Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9669
2026-09-10
Bestuursrecht
ROE 26/1530
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vovo; Sluiting lokaal; 13b Opiumwet; Damoclesbeleid Maastricht; Spoedeisendheid; Noodzaak van de sluiting; Duur van de sluiting; Afwijking van beleid door verweerder m.b.t. sluitingsduur.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBLIM:2026:7508 Rechtbank Limburg 13-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2018:2222 Raad van State 04-07-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.607 tekens)
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1530
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , te Maastricht, verzoeker
(gemachtigde: mr. T.J.N. Hameleers),
en
De Burgemeester van de gemeente Maastricht, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Ploum).
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder het lokaal van verzoeker in Maastricht gesloten voor de duur van een jaar op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2026. Namens verzoeker is verschenen [naam] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, I. de Jonghe en S. Nicolaes.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
1. Naar aanleiding van een onderzoek door de politie op 11 juni 2026 in het lokaal van verzoeker in de [adres] in Maastricht (Theehuis [naam] ), waarbij -volgens het politierapport- verdovende middelen zijn aangetroffen, heeft verweerder met onmiddellijke ingang het lokaal gesloten voor de duur van een jaar op grond van artikel 13b van de Opiumwet en artikel 5:31 van de Awb. Bij het primaire besluit heeft verweerder het mondelinge besluit tot spoedeisende bestuursdwang bekend gemaakt. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Omdat het lokaal al is gesloten heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het standpunt van verzoeker
2. Verzoeker voert aan -kort samengevat- dat verweerder in strijd met zijn Damoclesbeleid het lokaal heeft gesloten voor de duur van 12 maanden in plaats van 6 maanden. Verder stelt verzoeker dat een (spoed)sluiting niet noodzakelijk was en ook in strijd met het beleid van verweerder, waarin wordt gesproken van een begunstigingstermijn van minimaal 24 uur. De grote loop naar het pand kan worden verklaard door de culturele functie (ontmoetingsplek) van het theehuis. Verweerder had ook kunnen volstaan met minder ingrijpende middelen dan deze sluiting (last onder dwangsom, voorwaardelijke sluiting, sluiting voor de duur van 3 maanden). Met betrekking tot de evenredigheid stelt verzoeker dat de sluiting zorgt voor een financieel desastreuze situatie met een faillissement als gevolg.
De spoedeisendheid
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker de vereiste onverwijlde spoed voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Verzoeker heeft een verklaring overgelegd van zijn boekhouder, waaruit blijkt dat een faillissement dreigt van de onderneming en verzoeker heeft een verklaring overgelegd van de verhuurder en op de zitting toegelicht dat de verhuurder overweegt (bij een definitieve sluiting) om de huurovereenkomst te ontbinden.
De bevoegdheid tot sluiting
4. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I of lijst II, behorend bij de Opiumwet (harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
In het politierapport/bestuurlijke rapportage staat dat in het lokaal is aangetroffen:
363 gram bruto hasjiesj in bakken in de keuken;
45,3 gram bruto hasjiesj in een jas die in de keuken hing.
5. De voorzieningenrechter is op grond van de in het lokaal aangetroffen (grote) handelshoeveelheid softdrugs van oordeel dat verweerder bevoegd was om het lokaal te sluiten. Dit wordt door verzoeker ook niet bestreden.
De spoedsluiting
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of een spoedsluiting in dit geval noodzakelijk was in een mogelijke beroepsprocedure aan de orde kan komen. De voorlopige voorziening procedure is hiervoor niet geschikt omdat dit op het moment van de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt of voorkomen kan worden. Een oordeel hierover is op dit moment ook niet noodzakelijk nu de voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat verweerder bevoegd was om het lokaal te sluiten.
De noodzaak van de sluiting
7. Bij beoordeling of sluiting van een pand noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van het pand over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of druggerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van een pand noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat het pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel ergens anders of omdat toegang tot het pand wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt het pand aan de keten van drugshandel onttrokken. Bij al het voorgaande moet de burgemeester ook rekening houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan moet de burgemeester hiervan afzien.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het lokaal noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving en het herstel van de openbare orde. Hierover overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van drugshandel in of vanuit het lokaal. In het politierapport staat namelijk dat er niet alleen een grote hoeveelheid softdrugs is aangetroffen in het lokaal, maar ook dat er in de periode van januari 2025 tot en met juni 2026 bij de politie elf mutaties zijn opgesteld over theehuis [naam] . Ook zijn drie meldingen bij Meld Misdaad Anoniem en drie meldingen bij de gemeente Maastricht gedaan. Verder staat er dat op 23 en 24 april 2026 door de politie een onopvallende observatie werd gedaan op het theehuis. Daarbij werd door de politie gekeken naar de bezoekers en hun gedragingen in en rondom het pand. Door de politie werd waargenomen dat er tijdens de observatie meerdere personen het theehuis kort bezochten en het pand weer verlieten. Meerdere personen die kort het theehuis bezochten, werden door de politie herkend als personen die bekend staan als overtreders van de Opiumwet. Tijdens de observatie stond er voortdurend een mannelijk persoon voor de ingang en keek stelselmatig naar alle aangrenzende straten. Bij bezoekers van het theehuis werd hasj aangetroffen die in het zelfde soort verpakking zat, als de bij het theehuis zelf aangetroffen hasj.
9. Verder acht de voorzieningenrechter het van belang dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van een voor drugscriminaliteit kwetsbare omgeving/woonwijk: de afgelopen 6 jaar zijn 16 maatrelen op grond van artikel 13b van de Opiumwet getroffen door verweerder. Ook is van belang dat Maastricht een grensgemeente is met een aanzuigende werking op gebruikers die buiten Nederland wonen en dat de gemeente een streng beleid voert op het gebied van toegestane coffeeshops en op het ingezetenencriterium.
10. Gelet op voornoemde omstandigheden bestaat er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een zekere noodzaak om het pand te sluiten. Anderszins moet het gekozen middel (in dit geval: een sluiting) proportioneel zijn en de minst ingrijpende manier zijn om het doel te bereiken. Op grond van vaste rechtspraak moet, in het geval van een sluiting, de noodzaak van het middel aanwezig zijn voor de gehele duur van de sluiting. De sluiting mag er slechts toe strekken de (gevolgen van) de overtreding te beëindigen en te voorkomen. De burgemeester heeft bij het vaststellen van het middel en de eventuele sluitingsduur beslissingsruimte en de bestuursrechter toetst of de burgemeester tot die duur heeft kunnen komen. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat, gelet op het doel van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet – de preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico's voor de volksgezondheid en het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden – de burgemeester onder andere de volgende aspecten mag meenemen: de noodzaak om de bekendheid van een pand als drugsadres teniet te doen, de rust in de directe omgeving te herstellen of herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen en ook een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen.
11. Op grond van het Damoclesbeleid van de gemeente wordt het lokaal gesloten voor de duur van 6 maanden als sprake is van handel/aanwezigheid van (soft)drugs in of vanuit het lokaal. Een burgemeester moet per geval beoordelen of het beleid in het specifieke geval noodzakelijk en evenredig uitpakt, en kan op grond van vaste rechtspraak van de hoogste rechter in dit soort zaken verzwarend afwijken van het Damoclesbeleid, als sprake is van dusdanige verzwarende omstandigheden dat sluiting langer gerechtvaardigd is.
12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de sluiting van het lokaal voor de duur van een jaar -in afwijking van het beleid- in dit geval noodzakelijk is om de bekendheid van het pand als illegale coffeeshop weg te nemen en de ‘loop’ naar het pand eruit te halen. Hoewel de voorzieningenrechter zich gelet op de omstandigheden, waaronder de meldingen en geobserveerde loop naar het pand, kan voorstellen dat een sluiting voor de duur van 6 maanden onvoldoende is om deze doelen, te bereiken, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom dit doel niet zou kunnen worden bereikt met een kortere sluiting van bijvoorbeeld 7, 9 of 10 maanden in plaats van 12 maanden. In het bestreden besluit staat dat de ernst van de situatie maakt dat een sluiting van 12 maanden noodzakelijk is. Verweerder heeft in het verweer en ter zitting toegelicht dat zwaar wordt meegewogen dat het theehuis al lang (anderhalf jaar) wordt gebruikt om drugs te verhandelen. Verweerder heeft dit onvoldoende gemotiveerd in het bestreden besluit. Ook is van belang dat op de zitting is gebleken dat (mogelijk) de exploitatievergunning van verzoeker zal worden ingetrokken. In dat geval zou het pand niet meer worden gebruikt voor het theehuis na de opening. Verweerder zal moeten overwegen of de noodzaak tot een langere sluiting hetzelfde blijft wanneer een andere huurder het pand betrekt. Ook in het kader van de evenredigheid moet beoordeeld worden of de duur van de sluiting van 12 maanden stand kan houden. Verzoekster moet bij een lange sluiting immers de huur door blijven betalen, ook als zij in het geheel niet meer in het pand zal kunnen terugkeren. Verweerder zal alle omstandigheden van het geval moeten afwegen om te beoordelen of deze lange sluiting evenredig is, of dat met een kortere sluiting had kunnen worden volstaan.
13. Hoewel dit betekent dat het bezwaar van verzoeker mogelijk kans van slagen heeft, zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet toewijzen, omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een sluiting van het lokaal voor (ten minste) 6 maanden noodzakelijk is. Het pand is op 11 juni 2026 gesloten en verweerder heeft op zitting verklaard dat in oktober, en dus voor het verstrijken van 6 maanden, een beslissing op bezwaar zal worden genomen. Verweerder kan in deze beslissing op bezwaar de sluitingsduur nader/aanvullend motiveren of aanpassen.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een sluiting van het lokaal voor de duur van 6 maanden noodzakelijk is, maar onvoldoende heeft gemotiveerd dat een sluiting voor de duur van 12 maanden noodzakelijk is.
15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 september 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
Afschrift verzonden aan partijen op:10 september 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 5:31, tweede lid van de Awb.
Op grond van artikel 5:31 van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.
Bijvoorbeeld: ECLI:NL:RBLIM:2026:7508.
Bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2018:2222.
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1530
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , te Maastricht, verzoeker
(gemachtigde: mr. T.J.N. Hameleers),
en
De Burgemeester van de gemeente Maastricht, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Ploum).
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder het lokaal van verzoeker in Maastricht gesloten voor de duur van een jaar op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2026. Namens verzoeker is verschenen [naam] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, I. de Jonghe en S. Nicolaes.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
1. Naar aanleiding van een onderzoek door de politie op 11 juni 2026 in het lokaal van verzoeker in de [adres] in Maastricht (Theehuis [naam] ), waarbij -volgens het politierapport- verdovende middelen zijn aangetroffen, heeft verweerder met onmiddellijke ingang het lokaal gesloten voor de duur van een jaar op grond van artikel 13b van de Opiumwet en artikel 5:31 van de Awb. Bij het primaire besluit heeft verweerder het mondelinge besluit tot spoedeisende bestuursdwang bekend gemaakt. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Omdat het lokaal al is gesloten heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het standpunt van verzoeker
2. Verzoeker voert aan -kort samengevat- dat verweerder in strijd met zijn Damoclesbeleid het lokaal heeft gesloten voor de duur van 12 maanden in plaats van 6 maanden. Verder stelt verzoeker dat een (spoed)sluiting niet noodzakelijk was en ook in strijd met het beleid van verweerder, waarin wordt gesproken van een begunstigingstermijn van minimaal 24 uur. De grote loop naar het pand kan worden verklaard door de culturele functie (ontmoetingsplek) van het theehuis. Verweerder had ook kunnen volstaan met minder ingrijpende middelen dan deze sluiting (last onder dwangsom, voorwaardelijke sluiting, sluiting voor de duur van 3 maanden). Met betrekking tot de evenredigheid stelt verzoeker dat de sluiting zorgt voor een financieel desastreuze situatie met een faillissement als gevolg.
De spoedeisendheid
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker de vereiste onverwijlde spoed voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Verzoeker heeft een verklaring overgelegd van zijn boekhouder, waaruit blijkt dat een faillissement dreigt van de onderneming en verzoeker heeft een verklaring overgelegd van de verhuurder en op de zitting toegelicht dat de verhuurder overweegt (bij een definitieve sluiting) om de huurovereenkomst te ontbinden.
De bevoegdheid tot sluiting
4. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I of lijst II, behorend bij de Opiumwet (harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
In het politierapport/bestuurlijke rapportage staat dat in het lokaal is aangetroffen:
363 gram bruto hasjiesj in bakken in de keuken;
45,3 gram bruto hasjiesj in een jas die in de keuken hing.
5. De voorzieningenrechter is op grond van de in het lokaal aangetroffen (grote) handelshoeveelheid softdrugs van oordeel dat verweerder bevoegd was om het lokaal te sluiten. Dit wordt door verzoeker ook niet bestreden.
De spoedsluiting
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of een spoedsluiting in dit geval noodzakelijk was in een mogelijke beroepsprocedure aan de orde kan komen. De voorlopige voorziening procedure is hiervoor niet geschikt omdat dit op het moment van de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt of voorkomen kan worden. Een oordeel hierover is op dit moment ook niet noodzakelijk nu de voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat verweerder bevoegd was om het lokaal te sluiten.
De noodzaak van de sluiting
7. Bij beoordeling of sluiting van een pand noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van het pand over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of druggerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van een pand noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat het pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel ergens anders of omdat toegang tot het pand wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt het pand aan de keten van drugshandel onttrokken. Bij al het voorgaande moet de burgemeester ook rekening houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan moet de burgemeester hiervan afzien.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het lokaal noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving en het herstel van de openbare orde. Hierover overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van drugshandel in of vanuit het lokaal. In het politierapport staat namelijk dat er niet alleen een grote hoeveelheid softdrugs is aangetroffen in het lokaal, maar ook dat er in de periode van januari 2025 tot en met juni 2026 bij de politie elf mutaties zijn opgesteld over theehuis [naam] . Ook zijn drie meldingen bij Meld Misdaad Anoniem en drie meldingen bij de gemeente Maastricht gedaan. Verder staat er dat op 23 en 24 april 2026 door de politie een onopvallende observatie werd gedaan op het theehuis. Daarbij werd door de politie gekeken naar de bezoekers en hun gedragingen in en rondom het pand. Door de politie werd waargenomen dat er tijdens de observatie meerdere personen het theehuis kort bezochten en het pand weer verlieten. Meerdere personen die kort het theehuis bezochten, werden door de politie herkend als personen die bekend staan als overtreders van de Opiumwet. Tijdens de observatie stond er voortdurend een mannelijk persoon voor de ingang en keek stelselmatig naar alle aangrenzende straten. Bij bezoekers van het theehuis werd hasj aangetroffen die in het zelfde soort verpakking zat, als de bij het theehuis zelf aangetroffen hasj.
9. Verder acht de voorzieningenrechter het van belang dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van een voor drugscriminaliteit kwetsbare omgeving/woonwijk: de afgelopen 6 jaar zijn 16 maatrelen op grond van artikel 13b van de Opiumwet getroffen door verweerder. Ook is van belang dat Maastricht een grensgemeente is met een aanzuigende werking op gebruikers die buiten Nederland wonen en dat de gemeente een streng beleid voert op het gebied van toegestane coffeeshops en op het ingezetenencriterium.
10. Gelet op voornoemde omstandigheden bestaat er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een zekere noodzaak om het pand te sluiten. Anderszins moet het gekozen middel (in dit geval: een sluiting) proportioneel zijn en de minst ingrijpende manier zijn om het doel te bereiken. Op grond van vaste rechtspraak moet, in het geval van een sluiting, de noodzaak van het middel aanwezig zijn voor de gehele duur van de sluiting. De sluiting mag er slechts toe strekken de (gevolgen van) de overtreding te beëindigen en te voorkomen. De burgemeester heeft bij het vaststellen van het middel en de eventuele sluitingsduur beslissingsruimte en de bestuursrechter toetst of de burgemeester tot die duur heeft kunnen komen. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat, gelet op het doel van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet – de preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico's voor de volksgezondheid en het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden – de burgemeester onder andere de volgende aspecten mag meenemen: de noodzaak om de bekendheid van een pand als drugsadres teniet te doen, de rust in de directe omgeving te herstellen of herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen en ook een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen.
11. Op grond van het Damoclesbeleid van de gemeente wordt het lokaal gesloten voor de duur van 6 maanden als sprake is van handel/aanwezigheid van (soft)drugs in of vanuit het lokaal. Een burgemeester moet per geval beoordelen of het beleid in het specifieke geval noodzakelijk en evenredig uitpakt, en kan op grond van vaste rechtspraak van de hoogste rechter in dit soort zaken verzwarend afwijken van het Damoclesbeleid, als sprake is van dusdanige verzwarende omstandigheden dat sluiting langer gerechtvaardigd is.
12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de sluiting van het lokaal voor de duur van een jaar -in afwijking van het beleid- in dit geval noodzakelijk is om de bekendheid van het pand als illegale coffeeshop weg te nemen en de ‘loop’ naar het pand eruit te halen. Hoewel de voorzieningenrechter zich gelet op de omstandigheden, waaronder de meldingen en geobserveerde loop naar het pand, kan voorstellen dat een sluiting voor de duur van 6 maanden onvoldoende is om deze doelen, te bereiken, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom dit doel niet zou kunnen worden bereikt met een kortere sluiting van bijvoorbeeld 7, 9 of 10 maanden in plaats van 12 maanden. In het bestreden besluit staat dat de ernst van de situatie maakt dat een sluiting van 12 maanden noodzakelijk is. Verweerder heeft in het verweer en ter zitting toegelicht dat zwaar wordt meegewogen dat het theehuis al lang (anderhalf jaar) wordt gebruikt om drugs te verhandelen. Verweerder heeft dit onvoldoende gemotiveerd in het bestreden besluit. Ook is van belang dat op de zitting is gebleken dat (mogelijk) de exploitatievergunning van verzoeker zal worden ingetrokken. In dat geval zou het pand niet meer worden gebruikt voor het theehuis na de opening. Verweerder zal moeten overwegen of de noodzaak tot een langere sluiting hetzelfde blijft wanneer een andere huurder het pand betrekt. Ook in het kader van de evenredigheid moet beoordeeld worden of de duur van de sluiting van 12 maanden stand kan houden. Verzoekster moet bij een lange sluiting immers de huur door blijven betalen, ook als zij in het geheel niet meer in het pand zal kunnen terugkeren. Verweerder zal alle omstandigheden van het geval moeten afwegen om te beoordelen of deze lange sluiting evenredig is, of dat met een kortere sluiting had kunnen worden volstaan.
13. Hoewel dit betekent dat het bezwaar van verzoeker mogelijk kans van slagen heeft, zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet toewijzen, omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een sluiting van het lokaal voor (ten minste) 6 maanden noodzakelijk is. Het pand is op 11 juni 2026 gesloten en verweerder heeft op zitting verklaard dat in oktober, en dus voor het verstrijken van 6 maanden, een beslissing op bezwaar zal worden genomen. Verweerder kan in deze beslissing op bezwaar de sluitingsduur nader/aanvullend motiveren of aanpassen.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een sluiting van het lokaal voor de duur van 6 maanden noodzakelijk is, maar onvoldoende heeft gemotiveerd dat een sluiting voor de duur van 12 maanden noodzakelijk is.
15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 september 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
Afschrift verzonden aan partijen op:10 september 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 5:31, tweede lid van de Awb.
Op grond van artikel 5:31 van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.
Bijvoorbeeld: ECLI:NL:RBLIM:2026:7508.
Bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2018:2222.