Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9488

2026-09-16 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12172636 \ CV EXPL 26-1837
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12172636 \ CV EXPL 26-1837
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Huurachterstand. Beschermingsbewind ingesteld na dagvaarding. Bewindvoerder verschenen ter zitting. Bewindvoerder is procespartij. Partijen hebben ter zitting een regeling getroffen. Voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde toegewezen. Minderjarige kinderen aanwezig in het gehuurde. Ontruimingstermijn van één maand. Verhuurder heeft onweersproken gesteld dat bij een gedwongen ontruiming een instantie wordt ingeschakeld die zal voorzien in een opvanglocatie en die tevens voorziet in de nodige maatwerkvoorziening.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.496 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: 12172636 \ CV EXPL 26-1837




Vonnis van 16 september 2026




in de zaak van




STICHTING WELLER WONEN,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Weller,
gemachtigde: Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,



tegen




GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING VOOR SOCIALE KREDIETVERLENING EN SCHULDHULPVERLENING IN LIMBURG, tevens handelend onder de naam KREDIETBANK LIMBURG,
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van


[huurder]
,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Kredietbank Limburg q.q.,
gemachtigde: mr. M.M.F. Starmans.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 30 maart 2026 met producties 1 tot en met 8;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van 5 juni 2026 met bijlagen 1 en 2 van Kredietbank Limburg q.q.;- het bericht van 8 juni 2026 met bijlage 1 van Kredietbank Limburg q.q.;- het bericht van 9 juni 2026 met twee bijlagen van Weller;- de mondelinge behandeling van 17 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- het proces-verbaal van de op de mondelinge behandeling van 17 juni 2026 door partijen gemaakte afspraak.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Weller verhuurt met ingang van 14 juli 2023 aan [huurder] (hierna: [huurder] ) de woning met aanhorigheden aan het [adres] in [plaats 2] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt thans € 738,24 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd steeds voor de eerste dag van iedere maand. Op deze huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen huurovereenkomst woonruimte van 20 maart 2017 van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden).



2.2.

[huurder] heeft (een deel van) de huur niet betaald.



2.3.

[huurder] en Weller hebben een betalingsregeling afgesproken.



2.4.
Op 4 december 2025 heeft Weller [huurder] bericht dat zij niet aan de in de betalingsregeling gemaakte afspraken heeft voldaan en haar voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld het openstaande bedrag te voldoen.



2.5.
Weller heeft op 8 januari 2026 [huurder] schriftelijk aangemaand tot betaling van de vordering van toentertijd € 3.287,36 binnen een termijn van veertien dagen vanaf de dag nadat die brief bij [huurder] is bezorgd, bij gebreke waarvan zij € 549,03 inclusief btw aan incassokosten zou moeten voldoen. [huurder] heeft hieraan geen gevolg gegeven.



2.6.
Weller heeft op 8 januari 2026 [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden en haar op 23 januari 2026 bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.



2.7.
Op 2 april 2026 heeft [huurder] op het kantoor van de gemachtigde van Weller € 1.000,00 betaald.



2.8.
Op 9 april 2026 heeft Weller [huurder] bericht dat zij akkoord gaat met de tijdelijke betalingsregeling van € 50,00 per maand tot 1 juli 2026.



2.9.
Bij beschikking van 30 april 2026 zijn de goederen van [huurder] met ingang van 1 mei 2026 onder bewind gesteld. Kredietbank Limburg q.q. is door de kantonrechter tot bewindvoerder benoemd.





3Het geschil


3.1.
Weller vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of hogere voorziening, de huurovereenkomst zal ontbinden en Kredietbank Limburg q.q. zal veroordelen tot ontruiming van het gehuurde. Tevens vordert Weller – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Kredietbank Limburg q.q. zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:


€ 3.786,37 – bestaande uit € 3.235,16 aan hoofdsom, € 8,50 aan rente en € 542,71 aan incassokosten –, te vermeerderen met de wettelijke rente;


€ 738,24 per maand aan huur c.q. gebruikersvergoeding voor iedere maand, behoudens huurverhogingen, die vanaf 1 april 2026 tot aan de ontruiming mocht zijn verstreken of zijn ingegaan, met veroordeling van Kredietbank Limburg q.q. in de proceskosten.





3.2.
Weller legt aan haar vorderingen de stelling ten grondslag dat [huurder] zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan wanbetaling van de huurpenningen en dat inclusief de maand maart 2026 er een huurschuld is ontstaan van € 3.235,16.



3.3.
Kredietbank Limburg q.q. voert verweer.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



Kredietbank Limburg q.q. als procespartij




4.1.
Vanaf 1 mei 2026 is bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [huurder] , met benoeming van Kredietbank Limburg q.q. tot bewindvoerder. De bewindvoerder treedt in een geding over een onder bewind gesteld goed – zoals de rechten die voortvloeien uit een huurovereenkomst – op als formele procespartij in plaats van degene van wie de goederen onder bewind zijn gesteld. De kantonrechter merkt Kredietbank Limburg q.q. daarom aan als formele procespartij. Dit is in de aanhef van dit vonnis verwerkt.



De ambtshalve toetsing





4.2.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De voor de vordering relevante bedingen over de huurprijs en buitengerechtelijke incassokosten hoeven niet te worden getoetst omdat deze geen verband meer houden met het voorwerp van het geding zoals dat door partijen is afgebakend. Partijen hebben namelijk tijdens de mondelinge behandeling een regeling getroffen.



De vorderingen van Weller





4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat [huurder] aan Weller ter zake aflossing huurachterstand inclusief kosten vanaf 1 juli 2026 een bedrag van € 100,00 per maand zal betalen, dat [huurder] de lopende huur stipt zal voldoen en dat zolang deze regeling door [huurder] wordt nagekomen, Weller een eventueel vonnis tot executie niet ten uitvoer zal leggen en dat Weller persisteert bij het vragen van vonnis als zgn. stok achter de deur. De vorderingen van Weller onder 1 en 2 (zie 3.1) zullen dan ook in zoverre worden toegewezen, met dien verstande dat zij rekening moet houden met de reeds door [huurder] of Kredietbank Limburg q.q. gedane betalingen en dat Kredietbank Limburg q.q. op grond van artikel 6:119 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geen wettelijke rente verschuldigd is over de rente berekend tot 25 maart 2026. Voor de ontbinding en ontruiming begrijpt de kantonrechter de getroffen regeling aldus dat Weller vordert om deze voorwaardelijk uit te spreken.



4.4.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.



4.5.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand € 3.235,16 (meer dan vier maanden). De kantonrechter gaat daarvan uit omdat Weller dit voldoende onderbouwd heeft gesteld in de dagvaarding en het huuroverzicht en [huurder] alleen stelt dat zij altijd netjes heeft betaald, maar dit niet heeft onderbouwd met stukken waar dat uit blijkt. Dat had op haar weg gelegen om te doen omdat zij zich beroept op het rechtsgevolg van de betalingen die door haar zouden zijn gedaan. Ten tijde van de mondelinge behandeling bestond er een huurachterstand van meer dan drie maanden. De kantonrechter gaat daarvan uit omdat partijen hiervoor een regeling hebben getroffen. De huurachterstand is gelet op de hoogte daarvan ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. Dat er betalingen zijn gedaan, de overeengekomen betalingsregeling wordt nagekomen en de lopende huur in mei en juni is betaald, maakt dat niet anders. De tekortkoming wordt daarmee namelijk niet ongedaan gemaakt aangezien de verplichting om de huur op tijd te betalen geschonden blijft. Ook weegt de kantonrechter mee dat Weller heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. De stelling van [huurder] dat zij zich altijd heeft gedragen en dat nooit over haar is geklaagd, hoeft niet te worden beoordeeld omdat dat niets zegt over haar betalingsgedrag en Weller overlast niet aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.



4.6.
De door en namens [huurder] aangevoerde persoonlijke omstandigheden dat er gezondheidsproblemen waren, dat zij twee jaar lang de reiskosten van haar kinderen zelf heeft moeten betalen, dat zij moest inburgeren waardoor zij naar school moest en dat de kosten zijn toegenomen omdat haar zoon ouder werd en naar school moest, maken niet dat sprake is van een tekortkoming van geringe betekenis of bijzondere aard die de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Die omstandigheden komen namelijk voor rekening en risico van [huurder] en doen niet af aan de contractuele verplichting die [huurder] is aangegaan tot het betalen van de huur. Die omstandigheden doen ook niet af aan de belangen die Weller heeft bij een huurder die op tijd aan zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst voldoet. Gelet op de aanzienlijke huurachterstand en dat er eerder betalingsproblemen zijn geweest, is de kantonrechter van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden van [huurder] niet zwaarder wegen dan de belangen van Weller bij ontbinding en ontruiming.



4.7.
In een procedure tot ontruiming van een woning behoort ook tot de relevante omstandigheden van het geval of er kinderen in de woning wonen. Als dat zo is, dan moeten de belangen van deze kinderen in kaart worden gebracht. Bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt moeten deze belangen als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen. Dat betekent niet dat een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.



4.8.
Uit de dagvaarding en de toelichting tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat er drie minderjarige kinderen in de woning wonen van zes, negen en veertien jaar oud. Weller heeft onweersproken gesteld dat zij bij een gedwongen ontruiming CMWW zal inschakelen, welke zal voorzien in een opvanglocatie en tevens voorziet in de nodige maatwerkvoorziening. Daarom zal de kantonrechter de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde toewijzen, maar daaraan wel een langere ontruimingstermijn verbinden dan de gevorderde drie dagen en de – op grond van rechtbankbeleid – veertien dagen ingeval huurder nog in het gehuurde verblijft. De kantonrechter is van oordeel dat een termijn van één maand na betekening van het vonnis een redelijke termijn is om aan het vonnis te voldoen en voldoende recht doet aan de belangen van de minderjarige kinderen van [huurder] . Daarmee is er tijd om – al dan niet met hulpverlening – onderdak voor de kinderen te regelen.



De proceskosten





4.9.
Kredietbank Limburg q.q. wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom verwezen in de proceskosten (inclusief nakosten). Omdat [huurder] een deel van de vordering na dagvaarding heeft betaald, wordt voor de begroting van het salaris gemachtigde aangesloten bij het tarief dat zou gelden voor het toe te wijzen bedrag indien partijen geen regeling zouden hebben getroffen in plaats van het bij dagvaarding gevorderde bedrag. Op de hoogte van het griffierecht heeft de betaling geen invloed omdat het van toepassing zijnde tarief gelijk blijft. Dit betekent dat dat de proceskosten van Weller worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


153,02







- griffierecht


€


529,00







- salaris gemachtigde


€


506,00


(2 punten × € 253,00)




- nakosten


€


126,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.314,52













5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt Kredietbank Limburg q.q. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Weller te betalen € 3.786,37, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.777,87 vanaf 30 maart 2026 tot de dag van voldoening;



5.2.
veroordeelt Kredietbank Limburg q.q. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Weller te betalen € 738,24 per maand, behoudens huurverhogingen, vanaf 1 april 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,



5.3.
veroordeelt Kredietbank Limburg q.q. tegen behoorlijk bewijs van kwijting in de proceskosten van € 1.314,52, te vermeerderen met de kosten van betekening als Kredietbank Limburg q.q. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.4.
verstaat dat de betalingen die [huurder] dan wel Kredietbank Limburg q.q. na het uitbrengen van de dagvaarding aan Weller hebben gedaan, op de voet van het bepaalde in artikel 6:44 BW op bovenstaande bedragen in mindering worden gebracht,



5.5.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] in [plaats 2] en veroordeelt Kredietbank Limburg q.q. om binnen één maand na betekening van dit vonnis het gehuurde te verlaten, te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Weller zijn, ontruimd te houden, de sleutels af te geven aan Weller en ter vrije en algehele beschikking van Kredietbank Limburg q.q. te stellen, indien en zodra aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:


Kredietbank Limburg q.q. is in gebreke met de voldoening van enige termijn van € 100,00 per maand ter zake de aflossing huurachterstand inclusief kosten vanaf 1 juli 2026; en/of


Kredietbank Limburg q.q. is in gebreke met de stipte voldoening van de lopende huur,





5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,









5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.


















































HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525.


Artikel 4.2 van de huurovereenkomst.


Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden.


Zie rov. 4.3.


Artikel 6:265 BW.


HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.


Productie 1 bij dagvaarding.


HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799.


Artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.