft beperkt tot een selectie. Bovendien betreft de digitale inmeting (3D-scan) een bestand van meerdere tientallen gigabytes, zodat ook praktisch gezien dit niet (gemakkelijk) bij de vergunning overgelegd had kunnen worden.




19.4.
Eiseres heeft nog aangevoerd dat het grote aantal overleggen tussen de CRK en vergunninghoudster de vraag doet rijzen waarom geen externe expertise is ingewonnen. Indien dit standpunt zo moet worden begrepen dat eiseres vraagtekens zet bij de expertise van de CRK, wordt dit gepasseerd. Het dossier bevat geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de deskundigheid van de CRK. De rechtbank overweegt voorts dat het aantal besprekingen dat heeft plaatsgevonden geen blijk geeft van onkunde. In tegendeel, dit getuigt van een zekere nauwkeurigheid en zorg die passen bij dit complexe project en de uitzonderlijke monumentale waarde van de boerderij, die partijen allen onderschrijven.

20. Alles overwegende, is niet komen vast te staan dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.



Motivering



21. De artikelen 3.2.4.2 en 3.2.4.3 van de Algemene verordening gemeente Leudal bepalen dat het college bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor het wijzigen van een gemeentelijk monument moet toetsen of het belang van de monumentenzorg zich hiertegen verzet. Deze toets omvat een belangenafweging, waarbij het college beoordelings-ruimte toekomt. Daarbij moet rekening worden gehouden met het gebruik dat van het monument wordt gemaakt. Concreet betekent dit dat, zelfs als blijkt dat door de beoogde verbouwingswerkzaamheden een of meerdere waarden van de boerderij worden aangetast, dat niet zonder meer maakt dat het college de vergunning had moeten weigeren. Voornoemde afweging impliceert namelijk dat hier meerdere belangen aan de orde zijn, waarvan monumentenzorg één is. De rechtbank benadrukt dat de beoordelingsruimte die het college hier heeft, maakt dat het niet aan de bestuursrechter is om te bepalen of het belang van de monumentenzorg zich tegen de vergunningverlening verzet. De rechter toetst enkel de door het college gemaakte belangenafweging naar redelijkheid.

22. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat bij het verlenen van een vergunning als hier in geding de omschrijving bij de aanwijzing tot beschermd monument van belang is. Deze redengevende omschrijving geeft aan welke aspecten van het monument in het bijzonder beschermingswaardig zijn. Als zodanig moeten die betrokken worden bij het besluit tot het al dan niet verlenen van de vergunning.

23. Eiseres voert – samengevat – aan dat het college het motiveringsgebrek, zoals geconstateerd door de voorzieningenrechter, niet bij het bestreden besluit heeft hersteld. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college in de destijds nog te nemen beslissing op bezwaar een nadere belangenafweging diende te maken, inhoudende het kenbaar afwegen van het belang dat met de functiewijziging en verbouwing van het monumentale pand is gediend, tegen het belang van de monumentenzorg. Ook diende het college daarbij de redengevende omschrijving bij de aanwijzing tot beschermd monument te betrekken. Eiseres betoogt dat enkel de aanvullende motivering van de adviescommissie fysieke leefomgeving, die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, het geconstateerde gebrek onvoldoende heeft hersteld. Zij vraagt hierbij met name aandacht – zo begrijpt de rechtbank – voor het gebrek aan motivering ten aanzien van het beschermde interieur van de boerderij en de karakteristieke monumentale achtergevel van de Vlaamse schuur. Eiseres stelt zich daarbij op het standpunt dat de sloop van bijna 75% van de ‘blinde’ achtergevel en de nieuwe ‘opengewerkte’ uitvoering ervan, ernstig afbreuk doen aan het gesloten karakter van deze monumentale gevel van de schuur. Verder betreft het advies van 11 april 2024 uitsluitend een aanvulling op de adviezen van de CRK. Op de andere vragen dan wel punten die door eiseres (herhaaldelijk) naar voren zijn gebracht, is het college niet ingegaan. Ook daarom is vooralsnog sprake van een motiveringsgebrek, aldus eiseres.

24. De rechtbank stelt voorop dat het college de vergunning, en de belangenafweging die daaraan ten grondslag ligt, heeft gemotiveerd op grond van de adviezen van de CRK. Volgens de Afdeling mag dit, mits de redenering in die adviezen begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Anders is dat wanneer een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel hierover naar voren heeft gebracht. In dat geval dient het college te voorzien in een nadere motivering.

25. Bij het bestreden besluit heeft het college de belangafweging die het heeft verricht nader toegelicht, door integraal de aanvullende motivering van de adviescommissie fysieke leefomgeving (gedateerd op 11 april 2024) over te nemen.

26. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat het college ten onrechte is afgegaan op de adviezen van de CRK en de adviescommissie fysieke leefomgeving, althans dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Zij motiveert dat aan de hand van een drietal argumenten.



26.1.
Ten eerste, is niet komen vast te staan dat de redenering en/of conclusies in de adviezen van de CRK de adviescommissie fysieke leefomgeving niet kloppen. De rechtbank passeert daarbij het standpunt van eiseres ten aanzien van de gestelde ontbrekende motivering inzake de twaalf door haar aangedragen onderdelen. Ook wat betreft het beroep op een motiveringsgebrek heeft immers te gelden dat het juridisch kader geen doorslaggevende betekenis toekent aan de vraag of al dan niet op alle punten die eiseres heeft ingebracht (expliciet) is gereageerd. Los daarvan, stelt de rechtbank vast dat het college de meeste van deze punten wel degelijk heeft geadresseerd, al dan niet bij wijze van de CRK-adviezen. Dat eiseres het niet eens is met de gegeven toelichting, maakt nog niet dat sprake is van een motiveringsgebrek. Ten aanzien van een aantal punten die niet terugkomen in de motivering geldt voorts dat deze ook niet besproken hadden moeten worden. Zo diende het college volgens eiseres te motiveren waarom een beschermd smalspoortje zou worden gesloopt. Gebleken is echter dat dit smalspoortje niet is gesloopt, maar deels al (feitelijk) verdwenen was. Ter zitting is bovendien toegelicht dat het smalspoortje reeds volledig is teruggeplaatst. Evenzo heeft het college met betrekking tot de gevelopening in de Vlaamse schuur en de sloop van de in beroep besproken aanbouwsels aangegeven dat daartoe op 15 april 2022 een afzonderlijke onherroepelijke omgevings-vergunning is verleend. Tot slot, is de rechtbank van oordeel dat sommige door eiseres aangekaarte punten, zoals ‘behoud of sloop monumentale onderdelen’, zien op zaken die ten tijde van de vergunningverlening nog onderwerp waren van overleg. Ter illustratie wordt verwezen naar de monumentale kozijnen en ramen van de boerderij, waar het CRK bij advies van 2 februari 2023 aandacht voor vroeg om de monumentale waarde daarvan te kunnen bepalen. Uit het onderzoek dat volgde, bleek dat bijna alle ramen geen waarde meer hadden en dat de meeste vervangen moesten worden. Ook is er nog weinig samenhang in de aanwezige raamtypes. Deze ramen en kozijnen worden daarom vernieuwd, waarbij op zorgvuldige wijze wordt aangesloten bij de monumentale waarden, aangegeven in de bouwhistorische onderzoeken, zo luidt het CRK-advies van 20 juli 2023. De rechtbank overweegt dat in deze zaak sprake is van een complex project, dat zich kenmerkt door een voortdurende samenwerking tussen de gemeente en vergunninghoudster. Daarbij wordt er continu op toegezien dat veranderingen aan de boerderij de monumentale waarden daarvan niet disproportioneel aantasten. Dat blijkt ook uit de voorschriften bij de vergunning. De rechtbank ziet in deze dynamiek tevens reden om te oordelen dat ten aanzien van voornoemde in ontwikkeling zijnde punten, niet kan worden gesproken van een motiveringsgebrek.



26.2.
Ten tweede, geeft de aanvullende motivering bij het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank voldoende blijk van de belangenafweging die het college heeft verricht om tot de vergunningverlening te komen. Wat betreft de interieuraspecten, wordt bijvoorbeeld opgemerkt dat aan het behouden van ruimte-indelingen voorwaarden zijn gesteld. De nieuwe ‘eigentijdse opening’ van de Vlaamse schuur sluit daarnaast aan bij het karakter van de schuur en was bovendien noodzakelijk, omdat de schuur op instorten stond, zo luidt de motivering bij het bestreden besluit. Dat eiseres deze noodzaak betwist, maakt het voorgaande niet anders. Vaststaat dat de boerderij al ruim tien jaar niet meer werd bewoond en partijen hebben ter zitting verklaard dat deze niet meer in een goede staat verkeerde. Er zijn daarnaast onvoldoende aanknopingspunten op grond waarvan de rechtbank zou moeten twijfelen aan de stelling dat de gevel van de Vlaamse schuur aan vervanging toe was. Dat bij die vervanging is gekozen voor een modernere uitvoering, heeft het college genoegzaam toegelicht onder verwijzing naar ‘het (mee)bewegen in het belang van een zinvolle herbestemming, gelet op de beoogde woonfunctie en verduurzaming’.



26.3.
Ten derde, leidt ook de contra-expertise van [naam 4] niet tot een andersluidend oordeel. Zoals ter zitting vastgesteld, zet [naam 4] de historische ontwikkeling van de boerderij uiteen en voert hij niet concreet aan op welke punten de adviezen van de CRK, dan wel de adviescommissie fysieke leefomgeving, blijk geven van onjuistheden of een gebrekkige redenering. Louter de verklaring van [naam 4] dat hij meent – kort gezegd – dat de belangenafweging van het college anders had moeten uitvallen, is onvoldoende om te spreken van een motiveringsgebrek.

27. Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Het beroep daarop slaagt daarom niet.



Bestemmingsplan



28. Ten aanzien van de vergunde activiteit ‘het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’, betoogt eiseres dat het college onvoldoende heeft getoetst aan artikel 38.3 van het bestemmingsplan ‘Woonkernen Leudal 2017’. De cultuurhistorische waarden, die volgens deze bepaling voorop dienen te staan, worden voor een groot gedeelte genegeerd door onder meer de consequenties van de functiewijziging en het miskennen van de verschijningsvorm van de Vlaamse schuur, aldus eiseres. Eiseres voert daarbij aan dat in de ‘Ruimtelijke motivering’ van 3 april 2023, die onderdeel uitmaakt van de verleende vergunning, ten onrechte niet is ingegaan op het aspect ‘cultureel erfgoed’.

29. De rechtbank ziet dit anders, zodat zij deze beroepsgrond verwerpt. Daartoe is het volgende redengevend.



29.1.
Omdat het bestemmingsplan ter plaatse van de boerderij niet voorziet in de functie ‘Wonen’, heeft het college de vergunning in afwijking van het bestemmingsplan verleend. De ‘Ruimtelijke motivering’ dient ter onderbouwing van deze afwijking. Ten aanzien van bepaling 38.3 van het bestemmingsplan heeft het college geen strijdigheid met het bestemmingsplan aangenomen. Voor de vraag of het college deze conclusie (terecht) heeft mogen trekken, als ook of dit voldoende is gemotiveerd, zijn de vergunning zelf (met bijbehorende stukken) en het besteden besluit relevant en niet zozeer de ‘Ruimtelijke motivering’.



29.2.
Bij het bestreden besluit heeft het college een nadere motivering gegeven ten aanzien van – onder andere – de cultuurhistorische waarden, door het advies van de adviescommissie fysieke leefomgeving van 11 april 2024 integraal over te nemen. Uit die motivering blijkt dat het college voldoende de cultuurhistorische waarden, in de zin van artikel 38.3 van het bestemmingsplan heeft meegewogen. Uit het advies van de adviescommissie fysieke leefomgeving blijkt namelijk dat acht is geslagen op de cultuurhistorische waarden van de boerderij, meer specifiek: de algemeen historische waarde, de stedenbouwkundige of ensemblewaarden, de architectuurhistorische waarden, de bouwhistorische waarden, de gebruikshistorische waarden en de waardestelling van de betreffende bouwelementen, weergegeven in en waardestellings-representatietekening opgenomen in H4.6 van het bouwhistorisch onderzoek (dat deel uitmaakt van het bestreden besluit). Dat – zoals eiseres betoogt – niet, althans onvoldoende, zou zijn ingegaan op de gevolgen van de beoogde herbestemming voor deze waarden, volgt de rechtbank niet. Datzelfde geldt voor de verschijningsvorm van de Vlaamse schuur en het aspect ‘cultureel erfgoed’. In tegendeel, het advies van de adviescommissie fysieke leefomgeving zet uitgebreid uiteen, mede onder expliciete verwijzing naar de Vlaamse schuur en nieuwe ‘eigentijdse opening’, welke belangen tegen elkaar zijn afgewogen om te komen tot de vergunde functiewijziging. Centraal daarbij staat de overtuiging van de adviescommissie fysieke leefomgeving – én van het college – dat de nieuwe woonfunctie een zinvolle herbestemming, tevens verduurzaming, van de boerderij betreft. Dat enig (mee)bewegen noodzakelijk is om die herbestemming en verduurzaming te realiseren, is volgens het college onvermijdelijk. Dit heeft het bij verweer nog nader toegelicht, door bijvoorbeeld te verwijzen naar het Bouwebesluit 2012, dat eisen stelt aan voldoende daglicht en ventilatie met betrekking tot de beoogde woonfunctie in de Vlaamse schuur. Terwijl eiseres betoogt dat het door het college bepleite (mee)bewegen afbreuk doet aan de monumentale waarden en in essentie leidt tot het doen verdwijnen van dit monument, wordt in het (integraal overgenomen) advies juist gesteld dat de vergunde herbestemming het mogelijk maakt om het monument te behouden. Dat – ook ter zitting – is gebleken dat eiseres het college hierin niet kan volgen, is niet bepalend voor de vraag of sprake is van een gebrek op grond van het bestemmingplan.

30. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de aanvullende motivering bij het bestreden besluit, en al hetgeen daarover reeds is overwogen, dat niet is komen vast te staan dat bij het bestreden besluit onvoldoende acht is geslagen op artikel 38.3 van het bestemmingsplan. De beroepsgrond die ziet op het bestemmingsplan slaagt daarom niet.



Overschrijding redelijke termijn



31. Eiseres meent tot slot dat de procedure in bezwaar bijzonder lang heeft geduurd (bijna één jaar). Vergunninghoudster kon intussen haar verbouwingswerkzaamheden voortzetten. Hieruit volgt dat het college geen rekening heeft gehouden met het maatschappelijk belang van een spoedige beslechting van het geschil en met het belang van rechtseenheid. Het college is eiseres daarom een immateriële schadevergoeding van € 500,- verschuldigd, zo luidt deze beroepsgrond.

32. Deze grond slaag niet, gelet op het volgende.



32.1.
Eiseres betoogt terecht dat uit de door haar aangehaalde uitspraak van de Afdeling volgt dat de redelijke termijn in zaken zoals deze in beginsel niet is overschreden, als de gehele procedure niet langer heeft geduurd dan vier jaar. In die uitspraak oordeelt de Afdeling echter ook dat artikel 6 van het EVRM betrekking heeft op de behandeling binnen een redelijke termijn door de rechter en niet door het bestuursorgaan. Aan deze verdragsbepaling kan dus niet zonder meer een aanspraak op schadevergoeding worden ontleend in de situatie dat sprake is van een te lange behandelingsduur in de bezwaarfase. Uitsluitend wanneer tegen een besluit op bezwaar beroep wordt ingesteld en de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade die daardoor is ontstaan te beoordelen op welke wijze de termijn-overschrijding moet worden toegerekend aan respectievelijk het bestuursorgaan en de rechter. Daarbij geldt in de regel dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd als de duur daarvan een half jaar overschrijdt.


32.2.
Het college heeft het bezwaarschrift van eiser ontvangen op 8 juni 2023. Vanaf die datum tot aan de datum van deze uitspraak van de rechtbank zijn ruim drie jaar verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn van vier jaar niet is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die in dit geval een kortere behandelingsduur rechtvaardigen, is verder niet gebleken. Het verzoek tot immateriële schadevergoeding wordt daarom afgewezen.




Conclusie en gevolgen


33. Het beroep is ongegrond. Niet is komen vast te staan dat het bestreden besluit lijdt aan een zorgvuldigheid- dan wel motiveringsgebrek. Evenmin is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.



33.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiseres krijgt ook haar griffierecht niet vergoed.





Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek tot immateriële schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Trifunović, rechter, in aanwezigheid van
V.A.F.T. Voorn, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op: 15 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 15 september 2026.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Wet algemene bepalingen omgevingsrecht





Artikel 2.12


1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

…
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen




Algemene verordening gemeente Leudal





Artikel 3.2.4.2 – Omgevingsvergunning gemeentelijk monument


1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument:
a. te slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of
b. te herstellen, gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.



Artikel 3.2.4.3 – Weigeringsgronden

De vergunning wordt geweigerd als:

a. het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet



Besluit omgevingsrecht, Bijlage II





Artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
…

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, … ;



Beleidsregels over de toepassing van de kruimelgevallenregeling




Artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) biedt erg veel ruimte om van het bestemmingsplan af te wijken, alhoewel altijd geldt dat sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening en een verantwoorde belangenafweging.




Woonkernen Leudal 2017





Artikel 38.3

Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde - monument gemeente’ en/of ‘specifieke vorm van waarde - monument rijk’ staat bij het gebruik van de gronden en het gebouw de bescherming van de cultuurhistorische waarden voorop en zijn de bepalingen van de gemeentelijke erfgoedverordening c.q. de Monumentenwet van toepassing.



Rechtbank Limburg 10 augustus 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:4986.


Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo.


Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wabo.


Vgl. de Afdeling 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:625.


Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4168, rov. 9.


Vgl. de uitspraken van de Afdeling van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3778, rov. 2.3; en van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:519, rov. 5.1.


Vgl. de uitspraak van de Afdeling 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4977, rov. 6.3.


Zie rov. 7.


Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo.


Artikel 2.12, eerste lid onder a, ten tweede van de Wabo, in samenhang met artikel 4, negende lid, van het Besluit omgevingsrecht en de Beleidsregels over de toepassing van de kruimelgevallenregeling.


Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.


Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, rov. 4.4.1.