Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:7508
2026-07-13
Bestuursrecht
ROE 25/2254
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Woningsluiting voor de duur van 12 maanden op grond van artikel 13b Opiumwet. Tussenuitspraak. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester bevoegd is, maar dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat het noodzakelijk is om de woning voor de duur van 12 maanden te sluiten. De rechtbank stelt de burgemeester in de gelegenheid om het gebrek in het besluit te herstellen.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2022:2523 Raad van State 31-08-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2523 Raad van State 31-08-2022
- ECLI:NL:RVS:2025:2922 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:1911 Raad van State 06-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2026:3368 Raad van State 10-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:2922 Raad van State 16-07-2025
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBLIM:2026:9669 Rechtbank Limburg 10-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (25.169 tekens)
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 25/2254
Tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. F.E.L. Teerling),
en
de burgemeester van de gemeente Heerlen
(gemachtigde: mr. J.P.H.M. Quaedflieg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser gericht tegen de sluiting van zijn woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de noodzakelijkheid van de duur van de sluiting onvoldoende is gemotiveerd. De burgemeester krijgt de gelegenheid dit gebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 28 juli 2022 heeft de burgemeester een last onder bestuursdwang opgelegd om de woning vanaf 15 juni 2022 voor de duur van 12 maanden te sluiten.
2.1.
Eiser heeft bezwaar ingediend tegen dat besluit. Met de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2025 heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen die beslissing op bezwaar. De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. De rechtbank zal als eerste de omstandigheden schetsen die staan in de op ambtseed opgemaakte bestuurlijk rapportage van 25 mei 2022. Deze omstandigheden hebben voor de burgemeester de aanleiding gevormd om tot sluiting van de woning over te gaan.
3.1.
In de bestuurlijke rapportage staat dat eiser en zijn medebewoner op 5 mei 2022 bij de politie hebben gemeld dat een aantal personen de woning probeerden binnen te dringen, dat het een en ander gerelateerd was aan de handel in drugs en dat in hun woning grondstoffen lagen opgeslagen voor de productie van harddrugs. De politie kwam toen ter plaatse bij de woning. Eiser en de medebewoner hebben verklaard dat de indringers waren gevlucht, dat zij bedreigd worden door personen uit het drugsmilieu en gedwongen worden om grondstoffen (Benzaldehyde) voor drugs aan te kopen en/of op te slaan in de woning, dat zij regelmatig bij deze personen drugs kopen, dat zij bij hen een schuld hebben laten ontstaan en dat zij hierdoor kwetsbaar zijn voor afpersing. Eiser en de medebewoner hebben toen verklaard dat zij door deze situatie bang zijn geworden en niet meer over straat durfden te lopen of de lampen aan te zetten. De dag voor de melding waren de drugshandelaren ook langsgekomen om zeven rollen aluminiumfolie te brengen. Zij hebben daarbij eiser en de medebewoner de opdracht gegeven om hiervan allemaal kleine bolletjes te maken.
3.2.
De politie heeft vervolgens in de kelder in totaal 480,5 liter aan Benzaldehyde aangetroffen. Met deze hoeveelheid kan 120 tot 160 kilogram natte onverwerkte amfetamine worden geproduceerd. Er is daarom geconcludeerd dat artikel 10a van de Opiumwet is overtreden.
3.3.
De burgemeester heeft naar aanleiding van deze rapportage besloten om de woning te sluiten. De strafrechtelijke zaak tegen de bewoners is geseponeerd.
Bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang
4. Eiser voert aan dat hij geen strafbare voorbereidingshandelingen, als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, heeft gepleegd. De enkele aanwezigheid van de Benzaldehyde is onvoldoende. Hij verwijst in dat kader ook naar het sepot vanwege onvoldoende bewijs in de strafzaak. Artikel 10a van de Opiumwet spreekt van ‘voorhanden hebben’. Dit is een strafrechtelijk begrip. Daarbij moet volgens eiser, anders dan bij ‘aanwezig zijn’, de opzet worden bewezen. Die ontbreekt in dit geval. Op het moment dat eiser de Benzaldehyde kocht, had hij geen vermoeden waar dit voor bedoeld zou zijn. Dat vermoeden had hij wel op een later moment en toen heeft hij zelf de politie ingeschakeld. Op dat moment was ook sprake van een vrijwillige terugtred. Gelet hierop is de burgemeester niet bevoegd om tot sluiting over te gaan, volgens eiser.
5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang.
5.1.
De burgemeester is – voor zover van belang – op grond van artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet, gelezen in verband met artikel 10a van de Opiumwet, bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in een woning voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om (hard)drugs te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben of vervaardigen. Zoals volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Opiumwet moet de aangetroffen situatie van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen of stoffen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Dan gaat het bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. Van belang is of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat de sluitingsbevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet een pandgerichte aanpak betreft die is gekoppeld aan het aanwezig zijn van voorwerpen of stoffen in een pand. Anders dan eiser stelt, is het voor de bevoegdheidsvraag daarom niet relevant of de bewoner van het pand de voorwerpen of stoffen (met opzet) voorhanden heeft. Wel is vereist dat, zoals hiervoor is overwogen, de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de voorwerpen of stoffen bestemd zijn om in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk in strijd met de Opiumwet te handelen. Het betreft hierbij een subjectief bestanddeel dat de burgemeester aannemelijk moet maken op basis van de feitelijke situatie. De burgemeester hoeft niet aannemelijk te maken dat de aangeschreven persoon zelf wetenschap of een ernstig vermoeden had. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van de Benzaldehyde, die in de woning aanwezig was, kon worden geweten of ernstig kon worden vermoed dat die bestemd was voor het beroeps- of bedrijfsmatig vervaardigen van harddrugs. Daarbij heeft de burgemeester kunnen verwijzen naar het politierapport waaruit blijkt dat Benzaldehyde, en al helemaal in deze hoeveelheid, geen legitiem doel dient in een normale huishouding. Eiser heeft dat ook niet betwist. De burgemeester heeft daarbij ook van belang kunnen achten dat eiser zelf heeft verklaard dat hij dit besteld en opgeslagen heeft in opdracht van iemand waarvan hij wist dat deze persoon een drugshandelaar betrof. De bevoegdheid tot sluiting is met het voorgaande al gegeven.
Noodzakelijkheid van de sluiting
6. Eiser voert aan dat sluiting niet noodzakelijk is. In zijn voordeel moet worden meegewogen dat geen sprake is van handel vanuit de woning. Ook is geen sprake van loop van of naar de woning, van bekendheid van het woning als drugspand of aanwijzingen dat de woning gebruikt wordt voor de productie van verdovende middelen. De hoeveelheid Benzaldehyde die is aangetroffen, vormt op zichzelf geen bedreiging voor de openbare orde. Als de openbare orde al zou zijn aangetast, dan had in dit geval kunnen worden volstaan met een minder ingrijpende herstelmaatregel zoals een waarschuwing, een last onder dwangsom of een kortere sluiting. Gelet op deze omstandigheden ontbrak volgens eiser de noodzaak om tot sluiting van de woning over te gaan.
7. Deze beroepsgrond slaagt voor zover deze ziet op de duur van de sluiting. Daarbij is het volgende van belang.
7.1.
Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs of (grond)stoffen en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of druggerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel ergens anders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. Bij al het voorgaande moet de burgemeester ook rekening houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan moet de burgemeester hiervan afzien.
7.2.
De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiser stelt, het pand kennelijk bekend is binnen het criminele circuit. Het staat immers niet ter discussie dat eiser voor personen die hij zelf identificeert als drugshandelaren de grote hoeveelheid Benzaldehyde heeft opgeslagen en dat deze personen vaker langskwamen bij de woning. Bovendien heeft er een situatie plaatsgevonden, waarbij de drugshandelaren zouden zijn langsgekomen en probeerden de woning binnen te dringen. Eiser zelf heeft deze situatie kennelijk als onveilig ervaren, want hij zag zich genoodzaakt om de politie in te schakelen. Daarmee is ook gegeven dat de woning een rol vervulde binnen de keten van drugshandel en dat sprake is van een verstoring van de openbare orde. Hierom bestaat er een zekere noodzaak om handhavend op te treden.
7.3.
Anderszins moet het gekozen middel (in dit geval: een sluiting) proportioneel zijn en de minst ingrijpende manier zijn om het doel te bereiken. In het geval van een sluiting, moet de noodzaak van het middel aanwezig zijn voor de gehele duur van de sluiting. De sluiting mag er slechts toe strekken de (gevolgen van) de overtreding te beëindigen en te voorkomen. De burgemeester heeft bij het vaststellen van het middel en de eventuele sluitingsduur beslissingsruimte en de bestuursrechter toetst of de burgemeester tot die duur heeft kunnen komen. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat, gelet op het doel van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet – de preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico's voor de volksgezondheid en het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden – de burgemeester onder andere de volgende aspecten mag meenemen: de noodzaak om de bekendheid van een pand als drugsadres teniet te doen, de rust in de directe omgeving te herstellen of herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen en ook een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen.
7.4.
Ter zitting heeft de rechtbank aan de burgemeester gevraagd waarom in dit concrete geval de sluiting van twaalf maanden noodzakelijk is en waarom de doelen die de burgemeester nastreeft, bij wijze van spreken niet ook bij een sluiting van één maand kunnen worden behaald. De burgemeester heeft als reactie daarop (met name) gewezen naar het beleid. Uit dat beleid volgt dat bij een eerste constatering van harddrugs de woning wordt gesloten voor twaalf maanden en dat voorbereidingshandelingen worden gelijkgesteld met de situatie dat daadwerkelijk (in dit geval: hard)drugs zijn aangetroffen. De lange duur is volgens de burgemeester verder absoluut noodzakelijk vanwege de kwetsbaarheid van de buurt, de ernst van de situatie en om een signaal af te geven naar de omgeving.
7.5.
Deze motivering acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank is daarbij in het bijzonder niet gebleken waarom de doelen pas bereikt zouden zijn na twaalf maanden – en dus – in dit geval redelijkerwijs niet (al) zouden kunnen worden bereikt met een kortere sluitingsduur. Hoewel kan worden aangenomen dat de woning werd gebruikt als opslagruimte, is daarmee de dreiging naar de omgeving beperkter dan wanneer ook daadwerkelijk productie of handel plaatsvindt, al dan wel wanneer de opslagruimte is bedoeld voor handel. Er zijn in dit geval ook geen omstandigheden of attributen aangetroffen die duiden op productie of handel ter plaatse en ook niet is gebleken dat de drugshandelaren toegang hadden tot de woning om daar drugs te produceren, te verhandelen of te gebruiken. Voor zover de burgemeester veel belang hecht aan de (externe) signaalfunctie van een sluiting, merkt de rechtbank op dat de volgende doelen mogen worden nagestreefd met een woningsluiting: het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen van de overtreding en het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet, steeds in of vanuit de woning of het lokaal. Hoewel het mogelijk is dat het afgeven van een signaal aan deze doelen bijdraagt, is in dit geval onvoldoende gebleken op welke manier het beoogde signaal dat doet. Een bestuursrechtelijke herstelsanctie is niet bedoeld om af te schrikken of alleen nog om uit te dragen dat de burgemeester handhavend optreedt. Bovendien is, ook als de signaalfunctie wel bijdraagt aan herstel, niet duidelijk waarom een kortere sluiting niet voldoende is voor het afgeven van dit signaal.
7.6.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om een tussenuitspraak te doen en de burgemeester de gelegenheid te bieden om opnieuw te bekijken voor welke duur de sluiting noodzakelijk is en dat adequaat te motiveren. De burgemeester zal bij deze motivering rekening moeten houden met de beoogde doelen van een woningsluiting. De rechtbank zal dat later in deze uitspraak, onder het kopje ‘Conclusie en gevolgen’, nader toelichten. Zij zal hierna eerst nog ingaan op de evenredigheid van de sluiting.
Evenwichtigheid van de sluiting
8. Eiser voert aan dat hij, gezien het sepot, niet strafrechtelijk verwijtbaar is. Dat is wel nodig gezien de formulering van de wet. Hij merkt daarbij op dat de Benzaldehyde is gevonden juist doordat hij zelf een melding heeft gemaakt. Uit het Damoclesbeleid volgt dat dan sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor kan worden volstaan met een kortere sluitingsduur. Verder geeft eiser aan dat hij is opgenomen op de zwarte lijst en daardoor niet in aanmerking komt voor een woning die valt onder de sociale huursector. In de woning waarin eiser nu woont is het woongenot veel beperkter. Bovendien heeft hij de volledige huur over de sluitingsperiode moeten betalen en heeft de sluiting daarom ook een grote financiële impact. Eiser geeft aan dat hij daarom bijzonder zwaar wordt getroffen door de sluiting.
9. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang.
9.1.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel moet de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning – die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen – een zwaargewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste moet de burgemeester zich er rekenschap van geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, moet hij van sluiting af te zien. Afhankelijk van de concrete situatie zou de burgemeester dan nog kunnen kiezen voor een last onder dwangsom of een waarschuwing.
9.2.
De rechtbank stelt als eerste vast dat in dit geval de verwijtbaarheid niet ontbreekt. Dat er een strafrechtelijk sepot ligt, maakt niet dat (binnen de bestuursrechtelijke bewijsmaatstaf) geen sprake is van verwijtbaarheid. Ter zitting is gebleken dat eiser zelf de bewuste keuze heeft gemaakt om, op verzoek van personen die hij identificeert als drugshandelaren, de Benzaldehyde aan te schaffen en op te slaan om geld te verdienen. Hij heeft daarmee zelf bewust het risico op de ingrijpende gevolgen van dat handelen aangenomen. Hij heeft zichzelf inderdaad gemeld bij de politie, dus in zoverre heeft eiser er terecht op gewezen dat hij op een gegeven moment de druk van die betreffende personen heeft weerstaan. Maar het inschakelen van de politie lijkt toch vooral ingegeven te zijn geweest door een gevoel van onveiligheid. Deze omstandigheid weegt daardoor niet zo zwaar dat de sluiting onevenwichtig is. De situatie valt ook niet onder het Damoclesbeleid waar eiser naar verwijst. In dat beleid wordt een kortere sluiting passend gevonden als de verhuurder of eigenaar van een pand melding doet, en de huur aan de bewoner per ommegaande opzegt.
9.3.
Over financiële schade en het verminderd woongenot, waaronder de rechtbank ook de gevolgen over de zwarte lijst bij de woningbouwvereniging begrijpt, heeft de burgemeester in het verweerschrift terecht opgemerkt dat deze inherent is aan de sluiting en in dit geval geen bijzondere omstandigheid vormt die maakt dat van sluiting had moeten worden afgezien. Daarbij weegt zij mee dat eiser zelf eerder heeft verklaard dat huren boven de huursubsidiegrens geen probleem zou moeten zijn en hij dus niet op straat zou komen te staan. In zoverre is het besluit, los gezien van de duur daarvan waar de burgemeester al opnieuw naar moet kijken, dan ook niet onevenwichtig.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2025 onvoldoende is gemotiveerd en dat een deugdelijke evenredigheidsbeoordeling ontbreekt. De rechtbank beschikt op dit moment niet over mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten. Het is namelijk aan de burgemeester om deze evenredigheidsbeoordeling te maken, de motivering aan te vullen en eventueel een nieuw besluit te nemen. Wel ziet de rechtbank in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Dit betekent dat zij een tussenuitspraak zal doen en de burgemeester in de gelegenheid zal stellen om binnen zes weken na deze uitspraak het gebrek in het besluit te herstellen. Om dat te doen moet de burgemeester het bezwaar opnieuw beoordelen.
10.1.
Als de burgemeester geen gebruik wil maken van deze gelegenheid, dan moet hij dit binnen twee weken aan de rechtbank mededelen. Als de burgemeester daar wel gebruik van wil maken, dan krijgt eiser zes weken de gelegenheid om op de herstelpoging van de burgemeester te reageren. De rechtbank zal daarna, in beginsel zonder tweede zitting, einduitspraak doen.
10.2.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan. Dit betekent dat op dit moment geen uitspraak wordt gedaan over de proceskosten, het griffierecht en het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal dit in de einduitspraak doen.
Beslissing
De rechtbank:
draagt de burgemeester op binnen twee weken na de dag van verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
stelt de burgemeester in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2025 te herstellen met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing in de zaak aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzitter, mr. N.J.J. DerksVoncken en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 13 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 2-3.
Vergelijk wat is overwogen onder 5.3 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523.
Vergelijk wat is overwogen onder 5.5 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523.
Zie wat is overwogen onder 10 tot en met 10.2 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Vergelijk in dit kader ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1911.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3368.
Zie wat is overwogen onder 11 tot en met 12 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
De beslissing op bezwaar is daarom genomen in strijd met de artikelen 3:4 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.
Op grond van artikel 8:81a van de Awb.
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 25/2254
Tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. F.E.L. Teerling),
en
de burgemeester van de gemeente Heerlen
(gemachtigde: mr. J.P.H.M. Quaedflieg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser gericht tegen de sluiting van zijn woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de noodzakelijkheid van de duur van de sluiting onvoldoende is gemotiveerd. De burgemeester krijgt de gelegenheid dit gebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 28 juli 2022 heeft de burgemeester een last onder bestuursdwang opgelegd om de woning vanaf 15 juni 2022 voor de duur van 12 maanden te sluiten.
2.1.
Eiser heeft bezwaar ingediend tegen dat besluit. Met de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2025 heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen die beslissing op bezwaar. De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. De rechtbank zal als eerste de omstandigheden schetsen die staan in de op ambtseed opgemaakte bestuurlijk rapportage van 25 mei 2022. Deze omstandigheden hebben voor de burgemeester de aanleiding gevormd om tot sluiting van de woning over te gaan.
3.1.
In de bestuurlijke rapportage staat dat eiser en zijn medebewoner op 5 mei 2022 bij de politie hebben gemeld dat een aantal personen de woning probeerden binnen te dringen, dat het een en ander gerelateerd was aan de handel in drugs en dat in hun woning grondstoffen lagen opgeslagen voor de productie van harddrugs. De politie kwam toen ter plaatse bij de woning. Eiser en de medebewoner hebben verklaard dat de indringers waren gevlucht, dat zij bedreigd worden door personen uit het drugsmilieu en gedwongen worden om grondstoffen (Benzaldehyde) voor drugs aan te kopen en/of op te slaan in de woning, dat zij regelmatig bij deze personen drugs kopen, dat zij bij hen een schuld hebben laten ontstaan en dat zij hierdoor kwetsbaar zijn voor afpersing. Eiser en de medebewoner hebben toen verklaard dat zij door deze situatie bang zijn geworden en niet meer over straat durfden te lopen of de lampen aan te zetten. De dag voor de melding waren de drugshandelaren ook langsgekomen om zeven rollen aluminiumfolie te brengen. Zij hebben daarbij eiser en de medebewoner de opdracht gegeven om hiervan allemaal kleine bolletjes te maken.
3.2.
De politie heeft vervolgens in de kelder in totaal 480,5 liter aan Benzaldehyde aangetroffen. Met deze hoeveelheid kan 120 tot 160 kilogram natte onverwerkte amfetamine worden geproduceerd. Er is daarom geconcludeerd dat artikel 10a van de Opiumwet is overtreden.
3.3.
De burgemeester heeft naar aanleiding van deze rapportage besloten om de woning te sluiten. De strafrechtelijke zaak tegen de bewoners is geseponeerd.
Bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang
4. Eiser voert aan dat hij geen strafbare voorbereidingshandelingen, als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, heeft gepleegd. De enkele aanwezigheid van de Benzaldehyde is onvoldoende. Hij verwijst in dat kader ook naar het sepot vanwege onvoldoende bewijs in de strafzaak. Artikel 10a van de Opiumwet spreekt van ‘voorhanden hebben’. Dit is een strafrechtelijk begrip. Daarbij moet volgens eiser, anders dan bij ‘aanwezig zijn’, de opzet worden bewezen. Die ontbreekt in dit geval. Op het moment dat eiser de Benzaldehyde kocht, had hij geen vermoeden waar dit voor bedoeld zou zijn. Dat vermoeden had hij wel op een later moment en toen heeft hij zelf de politie ingeschakeld. Op dat moment was ook sprake van een vrijwillige terugtred. Gelet hierop is de burgemeester niet bevoegd om tot sluiting over te gaan, volgens eiser.
5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang.
5.1.
De burgemeester is – voor zover van belang – op grond van artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet, gelezen in verband met artikel 10a van de Opiumwet, bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in een woning voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om (hard)drugs te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben of vervaardigen. Zoals volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Opiumwet moet de aangetroffen situatie van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen of stoffen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Dan gaat het bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. Van belang is of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat de sluitingsbevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet een pandgerichte aanpak betreft die is gekoppeld aan het aanwezig zijn van voorwerpen of stoffen in een pand. Anders dan eiser stelt, is het voor de bevoegdheidsvraag daarom niet relevant of de bewoner van het pand de voorwerpen of stoffen (met opzet) voorhanden heeft. Wel is vereist dat, zoals hiervoor is overwogen, de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de voorwerpen of stoffen bestemd zijn om in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk in strijd met de Opiumwet te handelen. Het betreft hierbij een subjectief bestanddeel dat de burgemeester aannemelijk moet maken op basis van de feitelijke situatie. De burgemeester hoeft niet aannemelijk te maken dat de aangeschreven persoon zelf wetenschap of een ernstig vermoeden had. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van de Benzaldehyde, die in de woning aanwezig was, kon worden geweten of ernstig kon worden vermoed dat die bestemd was voor het beroeps- of bedrijfsmatig vervaardigen van harddrugs. Daarbij heeft de burgemeester kunnen verwijzen naar het politierapport waaruit blijkt dat Benzaldehyde, en al helemaal in deze hoeveelheid, geen legitiem doel dient in een normale huishouding. Eiser heeft dat ook niet betwist. De burgemeester heeft daarbij ook van belang kunnen achten dat eiser zelf heeft verklaard dat hij dit besteld en opgeslagen heeft in opdracht van iemand waarvan hij wist dat deze persoon een drugshandelaar betrof. De bevoegdheid tot sluiting is met het voorgaande al gegeven.
Noodzakelijkheid van de sluiting
6. Eiser voert aan dat sluiting niet noodzakelijk is. In zijn voordeel moet worden meegewogen dat geen sprake is van handel vanuit de woning. Ook is geen sprake van loop van of naar de woning, van bekendheid van het woning als drugspand of aanwijzingen dat de woning gebruikt wordt voor de productie van verdovende middelen. De hoeveelheid Benzaldehyde die is aangetroffen, vormt op zichzelf geen bedreiging voor de openbare orde. Als de openbare orde al zou zijn aangetast, dan had in dit geval kunnen worden volstaan met een minder ingrijpende herstelmaatregel zoals een waarschuwing, een last onder dwangsom of een kortere sluiting. Gelet op deze omstandigheden ontbrak volgens eiser de noodzaak om tot sluiting van de woning over te gaan.
7. Deze beroepsgrond slaagt voor zover deze ziet op de duur van de sluiting. Daarbij is het volgende van belang.
7.1.
Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs of (grond)stoffen en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of druggerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel ergens anders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. Bij al het voorgaande moet de burgemeester ook rekening houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan moet de burgemeester hiervan afzien.
7.2.
De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiser stelt, het pand kennelijk bekend is binnen het criminele circuit. Het staat immers niet ter discussie dat eiser voor personen die hij zelf identificeert als drugshandelaren de grote hoeveelheid Benzaldehyde heeft opgeslagen en dat deze personen vaker langskwamen bij de woning. Bovendien heeft er een situatie plaatsgevonden, waarbij de drugshandelaren zouden zijn langsgekomen en probeerden de woning binnen te dringen. Eiser zelf heeft deze situatie kennelijk als onveilig ervaren, want hij zag zich genoodzaakt om de politie in te schakelen. Daarmee is ook gegeven dat de woning een rol vervulde binnen de keten van drugshandel en dat sprake is van een verstoring van de openbare orde. Hierom bestaat er een zekere noodzaak om handhavend op te treden.
7.3.
Anderszins moet het gekozen middel (in dit geval: een sluiting) proportioneel zijn en de minst ingrijpende manier zijn om het doel te bereiken. In het geval van een sluiting, moet de noodzaak van het middel aanwezig zijn voor de gehele duur van de sluiting. De sluiting mag er slechts toe strekken de (gevolgen van) de overtreding te beëindigen en te voorkomen. De burgemeester heeft bij het vaststellen van het middel en de eventuele sluitingsduur beslissingsruimte en de bestuursrechter toetst of de burgemeester tot die duur heeft kunnen komen. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat, gelet op het doel van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet – de preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico's voor de volksgezondheid en het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden – de burgemeester onder andere de volgende aspecten mag meenemen: de noodzaak om de bekendheid van een pand als drugsadres teniet te doen, de rust in de directe omgeving te herstellen of herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen en ook een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen.
7.4.
Ter zitting heeft de rechtbank aan de burgemeester gevraagd waarom in dit concrete geval de sluiting van twaalf maanden noodzakelijk is en waarom de doelen die de burgemeester nastreeft, bij wijze van spreken niet ook bij een sluiting van één maand kunnen worden behaald. De burgemeester heeft als reactie daarop (met name) gewezen naar het beleid. Uit dat beleid volgt dat bij een eerste constatering van harddrugs de woning wordt gesloten voor twaalf maanden en dat voorbereidingshandelingen worden gelijkgesteld met de situatie dat daadwerkelijk (in dit geval: hard)drugs zijn aangetroffen. De lange duur is volgens de burgemeester verder absoluut noodzakelijk vanwege de kwetsbaarheid van de buurt, de ernst van de situatie en om een signaal af te geven naar de omgeving.
7.5.
Deze motivering acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank is daarbij in het bijzonder niet gebleken waarom de doelen pas bereikt zouden zijn na twaalf maanden – en dus – in dit geval redelijkerwijs niet (al) zouden kunnen worden bereikt met een kortere sluitingsduur. Hoewel kan worden aangenomen dat de woning werd gebruikt als opslagruimte, is daarmee de dreiging naar de omgeving beperkter dan wanneer ook daadwerkelijk productie of handel plaatsvindt, al dan wel wanneer de opslagruimte is bedoeld voor handel. Er zijn in dit geval ook geen omstandigheden of attributen aangetroffen die duiden op productie of handel ter plaatse en ook niet is gebleken dat de drugshandelaren toegang hadden tot de woning om daar drugs te produceren, te verhandelen of te gebruiken. Voor zover de burgemeester veel belang hecht aan de (externe) signaalfunctie van een sluiting, merkt de rechtbank op dat de volgende doelen mogen worden nagestreefd met een woningsluiting: het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen van de overtreding en het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet, steeds in of vanuit de woning of het lokaal. Hoewel het mogelijk is dat het afgeven van een signaal aan deze doelen bijdraagt, is in dit geval onvoldoende gebleken op welke manier het beoogde signaal dat doet. Een bestuursrechtelijke herstelsanctie is niet bedoeld om af te schrikken of alleen nog om uit te dragen dat de burgemeester handhavend optreedt. Bovendien is, ook als de signaalfunctie wel bijdraagt aan herstel, niet duidelijk waarom een kortere sluiting niet voldoende is voor het afgeven van dit signaal.
7.6.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om een tussenuitspraak te doen en de burgemeester de gelegenheid te bieden om opnieuw te bekijken voor welke duur de sluiting noodzakelijk is en dat adequaat te motiveren. De burgemeester zal bij deze motivering rekening moeten houden met de beoogde doelen van een woningsluiting. De rechtbank zal dat later in deze uitspraak, onder het kopje ‘Conclusie en gevolgen’, nader toelichten. Zij zal hierna eerst nog ingaan op de evenredigheid van de sluiting.
Evenwichtigheid van de sluiting
8. Eiser voert aan dat hij, gezien het sepot, niet strafrechtelijk verwijtbaar is. Dat is wel nodig gezien de formulering van de wet. Hij merkt daarbij op dat de Benzaldehyde is gevonden juist doordat hij zelf een melding heeft gemaakt. Uit het Damoclesbeleid volgt dat dan sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor kan worden volstaan met een kortere sluitingsduur. Verder geeft eiser aan dat hij is opgenomen op de zwarte lijst en daardoor niet in aanmerking komt voor een woning die valt onder de sociale huursector. In de woning waarin eiser nu woont is het woongenot veel beperkter. Bovendien heeft hij de volledige huur over de sluitingsperiode moeten betalen en heeft de sluiting daarom ook een grote financiële impact. Eiser geeft aan dat hij daarom bijzonder zwaar wordt getroffen door de sluiting.
9. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang.
9.1.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel moet de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning – die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen – een zwaargewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste moet de burgemeester zich er rekenschap van geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, moet hij van sluiting af te zien. Afhankelijk van de concrete situatie zou de burgemeester dan nog kunnen kiezen voor een last onder dwangsom of een waarschuwing.
9.2.
De rechtbank stelt als eerste vast dat in dit geval de verwijtbaarheid niet ontbreekt. Dat er een strafrechtelijk sepot ligt, maakt niet dat (binnen de bestuursrechtelijke bewijsmaatstaf) geen sprake is van verwijtbaarheid. Ter zitting is gebleken dat eiser zelf de bewuste keuze heeft gemaakt om, op verzoek van personen die hij identificeert als drugshandelaren, de Benzaldehyde aan te schaffen en op te slaan om geld te verdienen. Hij heeft daarmee zelf bewust het risico op de ingrijpende gevolgen van dat handelen aangenomen. Hij heeft zichzelf inderdaad gemeld bij de politie, dus in zoverre heeft eiser er terecht op gewezen dat hij op een gegeven moment de druk van die betreffende personen heeft weerstaan. Maar het inschakelen van de politie lijkt toch vooral ingegeven te zijn geweest door een gevoel van onveiligheid. Deze omstandigheid weegt daardoor niet zo zwaar dat de sluiting onevenwichtig is. De situatie valt ook niet onder het Damoclesbeleid waar eiser naar verwijst. In dat beleid wordt een kortere sluiting passend gevonden als de verhuurder of eigenaar van een pand melding doet, en de huur aan de bewoner per ommegaande opzegt.
9.3.
Over financiële schade en het verminderd woongenot, waaronder de rechtbank ook de gevolgen over de zwarte lijst bij de woningbouwvereniging begrijpt, heeft de burgemeester in het verweerschrift terecht opgemerkt dat deze inherent is aan de sluiting en in dit geval geen bijzondere omstandigheid vormt die maakt dat van sluiting had moeten worden afgezien. Daarbij weegt zij mee dat eiser zelf eerder heeft verklaard dat huren boven de huursubsidiegrens geen probleem zou moeten zijn en hij dus niet op straat zou komen te staan. In zoverre is het besluit, los gezien van de duur daarvan waar de burgemeester al opnieuw naar moet kijken, dan ook niet onevenwichtig.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2025 onvoldoende is gemotiveerd en dat een deugdelijke evenredigheidsbeoordeling ontbreekt. De rechtbank beschikt op dit moment niet over mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten. Het is namelijk aan de burgemeester om deze evenredigheidsbeoordeling te maken, de motivering aan te vullen en eventueel een nieuw besluit te nemen. Wel ziet de rechtbank in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Dit betekent dat zij een tussenuitspraak zal doen en de burgemeester in de gelegenheid zal stellen om binnen zes weken na deze uitspraak het gebrek in het besluit te herstellen. Om dat te doen moet de burgemeester het bezwaar opnieuw beoordelen.
10.1.
Als de burgemeester geen gebruik wil maken van deze gelegenheid, dan moet hij dit binnen twee weken aan de rechtbank mededelen. Als de burgemeester daar wel gebruik van wil maken, dan krijgt eiser zes weken de gelegenheid om op de herstelpoging van de burgemeester te reageren. De rechtbank zal daarna, in beginsel zonder tweede zitting, einduitspraak doen.
10.2.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan. Dit betekent dat op dit moment geen uitspraak wordt gedaan over de proceskosten, het griffierecht en het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal dit in de einduitspraak doen.
Beslissing
De rechtbank:
draagt de burgemeester op binnen twee weken na de dag van verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
stelt de burgemeester in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2025 te herstellen met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing in de zaak aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzitter, mr. N.J.J. DerksVoncken en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 13 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 2-3.
Vergelijk wat is overwogen onder 5.3 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523.
Vergelijk wat is overwogen onder 5.5 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523.
Zie wat is overwogen onder 10 tot en met 10.2 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Vergelijk in dit kader ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1911.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3368.
Zie wat is overwogen onder 11 tot en met 12 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
De beslissing op bezwaar is daarom genomen in strijd met de artikelen 3:4 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.
Op grond van artikel 8:81a van de Awb.